Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde
Chapter 11
Toen zij eenigen tijd stilzwijgend naast elkander waren voortgereden, kwamen zij aan een donker woud en bij den ingang daarvan kwam hen een oud man tegemoet, armoedig gekleed en leunend op een stok. "Waar voert uw weg heen, edele heeren?" zeide hij met bevende stem. "Wie zijt gij en waarom vraagt gij ons dit?" was het antwoord. "Wie ik ben, kan ik u niet zeggen, maar een antwoord op mijn vraag kan ik zelf wel geven, want ik weet zeer goed, dat gij uitgetrokken zijt om koning Rience van Wallis te zoeken en hem te dooden." "Indien gij dat weet," sprak Balin, "kunt gij niemand anders zijn dan Merlijn en indien dit waar is, kunt gij ons helpen om hem, dien wij zoeken, te vinden."
"Welnu dan," sprak Merlijn, want deze was het inderdaad, "luistert! Gij zijt dichter bij het doel uwer reis, dan gij vermoeden zoudt, want heden avond komt koning Rience met een gevolg van honderd ridders door dit bosch rijden, daar hij van plan is om dezen nacht zijne geliefde, de Vrouwe van Vance, in haar naburig kasteel te bezoeken. Wanneer gij u dus hier in hinderlaag legt, kunt gij hem verrassen en hem dooden." De broeders volgden zijn raad op. Zij ontdeden hunne paarden van zadel en tuig en lieten ze grazen op de weide aan den zoom van het bosch; zijzelven legden zich neer in de schaduw van een grooten eik en wachtten aldaar het vallen van den avond af.
Toen de duisternis gedaald was en men niets meer hoorde in het woud, dan het suizen van den wind door de bladeren en het krijschend geluid der nachtvogels, kwam koning Rience met zijne ridders het bosch binnenrijden. Met uitzondering van twee vertrouwde vrienden liet hij zijne metgezellen aan den ingang van het woud achter en gaf dezen bevel om daar op zijne terugkomst te wachten. Toen de koning met zijne beide volgelingen in de nabijheid der beide broeders was gekomen, sprongen deze uit hunne schuilplaats te voorschijn, grepen de teugels der paarden en dwongen de berijders zich over te geven. Daar deze in de duisternis niet konden zien, hoe groot het aantal hunner tegenstanders was, waren zij wel genoodzaakt zich hieraan te onderwerpen. Balin en Balan brachten nu den koning gebonden naar het paleis te Camelot en gaven hem daar over in handen van de wacht. Toen Rience voor den troon van koning Arthur gebracht was, vroeg deze den gevangene wie hem aldus gekneveld herwaarts had gevoerd. "Sire", antwoordde koning Rience, "ik weet niet de namen van mijne overwinnaars, maar het waren de ridder met de twee zwaarden en zijn broeder en beiden zijn dappere helden."
"De ridder met de twee zwaarden en zijn broeder", herhaalde de koning, "die beiden ken ik niet, maar wel moeten het wakkere strijders zijn geweest!" "Sire", sprak toen Merlijn, "vergun mij, dat ik u hunne namen noem, het zijn Balin en zijn broeder Balan, twee der dapperste ridders van uw hof. Spoedig zult gij nog meer reden hebben, om aan hunne dapperheid en aan hunnen eerbied jegens u te gelooven, want er is een groote strijd op handen tusschen u en koning Nero, den broeder van hem, die hier gevangen voor u staat!"
