Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde
Chapter 14
"Waarom weent gij zoo, Vrouwe?" vroeg Luned op zachten toon. Driftig hief Laudine het hoofd omhoog en zeide, met door tranen verstikte stem: "Hoe kunt gij mij zoo iets vragen? Weet gij dan niet, dat gij hier de rampzaligste vrouw ter wereld voor u ziet? Zijt gij dan doof en blind geworden, dat gij niet gehoord en gezien hebt, hoe mijn echtgenoot, de dapperste en edelste ridder, die op Gods wijde wereld te vinden was, door een sluwen moordenaar gedood is? En vraagt gij mij dan nog, waarom ik ween? Ik had andere taal uit uw mond verwacht en reeds bevreemdde het mij, dat gij niet eerder tot mij waart gekomen, om mij uwe deelneming te betuigen in mijn onherstelbaar verlies!" "Onherstelbaar?" hervatte Luned op den zelfden zachten toon. "God geve, dat dit niet zoo zij, want wie zal in de toekomst uwe landen en eigendommen verdedigen, wanneer gij blijft treuren over iets, dat nu eenmaal gebeurd is? Mijn meester was een edel man en moedig in den strijd, maar de wereld kent nog dapperder en sterker ridders dan hij!" "Ik gebied u te zwijgen!" riep Laudine haar met fonkelende oogen toe. "Nooit zag ik in mijn leven een ridder, die uwen heer in moed en behendigheid overtrof en het past u allerminst om hem aldus te belasteren, nu hij niet meer in ons midden is!" "En de ridder dan, die hem versloeg?" hervatte Luned, "gij zult toch niet willen ontkennen dat hij sterker moet geweest zijn dan uw echtgenoot! Wat baat het u, om te treuren over den doode? Wanneer straks koning Arthur met zijne ridders aan de bron komt en hij niemand vindt om hem te weerstaan, zal hij uwe bezittingen verbeurd verklaren, omdat gij niet in staat zijt, ze te verdedigen. Daarom moet gij zoo schielijk mogelijk uitzien naar een ridder, die de plaats van uw gestorven echtgenoot in zal nemen". "Ga weg uit mijne nabijheid, hartelooze vrouw!" riep Laudine "en kom mij nooit meer onder de oogen! Liever verloor ik al mijne have en goed, dan dat ik zulk eene trouwbreuk pleegde aan de herinnering van hem, die mij boven alles dierbaar was!" "Het zij zoo", antwoordde Luned, "wat ik zeide, was voor uw eigen bestwil, maar gelijk meestal het geval is: onbaatzuchtige raad vindt zelden een goed gehoor". Met deze woorden verwijderde zij zich langzaam in de richting der deur, maar alvorens zij deze bereikte, riep Laudine, die zich de vele diensten herinnerde, welke Luned haar reeds bewezen had, haar terug en zeide: "Ga niet zoo heen! Ik weet het, uwe bedoeling is goed, maar gij moet toch inzien, dat het onmogelijk voor mij is, uwen raad op te volgen? Waar zou ik een ridder vinden, die mij en de mijnen zou willen beschermen en verdedigen?" "Laat dat maar aan mij over", riep Luned op verheugden toon uit, "ik zelve zal naar het hof van koning Arthur rijden en den edelsten en machtigsten ridder aldaar zal ik verzoeken, om u te helpen. Vertrouw op mij; ik zal niet zonder hem terugkeeren!" Half ongeloovig zag hare meesteres haar aan. "En indien gij eens te laat mocht komen", sprak zij, "wat moet ik dan beginnen, die hier alleen en zonder bescherming achterblijf?" "Dat zal niet gebeuren", stelde Luned haar gerust. "Binnen drie dagen kan ik van mijne reis teruggekeerd zijn en vóór dien tijd kan het leger van koning Arthur onmogelijk de bron bereikt hebben. Wees gerust, alles zal in orde komen!" Dienzelfden avond maakte Luned zich met veel vertoon van haast voor haren