Part 8
De dagen der scheiding van haar geliefden echtgenoot waren voor de paltsgravin zeer smartelijk. Hevig drukte haar de eenzaamheid in den grooten burcht, en zeer miste ze Siegfrieds nabijheid, den klank zijner stem en de veiligheid van zijn tegenwoordigheid. Tot den man, die door hem als haar beschermer aangesteld was, kon ze niet spreken als tot een vriend. Haar rein vrouwenoog schrok van den hartstochtelijken gloed, die uit de sombere blikken van Golo straalde. Het scheen haar, dat deze blikken heimelijk haar bewegingen bespiedden en met een uitdrukking, die haar kinderlijk gemoed niet begreep, op haar rusten bleven.
Dubbel miste zij dan den afwezigen gemaal. Dikwijls trad ze naar buiten en gaf zich in het tuintje onder den vlierboom aan aangename droomen over. Terwijl haar oogen verlangend in het schemerachtige, blauwe verschiet staarden, dacht Genoveva aan het zalige oogenblik, waarop ze den heer Siegfried terug zou zien; hoe zij, het hoofd aan zijn borst geleund, hem het zoete geheim mede zou deelen, dat de aanstaande moeder reeds bij voorbaat zoo gelukkig maakte. Misschien zou de oorlog tegen de heidenen lang duren, en zou zij den terugkeerenden echtgenoot het pand hunner liefde hier op de burchtplaats toereiken. Dan klaarde het lieve gelaat der paltsgravin op, en een glans van geluk kwam over haar trekken. Dikwijls steeg zij dan op naar de platform en droomde van toekomstig geluk, terwijl haar oogen verlangend in het schemerachtige verschiet staarden.
De heimelijke vrees, die de paltsgravin voor den slotvoogd koesterde, was niet ongegrond. De engelachtige schoonheid van Genoveva had in het jeugdig gemoed van Golo een verboden vuur doen ontgloeien, dat hij niet in staat was te verstikken; integendeel werd door het vele samenzijn met de lieftallige paltsgravin, die tegen hem, evenals tegen alle ondergeschikten vriendelijk was, het vuur van den verderfelijken hartstocht nog meer aangewakkerd, totdat hij op een dag zich zelf niet meer meester was en zich aan de voeten van de begeerlijke, teeder beminde vrouw wierp. In zondige hartstochtelijke taal smeekte Golo de vrouw van zijn meester om haar wederliefde.
Genoveva was zeer ontsteld door deze schandelijke bekentenis. Met verontwaardiging en verachting wees zij den vermetele af. Zij verbood hem, die zijn plicht zoo grenzenloos verzaakt had, ooit weer voor haar aangezicht te verschijnen en dreigde hem, dat zij hem bij haar man zou aanklagen. Toen kwam er een sombere flikkering in Golo's oogen, en een blik van doodelijken haat trof de schoone vrouw, die hem zoo streng terecht wees. Vergeving was niet te hopen van de verontwaardigde meesteres; zijn vernederde trots verlangde die ook niet, maar dorstte naar wraak. Nu moest er verder gegaan worden op den eenmaal ingeslagen weg, teneinde Siegfrieds toorn, waarmede hij gedreigd was, te ontgaan.
De haat en wraak deed een vreeselijk plan in Golo's, binnenste rijpen. Hij ontsloeg de onderhoorigen en stelde nieuwe bedienden in den burcht aan. Toen trad hij op een dag, ten aanschouwe van het geheele dienstpersoneel, op de ontstelde paltsgravin toe en beschuldigde haar met fonkelende oogen, dat zij zich tegenover haar afwezigen echtgenoot op schandelijke wijze aan trouwbreuk schuldig gemaakt had, door met een gewonen knecht, die haar merrie zadelde in ongeoorloofde verhouding te staan, waarvan zij de vrucht onder het hart droeg. Schaamte en verontwaardiging beroofden Genoveva van haar zinnen. Golo deelde den ontstelden bedienden, die zwijgend toehoorden, mede, dat hij den paltsgraaf reeds van de schuld van zijn trouwelooze gade en haar ontvluchten dienaar Drago onderricht had en als tegenwoordig burchtbeheerder beval, de trouwelooze in een kerker te brengen.
