Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde
Chapter 13
Ik zou u vervelen, wanneer ik u al de avonturen moest melden, welke ik op mijne zwerftochten beleefde; ik wil u slechts dit zeggen, dat ik vreemde landstreken bezocht, waar de wetten en gebruiken geheel verschillen van de onze. Ik streed onder vreemde vorsten, indien het mij toescheen, dat zij het recht aan hunne zijde hadden, en wanneer het mij gelukte in den strijd eenigen roem te behalen, dan kende ik de verdienste daarvan toe aan mijn koning, die mij steeds op het pad der dapperheid was voorgegaan. Zoo verliep de winter en toen de lente kwam, maakte ik mij gereed om naar mijn land terug te keeren, want mijn hart begon te verlangen naar mijne vrienden en stamgenooten. Het was op mijne terugreis naar het hof, dat ik het avontuur beleefde, waarover ik u wilde vertellen. Ik had reeds verscheidene dagen gereden, zonder een menschelijk wezen te ontmoeten, toen ik tegen den avond in eene smalle vallei kwam. Links en rechts van mij verhieven zich hooge heuvels, dwars door het dal stroomde eene rivier en langs den oever daarvan liep een smal pad met boomen beplant. Het scheen mij toe een veel bereden weg te zijn en daaruit afleidende, dat hij wellicht naar de eene of andere woning voerde, waar ik den nacht zou kunnen doorbrengen, besloot ik hem te volgen. En inderdaad zag ik spoedig de muren van een kasteel door de boomen schemeren. Op de brug stond een ridder met een valk op de hand; hij beantwoordde mijn groet op vriendelijke wijze en was mij bij het afstijgen behulpzaam. Daarop noodigde hij mij uit, hem te volgen. Het slotplein lag geheel verlaten, nergens trof mijn oog een spoor van menschelijk leven, maar toen mijn gastheer driemaal op een schild had geslagen, dat naast de poort hing, verscheen als bij tooverslag een leger van knechten en volgelingen uit de deuren van het kasteel. Uit het bonte gewemel van mannelijke en vrouwelijke bedienden in hunne kleurige livreien, trad eene bevallige jonkvrouw op mij toe, nam mij bij de hand en leidde mij het slot binnen. Zij bracht mij naar een ruim en luchtig vertrek, waar ik gelegenheid vond mij te ontdoen van het stof en vuil, waarmede ik door den langen rit bedekt was. Eigenhandig bracht de jonkvrouw mij water om mij te wasschen in een sierlijk bewerkte kom, daarbij doeken van het fijnste linnen en ten slotte legde zij een volledig stel kleederen, uit de kostbaarste stoffen vervaardigd, voor mij neer. Toen ik geheel gereed was, kwam zij om mij te halen en geleidde mij naar de slotzaal, waar een rijk voorziene disch stond gespreid. De ridder, dien ik op de brug had gevonden en die de heer van het kasteel bleek te zijn, heette mij met eenige hoffelijke woorden welkom en noodigde mij uit plaats te nemen. Na afloop van den maaltijd verzocht hij mij om, indien het niet onbescheiden was zulks te vragen, hem mede te deelen, vanwaar ik kwam en wat het doel was van mijn tocht. Toen hij nu hoorde, dat ik op reis was gegaan uit zucht naar avontuur, staarde hij eenige oogenblikken peinzend voor zich uit en sprak eindelijk: "Heer ridder, indien gij belust zijt op vreemde avonturen, zoo zou ik er u een aan de hand kunnen doen, dat moeilijker te volbrengen is dan één dergene, die u tot nu toe op uwen weg zijn overkomen. Ik aarzel evenwel, om het u te zeggen, want gij zijt jong en wellicht onervaren en er is nog nooit een ridder geweest, die de onderneming, waarop ik doel, tot een goed einde heeft gebracht." Gij begrijpt, mijne vrienden, dat deze woorden voldoende waren om het vuur van mijn ondernemingsgeest, dat door het naderend weerzien van mijne vrienden en bloedverwanten een weinig verkoeld was, tot nieuwen gloed aan te wakkeren en ik smeekte mijn gastheer dringend, om zich nader te verklaren. Daarop zeide hij, dat het niet in zijne macht lag, om mij den juisten aard van het avontuur te omschrijven, maar, indien ik er meer van weten wilde, moest ik mij naar een naburig bosch begeven, waar ik verdere aanwijzingen omtrent datgene, wat er van mij geëischt werd, zou vinden.