En inderdaad, den volgenden morgen vroeg vermeldden de torenwachters, dat er een groot leger in aantocht was, dat met allen spoed naar Camelot optrok en tegen den middag kwam het reeds tot een treffen. In den hevigen strijd, die daarop ontbrandde, werd aan beide zijden met groote dapperheid gestreden, maar geen der ridders onderscheidde zich meer dan Balin en Balan. In het dichtst van 't gevecht, op de gevaarlijkste plaatsen, overal waar het leger van koning Arthur dreigde te bezwijken voor de verpletterende overmacht, zag men de gestalte van den ridder met de twee zwaarden uit het strijdgewoel opduiken en steeds bleef Balan zijn ouderen broeder trouw ter zijde. Maar toen eindelijk de strijd beslist was en het leger van koning Nero in groote verwarring de vlucht moest nemen, waren de beide broeders plotseling van het gevechtsterrein verdwenen. Tevergeefs zond koning Arthur boodschappers in alle richtingen om hen te zoeken en hen te vragen tot hem te komen om zijnen dank voor hunne heldendaden in ontvangst te nemen, de beide ridders schenen als met een tooverslag van den aardbodem verdwenen te zijn. Toen daarop Merlijn aan den koning vertelde, hoe het de wil van het noodlot was, dat Balin zou sterven in de volle kracht van zijnen mannelijken leeftijd, werd het den koning angstig te moede, nu hij moest inzien dat tegen die onverbiddelijke macht de wil der menschen, zij het ook de wil van een vorst, niets vermag. Mistroostig legde hij zich ter ruste in zijne rijk versierde veldtent, maar ditmaal kon hij, ondanks alle vermoeienissen van den dag, den slaap niet vatten. Plotseling hoorde hij, hoe iemand steunend en zuchtend aan zijne tent voorbijkwam en toen hij den voorhang terugsloeg zag hij de gebogen figuur van een ridder zich in de richting van het bosch verwijderen. Met luider stem riep de koning hem toe om terug te keeren en hem de oorzaak zijner droefheid mede te deelen, maar wat hij ook riep, de ridder keerde zich niet om en vervolgde zijnen weg in de richting van het woud. Plotseling zag de koning Balin te paard naderen, met de strijdlans in de hand. Toen hij bij de tent des konings was gekomen, steeg hij af en begroette zijn vorst op eerbiedige wijze. Deze sprak: "Zoo ik u om een dienst mag verzoeken, Heer Balin, rijd dan heen en verzoek gindschen ridder, om u de reden te zeggen van zijne smart en breng hem vervolgens tot mij."
"Sire, gij hebt slechts te bevelen", antwoordde Balin, sprong in het zadel en reed in de richting van het bosch. Toen hij het woud nog slechts even was binnengedrongen vond hij den ridder, dien hij zocht, op den mosbodem neergeknield, het hoofd verborgen in den schoot eener jonkvrouw, in eene houding, welke de diepste smart en wanhoop scheen uit te drukken. Hij bracht hem de boodschap van koning Arthur over, maar had de grootste moeite, om hem over te halen, zich naar het kamp des konings te begeven. Eindelijk, toen Balin hem plechtig beloofd had, met zijn leven borg te blijven voor zijne veiligheid, stond de treurende ridder op en volgde hem met langzame schreden in de richting van het kamp. Toen zij voor den koning waren gekomen en de laatste den vreemdeling vriendelijk gebood, te zeggen, wat hem deerde, wilde de ridder juist met spreken beginnen, toen plotseling eene lans, door eene onzichtbare hand gericht, hem het hart doorboorde en hem aan de voeten des konings ineen deed zinken. Vóór hij den laatsten adem uitblies, smeekte hij Balin om tot de jonkvrouw te gaan en haar in zijne plaats te begeleiden op den moeilijken en gevaarvollen tocht, waartoe zij eerst hem uitverkoren had. Tevens vroeg hij hem, zoo mogelijk zijn dood te wreken en noemde als zijn moordenaar Garlon, een boosaardig ridder, die de macht bezat, zich onzichtbaar te maken en zoodoende op sluwe en verraderlijke wijze menig edel hart den doodsteek had toegebracht. Balin beloofde den stervende gehoor te geven aan zijne bede en met een bezwaard gemoed steeg hij weer te paard en zocht de jonkvrouw op, om haar de treurige tijding van den dood van haren geliefde mede te deelen. Vóór zij te zamen verder reden, overhandigde hij haar de schacht van de speer, waarmede de moord op haren minnaar was gepleegd, en ried haar aan goed zorg te dragen, dat zij die steeds bij zich hield, om haar later misschien als bewijsmiddel, te kunnen gebruiken.