tocht gereed; in werkelijkheid echter hield zij zich drie dagen achtereen verscholen in hare torenkamer en op den avond van den derden dag begaf zij zich opnieuw, ditmaal echter in gezelschap van Iwein, naar de vertrekken harer meesteres. Zij verzocht hem in de gang op haar te wachten en trad alleen de kamer van Laudine binnen. Deze liep haar in angstige spanning tegemoet, greep haar bij den arm en sprak: "Welnu, wat brengt gij voor nieuws?" "Goed nieuws breng ik u, edele vrouwe!" antwoordde Luned, "want den dappersten held aan Arthurs hof heb ik bereid gevonden om u bij te staan en voor uwe belangen te strijden!" "Wie is dat dan? zeg het mij, vlug! opdat ik uit de vreeselijke spanning dezer laatste drie dagen bevrijd worde!" "Het is Iwein, edele vrouwe! de zoon van koning Uriens van Wallis, een der hoogst aangezetenen van Arthurs ridderschap!" "Wanneer komt hij?" "Vrouwe, hij is reeds hier en wacht met ongeduld het oogenblik af, waarop gij hem wilt ontvangen!" "Laat hem binnenkomen!" Daarop ging Luned naar de deur, opende die en verzocht Iwein om binnen te treden. Aarzelend en met neergeslagen oogen trad deze de kamer binnen, waar hij voor 't eerst zijne geliefde zou ontmoeten. Een zekere schroom belette hem, de oogen naar haar op te slaan; hij kon het denkbeeld niet van zich afzetten, dat hij, zij het ook in een eerlijken strijd, haar echtgenoot gedood had en de gestalte van den zwarten ridder scheen zich tusschen hem en de vrouw, die hij liefhad, te plaatsen. Daarbij hinderde het hem, dat Laudine van dit alles niets afwist en hij zoodoende onder een valschen schijn zijn doel zou bereiken.
Laudine daarentegen vestigde hare oogen in gretige afwachting op den naderenden ridder en toen zij Iwein zag, werd zij onwillekeurig getroffen door zijn schoon en krachtig voorkomen. Hij was gekleed in een engsluitend karmozijnrood buis, om het midden droeg hij een breeden gordel, bezet met edelgesteenten en van zijne schouders golfde een wijde mantel van goudkleurig brocaat. De baret met de lange, wuivende veer hield hij in de rechterhand, de linker rustte op het gevest van zijn zwaard.
Toen hij voor den zetel van Laudine was genaderd, boog de ridder zich diep ter aarde en waagde het daarna eindelijk, de oogen tot haar op te slaan. Nog steeds echter sprak hij geen woord, totdat Luned, die door zijn zwijgen ongeduldig werd en voor het welslagen van haar plan begon te vreezen, hem toeriep: "Maar spreek dan toch, Heer! nooit tevoren zag ik een ridder, die in de tegenwoordigheid eener schoone vrouwe zoo goed het stilzwijgen kon bewaren! Zeg haar het geheim van uw hart en laat haar beslissen over uw lot!"
Daarop begon Iwein te spreken. Hij viel op de knieën voor Laudine neer en zeide met zachte, doch vaste stem: "Schoone Vrouwe, uw dienares heeft gelijk met zich te verbazen over mijn stilzwijgen, maar mijn hart is zóó vol, van alles wat ik u te zeggen heb, dat ik niet recht weet, waarmede te beginnen. Laat mij dan vóór alle dingen aan u bekennen, dat ik het ben geweest, die uw echtgenoot den doodsteek toebracht!" Bij het hooren van deze woorden deinsde Laudine achteruit, alsof zij door een vergiftig dier gestoken werd, maar uit den blik, dien Iwein naar haar opsloeg sprak zooveel eerbiedige bewondering en eerlijk zelfvertrouwen, dat zij besloot haar oordeel op te schorten, tot zij meer omtrent zijne geschiedenis wist en met eene enkele handbeweging beduidde zij hem, om verder te gaan.
