Sagen van Koning Arthur en de Ridders van de Tafelronde
Chapter 10
Aan het hof te Camelot gekomen, onderscheidde Balin zich al spoedig door zijne groote dapperheid, welke voor geen gevaar terugdeinsde. Geene onderneming achtte hij te zwaar, waar het gold den naam van zijn vorst luister bij te zetten. Het spreekt van zelf, dat de roem van zijne heldendaden hem zoowel benijders als bewonderaars verschafte. De eersten zochten steeds eene gelegenheid om hem te kwetsen en te beleedigen door toespelingen te maken op zijne Noordsche herkomst, op zijne simpele kleedij, zijne eenvoudige manieren en op de zeden en gewoonten van zijn vaderland. Gewoonlijk wist Balan door een verstandig woord den aanval van drift, die in zijn broeder dreigde op te komen bij het hooren van dergelijke schampere opmerkingen, te bezweren, maar eens gebeurde het tijdens Balans afwezigheid, dat een der hovelingen, een neef van den koning, zich spottend uitliet over de ridders, die uit vreemde streken naar het hof van koning Arthur waren gekomen. Zij hoorden er niet thuis, meende hij, en daar zij toch nooit in staat zouden zijn, om zich de hoofsche manieren en de fijne beschaving, die daar heerschten, eigen te maken, deden zij beter met in hun land te blijven, onder de boeren en dorpelingen. Bij het hooren van deze woorden ontstak Balin in zulk eene woede, dat hij alles om zich heen vergat en op den lasteraar toesnellend, hem met één enkelen zwaardslag den schedel doorkliefde.
Toen hij tot bezinning kwam, lag hij gebonden aan handen en voeten in één der kerkers van het koninklijk slot en moest hij daar het vonnis voor zijne misdaad afwachten. Hij werd veroordeeld tot eene ballingschap van zes maanden. Gedurende dien tijd zwierf hij rond door het zuiden van Engeland en hoewel hij nog kon trillen van woede bij de herinnering aan de grievende beleediging, hem en zijnen landgenooten aangedaan, zoo maakte hij zich toch de bitterste verwijten, dat hij zich ten aanzien van alle ridders en hovelingen zóó had laten meesleepen door zijne noodlottige drift. Deze was nu oorzaak, dat hij als banneling rondzwierf, inplaats van te strijden onder 's konings edele ridderschap. Maar toen de maanden van zijne verbanning bijna verstreken waren, toen de lente in het land kwam en de natuur om hem heen begon te groeien en te bloeien, toen scheen het, of ook in Balins hart een nieuw leven ontwaakte, dat hem aanspoorde tot daden van roem en dapperheid, grootscher en schooner dan hij nog ooit volbracht had. Kort daarna kwam er een boodschapper van den koning, die hem uitnoodigde, terug te keeren aan het hof, waar de ridders zijne voorspraak waren geweest bij Arthur en dezen overreed hadden om Balin uit zijne ballingschap terug te roepen, nog vóór de zes maanden verstreken waren. De jonge held reed terug naar Camelot door de bloeiende velden, door de in jeugdig groen prijkende bosschen, waar de vogels hun vreugde uitzongen over den terugkeer der lente, en werd weer in genade aangenomen door zijn vorst. Nu volgde een tijd van vreugde en zorgeloosheid voor Balin. Met het naderen van den zomer reden de ridders iederen dag uit tot het maken van verre tochten, of om zich te oefenen in het boogschieten en speerwerpen in de velden bij Camelot. 's Avonds, wanneer allen teruggekeerd waren en tezamen vereenigd zaten aan den maaltijd in de groote zaal van Arthurs paleis, kwamen de harp- en luitspelers hen vermaken met hunne liederen of hoorden zij verhalen over vreemde streken uit den mond van den een of anderen ridder, die als gast aan het hof vertoefde. En het gejuich, dat dan opging in de groote zaal, wanneer er sprake was van een buitengewoon stoutmoedige daad, of wanneer er een grappig lied werd gezongen, was zóó luid, dat de schilden aan de muren ervan trilden. Balin voelde zich gelukkig, elke dag bracht hem nieuwen roem, hij begon geheel thuis te geraken onder de ridders van het hof, die hem wegens zijne dapperheid en eenvoudige vriendelijkheid met onderscheiding en welwillendheid tegemoet kwamen en de booze geesten, die hem plachten aan te zetten tot daden van drift en hartstocht, schenen geheel uit zijne ziel verbannen te zijn.