Na eenigen tijd ontmoetten zij een ridder te paard, die hun verwonderd vroeg, wat toch wel de reden mocht zijn, dat zij er zoo somber en mistroostig uitzagen. Na eenige aarzeling vertelde Balin hem het gebeurde, waarop de vreemdeling, die zeide Perin de Mountbeliard te heeten, verontwaardigd over zulk eene lafhartige handelwijze, zwoer, dat hij met hen zou gaan en hen niet zou verlaten, alvorens zij den listigen sluipmoordenaar gevonden en hem de straf toegebracht hadden, welke hij zoo ruimschoots verdiende. Maar nauwelijks had hij dit gezegd, of opnieuw schoot eene lans, als door tooverkracht gedreven, uit de struiken te voorschijn en met een luiden kreet stortte Perin de Mountbeliard levenloos ter aarde.
Nadat zij den vreemden ridder een graf gedolven hadden en hem daarin hadden neergelegd op een bed van mos en bladeren, vervolgden Balin en zijne gezellin hunnen weg, maar zij waren blijde, toen zij in de verte de tinnen van een kasteel zagen oprijzen uit het geboomte. Het was nu volle dag geworden en de vermoeienissen van hunnen nachtelijken rit, gepaard aan de treffende gebeurtenissen, welke zich op hun tocht hadden afgespeeld, deden hen reikhalzend uitzien naar eene plaats waar zij eenige uren rust zouden kunnen nemen. Zij gaven dus hun paarden de sporen en reden weldra de poorten van het slot binnen. Wie beschrijft echter Balins ontsteltenis, toen hij, zijne gezellin enkele stappen vooruit gereden zijnde om haar bij het afstijgen behulpzaam te kunnen zijn, plotseling met een luiden slag de poort achter zich hoorde dichtvallen en met een blik door het kijkvenster bemerkte, hoe de jonkvrouw omringd werd door ruwe strijdknechten, die dreigden haar van het paard te trekken. Met één sprong was Balin op de borstwering, die om het vóórplein liep en stortte zich zonder aarzelen in de breede slotgracht, die hij met enkele krachtige slagen overzwom. Met het zwaard in de vuist liep hij op de mannen toe, die de jonkvrouw omringden en beval hun met luider stem haar met rust te laten. Een van hen wendde zich tot Balin en sprak: "Heer! het ligt niet in de bedoeling, uwe dame eenig letsel aan te doen, wees dus niet vertoornd op ons! Wij verzoeken haar slechts om de gewoonte te volgen, waaraan elke jonkvrouw, die dit slot binnentreedt, zich moet onderwerpen." Toen Balin hem vroeg, welke die gewoonte was, kreeg hij ten antwoord: "Sinds vijf lange jaren is onze Vrouwe lijdende aan eene doodelijke krankheid, waarvan zij slechts genezing kan vinden door het bloed eener reine maagd. Daarom moet iedere jonkvrouw, die hier binnenkomt, in een zilveren schotel eenige druppels van haar bloed storten. Maar helaas! tot op heden heeft het onze Vrouwe nog steeds niet gebaat." "Als dat zoo is", sprak Balin, "dan zal ook deze jonkvrouw bereid gevonden worden, om van haar bloed te offeren", en spoedig daarna traden allen het slot binnen, waar Balin en zijne reisgenoote een gastvrij onthaal vonden. Helaas kon ook echter ditmaal het bloed der jonkvrouw de slotvrouwe geen genezing brengen, eerst veel later zou de zuster van Parcival, zij, die door hare onbevlekte reinheid den heiligen Graal mocht aanschouwen, er in slagen de krankheid van haar weg te nemen.
Toen zij geheel versterkt en uitgerust waren, verlieten Balin en zijne gezellin het slot om hunnen tocht te vervolgen. Overal, waar zij kwamen, hoorden zij verhalen over de wandaden en wreedheden van Garlon, tot eindelijk Balin nog slechts één wensch koesterde: om dien sluwen booswicht te dooden. Zoo kwamen zij ook op hun weg aan een kasteel, waar de zoon van den slotheer wegkwijnde aan de gevolgen eener verwonding, die hij in den strijd tegen een vreemden ridder ontvangen had, welke wonde slechts zou kunnen genezen door het bloed van zijn tegenstander. Daar hij echter niet wist, wie de onbekende ridder was, tegen wien hij gestreden had, scheen het, of hij aan zijne wonden zou moeten sterven en groote droefenis heerschte daarom in het kasteel zijns vaders. Toen Balin hoorde, dat de onbekende ridder de macht bezat om zich onzichtbaar te maken, begreep hij terstond, dat het niemand anders kon zijn dan zijn aartsvijand Garlon en plechtig zwoer hij zijn gastheer, dat hij alles zou doen, wat in zijn vermogen lag, om diens zoon het geneesmiddel te bezorgen, dat hij behoefde.