In een vochtige onderaardsche gevangenis van den burcht ontwaakte de ongelukkige paltsgravin uit haar bezwijming. Diep bedroefd verborg zij het hoofd in de handen en smeekte Hem, die haar deze vreeselijke beproeving opgelegd had, haar in het tegenwoordige leed en in de aanstaande gebeurtenis bij te staan. Smartelijke uren stonden Genoveva te wachten. Zij bracht een knaapje ter wereld. Zij doopte hem met haar tranen en gaf hem den naam Tristan, dat beteekent: rijk aan smarten.
II.
Acht maanden was paltsgraaf Siegfried reeds afwezig. Als een held had hij in menig hevig gevecht gestreden. Met woesten geestdrift vochten de dweepzieke Mahomedanen, die de Pyreneeën overgestoken waren, om ook het overige Westen met vuur en zwaard aan de leer van hun profeet te onderwerpen. In vele gevechten hadden de Franken voor hun overmacht moeten zwichten. Reeds stonden de teugellooze Horden in het midden van Gallië en drenkten hun paarden met het water van de Loire. Daar verscheen Karel, de eerste paladijn van den zwakken koning der Franken, en mat zich in een bloedig gevecht bij Tours met de Arabieren. Vanaf het aanbreken van den dag tot aan het vallen van den avond streden hier het kruis en de halve maan om Europa's lot. Nooit genoeg heeft men dezen strijd tegen de Mooren tusschen Tours en Poitiers gewaardeerd, toen Karel Martel als met een hamer de ongeloovigen op het hoofd sloeg, evenals voorheen Judas deed, dien ze Maccabeeus, dat beteekent: "de hameraar", genoemd hebben. Aan de zijde van den legeraanvoerder streed Siegfried, de paltsgraaf. Hij vocht als een leeuw, en God beschermde hem tot aan het einde van den strijd. Dienzelfden avond echter werd de dappere paltsgraaf door de lans van een vervolgden Saraceen getroffen. Het was geen doodelijke steek geweest, maar gedurende maanden was hij tot werkeloosheid gedoemd. Mistroostig lag graaf Siegfried op zijn legerstede, en vol droefheid dacht hij aan de geliefde gade in het mooie Rijndal.
Toen kwam er op een dag een bode uit den "Mayenfelder Gau", die den paltsgraaf een perkament bracht, door Golo den slotbewaarder geschreven. Ontzet heeft graaf Siegfried de krullende, zwarte teekens aangestaard, als wilde zijn blik ze van het blad uitwisschen; maar hoonend hebben ze voor zijn oogen gedanst, en in zijn ooren heeft de ontzettende tijding geklonken: "je vrouw heeft de trouw gebroken met Drago, den weggeloopen stalknecht."
Woedend hebben de vingers van den held het geschrift omklemd, een steunen drong uit den bleeken mond. Op hetzelfde uur heeft hij zich met eenige wapendragers op weg begeven en is somber en ontstemd de richting van de Ardennen ingeslagen. Hij heeft niet gerust voor dat de Paltsburcht voor zijn oogen opdoemde. Op de platform stond een man, die onderzoekend in de verte tuurde. Toen hij in de nabijheid stofwolken zag opwaaien en een kleine schaar ruiters ontdekte, kwam er een zegevierende blik in de donkere oogen.
Daar rent een statig ridder voor de anderen uit. Donderend dreunt de met ijzerbeslagen hoef van het strijdros op de ophaalbrug. Voor den somberen paltsgraaf, die snel van zijn paard afgesprongen is, staat Golo met gehuichelde ontroering. Opnieuw deelt hij met gekunstelde smart mede, hetgeen de ridder reeds door den koerier vernomen heeft.
"Waar is de boosdoener, opdat ik hem, die de eer van mijn huis bezoedelde, verplettere!" riep de paltsgraaf vol vertwijfeling uit.
"Heer, ik heb den ellendeling gruwelijk gestraft en hem vervolgens met zweepslagen uit het slot verdreven," antwoordde Golo met krachtige stem.
De paltsgraaf zucht diep. Zwijgend wenkt hij Golo, en een straal van duivelsche vreugde schittert in het oog van den valschaard.
Ook in de onderaardsche gevangenis was het geluid van paardengetrappel en van het toeloopen der bedienden doorgedrongen. Zich hoog oprichtend, luistert Genoveva in haar kerker. Een dierbare naam en een bede tot God komt op haar lippen. Nu moest de vreeselijke beproeving een einde nemen, en haar deugd zegevierend de plaats der smaad verlaten en de doornenkroon verwisseld worden voor den zegekrans.