_Hoe Balin optreedt als redder der zwaardjonkvrouw._ Eens op een dag, toen de ridders zich om den koning verzameld hadden, om te beraadslagen over een veldtocht tegen koning Rience van Wallis, die met eene groote strijdmacht het land was binnengetrokken en alle dorpen en steden op zijn weg verwoestte en verbrandde, kwam er eene jonkvrouw de groote zaal van het paleis binnentreden. Toen zij vóór den troon van koning Arthur stond, neeg zij eerbiedig. Daarop sloeg zij haren kostbaren, met bont omzoomden mantel open en vertoonde aan den koning en de verbaasde hovelingen een groot zwaard, dat aan haar gordel bevestigd was en dat zij moeizaam met zich droeg. Toen sprak zij: "Heer koning! mij heeft gezonden de Vrouwe van Avalon, om u te smeeken, mij hulp en bijstand te verleenen. Gij ziet den zwaren last, dien ik torsen moet, alleen een ridder van onbevlekten naam en weergalooze dapperheid, kan mij daarvan bevrijden. Help gij mij, zulk eenen te vinden!" Daarop antwoordde de koning trotsch: "Indien gij een ridder zoekt van onbevlekten naam en faam, deedt gij wel, hierheen te komen, want de ridders van de Ronde Tafel zijn de dapperste en edelste ter wereld. Ik zelf zal het eerst eene poging wagen, om u te bevrijden van uwen drukkenden last, niet omdat ik zeker ben te voldoen aan de hooge eischen, die gij aan uwen redder stelt, maar om mijne ridders tot voorbeeld te strekken. Houd goeden moed, spoedig zult gij, bevrijd van deze kwelling, naar huis kunnen terugkeeren!" Nadat hij deze woorden gesproken had, trad de koning op de jonkvrouw toe, greep het zwaard, dat aan hare zijde hing, en poogde het met een forschen greep los te rukken. Maar tevergeefs! het week niet uit de scheede! Daarna snelden de ridders, geprikkeld door deze beleediging, hun aangedaan in den persoon huns konings, naderbij om ook hunne krachten te beproeven. De eerste, die eene kans waagde was Lanceloet. Met zijne sterke vuist greep hij het zwaard bij het gevest en trok er aan met alle macht, tot de spieren van zijn arm opzwollen van inspanning, maar hij kon er niet in slagen, het zwaard ook maar een duimbreed te doen wijken. En toen hij terugging naar zijne plaats aan de lange tafel, hield hij het trotsche hoofd gebogen, want hij wist maar al te goed, waarom het hem niet gelukt was, de jonkvrouw te verlossen uit haar nood.
Daarop naderde Tristan met vluggen, veerkrachtigen tred. Een zonnestraal, welke door een der hooge boogvensters viel, verlichtte zijne blonde haren en zijne oogen schenen ver weg te zien, alsof hij leefde in eene andere wereld, waar de hoogste wet eene andere was dan die, welke gold in het rijk van Arthur. Het was met dien wonderlijken blik in zijn oogen, dat Tristan het zwaard greep, dat de jonkvrouw omgordde, maar hoe hij ook trok, het bleef als met onwrikbare ketenen aan hare zijde vastgeklonken.
Na hem kwamen andere ridders: Walewein, die lachte in jeugdigen overmoed, toen ook zijne moeite tevergeefsch bleek te zijn, Key, die zich norsch afwendde en eenige verwenschingen mompelde, terwijl hij zijne plaats weer opzocht, Lamorak, de minnaar van een der gasten des konings, eene schoone koningin, wier gloeienden blik hij op zich voelde rusten, toen hij zich aanbood om op zijne beurt eene kans te wagen en nog vele anderen na hem. En toen er geen enkele in staat bleek, om den toets te doorstaan en de jonkvrouw luid klagend heen wilde gaan, om elders een verlosser te vinden, riep koning Arthur op bitteren toon: "Helaas! is er dan géén onder mijne ridders, wiens naam zonder smet of blaam is en wiens dapperheid zóó groot is, dat hij deze proef kan doorstaan! Nog liever ware ik gestorven, dan dat ik den dag moest beleven, waarop ik den roem van mijne ridderschap geschandvlekt zie!"