Met deze eenigszins vage aanduidingen moest ik mij tevreden stellen en den volgenden morgen vroeg verliet ik het gastvrij slot en sloeg den weg in, dien mijn gastheer mij aanwees. Vóór mijn vertrek moest ik hem echter beloven dat, indien ik heelhuids van de gevaarlijke onderneming, die mij wachtte, terug zou komen, ik hem persoonlijk verslag zou komen uitbrengen van mijn wedervaren.
Het pad, dat ik was ingeslagen, voerde mij al spoedig naar een dicht woud en toen ik eenigen tijd tusschen het geboomte had voortgereden, scheen er licht door de stammen en kwam ik weldra op eene open plaats. Wie beschrijft mijne ontzetting, toen ik zag, dat alle wilde dieren van het woud: leeuwen, tijgers en nog vele andere diersoorten, zich in grooten getale op die plaats verzameld hadden. In hun midden, op eene kleine verhevenheid zat een man en één blik op hem vervulde mij met nog meer ontzetting dan het gezicht der wilde dieren. Zijne gestalte was reusachtig van omvang, zijne haren hingen tot op zijn gordel, waarin een zware knots stak. Zijne wenkbrauwen waren dicht en stekelig, zijne tanden geleken op die van een wolf. Zijn rug was gebogen, zoodat zijn hoofd bijna op zijn borst hing en met zijne boosaardige oogen keek hij mij uitdagend aan. Toen de wilde dieren mij bemerkten, begonnen zij vervaarlijk te brullen, maar op eene handbeweging van den reus, verstomde dit en met een klagelijk gehuil vielen alle dieren hem ten voet. De reus verhief zich daarop moeizaam van zijn zetel en vroeg mij met donderende stem, wie ik was en waarheen ik ging. Ik vertelde hem toen, hoe men mij naar het woud had gezonden om nadere aanwijzingen te ontvangen omtrent een avontuur, dat in de nabijheid op mij wachtte. Tevens vroeg ik hem, wie hij was en waarom hij daar omringd zat door de dieren van het woud. Hij gaf mij ten antwoord, dat hij hun aller heer en meester was, dat zij hem moesten gehoorzamen en dienen en dat hij eene onbeperkte macht over hen bezat. Daarna gebood hij mij een zeker pad te volgen, dat mij op eene vlakte brengen zou. Op die vlakte zou ik eene bron vinden met een steen er naast. Wanneer ik een avontuur zocht, moest ik water uit die bron op den steen sprenkelen, de rest zou dan van zelf wel volgen. Hij waarschuwde mij echter, mij vooraf goed te bedenken, want nog nooit had hij een ridder levend van die plek zien wederkeeren. Ondanks zijne vermaningen sloeg ik zonder eenige aarzeling het aangeduide pad in en weldra stond ik aan den rand van eene onafzienbare vlakte.