Daar wordt de grendel weggeschoven, harde voetstappen weerklinken. Aan haar borst trekt zij het sluimerende knaapje. De vleugeldeur wordt opengeworpen, en den geliefden echtgenoot toont zij het aanvallige kind, het pand hunner liefde en juichend klinkt de naam van den dierbaren gemaal van haar lippen. Maar plotseling veranderen haar woorden in een luiden smartkreet. Hij slingert haar van zich af, als hamerslagen treffen zijn aanklachten haar onschuldig hoofd, en kermend valt Genoveva in onmacht. Den volgenden morgen bij het aanbreken van den dag brachten twee knechten de ongelukkige naar buiten in het bosch. In koelen bloede moesten zij de vrouw dooden, die haar gemaal op schandelijke wijze ontrouw geweest was, terwijl deze zijn leven aan de heilige zaak gewijd had, en met haar moest tevens het kind der schande sterven. De vertoornde paltsgraaf had bevolen, hem de tongen te brengen, als bewijs van het uitgevoerde bevel.
Hardvochtig sleepten de knechten de ongelukkige naar het meest woeste deel van het woud, waar slechts het schreeuwen van een roofvogel of de kreet van een dier uit het bosch de stilte verbrak. Reeds hadden ze de messen getrokken. Daar wierp de paltsgravin zich vol vertwijfeling aan de voeten van de mannen, hield weenend haar knaapje in de hoogte en smeekte hun, zoo niet haar, dan toch het onschuldige kind te sparen. Medelijden maakte zich van de mannen meester en ontwapende hun hand, die het moordwapen vasthield. Nog dieper in het woud brachten ze moeder en kind, keerden zich toen snel om en lieten de slachtoffers aan hun lot over.
Twee reetongen brachten de mannen den paltsgraaf en deelden hem mede, dat ze zich getrouw van hun opdracht gekweten hadden.
III.
Genoveva's bestaan was hoogst treurig. Geheel opgaande in haar smart, doolde zij dood vermoeid door het onbekende woud rond. De honger kwam en deed zijn rechten gelden. Zacht kermde het knaapje op haar arm, en een innig gebed zond de vertwijfelde moeder ten hemel. Het drukkende harteleed loste zich op in een vloed van tranen, die haar eenigszins verlichtten. De knaap was, nadat ook hij lang geschreid had, ingeslapen. Eensklaps zag Genoveva, als door den hemel, dien ze aangeroepen had, gezonden, een hol voor zich, dat haar een schuilplaats en toevluchtsoord aanbood. En, als wilde God haar toonen, dat hij harer welwillend gedacht, kwam er een witte hinde in het hol, die zich vertrouwelijk aan de voeten van de verlatene neervlijde. Haar uiers waren gevuld met melk; zij moest eenige dagen geleden jongen gekregen hebben. Gewillig liet het zachte dier toe, dat de vrouw haar kindje laafde. Ook den volgenden morgen kwam de hinde weder, en Genoveva dankte God uit den grond van haar hart. Zij vond wortels, bessen en kruiden, waarmede ze zich in het leven kon houden. Het makke dier kwam elken dag in het hol en bleef eindelijk voortdurend bij haar.
Zoo verliepen er dagen, weken en maanden. Door de onveranderlijke vroomheid der zwaar beproefde vrouw was de hevige smart in zachten weemoed overgegaan. Na verloop van tijd kon zij haar echtgenoot, die haar onschuldig veroordeeld had, vergeven, evenals hem, die zich meedoogenloos op haar deugd gewroken had. Wel waren haar liefelijke wangen smal geworden, maar de gekruide boschlucht veranderde de bleekheid, die de kerkerlucht daarop verspreid had in een zacht rood. Meer nog nam de knaap in beterschap toe, daar hem niet zooals zijn moeder dat verterende leed aan het hart knaagde. Een bloeiende twijg aan een geknakten stengel.
IV.
Sedert deze treurige gebeurtenis was het verdriet een trouw bezoeker op het slot van den paltsgraaf. De hevige toorn was in knagend hartzeer overgegaan. Dikwijls, wanneer hij onrustig door de kamers dwaalde, waaraan zooveel herinneringen verbonden waren en doodsche stilte hem omringde, waar vroeger de zachte stem van de geliefde vrouw weerklonken had, dan overweldigde hem de smart. En het berouw kwam en fluisterde hem met gloeiende woorden in het oor: of de gruwelijke straf, die hij opgelegd had, niet te zwaar geweest was--of hij niet te snel het vonnis uitgesproken had en of hij niet had moeten overwegen, wat tot verzachting der ontmaskerde zonde had kunnen bijdragen.