Toen verrees ten laatste Balin van zijn zetel achter in de zaal, vanwaar hij tot nu toe het schouwspel had gadegeslagen. Hij had het niet durven wagen, zich te voegen bij de vermaarde ridders, die gevolg hadden gegeven aan den oproep des konings; het gevoel zijner minderheid tegenover deze beroemde helden en een gemis aan zelfvertrouwen hadden hem daarvan teruggehouden. Maar nu--na dezen wanhopigen uitroep van zijn geliefden vorst--voelde hij plotseling dat, hoe onwaardig hij ook mocht zijn, om de daad te verrichten, hij haar toch wilde beproeven. Met vaste schreden ging hij op de jonkvrouw toe, maar toen deze hem zag naderen in zijne eenvoudige kleedij, zoo geheel verschillend van de sierlijk bepluimde en met edelsteenen getooide wapenrustingen der andere ridders, week zij onwillekeurig eene schrede terug en riep op spottenden toon: "Wat nu? Denkt gij te slagen, waar zoovele anderen, machtiger, rijker en edeler dan gij, het moesten afleggen? Keer terug naar uw dorp, vanwaar gij gekomen zijt en laat het verrichten van heldendaden over aan uwe meerderen!" "Schoone jonkvrouw", antwoordde Balin, "meerdere waarde schuilt niet in hooge afkomst of sierlijke kleederen, het is in de ziel der menschen, dat God den toetssteen legt voor hun hooger kunnen. Met Zijne hulp wil ik beproeven u te verlossen."
Daarop legde hij zijne hand op het zwaard en bij de eerste poging vloog het uit de scheede en glinsterende in den zonneschijn. Trotsch en gelukkig wendde Balin zich tot koning Arthur en sprak: "Heer koning! sta mij toe, dit zwaard te behouden, dat ik met eigen inspanning verworven heb! Vergun mij nu, heen te gaan van uw hof en met behulp van dit wapen te trachten nieuwen roem te verwerven, waardoor de luister van uw naam steeds helderder moge schijnen!" Maar vóór de koning kon antwoorden, kwam de jonkvrouw haastig en dringend tusschenbeide en sprak tot Balin: "Heer ridder! groot is mijn dankbaarheid jegens u en diep mijn leedwezen, dat ik u zoo even met mijne booze woorden gekrenkt heb, maar wat ik u bidden mag, geef mij het zwaard terug, waarvan gij mij bevrijd hebt. Het zal u ongeluk aanbrengen--geloof mij--ik smeek er u om!" Maar wat zij ook sprak, Balin wilde het zwaard niet afstaan, er was een gevoel van groote rust en zekerheid over hem gekomen en hij voelde zich in staat om groote dingen te doen en om allen tegenstand, ook dien van het noodlot het hoofd te bieden. "Geef mij het zwaard terug," smeekte de jonkvrouw nog eens, "het is voor uw bestwil, dat ik er om vraag, want luister naar mij en onthoud wat ik u zeg: Wanneer gij dit zwaard behoudt zult gij er hem mede dooden, die u het dierbaarst is op aarde en zal het uw ondergang worden. Geef het mij daarom terug, vóór het te laat is!" Nochtans wilde Balin zijn eervol verworven schat niet afstaan. "Wanneer het de wil van God is, dat ik sterven zal," zoo sprak hij ernstig, "dan vermag mijne luttele kracht daar niet tegen te strijden. Ik kan slechts de taak vervullen, waartoe ik mij geroepen voel, en wat mijn leven en sterven betreft, die zijn in Gods hand."
Met deze woorden verliet hij het gezelschap en begaf zich naar de stallen om zijn strijdros te zadelen en zich gereed te maken voor zijn vertrek.
