Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde
Chapter 15
Met een diepen zucht ontwaakte Iwein uit zijn bewusteloozen toestand. Toen hij de oogen opsloeg en om zich heen zag, gevoelde hij terstond, dat er iets met hem was voorgevallen. Het scheen hem toe, of er een drukkende band van zijne hersenen was weggenomen, en hij nu weer in staat was om helder te denken. Geen verwarde droombeelden trokken langer in bonte rij voor het oog zijner verbeelding voorbij, hij zag het groene woud om zich heen, hij hoorde het gekweel der vogels in de dicht bebladerde takken boven zijn hoofd en voor 't eerst bezag hij zichzelven met een gevoel van schrik en afschuw. Daar viel zijn oog op de nieuwe uitrusting, welke voor hem gereed lag en op het ongeduldig stampende strijdros. Als in een droom ontdeed hij zich van de havelooze lompen, waarin hij gekleed was, en trok de fraaie kleeren aan, wier fijne, zachte stoffen hem bij de eerste aanraking vreemd aandeden. Daarna steeg hij te paard en toen hij den voet in den stijgbeugel stak en den rug van het dier onder zich gevoelde, trokken de laatste nevelen in zijn brein op om het licht der herinnering vrijen doortocht te verleenen. Alles stond hem nu weer helder voor den geest, zijn leven aan het hof, het bezoek van Luned, haar woorden van smaad--maar van wat daarna geschied was, had hij slechts eene verwarde herinnering, als van een benauwden koortsdroom. Hij vroeg zich af, hoe hij zoo plotseling genezen kon zijn en wie de kleederen en het paard aan hem gezonden kon hebben. Terwijl hij aarzelde, welke richting hij uit zou rijden, ontwaarde hij tusschen de struiken de jonkvrouw te paard en weldra vernam hij van haar, hoe zijne redding zich had toegedragen. Gaarne voldeed hij aan haar verzoek om haar te volgen naar het kasteel harer meesteres en aldaar aangekomen, bedankte hij de burchtvrouwe in warme bewoordingen voor wat zij voor hem gedaan had. Hij eindigde met haar zijne diensten aan te bieden, indien zij haar van nut konden zijn. "Dat is helaas maar al te zeer het geval", sprak zijne schoone gastvrouw zuchtend; "want mijne bezittingen worden bedreigd door een boozen graaf, en wat vermag ik, zwakke vrouw, tegen hem en zijne ridders?" "Welnu dan", antwoordde Iwein, "sta mij toe, dat ik den strijd tegen uw vijand aanbind en zoo God wil, zal ik u uit zijnen dwang bevrijden". Dit aanbod bleek te rechter tijd gedaan te zijn, want reeds den volgenden morgen meldden de torenwachters den aantocht van een groot leger, dat weldra zijne tenten rondom het kasteel opsloeg en alles voor eene belegering in gereedheid bracht. Den ganschen dag heerschte er groote bedrijvigheid in het vijandelijke kamp, maar Iwein wachtte bedaard zijne kans af en eerst toen de avond viel en de geluiden die uit de legerplaats van graaf Aliers opstegen, allengs verstomden achtte hij het oogenblik gekomen om zijn slag te wagen. In alle stilte wapende hij zich en gebood een tiental aanhoorigen van het kasteel om hetzelfde te doen. Daarop gaf hij bevel de ophaalbrug neer te laten en onder het aanheffen van een luiden strijdkreet draafde hij met zijne volgelingen de hoofdpoort van het kasteel uit. Alles wat hun in den weg kwam, werd terneergeveld en hun uitval was zóó onstuimig en tevens zóó verrassend, dat de dienaren van den graaf, die in de vallende duisternis het ware getal hunner aanvallers niet naar juistheid konden schatten, in aller ijl het hazenpad kozen. Links en rechts om zich heen slaand, baande Iwein zich een weg door den verwarden drom van strijdende en vluchtende knechten en bevond zich weldra tegenover den graaf, die in aller haast te paard was gestegen om zijne manschappen te verzamelen.