"Oordeel niet te hard over mij, wat ik u bidden mag", vervolgde Iwein, "ik streed met hem in een eerlijk tweegevecht, waartoe hij mij uitdaagde en ware de strijdkans hem gunstig geweest, dan zou hij misschien een volgend maal gevallen zijn. Daarom, smeek ik u, wees niet vertoornd op mij, maar aanvaard mijne diensten, die ik u aanbied!"
"Zoudt gij dan werkelijk bereid zijn, om voor mij te strijden en mijne eigendommen te verdedigen tegen de aanvallen, die er tegen ondernomen zullen worden?" vroeg Laudine. "Waarom zoudt gij zulks doen? Het is eene zware taak, die gij op uwe schouders neemt, bedenk dat wel, en niemand dwingt er u toe!" "Daarin vergist gij u", gaf Iwein ten antwoord, "er is eene macht op aarde, sterker dan het gezag van koningen en keizers. Zij regeert over armen en rijken, over den vorst evengoed als over den bedelaar en haar gezag is onverbiddelijk als de dood. Deze macht is de liefde en zij is het, die mij aanspoort om u te dienen, want één ding moet ik u zeggen, al zou het mij mijn leven kosten: ik bemin u met geheel mijne ziel en mijn hoogste wensch op aarde is: u de mijne te mogen noemen!"
Laudine had met stijgende ontroering naar zijne woorden geluisterd en toen hij ophield met spreken en nog steeds geknield voor haar bleef liggen, stak zij hem beide handen toe en zeide blozend: "Het zou ondankbaar van mij zijn, indien ik uw vriendelijk aanbod beantwoordde met u te laten dooden en bovendien onverstandig ook, want waar zou ik een anderen ridder vinden, die mij op zulk eene onbaatzuchtige wijze wilde helpen? Neen, blijf liever voor mij leven en indien het u gelukkig maakt, kan ons huwelijk binnen korten tijd voltrokken worden."
Dienzelfden avond riep Laudine hare edelen en volgelingen bijeen, om hunne goedkeuring over haar besluit te vernemen. Toen zij hoorden, dat Iwein, een prins van den bloede en een dapper ridder, om de hand van hunne meesteres was komen dingen en de gelofte had afgelegd, dat hij de bron zou verdedigen tegen alle aanvallen, gaven zij volgaarne hunne toestemming tot het huwelijk.
Dit werd dienzelfden avond nog voltrokken en in de zalen, die eenige dagen tevoren getuigen waren geweest van den rouw en de droefenis om den gestorven meester, heerschten nu vreugde en feestgejoel om de komst van den nieuwen heer. De bruiloftsfeesten werden in alle pracht en praal gevierd en duurden verscheidene weken. Het was eene bonte aaneenschakeling van feestgelagen, ridderspelen en vroolijke samenkomsten in de zalen en parken van het prachtige kasteel en elke dag bracht nieuwe gelegenheid voor Iwein om zich bij zijne nieuwe vrienden gezien en bemind te maken. Plotseling evenwel kwam de tijding, dat het leger van koning Arthur bij de bron was aangekomen, en onmiddellijk nadat hij het bericht ontvangen had, maakte Iwein zich op ten strijde.