"Wanneer dit inderdaad uw voornemen is", sprak de slotheer, "dan kan ik u eene gelegenheid verschaffen, om dezen Garlon, dien gij zegt te haten als geen ander op aarde, te ontmoeten. Weet dan, dat hij de broeder is van koning Pellam van Listeneise, een edel en godvruchtig man, die onder zijne voorvaderen den vromen Jozef van Arimathea telt, van wien vermeld wordt, dat hij het bloed van Christus in eene schaal heeft opgevangen. Deze koning Pellam nu, heeft een groot tournooi uitgeschreven, waaraan alleen ridders, die in gezelschap van eene dame zijn, mogen deelnemen. Wanneer gij nu besluit om derwaarts te gaan, kunt gij er zeker van zijn, Garlon op het steekspel aan te treffen."
_Balins besluit om aan het tournooi van Koning Pellam deel te nemen en van zijn bezoek aan het slot van dien vorst._ Balin behoefde geene verdere aansporing en den volgenden morgen maakten zij zich met hun gastheer, die hen zou vergezellen, reisvaardig. Na een rit van eenige uren kwamen zij bij het slot van koning Pellam. Het was een oud en verweerd gebouw, dat gelegen was in het midden van een dicht en bijkans ondoordringbaar woud. De muren waren begroeid met mos en slingerplanten, waarvan de lange ranken een dicht netwerk vormden voor de hooge boogvensters. Hier en daar dreigde een muur ineen te storten; tusschen de steenen op het voorplein schoot het onkruid welig omhoog en de kettingen van de ophaalbrug maakten een akelig knarsend geluid, toen deze neergelaten werd om Balin en zijne beide gezellen binnen te laten. Toegelaten in de groote slotzaal, vonden zij daar een talrijk gezelschap bijeen. Vele ridders met hunne jonkvrouwen, die van heinde en ver gekomen waren, om het steekspel bij te wonen, hadden zich aan de lange tafels geschaard en deden zich te goed aan de spijzen, welke door de knechten van koning Pellam in groote hoeveelheden werden binnengedragen. Ook Balin werd eene plaats aangewezen, waar hij zich met zijne dame kon neerzetten, maar alvorens plaats te nemen zwierf zijn blik langs de rijen der gasten tot hij bleef rusten op hem, dien hij zocht.
Aan het hoofd der lange tafel zat koning Pellam, eene grijze, eerbiedwaardige figuur, die met het hoofd in de hand peinzend voor zich uit staarde. Aan zijne rechterhand zat Garlon met een boosaardigen lach op het gelaat, waarin de sluwe oogen onrustig flikkerden, terwijl zij van den een naar den ander zwierven, als wilde hij het gehalte peilen van hen, die morgen tegen hem in het strijdperk zouden treden. Zoo ontmoetten zij den blik van Balin, en toen deze de oogen niet neersloeg, riep Garlon hem toe met spottende stem: "Hei daar! gij ridder, die het laatst zijt binnengekomen, zie mij niet zoo aan, want dat past u niet! Eet liever van wat u hier gegeven wordt, want dat is het immers, waarom gij hier gekomen zijt!" Bij het hooren van deze woorden voelde Balin zulk eene hevige woede in zich opbruisen, dat hij alles om zich heen vergat. Met den kreet van: "Ik zal u toonen, waarom ik hier gekomen ben!" rende hij op Garlon toe en doodde hem met zijn zwaard. Daarop nam hij de speerschacht uit de handen der jonkvrouw en sloeg ermede op het lichaam van Garlon, terwijl hij uitriep: "Ziehier uwe straf voor den verraderlijken moord, dien gij op een edel en onschuldig ridder pleegdet!"