Met een behendigen zwaardstoot sloeg Iwein hem de strijdspeer uit de hand en toen hij aldus zijn vijand in zijne macht had, dwong hij Aliers voor hem uit te rijden in de richting van het kasteel. Zoo bracht hij hem het slotplein op, waar de burchtvrouwe met haar gevolg in angstige spanning den afloop van den strijd verbeidde, en deed hem neerknielen voor haren zetel. De strijd was nu natuurlijk beslist. Graaf Aliers moest plechtig beloven de bezittingen van Iwein's gastvrouw met rust te laten en de helft zijner landgoederen als losprijs aan haar af te staan. Eerst toen kreeg hij zijne vrijheid terug en mocht naar zijn graafschap wederkeeren, terwijl in het kasteel de heugelijke afloop van den strijd met blijden jubel werd gevierd. Den volgenden morgen kwam de Vrouwe van het slot tot Iwein en sprak: "Edele Heer! hoe kan ik u ooit genoeg danken voor wat gij voor mij en de mijnen gedaan hebt. Zonder uw hulp stond ik thans arm en van have en goed beroofd in de wereld, maar gij hebt mij gered uit de handen van dien booswicht. Daarom kom ik tot u om u te vragen welke belooning ik u geven kan voor uw menschlievend en dapper gedrag. Wanneer het voor u eenige waarde heeft, zoo bied ik u mijzelve en al mijne bezittingen aan. Indien gij in ons midden blijven wilt, zal ik u tot heer en meester maken van alles, wat ik bezit en ik zelve zal mijn leven wijden aan uw geluk".
Iwein schudde het hoofd: "Gij zijt mij geen dank verschuldigd, schoone vrouwe", sprak hij ernstig, "zonder u zwierf ik nog als een wild dier rond in de bosschen en het weinige, dat ik voor u deed, geschiedde uit diepe erkentelijkheid. Is het bovendien niet de plicht van iederen ridder om te strijden voor recht en billijkheid; om de zwakken te steunen en de boozen te bestrijden? Wat nu verder uw aanbod betreft, zoo dank ik u daarvoor uit het diepst van mijne ziel. Ik mag echter de wonderschoone gave, die gij mij aanbiedt, niet van u aannemen, want mijn hart is niet vrij, al ben ik ook veroordeeld om eenzaam, zonder liefde, rond te dolen. Daarom moet ik verder gaan; mijne smart laat mij geen rust om langeren tijd ergens te vertoeven. Sta mij slechts toe om de uitrusting, die ge mij geschonken hebt, als loon voor wat ik deed, mede te nemen en nu--Vaarwel!"
_Van Iwein's verdere zwerftochten en van zijne ontmoeting met den leeuw._ Daarop nam Iwein afscheid van de jonkvrouw, steeg te paard en reed opnieuw de bosschen in. Nu de opwinding van den strijd bedaard was, kwam de smart om het geluk, dat hij verspeeld had, met vernieuwde kracht bij hem boven en in somber gepeins reed hij over de smalle boschpaden, waar de takken zóó dicht naar elkaar toebogen, dat zij in het voorbijrijden langs zijn gelaat streken.
Plotseling werd hij opgeschrikt door een klagelijk gebrul en op het geluid afgaand, bevond hij zich weldra op een open plek in het bosch, waar een zonderling schouwspel zijn oog trof. In het midden lag een groot rotsblok en uit eene diepe kloof daarin stak de kop van eene slang, welke in gevecht was geraakt met een leeuw. Deze poogde tevergeefs om voorbij de rots te komen, maar de slang schoot telkens van uit de rots te voorschijn en spuwde haar venijn in de richting van haren tegenstander.
Toen Iwein dit zag, sprong hij uit het zadel, verborg zich in het kreupelhout en het oogenblik te baat nemend, dat de slang zich opnieuw vertoonde, sloeg hij haar met een enkelen zwaardslag den kop af. Hij veegde zijn wapen af aan het lange gras en maakte zich gereed om zich tegen den leeuw te verdedigen, toen hij tot zijne verbazing zag, hoe het dier zich voor hem ter aarde wierp, op de buik naar hem toekroop en met zijne breede tong zijne voeten trachtte te likken. Toen Iwein het zwaard in de scheede stak en weer te paard steeg, volgde, de leeuw hem als een hond. Op aandoenlijke wijze trachtte het dier zijnen aangenomen meester zijne dankbaarheid te betuigen. Bij het vallen van den avond, toen Iwein zijn legerplaats voor den nacht in gereedheid wilde brengen en hout ging verzamelen voor een vuur, was de leeuw hem daarbij behulpzaam en toen daarop Iwein zijn paard verzorgde, verdween de leeuw, om na eenigen tijd terug te keeren met een dooden reebok in zijn bek. Luide gaf hij zijne dankbaarheid te kennen, toen zijn meester hem daarvan eenige stukken toewierp.