Eenige schreden voor mij uit ontdekte ik de bron, waar de reus over gesproken had. Zij bevond zich onder een boom, welks dicht gebladerte een heerlijken schaduw bood aan den voorbijganger. Naast de bron lag een groote platte steen en aan een der laagste takken van den boom hing een gouden schotel aan een langen ketting. Het water in de bron was helder als kristal en borrelde met een zacht klaterend geluid omhoog. Vol gespannen verwachting schepte ik met behulp van den schotel eenig water uit de bron en sprenkelde toen met de hand enkele druppels op den steen. De uitwerking was vreeselijk. De zon werd met een dicht floers overtrokken, zware wolken pakten zich samen aan den hemel, en ontlastten zich weldra in een vreeselijk onweder. Aan alle kanten zag ik den bliksem flitsen en het doffe gerommel van den donder vervulde de lucht. Daarbij viel er een zware regen van hagelsteenen, zoo groot als duiveneieren, op mij neer. Met moeite wist ik mijn paard te bedwingen, dat sloeg en steigerde van schrik. Toen ik het eenigszins tot kalmte had gebracht, legde ik mijn schild over zijn rug en poogde zooveel ik kon, er ons beiden mee te beschermen tegen de woedende elementen. Gelukkig duurde de bui niet lang; weldra brak de zon door de wolken, de hagelregen werd minder dicht en het onweer trok af. Toen ik echter opzag uit mijne bukkende houding, bemerkte ik, dat de boom, waaronder ik geschuild had, geheel ontbladerd was. Een oogenblik daarna streek een vlucht vogels op de kale takken neer en hun lieflijk gezang vervulde mij met nieuwen moed. Spoedig zou ik dien noodig hebben, want in de verte naderde een ridder te paard, wiens houding en gebaren mij deden vermoeden, dat er opnieuw gevaar voor mij dreigde. Toen hij naderbij was gekomen, daagde hij mij uit tot een tweegevecht, na mij ervan beschuldigd te hebben, dat door mijn toedoen zijne landerijen verwoest waren en zijn veestapel gedood was. De ridder droeg eene wapenrusting van zwart gepolijst staal, zijn strijdros was bedekt met een zwart kleed en van dezelfde kleur was ook de wuivende vederbos op zijn helm. Zonder een antwoord van mij af te wachten, reed hij met gevelden lans op mij in en bracht mij zulk een geweldigen stoot toe, dat ik uit het zadel werd geworpen. Alvorens ik tijd had, om mij op te richten, stak de vreemdeling de punt van zijn lans door de teugels van mijn paard en voerde het aldus met zich mee, zonder zelfs eene poging aan te wenden om mij gevangen te nemen of althans te ontwapenen. Er bleef mij niets anders over dan langs denzelfden weg terug te keeren, dien ik gekomen was, maar wie zal mijn gevoel van schaamte en vernedering beschrijven, toen ik opnieuw voorbij de open plaats in het bosch kwam, waar de reus verblijf hield en diens spottende woorden moest aanhooren! In vertwijfeling rende ik het boschpad af, tot ik mij plotseling de belofte herinnerde, die ik aan mijn vriendelijken gastheer gedaan had. Ik besloot na eenige aarzeling,--want ik zag er tegen op, om het verhaal van mijne smadelijke nederlaag aan anderen mede te deelen--opnieuw een beroep te doen op zijne gastvrijheid, vóórdat ik mijne reis vervolgde. Het was reeds tegen den nacht, toen ik het kasteel bereikte, maar ik werd er ondanks het late uur met dezelfde welwillendheid ontvangen als bij mijn eerste bezoek. Allen betuigden mij hunne vreugde over het feit, dat ik gezond en wel tot hen was teruggekeerd en zij slaagden erin, het onteerende gevoel, dat mijne ontmoeting bij mij had achtergelaten, door hunne hartelijke ontvangst eenigermate te verzachten. Den volgenden morgen vond ik bij mijn vertrek een edel strijdros op het plein voor het kasteel, en mijn gastheer verzocht mij met eenige vriendelijke woorden, dit als een geschenk van hem te willen aannemen. Kort daarop bereikte ik Cardiff en daarmede is mijn verhaal ten einde. Gelijk gij ziet, strekt het mij niet tot eer!"
_Hoe Iwein besluit om zijn vriend te wreken en hoe hij in stilte van het hof vertrekt._ Nadat hij deze laatste woorden op half schertsenden, half bitteren toon gesproken had, zweeg Colgrevance stil. Alle aanwezigen hadden in gespannen aandacht naar hem geluisterd, vooral Iwein, wiens warme genegenheid voor den spreker, die bovendien een eigen neef van hem was, hem het verhaal van zijne avonturen dubbel belangwekkend deed voorkomen. Toen Colgrevance dan ook ophield met spreken, barstte Iwein los met den uitroep: "Gij deedt wel, waarde neef, met ons te vermelden, wat u overkomen is en ik zweer u bij onze vriendschap, dat ik den smaad, u aangedaan, zal wreken!" Nauwelijks had hij deze woorden gezegd, of opnieuw kwam Key tusschenbeide. "Hoort gij het allen goed?" riep hij uit. "Iwein zal zijn vriend wreken, maar zeggen en doen is twee, bedenk dat wel, edele heer!" Ten tweeden male mengde koningin Ginevra zich in het gesprek en sprak tot Key: "Gij moest u schamen, om zulke woorden te zeggen tegen een dapper ridder als Heer Iwein! Gij weet immers even goed als wij allen, dat het niet in zijn aard ligt om groote woorden te spreken, zonder dat het hem ernst daarbij is!" en zich tot Iwein wendend, voegde zij er vriendelijk aan toe: "Wij allen hopen en vertrouwen, dat gij in de onderneming, die gij op u denkt te nemen, slagen zult. Onze beste wenschen zullen u op uw gevaarvollen tocht vergezellen!"