Zijne afwezigheid had inmiddels aan het hof groote verbazing en ontsteltenis gewekt. Wel dachten velen, dat hij, zooals inderdaad het geval bleek te zijn, vooruit was gegaan om zich de wraakneming voor zijn vriend niet te laten ontnemen, maar toen zij bij aankomst aan de bron geen spoor van hem ontdekten, begonnen zij aan de juistheid dier veronderstelling te twijfelen. "Ziet gij nu wel", sprak Key triomfantelijk, "dat ik gelijk had, toen ik zeide, dat zeggen en doen twee zijn! Waarschijnlijk is Iwein in 't geheel niet op deze plek geweest en was het slechts grootspraak van hem, toen hij zwoer, zijn neef te zullen wreken!" Maar Walewein voegde hem verontwaardigd toe: "Schaamt gij u niet, booze lasteraar, om zulke dingen te zeggen! De toekomst zal ons nog leeren, wat er van Iwein geworden is, maar dat zijne woorden slechts holle snoeverij bevatten, kan ik niet gelooven." Intusschen was koning Arthur afgestegen en schepte met behulp van den schotel een weinig water uit de bron, waarmede hij den steen bevochtigde. Onmiddellijk daarop barstte het onweer los en toen de lucht weer klaar en onbewolkt was geworden, zagen de verbaasde ridders eene zwarte figuur te paard naderen. Niemand herkende daarin Iwein en Key smeekte den koning om hem 't eerst tegen den vreemdeling te laten strijden, wat hem werd toegestaan. Toen Iwein zag, wie zijn tegenstander zou zijn, zette hij zich met een gevoel van voldoening vaster in het zadel, drukte zijne sporen dieper in de flanken van zijn strijdros en reed met gevelde lans op Key toe. Deze laatste moest weldra in den strijd het onderspit delven en het duurde niet lang of Iwein wist hem met een krachtigen lansstoot uit het zadel te lichten. Daarop nam hij Key's paard bij de teugels, geleidde het naar den koning en overhandigde hem de leidsels met de woorden: "Sire, neem gij dit paard, dat ik in den strijd veroverd heb en behoud het als eene herinnering aan hem, die geen anderen wensch koestert dan uw dienaar en trouwe onderdaan te mogen zijn."
"Ik wil uwe gift gaarne aannemen," sprak de vorst, "doch slechts op ééne voorwaarde: dat gij mij zegt, wie gij zijt."
Als eenig antwoord sloeg Iwein het vizier van zijn helm omhoog en met een kreet van vreugde herkenden de ridders hunnen vriend. Vooral Walewein toonde groote blijdschap over deze ontmoeting en bracht op zegevierenden toon Key de voorbarigheid van zijne voorspellingen onder het oog, zich verheugend over de schitterende wijze, waarop Iwein deze gelogenstraft had. De laatste vertelde inmiddels aan den koning en een breede kring van aandachtige toehoorders het verhaal van zijne avonturen en eindigde met zijn vorst te verzoeken hem met zijne ridders te volgen naar zijn kasteel en aldaar zijn gast te zijn. Volgaarne namen alle aanwezigen deze uitnoodiging aan en weldra reed een schitterende stoet de ophaalbrug van het slot over. Op het voorplein wachtte Laudine, omgeven door hare dienaressen, de hooge gasten op, van wier komst zij door een boodschapper verwittigd was. Toen zij den gouden draak op den helm des konings herkende, liep zij op hem toe en bukte zich eerbiedig, om hem bij het afstijgen behulpzaam te zijn, maar de vorst wees met hoffelijk gebaar haar hulp van de hand, steeg af en kuste haar op beide wangen. Groot was de vreugde van Laudine, toen zij haren echtgenoot ongedeerd terugzag en met luide welkomstkreten werd onze held door zijne ridders en onderhoorigen begroet.