Als deze vermanende stemmen hem vervolgden, dan werd het slot en de eenzaamheid den paltsgraaf te veel, en hij snelde naar buiten met de keffende honden en het gevolg, om door jachtfanfares en hondengeblaf de innerlijke aanklagers tot zwijgen te brengen. Maar het gelukte hem slechts zelden, en ook buiten zag steeds een doodsbleek vrouwengezicht tot hem op, om dan in een stralenkrans weg te smelten. Golo had wel bemerkt, hoe het met den zielstoestand van zijn meester gesteld was, en dubbel drong de sluwe man zich aan den paltsgraaf op, huichelde steeds grootere onderdanigheid en zorg voor diens welzijn. Een hongerige neemt zelfs het brood aan, dat een bedelaar hem biedt: Siegfried meenende, dat de slotvoogd hem in zijn eenzaamheid wilde troosten, nam deze bewijzen van genegenheid minzaam aan en beloonde ze met welwillendheid, hoewel hij in zijn binnenste vertoornd was op den man, die hem den treurigsten dienst zijns levens bewezen had. Eens ging de paltsgraaf weer op de jacht. Slechts een klein gevolg begeleidde hem. Ook Golo was onder hen. Dieper dan gewoonlijk was Siegfried het bosch ingegaan. Een sneeuwwitte hinde was voor hem opgesprongen, en als een goed jager rende de paltsgraaf over heg en struik, om het zeldzame dier neer te schieten. Reeds had zijn speer het dier aangeraakt, toen het plotseling in een hol verdween. En een vrouwelijke gestalte met een knaapje aan de hand trad plotseling in de opening tusschen de rotsen. De hinde, die bescherming bij haar zocht, vlijde zich tegen haar aan. Zij bespeurt den jager en werpt met een blos van schaamte haar rijke mantel van blond haar over het armoedige gewaad. Maar een siddering overvalt haar, onbeweeglijk staren de groote vermoeide oogen den jager aan. Een kreet klinkt van haar lippen, half juichend, half kermend en zij werpt zich aan de voeten van den paltsgraaf. En van de lippen, die maandenlang slechts vurige gebeden gepreveld of het verlaten kind zoete vleierijen toegefluisterd hebben, stroomen nu betuigingen van onschuld en aanklachten tegen haar vervolgers. Als vuur dringen haar woorden in de ziel van den paltsgraaf, als vuur, dat verlicht, loutert en ontvlamt.
Plotseling tot bezinning gekomen, trekt hij zijn wedergevonden vrouw aan zijn borst, kust haar traan voor traan van de wangen weg en werpt zich dan zelf aan haar voeten, terwijl hij berouwvol om vergeving smeekt. Den knaap drukt hij aan zijn hart en geeft het miskende kind duizend teedere namen.
Dan blaast hij op den jachthoorn. Het gevolg nadert; ook Golo. De paltsgraaf trekt hem uit den kring der ontstelde wapendragers en sleurt hem vlak voor Genoveva.
"Kent gij haar?"
Als door geeselslagen getroffen, kromp de ellendeling ineen, en omklemde voortdurend de knieën van zijn meester, die hem verachtelijk van zich stiet. Hij biechtte zijn misdaad en smeekte om genade. Siegfried schudde treurig het hoofd, liet hem boeien en wegbrengen. Een smadelijke dood was, niettegenstaande de voorspraak van de vrome paltsgravin, Golo's loon.
De zon van nieuw geluk bestraalde weer paltsgraaf Siegfried en zijn engelachtige vrouw. Met dubbele teederheid schonk de paltsgraaf zijn liefde aan de trouwe gemalin en zijn bloeiend knaapje. In het bosch, waar de hinde hem het spoor naar het hol gewezen had, liet hij, uit dankbaarheid aan God, een kerk bouwen. Dikwijls ging de vrome paltsgravin in dit godshuis bidden en prees Gods goedheid, die haar tranen in vreugde had doen veranderen.
Op een dag werd haar omhulsel onder groote droefheid weggedragen en in deze kerk bijgezet. Nog heden staat de oude Vrouwenkerk te Laach in de "Mayenfelder Au", nog heden laat men den bezoeker het grafteeken, den toren, waarin zij smachtte, het rotshol, waarin zij leed, zien, en er is niemand in het Rijnland, die de deugdzame gemalin van paltsgraaf Siegfried, de heilige Genoveva niet kent.