Intusschen was ook koning Arthur uit zijne vertrekken te voorschijn getreden en had zich bij de groep gevoegd en nu verzocht hij de koningin, hem omtrent het onderwerp van gesprek in te lichten. Toen hij het gebeurde vernomen had, verklaarde ook hij Heer Colgrevance te zullen wreken.
Bij de heilige nagedachtenis van mijn Vader, den grooten Uther Pendragon," sprak hij plechtig, "zweer ik u, dat ik over twee weken, op den vooravond van het St. Jansfeest, uit zal trekken, om dien overmoedigen vreemdeling te toonen, dat hij niet ongestraft een ridder van Arthurs hof kan beleedigen. Allen, die mij op dien tocht willen vergezellen, geef ik gaarne daartoe mijne toestemming!" Iwein gevoelde bij die woorden wel eenige teleurstelling; het ware hem immers veel liever geweest, indien hij alleen had uit mogen gaan, om zijn neef en vriend in zijne eer te herstellen en nu zou het nog kunnen zijn, dat een ander die taak van hem overnam. Heimelijk besloot hij daarom, den koning vóór te zijn en toen des avonds het feest opnieuw in vollen gang was, wist hij onbemerkt weg te sluipen naar den stal, waar hij zijn schildknaap opdroeg, zijn paard te zadelen. In alle stilte maakte hij zich verder gereed voor de reis en nog vóór het feestgedruisch in de zalen van het paleis verstomd was, had hij door eene zijpoort het slot verlaten. Zonder veel moeite vond hij het rivierdal, waar het kasteel van den gastvrijen ridder zich bevond en van dat oogenblik af waren zijne ondervindingen dezelfde als die van Colgrevance. Ook hem werd de weg naar het bosch gewezen, waar hij den reus nog steeds vond tronen, temidden der wilde dieren. Zijne aanwijzingen volgend bereikte hij de bron, waar, toen hij den steen met water bevochtigde, de verschijnselen zich herhaalden, waarvan zijn vriend hem verteld had. Een onweer verduisterde het uitspansel, de hagel kletterde neer op het land, de bliksem lichtte om hem heen, maar een oogenblik later werd de lucht ook weer blauw en zonnig en zongen de vogels hun jubellied in de kale takken van den boom. Kort daarop zag Iwein de gedaante van den zwarten ridder in de verte verschijnen en op zijne korte uitdaging volgde het tweegevecht. Na een verwoeden strijd, die eenige uren duurde, slaagde Iwein er in, zijn vijand in het hart te treffen. Doodelijk gewond wist deze met zijne laatste krachten zijn paard te doen keeren en alsof het trouwe dier begreep, wat er van hem verlangd werd, droeg het zijn meester in gestrekten draf huiswaarts. Iwein volgde hem op den voet en zoo bereikten beiden een statig slot, dat de woonplaats bleek te zijn van den zwarten ridder. De laatste, die zich nauwelijks meer in het zadel overeind kon houden, verdween juist door de valpoort, toen Iwein door de steenen buitenpoort de brug over de slotgracht opreed. Schielijks gaf hij zijn paard de sporen om zijn onbekenden tegenstander in te halen, toen plotseling met een luiden slag de beide poorten dicht vielen en hem als een rat in den val tusschen zich in sloten. Goede raad was duur, hij kon vóór, noch achteruit en daarbij begreep hij, dat de dienaren van den zwarten ridder, zoodra zij den toestand bemerkten, waarin hun meester zich bevond, het kasteel zouden verlaten om diens moordenaar te zoeken. Hij wist maar al te goed, wat dan zijn lot zou zijn en er bleef hem dus niets anders over, dan den naderenden dood kalm en onverschrokken af te wachten.