_Hoe Iwein met zijne vroegere vrienden aan het hof terugkeert en hoe hij langzamerhand zijne jonge vrouw vergeet._ Nu brak er een tijd van blijdschap en jolijt aan. Ter eere van koning Arthur werden op het kasteel schitterende feesten gegeven, waartoe de gansche ridderschap uit den omtrek met hunne dames uitgenoodigd werden. Elken avond weergalmden de zalen van het luide gejoel der feestende gasten, de tafels schenen gebukt te gaan onder den last van kostelijke spijzen, de wijn vloeide bij stroomen en eerst laat in den nacht werden de lichten in het slot gedoofd. Toen dit leven van pret maken eenige weken geduurd had, begon de koning van heengaan te spreken, daar ernstiger plichten aan het hof hem wachtten. Ondanks de gastvrije uitnoodiging van Iwein om nog eenigen tijd onder zijn dak te vertoeven, werd de dag van vertrek spoedig bepaald. Er heerschte eene koortsachtige drukte in het kasteel om alles voor de reis gereed te maken, in de stallen draafden de stalknechts heen en weer tusschen de stampende rossen, op het voorplein waren de smeden bezig de wapenen der vertrekkende ridders na te zien, in de keukens stonden de koks met hoogrood gelaat voor de groote ovens om voor den mondvoorraad te zorgen, die den reizigers zou worden meegegeven.
Temidden van al die drukte kwam Walewein bij zijn gastheer en vroeg hem om zich op den dag van vertrek bij het gevolg des konings te voegen en zijne vrienden naar het hof te vergezellen, waar hem nieuwe roem en hulde wachtten. "Laat het niet van u gezegd kunnen worden", sprak hij dringend tot zijn vriend, "dat gij na uw huwelijk uwen tijd slechts doorbrengt in dienst uwer schoone vrouw. Hij, die terwille eener jonkvrouw zijn roem en eer vergeet, is hare liefde niet waard en zij zelve zou er u ten slotte een verwijt van maken. Ga daarom met ons mee en tracht nieuwe lauweren te verwerven in den dienst van uw vorst!"
Iwein had aandachtig naar de woorden van zijn vriend geluisterd en besloot zijn raad op te volgen, hoe veel het hem ook kostte om zijne vrouw reeds nu te verlaten. Daarom begaf hij zich naar Laudine en vroeg haar verlof om voor eenigen tijd heen te gaan. Aanvankelijk wilde zij niets van zijn plan weten, maar toen hij haar in zijne armen nam en haar onder de innigste liefdesbetuigingen smeekte, zijn verzoek in te willigen, daar het hun beider eer betrof, stemde zij er ten slotte in toe, hem voor een jaar aan den koning af te staan. Zij bezwoer hem echter om, wanneer die termijn verstreken zou zijn, tot haar weder te keeren. "Wanneer gij uwe belofte niet gestand doet", sprak zij ernstig, "is uwe liefde slechts spel en hartstocht geweest! Gij behoeft dan nimmer hier terug te keeren, want mijn geloof en vertrouwen hebt gij dan voor altijd verloren."
Iwein zwoer haar bij alles wat hem dierbaar was, dat hij woord zou houden en spoedig daarna verliet hij het kasteel in het gevolg van den koning.
In de eerste maanden van zijne afwezigheid werd hij dikwijls gekweld door het verlangen naar zijne jonge vrouw, maar gaandeweg drongen de bonte tafereelen van het hofleven het beeld van Laudine op den achtergrond. Na den tijd van feesten en genietingen boden de avontuurlijke tochten en gevaarvolle ondernemingen hem een nieuwen prikkel, die hem aanzette tot steeds grooter onversaagdheid. Hij onderging de bekoring van het gezelschap zijner vrienden als iemand, die na lange afwezigheid in het land zijner vaderen terugkeert en toch was het slechts luttele maanden geleden, dat hij uit was getrokken om de wonderbron te zoeken.