Hammerstein
De met dochters gezegende ridder
Boven Rheinbrohl staan op den somberen Grauwackenfels de duizendjaar oude, vervallen ruïnes van de rijksvesting Hammerstein. Een der eerste bezitters was Wolf van Hammerstein, een trouw onderdaan van keizer Hendrik den Vierde, wiens kroon door eigen schuld en die van anderen met doornen omwonden was. Op den onvergetelijken boetetocht naar Canossa heeft graaf Hammerstein hem vergezeld, doch door de gebreken van den naderenden ouderdom heeft hij daarna zijn burcht niet gaarne meer verlaten. Slechts uit de verte drong het trompetgeschal der wereld tot hem door.
Zes dochters waren uit het huwelijk van den heer Wolf van Hammerstein met zijn sedert jaren ontslapen echtgenoote geboren, liefelijke jonkvrouwen, die voor den bejaarden vader groote vereering koesterden. Hun kinderliefde viel echter bij den ruwen krijgsman in verkeerde aarde. Dat hem geen zoon beschoren was, kwelde hem zeer. Gaarne had hij voor een stamhouder het halve dozijn meisjes gegeven. Dit bleef de zes jonkvrouwen niet verborgen, en door groote liefde en toewijding trachtten zij den norschen vader met zijn lot te verzoenen.
Op een avond, terwijl buiten de wind als een krassende raaf om den burcht gierde, zat ridder Wolf, door jicht geplaagd, binnen aan den warmen haard en was niettegenstaande de rouwelijke opmerkzaamheden in een slecht humeur. Evenals schuwe duiven keken de sierlijke meisjes naar den vertoornden ouden heer.
Daar dient de slotbewaker in het late uur nog twee gasten aan. Zij zijn in ridderlijke wapenmantels gehuld. Niettegenstaande zijn podagra verheft de gastvrije burchtheer zich van zijn zetel. In het verwarmde vertrek treden bibberend van koude twee vermoeide reizigers, die om een onderkomen voor den nacht smeeken.
Bij den klank der stem van den eenen vreemdeling heeft de ridder zich luisterend opgericht, en toen deze het vizier ophief en den mantel terugsloeg, is Wolf van Hammerstein eerbiedig op de knieën aan zijn voeten neergevallen, heeft zijn beide handen gegrepen, zijn gebaarde lippen daarop gedrukt en uitgeroepen: "Hendrik, mijn Heer en Koning!"
De keizer heeft vervolgens zijn voormaligen strijdmakker met trillende stem medegedeeld, dat hij vluchtende was voor hem, die hem den koningsmantel van de schouders en de kroon van het hoofd gerukt had. En toen de ridder bevende van opwinding vroeg, wie deze eeren goddelooze booswicht was, fluisterde de keizer met gebogen hoofd op klankloozen toon: "Mijn zoon!" Hij bedekte het gelaat met de handen. Onbeweeglijk als een marmeren beeld stond de ridder daar, terwijl hij, als door een bliksemstraal, die in zijn ziel viel, tot inzicht werd gebracht.
Teeder voelde hij zich door de armen zijner, dochters omvat, en toen hij de handen naar hen uitstrekte, als wilde hij door de teederheid van een oogenblik al het onrecht van vele jaren vergoeden, voelde hij tranen daarop neerdruppelen. De keizer sprak diep geroerd tot den ridder:
"Benijdenswaardige wapenbroeder, de trouwe harten van je dochters kloppen voor je tot over je graf en geen verdorven zoon, die je dood niet kan afwachten, jaagt je eens met grijze haren van je geboortegrond! Wee mij, die morgen met de weinige getrouwen, die mij gebleven zijn tegen mijn eigen bloed ten strijde moet trekken."
Terwijl de ongelukkige koning tegen middernacht in de gezellig ingerichte kamer in een onrustigen slaap viel, overlaadde de diepbewogen burchtheer zijn dochters met ongekende liefkoozingen. Hij heeft God vergeving gevraagd voor den wrok, die in vroeger dagen bij hem opgekomen was, omdat hij geen zoon had.