_Van de komst der meervrouwe aan het hof en hoe Balin haar doodde._ Terwijl hij hiermede bezig was, weerklonk er bazuingeschal van den toren en spoedig daarna reed eene schoone jonkvrouw, op een sneeuwwitten telganger gezeten, de poorten van het paleis binnen. Zij droeg een slepend kleed van eene heldergroene kleur, dat bij elke beweging een zacht ritselend geluid maakte. Een krans van zeewier omstrengelde haar hoofd en door hare blonde haren waren lange slingers gevlochten van groene waterplanten. Hare gestalte was slank en trotsch en hare oogen waren van het zuiverste blauw, dat men zich denken kan. Toen zij de zaal van Arthurs paleis binnentrad, bogen allen eerbiedig ter aarde, want men herkende in haar de Meervrouwe, haar, die Arthur eenmaal zijn beroemd zwaard Excalibur geschonken had, toen hij in den strijd tegen Pellinore, den vader van Parcival en Lamorak, zijn zwaard verloren had. De Vrouwe van het Meer had bij die schenking de voorwaarde gemaakt dat, mocht er ooit eene gelegenheid komen, waarop zij Arthur om eene gunst zou verzoeken, hij haar die niet zou weigeren. Nu was het oogenblik gekomen, waarop zij hem aan die belofte wenschte te herinneren. Zij ging op den troon des konings toe, boog het hoofd ter begroeting en sprak: "Sire! gij herinnert u, hoe gij mij destijds beloofdet elk verzoek, dat ik u zou doen, in te willigen, in ruil voor het zwaard Excalibur, dat ik u geschonken heb?" "Ik herinner het mij zeer goed", antwoordde de koning, "en zal gaarne aan mijne verplichtingen voldoen, indien zulks in mijne macht ligt." "Welnu dan", hernam zij, "ik vraag van u het hoofd der jonkvrouw, die zoo juist hier binnen kwam, of anders dat van den ridder die haar bevrijdde." Het gelaat van den koning betrok. "Dat kan ik u niet geven", sprak hij, "elken anderen eisch, dien gij mij stellen wilt, zal ik echter gaarne inwilligen." Maar de Meervrouwe schudde het hoofd. "Dezen en geen anderen wensch ter wereld heb ik," sprak zij, "dan het hoofd te bezitten van haar, die de oorzaak is geweest van mijns vaders dood of van hem, die de moordenaar was van mijn geliefden broeder. Vervul dien wensch, o Koning, gij zijt het aan uwe eer verplicht." Nauwelijks had zij deze woorden uitgesproken of Balin, gereed om zich op weg te begeven, trad de zaal binnen. Toen hij hoorde, wie de hooge bezoekster was en waarom zij kwam, snelde hij op haar toe en verweet haar in de bitterste bewoordingen, dat zij de oorzaak was geweest van den dood zijner moeder. Drie lange jaren had hij rondgezworven om haar te zoeken en nu hij plotseling voor haar stond en zich al het leed herinnerde, dat zij hem en den zijnen berokkend had, werd hij zóó door zijn toorn overmeesterd, dat hij ten slotte uitriep: "Gij zijt hier gekomen, om mij het hoofd te doen verliezen, maar die reis zal u het uwe kosten!" en met een enkelen zwaardslag kliefde hij haar het hoofd van de schouders.
Deze daad veroorzaakte groote ontsteltenis onder de omstanders. Koning Arthur beval Balin op hoogen toon onmiddellijk het hof te verlaten, nu hij zóó weinig eerbied voor zijn vorst getoond had, dat hij eene dame en nog wel ééne, die onder 's Konings hooge bescherming stond, onder zijne oogen op zulk een verraderlijke wijze gedood had. Balin zweeg een oogenblik, maar toen wendde hij zich tot Arthur en sprak: "Heer Koning! het ware eene misdaad geweest tegenover mijne medemenschen om een dergelijk vergrijp, als waaraan deze booze vrouw zich had schuldig gemaakt, ongestraft te laten! Indien ik misschien in mijne handelwijze te haastig ben geweest, zoo geschiedde dit niet uit gebrek aan eerbied jegens u, dien ik boven allen hoog stel. Dit hoop ik u door mijne daden te bewijzen!"
Met deze woorden nam hij het hoofd van den vloer, keerde zich om en verliet de zaal. Weldra hoorde men den hoefslag van zijn paard over de ophaalbrug vóór het paleis dreunen. Toen hij even buiten de poort was gekomen, deed hij zijn paard stilhouden, overhandigde het hoofd aan zijn schildknaap en beval dezen, ermede naar Northumberland te rijden en zijnen vrienden en magen te melden, onder welke omstandigheden en ten koste waarvan hij den dood zijner moeder gewroken had. Toen de knaap hem beklaagde, omdat hij in ongenade gevallen was bij koning Arthur, verhief Balin zich trotsch in den zadel en zeide tot hem: "Wees niet bekommerd over mij! Ik zal naar het land van koning Rience rijden en hem zien te dooden en wanneer ik koning Arthur het hoofd van zijnen doodsvijand brengen kan, zal hij mij gemakkelijk mijne schuld vergeven." Hierop nam hij afscheid van den knaap en reed alleen verder, de onbekende toekomst tegemoet. Ondanks alles wat er gebeurd was, gevoelde hij geen vrees voor den toorn des konings. Het bewustzijn, eene goede daad te hebben verricht en de hoop van 's konings vijand te kunnen verslaan, deden hem berusten in de tijdelijke verbanning van het hof en deden het vertrouwen in hem rijzen, dat hij eenmaal de gunst van zijn vorst zou mogen herwinnen. En bovendien--de zon scheen zoo vroolijk over de velden, de bosschen, waar hij door reed, waren zoo schoon in hunne zomerpracht en het kabbelen der beekjes klonk hem zoo welluidend in de ooren, dat hij weldra alle zorgen des levens vergat in zijne vreugde om de schoonheid der natuur en zijne onbezorgde jeugd.