Zoo verstreken de maanden; de herinneringen aan zijne liefste werden steeds flauwer en flauwer, en de gestalte van Laudine vertoonde zich slechts af en toe in vage omtrekken voor het oog zijner verbeelding. Toen nu de tijd naderde, dat hij tot zijne vrouw zou wederkeeren, gebeurde het, dat de koning een groot steekspel uitschreef en in de toebereidselen daarvoor, die al zijn tijd in beslag namen, vergat Iwein geheel en al zijne belofte. Eenige weken later, toen het steekspel reeds aan den gang was en men des avonds bijeen zat om Iwein, den held van dien dag, te huldigen, trad plotseling Luned de feestzaal binnen, neeg eerbiedig voor den zetel des konings en zeide: "Sire, wees gegroet! en ook gij, edele ridders, die hier aanwezig zijt, allen behalve Iwein, de trouwelooze, die het hart mijner meesteres gebroken heeft. Valsch en bedriegelijk waren de schoone woorden, waarmede hij haar van zijne liefde sprak en nadat hij haar door listige vleitaal overreed had, de zijne te worden, trok hij heen en liet haar achter in een toestand, die nog treuriger is dan het lot eener weduwe. Hij, die zoo handelt, is niet waard, ridder genoemd te worden. God straffe hem voor zijne trouweloosheid."
Na deze woorden gesproken te hebben, trad zij op Iwein toe, trok hem den ring, dien Laudine hem als afscheidsgeschenk gegeven had van den vinger en verliet het kasteel.
Iwein bleef achter in een staat van groote verslagenheid. De verwijten, welke Luned hem had toegeslingerd, waren als scherpe pijlen doorgedrongen tot in 't diepst van zijne ziel en deden zijn hart bloeden van schaamte en berouw. Voor zijne oogen herrees klaar en duidelijk het beeld van Laudine, zooals zij bij het afscheid in zijne armen had gelegen, het schoone gelaat nat van tranen, de oogen smeekend en vol liefde op hem gericht en hij hoorde weer de trillende tonen harer stem, die hem bad, tot haar terug te keeren.
En hij, in den roes van roem en eerzucht had haar vergeefs naar hem doen uitzien. In zijn overspannen geestestoestand riep hij zich voor oogen, hoe zij keer op keer den toren van het slot beklommen moest hebben, om naar hem uit te zien en hoe zij dan telken male teleurgesteld de trappen was afgedaald om in de eenzaamheid harer vertrekken zijne trouweloosheid te beweenen! Nu was alles voorbij! Hij herinnerde zich hare afscheidswoorden en begreep dat hij nooit den moed zou hebben om een poging tot verzoening te wagen. Neen, nooit meer zou hij die oogen vol innige teederheid op zich voelen rusten, nooit meer zou hij dien schoonen mond kussen of die glanzende haren streelen. Voorbij! voorbij! en dat alles door eigen schuld! Als een getemd dier liep Iwein heen en weer op eene eenzame plek achter in den slottuin, met zijne gebalde vuisten sloeg hij zich tegen het hoofd en slechts stamelende klanken kwamen over zijne lippen. Wat zijne vrienden ook zeiden, het hielp niets, hij wilde naar geen rede luisteren en weigerde hardnekkig alle voedsel.
Toen deze toestand eenige dagen geduurd had, gebeurde het 's morgens, dat een bode van den koning hem tevergeefs zocht in zijne vertrekken, ook in de nabijheid van het kasteel was hij nergens te vinden.