Groote ontsteltenis en verwarring ontstonden in de zaal, alle ridders grepen naar hunne wapenen en wilden Balin te lijf, maar deze sloeg zoo wild en onstuimig om zich heen, dat niemand het waagde hem te naderen. De oude koning Pellam evenwel, die diep geschokt was door het gebeurde, greep het zwaard van zijnen gestorven broeder en zwoer, dat hijzelve den smadelijken dood van Garlon wilde wreken. Hij liep op Balin toe en sloeg zóó hevig met zijn zwaard op dat van zijn tegenstander, dat het in tweeën brak. Toen Balin zag, dat zijn wapen onbruikbaar was geworden, rende hij de zaal uit, om een ander te zoeken, achtervolgd door den koning en zijne volgelingen. Eene wilde jacht volgde, langs trappen en portalen, door lange rijen van vertrekken tot Balin eindelijk in eene ruime zaal kwam, behangen met zware tapijten. In het midden stond een rijk versierd praalbed en daarnaast eene tafel, waarvan het blad, vervaardigd uit zuiver goud, rustte op zilveren pooten. Op de tafel lag eene lange speer van vreemd bewerkt metaal. Toen Balin het wapen zag, dat hem zoo onverwachts geboden werd, greep hij de speer van de tafel en zich omwendend, sloeg hij er koning Pellam zóó hard mede op het hoofd, dat deze bewusteloos ineenzonk. Op hetzelfde oogenblik werd de lucht vervuld van een vreeselijk gekraak en stortte het geheele slot boven Balins hoofd ineen, hem en allen, die er in waren, onder zijne puinhoopen begravend.
Na drie dagen werd Balin uit zijn bewusteloozen toestand opgewekt door Merlijn, die hem op zijn dringend vragen naar de oorzaak en beteekenis der ramp, antwoordde, dat hij zelve er de aanleiding toe geweest was. De speer, waarmede hij Pellam den slag had toegebracht, was dezelfde, met welke Longinus de zijde van Christus doorboord had. Bovendien had in de zaal, waar Balin de speer had gevonden, de heilige Graal gestaan en op het praalbed rustte hij, die dezen wonderschotel, gevuld met het bloed van Christus, naar Engeland had overgebracht, de vrome Jozef van Arimathea. Door dezen noodlottigen slag hadden allen, die met Balin in het kasteel waren, ook zijne reisgenoote den dood gevonden en waren drie rijken in droefenis en rouw gedompeld. Toen Merlijn dit alles verklaard had, nam hij afscheid van Balin met woorden: "Vaarwel! in deze wereld zullen wij elkander niet meer zien!"
Balin steeg te paard en reed alleen verder. Overal, waar hij kwam, zag hij tooneelen van smart en verwoesting. De dorpen en steden op zijn weg waren verwoest en ingestort, de bewoners waren gedood en enkele overlevenden zaten luid weeklagend op de puinhoopen hunner woningen en overlaadden Balin als hij voorbijreed met de bitterste verwijten. Het leek hem alles een vreeselijke droom, waarin het bewustzijn van zijne schuld hem drukte als een zware last. Toen hij eindelijk de grenzen van Pellams rijk overschreden had, ademde hij ruimer en durfde hij voor het eerst na vele dagen het hoofd weer vrij omhoog te heffen. Toch kon hij de herinnering aan het gebeurde niet van zich af zetten en het was hem, alsof hij een willoos slachtoffer dreigde te worden in de handen van het noodlot, dat hem aanzette tot vreeselijke daden, waarvan hij de beteekenis niet vermocht te doorgronden, dat hem voortjoeg, altijd voort, eene onbekende toekomst tegemoet, waarin hij overgeleverd zou worden aan duistere machten.
_Balin komt aan een kruispunt, waar een Grijsaard hem aanraadt terug te keeren._ Na vele dagen kwam hij aan een viersprong, waar een glinsterend gouden kruis stond, met eenige letters erin gegrift. Toen Balin naderbij kwam, las hij de volgende woorden: "Laat hij, die alleen is, het niet wagen verder te gaan!"