Zoo zwierven deze vreemde metgezellen eenigen tijd samen rond en naarmate de dagen tot weken en de weken tot maanden werden, voelden zij zich steeds nauwer aan elkander verbonden. De trouwe aanhankelijkheid van den leeuw deed Iwein weldadig aan en zijn gezelschap was hem op dit oogenblik liever dan dat zijner medemenschen.
_Hoe Iwein op zijn zwerftochten opnieuw aan de bron komt en van zijne ontmoeting aldaar._ Na eenige maanden gebeurde het, dat de beiden op hunne omzwervingen opnieuw bij de bron kwamen, waar Iwein Laudine's echtgenoot verslagen had. Alles op die plek was onveranderd gebleven; slechts de bladeren van den boom waren goudbruin inplaats van groen en nu en dan vielen er eenige omlaag op den steen. Toen Iwein al deze bekende dingen terug zag, die in hem de herinnering verlevendigden aan de gebeurtenissen uit het verleden, werd hij opnieuw door zijne smart overmeesterd en kreunend zonk hij naast de bron neer. Wat baatte hem zijn bitter berouw en verlangen? Hij had gezondigd tegen den wil zijner liefste, hij had haar verwaarloosd en vergeten in de blinde jacht naar eer en aanzien en nu had hij voor altijd haar verloren, zonder wie zijn bestaan voor hem geen waarde had! Wat zou hij nog langer blijven voortleven? Liever dood, dan deze kwellende eenzaamheid! Zijn besluit was genomen, met vaste hand greep hij zijn zwaard en wilde er zich in storten, toen een smartelijk gehuil van den leeuw hem van deze wanhoopsdaad terughield. Opziende bemerkte hij hoe zijn trouwe metgezel zich voor hem op den grond wentelde van angst en hem aanzag met een blik, zóó vol smartelijke verbazing, dat hij de smeeking daarvan niet kon weerstaan. "Dit arme dier heeft mij lief", zoo dacht hij, "en ter wille van hem zal ik in 't leven blijven."
Nauwelijks had hij deze woorden tot zich zelven gesproken of hij hoorde het geluid eener menschelijke stem, die scheen te komen uit eene kleine kapel, welke op korten afstand van de bron was gelegen. Aanvankelijk meende hij, dat hij het zich slechts verbeeldde, want het scheen hem onmogelijk toe, dat zich inderdaad een menschelijk wezen op deze eenzame plek zou bevinden, maar toen hij dichter bij de kapel kwam, hoorde hij het geluid nog duidelijker en kon hij zelfs de woorden onderscheiden. In het begin waren het slechts vage klanken, diepe zuchten en smartelijk gekreun, maar na eenigen tijd verstond hij het volgende: "Zou er iemand op de wereld zijn, die ongelukkiger is dan ik? Nog één dag, nog een luttel aantal uren en ik zal een wreeden dood sterven en toch heb ik niets gedaan om zulk een vreeselijk lot te verdienen. Is er dan niemand, die mij helpen kan?" Daarop volgde een wanhopig gesnik. Ontsteld luisterde Iwein toe. Aan de stem hoorde hij, dat het eene vrouw was, die daarbinnen was opgesloten, wie kon zoo wreed zijn om haar te willen dooden? Met zijne speer klopte hij op de deur van de kapel en vroeg dringend: "Wie zijt gij? en waarom klaagt gij zoo? Van welken kant dreigt u gevaar en waarmede kan ik u helpen"? Een oogenblik was het stil in de kapel, toen begon de stem weer te spreken, maar op geheel anderen toon. "Zou er werkelijk nog redding voor mij komen opdagen? Ik hoor het aan uwe stem, die een vriendelijken, bijkans vertrouwden klank heeft: gij zijt mij goed gezind! Welnu, luister dan, want de tijd dringt en zoo ge mij helpen wilt, dient dit spoedig te geschieden. Mijn naam is Luned en tot voor korten tijd was ik de vertrouwde dienares van eene rijke, edele vrouwe, Laudine genaamd. De voorkeur, die zij mij schonk, wekte echter groote afgunst onder hare volgelingen, die steeds erop bedacht waren om mij tegenover mijne meesteres in een zwart daglicht te stellen. Eindelijk scheen hun dat te gelukken; ik werd van verraad beschuldigd door den hofmeester en zijne beide broeders en hunne aanklacht was zoo listig opgezet, dat zij allen schijn van waarheid bezat. Toen heb ik, dwaze, in een oogenblik van hooghartigen overmoed, hun toegeroepen, dat ik gemakkelijk een ridder zou kunnen vinden, die mijn goeden naam met de kracht van zijn zwaard tegen hen zou willen verdedigen en terstond namen zij mijne uitdaging aan. Zij gaven mij veertig dagen uitstel, om een ridder te zoeken, die voor mijne zaak wilde strijden, doch wanneer ik hem na afloop van dien termijn niet gevonden had, zouden zij mij op den brandstapel terechtstellen. Gisteren waren de veertig dagen verstreken en ik heb tevergeefs gezocht, want er zijn slechts twee ridders, die mij kunnen helpen: de één is Heer Iwein, maar helaas, ik weet niet, of hij leeft, of dood is, en de ander, Heer Walewein, was juist afwezig, toen ik aan het hof kwam, om zijne hulp in te roepen. Mijne belagers hebben mij nu hier opgesloten en morgen in den namiddag zal het vonnis aan mij voltrokken worden".