De wanhoop over het verloren geluk had zijn verstand verbijsterd en als een waanzinnige zwierf hij rond in de bosschen. Zijne kleederen scheurde hij aan takken en doornen, zijne haren hingen hem verwilderd om het hoofd en een lange baard golfde hem weldra op de borst. Eens op een dag ontmoette een houthakker hem, maar toen de man hem zag, ontstelde hij zóó van Iwein's verwilderd en woest voorkomen, dat hij pijl en boog, die hij in de hand had, wegwierp en het hazenpad koos. Met behulp van deze wapenen doodde Iwein nu en dan een stuk wild, waarvan hij het vleesch rauw en in groote stukken verslond. Verder voedde hij zich met wortelen en wilde vruchten en leschte zijn dorst met bronwater. De dagen en weken verliepen, zonder dat hij er zich van bewust was; nog steeds was zijn brein vervuld van verhitte koortsphantasieën, nog steeds stamelden zijne lippen den naam van Laudine. Soms, wanneer de smart en wroeging hem te machtig werden, sloeg hij als een razende om zich heen, zoodat de vogels onder verschrikt gekrijsch wegvlogen uit de naburige boomen en struiken. Na zoo'n aanval viel hij meestal neer op het mos in een toestand van halve verdooving. Zoo lag hij eens op een dag onder de schaduw van een grooten eik, toen de stilte van het bosch verbroken werd door helder opklinkende stemmen en het getrappel van paardenhoeven. Weldra verschenen om de kromming van het boschpad drie vrouwengestalten te paard. Het waren drie adellijke dames, de eigenaresse van een naburig kasteel, tot wier gebied het bosch behoorde, waarin Iwein op zijne zwerftochten was verdwaald geraakt, en twee harer dienaressen. Toen zij voorbij den boom kwamen en een menschelijke gedaante ontwaarden, die daar als levenloos op den grond lag uitgestrekt, hielden zij nieuwsgierig hare rossen in en de burchtvrouwe beval één harer gezellinnen om af te stijgen en de zaak nader te onderzoeken. Op de teenen sloop de jonkvrouw naderbij, want het uiterlijk van den vreemdeling boezemde haar niet veel vertrouwen in. Toen zij echter dicht aan den slapende genaderd was, en hem in het gelaat had gezien, boog zij zich met een uitroep van verrassing over hem heen, streek hem de lange haren uit het gezicht en keerde zich toen tot hare meesteres met den uitroep: "Wie denkt gij, dat hier ligt? Het is Heer Iwein, de zoon van koning Uriens van Wallis, één der dapperste ridders van Arthurs hof. Ik herken hem aan het litteeken boven den linkerslaap, dat hij in een tournooi, waar ook ik bij tegenwoordig was, heeft opgedaan.
Maar wat ziet hij er vreeselijk uit! Zijn kleeren hangen hem als lompen om het lijf, zijn gelaat en handen zijn vol schrammen en geheel bebloed, wat kan er met hem gebeurd zijn? Helaas! dat wij hem zoo moeten vinden! Ik zeg u, indien hij gezond was, zou geen ridder ter wereld u beter van dienst kunnen zijn in den komenden strijd tegen den valschen graaf Aliers dan hij, die hier ligt!"
Hare meesteres keek peinzend eenige oogenblikken voor zich uit en riep toen plotseling met blijde stem: "Ik heb het gevonden! Ga gij vlug met mij mede, mijn slot is immers slechts enkele mijlen hier vandaan en daar zal ik u eene kostbare zalf geven, waarmede gij den ongelukkige genezen kunt. Die zalf werd mij ten geschenke gegeven door de toovenares Morgan Le Fay en zij bezit de tooverkracht om genezing te brengen voor alle ziekten en kwalen, zoowel lichamelijke als geestelijke". Zoo gezegd, zoo gedaan. Spoorslags reden de drie jonkvrouwen naar het naburig kasteel, waar de slotvrouwe hare dienares de vaas met de genezing brengende zalf overhandigde. "Wees er zuinig mee", sprak zij, "en breng mij, wat er na gebruik overblijft, zorgvuldig terug". Daarna beval zij haar een stel kleederen en wapenen, zooals die aan Iwein's rang en stand pasten, mede te nemen, benevens een fraai rijpaard. Van dit alles voorzien, begaf de jonkvrouw zich opnieuw naar het bosch, waar zij Iwein nog in dezelfde houding vond liggen. Voorzichtig legde zij de kleederen naast hem op den grond, bond het paard met de teugels aan den boom vast, knielde toen bij den slapenden ridder neer en wreef zijn hoofd en lichaam in met de welriekende zalf. Daarop sloop zij voorzichtig heen, steeg te paard en wachtte op eenigen afstand den loop der verdere gebeurtenissen af.