Rheineck
De wijnkeuring
Onder het stadje Brohl verheft zich op een rotsachtige hoogte, waar vroeger reeds een Romeinsch slot gestaan heeft, de twintig meter hooge, vierhoekige wachttoren, als laatste overblijfsel van den burcht Rheineck. De sage, die aan den eenzamen toren verbonden is, vertelt ons een vroolijk verhaal van een ridder, een bisschop, een jonkvrouw en den wijn van Aszmannshausen. De ridder heette Kunz van Schwalbach en was een vermetele bandiet, die vooral het vuistrecht in de omstreken van de Ahr met veel ijver en niet minder gevolg uitoefende. Zijn gemalin, die wellicht een goeden invloed op hem had kunnen uitoefenen, rustte reeds sedert jaren in de burchtkapel. Een bevallig meisje, een vroeg wees geworden kind van een broeder van den heer Kunz, Adelgonde genaamd, bestuurde sedert dien tijd de huishouding op Rheineck.
Destijds was de vrome, maar ook strenge heer Anselmus bisschop van Keulen. Daar hij hooge belasting en tollen hief, waren de burgers van Keulen zeer vertoornd op hem, en toen hij weer een nieuwe belasting invoerde, was een hevig oproer hiervan het gevolg, zoodat Anselm gedwongen werd, met eenige getrouwen ijlings zijn residentie te verlaten. Naar aanleiding van hun bedeesde vraag "waarheen?" herinnerde de heer Anselm zich den burcht Rheineck, die tot het aartsbisdom behoorde en die den Schwalbachers voor langen tijd ter leen gegeven was. Daarheen wilde de aartsbisschop in ballingschap gaan, totdat zijn verdwaalde schaapjes hem weer terug zouden roepen.
"Ridder Kunz, de oom van mijn zedige pupil is wel is waar een groote schelm," meende de vrome heer. "Hij bidt weinig en rooft veel. Daarbij wordt hij verdacht de brutale bandiet te zijn, die in den herfst van ons aartsbisdom de lading wijn weggekaapt heeft. Aszmannshäuser was het," zeide de heer Anselm bij zich zelf, terwijl hij met gefronste wenkbrauwen naar de kielvoren van zijn scheepje keek.
Bij den heer Kunz, die zich in stilte te goed deed aan het heerlijke druivensap van den geurigen Aszmannshäuser, trad jonker Jörg, de hoofdman zijner lansknechten, binnen en berichtte, dat er beneden een schip met de Keulsche bisschopsvlag voor anker lag. Vertoornd rees de ridder van zijn eikenhouten stoel op, en minutenlang kwelde hem zijn kwaad geweten. Toen echter zegevierde zijn luchthartigheid en met vroolijke onderwerping beval hij den heer uit het heilige Keulen naar behooren te ontvangen. Den heer Anselm en zijn gevolg viel dus een waardige ontvangst ten deel. Door ridderlijke gastvrijheid moest de hoogeerwaarde leenheer en edele voogd van jonkvrouw Adelgonde zooveel mogelijk voor het geleden onrecht schadeloos gesteld worden.
Naarmate het later werd, verbeterde de stemming van den aanzittenden gast. Nadat de aartsbisschop reeds de noodige hoeveelheid van het edele vocht, dat zijn gastheer hem bood, met verstand geproefd had, vroeg hij terloops: "ridder Kunz hebt ge niet tot besluit een beker Aszmannshäuser, want sedert jaren gebruik ik dit vocht als een goed bekomende slaapdrank." En ridder Kunz moest toen met oprecht leedwezen bekennen, terwijl zijn oogen als die van een vroom schaap flikkerden, dat zijn kelder wel Walporzheimer, Ingelheimer, maar helaas geen druppel Aszmannshäuser bevatte, aangezien die, zooals iedereen wist, van het domein van den aartsbisschop was.
De heer Anselm scheen er zich in geschikt te hebben, dat hij zijn lievelings- en slaapdrank op Rheineck missen moest. Maar op een avond ging hij, door een plotseling invallende gedachte gedreven, langs verschillende afgelegen trappen en gangen naar den kelder van den burcht. Wat voor waarde had het woord van een Kunz? Geen cent. Wat eigen overtuiging? Misschien een scheepslading Aszmannshäuser. Aldus bij zich zelf redeneerend, ging de heer Anselm tastende langs de muren--en hield op eens een schoon gelokt vrouwenhoofd in de uitgestrekte handen.
Daar een onderdrukte angstkreet door de lange gang weerklonk, fluisterde vader Anselmus geruststellende woorden en drukte een bemoedigenden kus op twee nabijzijnde vrouwenlippen. Vervolgens trok hij de beschaamde Adelgonde bij het flikkerende licht aan het einde van den trap.
Hoog blozend biechtte de jonkvrouw den voogd, dat ze jonker Jörg zeer genegen was, en dat ze hier nog zedig een nachtgroet met hem gewisseld had.