Het is moeilijk de aandoeningen te beschrijven, die zich van Iwein's gemoed meester maakten bij het hooren van dit droevig verhaal. Het was dus Luned, de trouwe dienares, die hem in het schoone verleden zulke onschatbare diensten had bewezen, die nu in zulk een groot gevaar verkeerde. Hoe dankte hij God, dat hij te rechter tijd aan de bron was gekomen om haar te redden, aan wie hij zooveel verschuldigd was? Met ontroerde stem sprak hij: "Wees niet langer bevreesd, Luned, ik ben Iwein, die tot u spreekt en ik zal u helpen, opdat ik aan u goed moge maken, wat ik tegenover uwe meesteres misdeed. Morgen zal ik op den vastgestelden tijd aanwezig zijn om u te verdedigen. Noem echter mijn naam niet, wat ik u bidden mag, want ik wensch niet herkend te worden. Morgen zien wij elkander hier!"
Daarop reed Iwein verder, om zoo mogelijk een onderkomen voor den nacht te vinden. Met het oog op den komenden strijd verlangde hij zich eenige uren uit te kunnen strekken op een zachter rustbed dan de woudbodem hem bieden kon en ook lachtte het denkbeeld hem toe, om zich voor 't eerst na langen tijd aan een goed voorzienen disch te schikken. Met blijdschap ontdekte hij daarom de tinnen van een kasteel en hij spoorde zijn vermoeid paard aan tot vernieuwden spoed. De hoofdpoort van den burcht werd bewaakt door vier gewapende lansknechten, die bij zijne nadering eerbiedig ter zijde traden om hem door te laten. Toen zij echter den leeuw bespeurden, die Iwein nog steeds op den voet volgde, wierpen zij onder luide angstkreten hunne wapenen weg en renden ijlings het voorplein op. Iwein riep hen evenwel terug en stelde hen met een enkel woord gerust. Toen zij hem echter verzochten, den leeuw buiten het kasteel te laten, weigerde hij beslist, zulks te doen. Zoo traden dus de beiden het kasteel binnen, waar Iwein welwillend werd ontvangen door den burchtheer, zijne dochter en een talrijk gevolg van edelen. Ondanks de vriendelijke ontvangst, bemerkte hij spoedig, dat alle aanwezigen in eene gedrukte stemming verkeerden. Zijn gastheer staarde bijwijlen somber voor zich uit en zijne schoone dochter wischte nu en dan steelsgewijze eenige tranen weg.
Bezorgd vroeg Iwein naar de oorzaak van deze gedruktheid en na eenig aarzelen gaf zijn gastheer hem ten antwoord: "Weliswaar past het mij niet, om onzen gast te onthalen op een verslag van onze tegenspoeden, maar het zou ten slotte onmogelijk zijn de noodlottige ramp, die ons dreigt, voor u te verbergen. Weet dan, dat de omtrek hier onveilig gemaakt wordt door een reus, Harpijn genaamd. Dit monster heeft mijne bezittingen reeds grootendeels verwoest, maar erger nog dan dat, hij heeft twee mijner vier zonen op gruwelijke wijze om het leven gebracht. Toen nu onlangs de beide anderen in het bosch op de jacht waren, heeft hij hen onverhoeds overvallen en gevankelijk met zich mede gevoerd. Hij dreigt hen het lot hunner ongelukkige broeders te doen ondergaan, indien ik hem niet mijne dochter tot vrouw wil geven. Morgen komt hij mijn antwoord halen en hij zweert, dat hij mijne zonen voor mijne oogen zal dooden, als ik weiger. Gij kunt u denken, wat er in mij omgaat! Mijne zoons zijn mij dierbaarder dan mijn leven, maar aan den anderen kant is het mij onmogelijk, mijne dochter, het licht mijner oogen, aan een dergelijk monster over te leveren. Tevergeefs zond ik een bode naar het hof van koning Arthur ten einde Walewein, mijn zwager, te verzoeken, mij te helpen. Ik zelve ben oud en zwak en geen mijner volgelingen durft den strijd tegen den reus aan te binden".