Op hetzelfde oogenblik verscheen een oud man aan den rand van het pad, die Balin met aandrang verzocht, terug te keeren, daar er een groot gevaar was, dat hem bedreigde indien hij het waagde, verder te gaan. Terwijl hij sprak, klonken uit het geboomte langs den weg drie hoornsignalen, zooals die geblazen worden om den dood van het opgejaagde wild aan te kondigen. En het scheen Balin toe, alsof hij zelve een stuk wild was, dat in den dood gedreven werd. Half schertsend, half weemoedig sprak hij: "Hoor! daar blaast men reeds ten teeken van mijn dood en toch leef ik nog en ben sterk en gezond. Waarom zou ik het gevaar ontvluchten, indien het zich op mijn weg plaatst? Mijn leven is in Gods hand, Zijn wil geschiede!" Met deze woorden reed hij verder tot hij bij eene kromming van den weg een gezelschap fraai gekleede jonkvrouwen en ridders te paard ontmoette, die hem in hun midden namen en hem meevoerden naar een trotsch kasteel, waar hij rijkelijk onthaald werd. 's Avonds bleef men in vroolijke stemming bijeen, maar alvorens zich ter ruste te begeven sprak de slotvrouwe tot Balin: "Edele heer! morgen bij het aanbreken van den dag moet gij u gereed maken ten strijde. Niet ver van hier is een klein eiland, dat bewaakt wordt door één enkelen ridder. Tegen dien moet elke gast, die in mijn kasteel komt, den strijd aanbinden, alvorens ik hem kan toestaan zijnen weg te vervolgen." "Voorwaar eene vreemde gewoonte", antwoordde Balin, "om uwen gasten zulk een dwang op te leggen, maar het zij zoo!" En den volgenden morgen bij het krieken van den dag maakte hij zich tot het gevecht gereed. Toen hij geharnast en gespoord op het slotplein verscheen, waren alle inwoners van het kasteel daar verzameld, om hem uitgeleide te doen en één der aanwezige ridders zeide tot hem: "Heer ridder! Sta mij toe, u mijn schild te leenen. Het is grooter en sterker dan het uwe en zal u in den strijd goede diensten bewijzen." Getroffen door dit vriendelijk aanbod, gespte Balin zijn schild los en nam met eenige woorden van dank dat van den vreemden ridder aan.
Spoedig daarna reed hij de slotpoort uit. De aanwijzingen zijner gastvrouw volgend, kwam hij aan een breed water met een eilandje in het midden. Hij sprong in eene boot, welke aan den oever lag vastgemeerd, en roeide zichzelven en zijn paard naar den overkant. Daar ontmoette hij eene jonkvrouw, die tot hem zeide: "Helaas, edele ridder, waarom liet gij uw schild achter en naamt een vreemd met u mede? Dit maakt u onherkenbaar en zal daardoor de oorzaak zijn van uwen val." Het was Balin, alsof hetzelfde angstige voorgevoel van den vorigen dag, zich opnieuw van hem meester maakte, maar hij sprak moedig: "Wat ik op mij genomen heb, zal ik volbrengen!" en reed het bosch binnen, waar het eiland mee begroeid was. In het midden daarvan kwam hij aan eene open plek, waar een ridder in roode wapenrusting op hem scheen te wachten. Het was niemand anders dan Balan, die zich daar bevond en die, toen hij Balin uit het bosch op zich zag toerijden, één oogenblik dacht, in hem zijnen broeder te herkennen. Een blik op het vreemde schild hield echter den uitroep van blijdschap terug, dien hij op de lippen had en met gevelde speren reden de beide ridders op elkander toe. Spoedig waren zij in een heet gevecht gewikkeld, waarin nu de één, dan weer de ander, de overhand scheen te krijgen.
Het zweet gutste den strijdenden van het voorhoofd, hun adem ging snel en onregelmatig, maar toch bleven zij op de been en de hitte van het gevecht spoorde hen aan tot steeds grooter krachtsinspanning. Zij hadden elkaar reeds menige diepe wond toegebracht, toen eindelijk Balan, afgemat van den strijd, zich terugtrok, om eenige rust te nemen, alvorens het gevecht opnieuw te beginnen.