Hoe groot was zijne verbazing, toen hij opeens eene zachte stem hoorde, die van gene zijde der valpoort scheen te komen en die tot hem zeide: "Schoone ridder! nooit waart gij in grooter gevaar dan op den dag van heden. Weet wel, dat gij den heer van dit slot een stoot hebt toegebracht, die hem het leven kosten zal. Mijne meesteres weent en jammert, alsof haar hart zal breken en hare ridders en volgelingen zweren bij alle heiligen, dat zij zijnen dood zullen wreken. Wanneer zij u hier vinden, vrees ik voor uw leven. Er is slechts één, die u helpen kan, en dat ben ik." Iwein, die in verbazing naar deze woorden geluisterd had, ontwaarde door de tralies van de valpoort vóór hem, de gestalte van eene bevallige jonkvrouw in een lang slepend kleed. Zij opende een deurtje in de poort en trad op hem toe, daarop ging zij voort met spreken: "Ik zie wel, dat gij mij niet herkent en toch heb ik u vroeger aan het hof van koning Arthur ontmoet. Het gebeurde eenige jaren geleden, dat ik derwaarts werd gezonden om eene boodschap van mijne meesteres aan den koning over te brengen. Toenmaals was ik nog dwaas en onverstandig, zooals men dat in zijne jonge jaren pleegt te zijn en onder de hovelingen waren er velen, die misbruik maakten van mijne jeugd en onwetendheid. Gij echter, Heer Iwein, waart van al de ridders de eenige, die mij steeds hoffelijk en voorkomend bejegende en daarom wil ik u nu redden uit het gevaar, dat u dreigt. Gij ziet dezen ring? Welnu, hij heeft de macht u onzichtbaar te maken, evenals in den herfst de nevel met zijne dichte sluiers de boomen van het woud aan het menschelijk oog onttrekt. Wanneer gij dus de dienaren van het kasteel hoort naderen, steek dan fluks dien ring aan uw vinger en gij zijt veilig. Ik zal op het slotplein op u wachten. Wanneer uwe vervolgers vertrokken zijn, moet gij naar mij toekomen en uwe hand op mijn schouder leggen, want ook voor mij zult gij onzichtbaar zijn. Ik zal u dan verder helpen, zooveel in mijn vermogen is."
Ten zeerste getroffen door dit vriendelijk hulpbetoon, nam Iwein den ring van de jonkvrouw aan, die daarop verdween zooals zij gekomen was. Spoedig daarop hoorde onze held verwarde kreten uit het slot tot zich doordringen, die naderbij schenen te komen en het duurde niet lang of de valpoort werd op ruwe wijze geopend om een leger van ridders en lansknechten door te laten. Iwein had zich echter op hunne komst voorbereid en den ring van Luned, zooals de jonkvrouw zeide te heeten, aan den vinger gestoken. Bij gevolg stormden zijne vijanden hem in woeste vaart voorbij, zonder hem te bemerken en waren weldra door de hoofdpoort verdwenen. Toen trad Iwein het slotplein op, waar hij Luned op zich vond wachten.
_Hoe Iwein getuige is van de plechtige begrafenis van den slotheer en hoe hij in liefde ontbrandt voor diens schoone Weduwe._ Luned gebood hem haar te volgen en bracht hem door een doolhof van gangen naar een achthoekig torenvertrek, dat uitzag op het plein vóór het kasteel. In een der hoeken stond een bed, welks dekkleed, vervaardigd van zijden damast, afhing tot op den grond, en waarop eenige met goud bestikte kussens lagen. Luned noodigde haren gast uit zich ter ruste te leggen en daar Iwein uitgeput was door den strijd en den langen rit, gaf hij gaarne gevolg aan haar verzoek. Toen hij eenigen tijd gesluimerd had, werd hij opgeschrikt door een luid gezang en zich tot Luned wendend, die in een hoek van het vertrek bezig was een maaltijd voor haren gast te bereiden, vroeg hij: "Wat beduidt het luide gezang, dat ik hoor?" Luned antwoordde: "Het zijn de liederen der geestelijken, die mijnen heer het laatste oliesel toedienen." Iwein sliep opnieuw in, maar na korten tijd wekten de geluiden, die uit het kasteel oprezen, hem ten tweeden male uit zijne droomen. Weer zeide hij tot Luned: "Wat beduidt al dat gejammer en geklaag?" en Luned antwoordde: "Het zijn de treurzangen en het geween der slotbewoners om mijnen heer, die gestorven is." Toen Iwein de spijzen had genuttigd, die Luned voor hem bereid had, begaf hij zich opnieuw ter ruste en ontwaakte eerst vroeg in den morgen uit een diepen, verkwikkenden slaap, Toen hij luisterend het hoofd ophief, troffen opnieuw klanken zijn oor en hij sprak tot Luned, die nog steeds de wacht bij het venster hield: "Wat beduidt het rumoer op het slotplein?" "Heer", sprak zij, "het zijn de klaagzangen bij het lijk van mijnen heer, dat naar de kerk gedragen wordt."