_Hoe Launceor van Ierland zich opmaakt om Balin te volgen._ Eenige uren nadat Balin het paleis verlaten had, reed een ridder het binnenplein van Arthurs kasteel op. Het was Launceor, de zoon van den koning van Ierland, een hoogmoedig, ijverzuchtig ridder. Reeds lang hadden de geruchten van Balin's heldendaden, die zelfs tot aan het hof van zijn vader waren doorgedrongen, zijne afgunst opgewekt en den wensch bij hem doen opkomen om dezen eenvoudigen knaap uit het Noorden eens te toonen, dat er nog sterker en machtiger waren dan hij en dat hij het niet moest wagen zich te meten met een koningszoon. Met dit doel was hij naar Camelot getrokken en toen hij bij zijne aankomst aldaar vernam, wat er geschied was, wendde hij zich tot den vorst en sprak: "Heer Koning! sta mij toe, dat ik uittrek om dezen weerspannigen ridder te zoeken en vergun mij dat ik de beleediging, u aangedaan, op hem wreke! Het ware ongehoord, dat een ridder, en nog wel een van niet-koninklijke afkomst, u op zulk eene wijze zou mogen vernederen, zonder dat hem daarvoor eene gerechte straf werde toegediend!"
De koning, wiens misnoegen over Balin door deze woorden werd versterkt, gaf Launceor vergunning om heen te gaan. Nog terwijl deze zich voor zijne reis gereed maakte, kwam Merlijn, de grijze toovenaar, tot den koning en vertelde hem, dat de jonkvrouw, die met het zwaard aan het hof was gekomen, eene booze, valsche vrouw was. Zij had een minnaar gehad, met wien zij nachtelijke samenkomsten hield in een eenzaam priëel in het park van haren vader. Eens op een avond had haar broeder hen beiden daar verrast, en in toorn ontstoken over de schande zijne zuster aangedaan, had hij haren minnaar voor hare oogen gedood. Hierop was de jonkvrouw hulp en raad gaan zoeken bij de Vrouwe van Avalon, en had deze gesmeekt haar in staat te stellen, zich op haren broeder te wreken. De toovenares had haar toen dit zwaard gegeven en haar opgedragen een ridder te zoeken, die het uit de scheede zou kunnen trekken. Alleen hij, die zonder vrees of blaam was, zou erin slagen, dit feit te volbrengen en hij die het volbracht, zou tevens de moordenaar van haren broeder worden. Toen Merlijn zoover gekomen was, vertelde men hem, wie de ridder was, die de jonkvrouw van het zwaard bevrijd had. Daarop begon de grijze ziener op luiden toon te weeklagen, dat het juist Balin, een der dapperste en edelste ridders van het hof, zijn moest, die het slachtoffer zou worden, "want", zoo voegde hij aan zijne woorden toe, "hij, die het zwaard uit de scheede trok, is voorbestemd, om door dat zwaard te sterven."
Intusschen had Launceor zijn harnas aangegespt en, den helm met een wuivenden vederbos op het hoofd, het zware schild aan den schouder en het zwaard in de hand, reed hij de poorten van het kasteel uit en sloeg den weg in, dien Balin eenige uren tevoren genomen had. Deze laatste was juist aan den rand van een groot bosch gekomen, toen hij het dreunen van naderende hoefslagen achter zich hoorde en, zich omwendend, een ridder in vliegende vaart op zich zag afkomen. Terstond deed hij zijn paard stilstaan en vroeg den naderenden ridder, wien hij zocht en wat zijn verlangen was. "Wat mijn verlangen is?" riep Launceor spottend: "dat zal ik u spoedig duidelijk maken! Ik ben gezonden door koning Arthur om de beleediging te wreken, die gij hem hebt aangedaan. Dientengevolge daag ik u hierbij uit tot een gevecht op leven en dood!"