Diep ontroerd door de smart van den grijzen ridder bood Iwein hem aan, om te trachten zijne zoons uit de klauwen van het monster te bevrijden, zonder daartoe zijne dochter op te offeren. "Ter wille van de gastvrijheid, die gij mij ondanks uwe droevige omstandigheden zoo vriendelijk geboden hebt, en ook ter wille van uwe verwantschap tot Walewein, mijn vriend, bied ik u mijne diensten aan, indien tenminste de strijd morgen vroeg kan plaats vinden, want in den namiddag heb ik mijn woord gegeven, om elders te strijden". Groot waren de vreugde en dankbaarheid van den burchtheer en zijn gezin.
Toen de morgen aanbrak, meldden de wachters op de wallen de nadering van den reus. Deze was inderdaad een afschrikwekkend monster; zijn borstelig haar stond recht overeind, zijne oogen rolden onheilspellend en zijn reusachtig lichaam rustte op twee kromme beenen, waardoor hij een waggelenden gang kreeg. Met bulderende stem riep hij den burchtheer toe, hem zijne dochter uit te leveren en dreigend zwaaide hij zijne knots tegen de twee ongelukkige jongelingen, die hij meer dood dan levend achter zich aan sleepte. De arme vader, die zich van angst nauwelijks op de been kon houden, gaf hem ten antwoord, dat hij de zaak wilde doen beslissen in een tweegevecht, waartoe een ridder uit zijn slot zich bereid had verklaard. Met een vreeselijken hoonlach nam Harpijn de uitnoodiging aan en een oogenblik later reed Iwein met gesloten vizier de poorten van het kasteel uit. Toen de reus hem zag naderen, schoot hij hem onder afschuwelijk gebrul tegemoet en zwaaide onheilspellend zijne knots, maar Iwein liet zich niet afschrikken en richtte zijne speer nauwkeurig op de borst van zijnen vijand. Zijn krachtige stoot deed den reus achterover tuimelen, een breede bloedstroom golfde uit de wond, maar nog wist Harpijn zich op de been te houden en in razende woede sloeg hij thans op Iwein los. Deze had alle moeite om zich staande te houden en de beukende slagen van zijn aanvaller zooveel mogelijk te ontwijken, toen plotseling de leeuw, die in angstige spanning den strijd van zijn geliefden meester had gadegeslagen, met een luid gebrul naar voren sprong en met zijne scherpe klauwen den reus van het hoofd tot de voeten het vel van het lichaam scheurde. Iwein vatte bij het zien van deze onverwachte hulp nieuwen moed, greep zijn slagzwaard en scheidde met een enkelen slag zijn tegenstander het hoofd van den romp. Terstond schalden luide juichkreten van de muren van den burcht; de poorten werden opengeworpen en eene groote menigte stroomde naar buiten en omringde Iwein met uitbundige dank- en vreugdebetuigingen. De beide zoons van den slotheer werden behoedzaam naar binnen geleid, waar zij onder de teedere zorgen hunner moeder weldra het doorgestane leed vergaten en Iwein werd gehuldigd als hun aller helper in den nood.
Onder al deze gebeurtenissen was de zon allengs haar toppunt genaderd en onze held maakte zich haastig gereed om naar de kapel te rijden. Tevergeefs noodigde zijn gastheer hem uit om na afloop van den strijd terug te keeren en eenigen tijd in zijn kasteel te vertoeven. Iwein wist maar al te wel, dat er voor hem geen plaats bestond, waar hij rust en verpoozing kon vinden, zoolang de smart over zijne scheiding van Laudine hem kwelde. Het eenige bestaan, dat hem dragelijk toescheen, was een rusteloos voortjagen van het eene avontuur naar het andere, in welk opwindend bestaan hij eene tijdelijke vergetelheid vond voor zijn knagend verdriet.