Iwein sprong op van zijne legerstede en ging aan het venster staan, om te zien, wat daar beneden geschiedde. Toen hij zich voorover boog, om beter te kunnen zien, trof zijn oog een schouwspel dat hem diep ontroerde.
In groote plechtigheid werd het lijk van den slotheer naar de kapel gedragen. Aan beide zijden van den af te leggen weg stonden zijne getrouwen geschaard, die in eerbiedig gebogen houding en met ontbloot hoofd den treurigen stoet aan zich lieten voorbijgaan. Voorop ging met langzamen tred de huiskapelaan in zijn slepend overkleed, die in de opgeheven handen een gouden kruis droeg, dat schitterde in de morgenzon. Achter hem liepen eenige andere geestelijken, die hem bij den lijkdienst behulpzaam zouden zijn, en daarna volgde het lijk op een baar, gedragen door de vier oudste volgelingen van den dooden ridder, lieden, die in den dienst van zijn huis vergrijsd waren. Het lichaam rustte op een schild en werd voorafgegaan door twee koorknapen, die zilveren wierookvaten in de hand droegen, waaruit blauwe wolken opstegen en de lucht met hunnen zoeten geur vervulden. Achter de lijkdragers gingen twee ridders, waarvan de één de lans en de ander den helm van hunnen meester droeg. Daarachter liep met wankele schreden en aan weerszijden ondersteund door eene dienares, eene wonderschoone vrouw, de weduwe van den overledene en één enkele blik op haar gelaat deed in het hart van Iwein een gevoel ontwaken, dat hij nog nooit gekend had. Als geboeid volgden zijne oogen de gebogen gestalte, die een toonbeeld was van diepe, troostelooze smart. Haar prachtige gouden haren vielen los en wanordelijk om haar heen, haar schoone oogen waren rood en gezwollen door het weenen, haar blanke handen had zij tot bloedens toe gewrongen. Toch voelde Iwein bij het zien van die door smart verteerde gedaante, wat hij tot dusver voor geen enkele vrouw, hoe schoon zij ook wezen mocht, gevoeld had en zijn hart kende maar één wensch meer: die vrouw de zijne te mogen noemen. Zich tot zijne gezellin keerend, vroeg hij met bevende stem: "Zeg mij, Luned, wie is die schoone vrouw, die ginds achter het lijk van uwen meester gaat?"
"Helaas! arme vrouw!" sprak Luned, "dat is mijne meesteres, die half waanzinnig van smart is over den dood van haren geliefden echtgenoot. Zij is niet alleen de schoonste, maar ook de edelste en verstandigste vrouwe ter wereld en God zende haar troost in haar smartelijk verlies!"
"De hemel gave, dat ik nooit geboren was, om deze smartelijke tijding van u te vernemen", sprak Iwein, "want deze vrouw is het, die ik boven alles bemin!" "Indien dit werkelijk zoo is", antwoordde Luned, "dan zal ik uw voorspraak zijn bij mijne meesteres. Blijf gij hier en wacht, tot ik terugkom".
Hierop verliet zij het vertrek en een oogenblik later zag Iwein, die in droef gepeins verzonken aan het venster bleef staan, haar de binnenplaats oversteken en door een der deuren van het hoofdgebouw verdwijnen. In de vertrekken van hare meesteres gekomen, bleef Luned wachten tot deze uit de kapel was teruggekeerd. Toen verzocht zij om een onderhoud met haar, wat haar gereedelijk werd toegestaan, daar zij tot de meest vertrouwde dienaressen van Laudine, dit was de naam der slotvrouwe, behoorde. Luned vond hare meesteres uitgestrekt op eene rustbank, het hoofd in de armen verborgen, ten prooi aan de diepste wanhoop.