"Zoo zij het!" sprak Balin, "al gevoel ik geen berouw over wat ik deed, toch zult ge uwe uitdaging niet behoeven te herhalen!" Met gevelde lans reden de beide ridders op elkander in. Een hevig gevecht volgde, de grond dreunde van het getrappel der paardenhoeven, de lansen kletterden en flikkerden in het zonlicht, tot eindelijk Balin met een behendigen stoot zijn tegenstander in het hart trof. Toen hij zag, dat het met zijnen vijand gedaan was, steeg hij van zijn paard en trad naderbij, maar op hetzelfde oogenblik hoorde hij kreten van ontzetting achter zich en zag hij eene vrouwengestalte, die zich onder luid geweeklaag op het levenlooze lichaam van Launceor wierp. Toen de eerste aanval van smart bedaard was, wendde de jonkvrouw zich tot hem en verweet hem in woorden van hartstochtelijke droefenis den dood van haar geliefde. Tevergeefs poogde Balin haar duidelijk te maken, dat de uitdaging tot den strijd van Launceor was uitgegaan, zij hield niet op met hem de schuld te geven van haar verlies en ging voort met in de wanhopigste bewoordingen haar eenzaam lot te bejammeren. Eindelijk greep zij het zwaard van den dooden ridder en, vóór Balin het haar beletten kon, stortte zij er zich in met een laatsten kreet van smart. Diep geschokt door het gebeurde, stond Balin een tijdlang roerloos bij de lijken der twee gelieven, tot hij zich eindelijk met een zucht afwendde om zijn weg te vervolgen.
Daar zag hij aan den rand van het bosch een ridder te paard, dien hij tot zijne groote vreugde herkende als zijn broeder Balan. Het was eene blijde ontmoeting, want het was geruimen tijd geleden sinds de broeders elkander het laatst gezien hadden. Nadat elk den ander de lotgevallen had medegedeeld, welke hij sindsdien beleefd had en Balan zijne blijdschap te kennen had gegeven over het feit, dat zijn oudere broeder uit zijne zesmaandelijksche verbanning, door tusschenkomst van de andere ridders, teruggeroepen was, vertelde Balin, hoe hij zich opnieuw de ongenade des konings op den hals had gehaald en hoe hij nu, zonder het te willen, de oorzaak was geweest van den dood der twee gelieven. Maar Balan troostte hem: "Wat gij deedt, deedt gij omdat ge daartoe gedwongen waart. God kent de drijfveer uwer daden en houdt daar bij het schenken van zijne vergiffenis rekening mede. Wat verder de ongenade uws konings betreft, ik zal u vergezellen op uw tocht, naar koning Rience; tezamen zullen wij hem verslaan en daarmede uw goeden naam bij koning Arthur herstellen."
Alvorens zij zich op weg begaven, dolven zij een graf voor Launceor en zijne geliefde. Terwijl zij hiermede bezig waren, kwam Merlijn op de plaats des gevechts en toen hij zag, wat er was voorgevallen, hief hij de handen ten hemel en sprak tot Balin: "Helaas! wat hebt gij, ongelukkige, gedaan? De ridder, die hier verslagen ligt, was een dapper koningszoon en deze jonkvrouw beminde hem met eene trouwe, teedere liefde. Al hun geluk is door uw toedoen verwoest en gij zijt het, die hen in den bloei hunner jeugd gedood hebt!" Toen Balin hem antwoordde, dat hij den strijd met Launceor niet gezocht had, schudde de wijze toovenaar mismoedig het hoofd en zeide: "Desalniettemin zult gij de gevolgen uwer daad ondervinden, want de dood dezer beiden is oorzaak, dat de edelste man ter wereld door uwe handen zal komen te sterven en door zijne dood zullen drie koninkrijken in rouw gedompeld worden." "Helaas", riep Balin uit, "indien uwe voorspelling waarheid bevat, dan zou ik wenschen, dat ik gevallen ware in plaats van Launceor!" Maar vóór hij verder kon gaan, was Merlijn verdwenen en de beide broeders wendden zich af van de plaats des onheils en begaven zich op weg naar het rijk van koning Rience. Alvorens heen te gaan, nam Balin evenwel nog het zwaard van Launceor en bevestigde dit naast het zijne aan zijnen gordel.