Na een ademloozen rit kwam hij nog juist op tijd bij de kapel aan. Een talrijke menschendrom had zich op de vlakte verzameld om de uitspraak van het vonnis bij te wonen en hoog boven de menigte uit sloegen reeds de lekkende vlammen van den brandstapel.
Maar Iwein zag niets van dit alles. Zijn blik bleef gespannen op één punt, waar op eene kleine verhevenheid, Laudine troonde. Met begeerige oogen nam Iwein het dierbare gelaat in zich op, het was bleek en ernstig en de mooie, blauwe oogen zagen droef en peinzend voor zich uit. Men kon zien, dat zij in deze treurige zaak slechts den wil van hare aanhoorigen volgde, maar dat haar hart ineenkromp bij de gedachte aan het vreeselijk lot dat Luned zou treffen. Deze stond met gebogen hoofd en op den rug samengebonden handen haar vonnis af te wachten. Toen zij het gedreun van naderende paardenhoeven hoorde, lichtte zij het hoofd op en een zwakke straal van vreugde verlichtte haar bleek en beschreid gelaat.
"Gij komt juist op tijd, edele heer", sprak zij, "ik vreesde reeds, dat gij uwe belofte niet zoudt nakomen, moge God u bijstaan in den komenden strijd!"
Iwein groette eerbiedig Laudine en alle verdere aanwezigen, zonder echter zijn vizier op te lichten, daarna wendde hij zijn paard in de richting van den hofmeester en zijne broeders, die Luned van verraad beschuldigd hadden en daagde hen met luider stem uit ten strijde. Toen zijne tegenstanders den leeuw zagen, die met dreigend opgeheven kop achter zijn meester bleef staan en de lucht deed trillen van zijn vervaarlijk gebrul, waagden zij zich niet voorwaarts en eischten van Iwein, dat hij het dier buiten den strijd zou laten. Iwein gebood den leeuw toen te gaan liggen, aan welk bevel hij gevolg gaf. Daarop begon de strijd van drie tegen één. Door zijne buitengewone krachten en behendigheid wist Iwein de slagen af te weren, die van alle zijden op hem neerregenden. Zelf slaagde hij er na korten tijd in, den hofmeester uit het zadel te lichten. Deze viel met een doffen smak op den grond, maar richtte zich weldra op en kwam met het zwaard in de hand op hem toe. Toen de leeuw dit nieuwe gevaar voor zijn heer zag opdagen, kon hij zich niet langer bedwingen. Met één sprong wierp hij zich op den hofmeester en verpletterde hem onder zijne klauwen. De beide broeders van den ongelukkige keerden zich nu tegen den leeuw, dien zij verscheidene diepe wonden toebrachten, maar toen Iwein het bloed zag vloeien van zijne trouwen makker, ontstak hij in zulk eene heftige woede, dat hij weldra zijn beide tegenstanders ter neder geveld had. Daarop wierp hij hunne lichamen op den brandstapel met den uitroep: "Zoo moge het allen verraders vergaan!"
Groot was de vreugde allerwegen over Iwein's overwinning, want de hofmeester was gehaat en gevreesd bij zijne onderhoorigen. Laudine dankte den ridder, met tranen van dankbaarheid in de oogen, voor de hulp aan hare dierbare vriendin bewezen en verzocht hem haar te volgen naar haar kasteel om aldaar genezing te vinden voor de wonden, die hij in den strijd had opgedaan. Maar Iwein, die begreep, dat deze vriendelijke bejegening niet hemzelf gold, maar den vreemdeling, dien zij in hem zag, weigerde hoffelijk, maar beslist, aan hare uitnoodiging gevolg te geven. "Zeg mij dan tenminste uwen naam", sprak Laudine, "opdat ik weten zal, wien ik zooveel dank verschuldigd ben!" "Vrouwe, men noemt mij den Leeuwenridder", antwoordde Iwein, "meer kan en wil ik u niet zeggen. Vaarwel! en moge de hemel u beschermen en elke droefenis, die u drukt, in blijdschap doen verkeeren!"
Met deze woorden nam hij afscheid van Laudine, maar vóór zijn vertrek wist hij nog in 't geheim eenige woorden met Luned te wisselen. "Bewaar het geheim van mijn naam", verzocht hij haar, "maar wanneer gij iets voor mij wenscht te doen, beproef dan mijne vrouw gunstig voor mij te stemmen en eene verzoening tusschen ons beiden mogelijk te maken".