# Sagen van den Rijn

## Part 7

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/sagen-van-den-rijn-15163/index.md

Hun vaders waren zeer bevriend geweest en gaarne ontving men den ridderlijken jongeling op het slot. Ook Marie de burchtjonkvrouw leerde hem achten en hoewel de buitengewoon krachtige mannelijkheid van den ridder het zachtzinnige meisje niet aangenaam aandeed, zoo toch koesterde zij een innige genegenheid voor den vermetelen jager en ridderlijken aanbidder.

Toen hij dus haar hand vroeg, gaf ze hem gaarne haar jawoord en verheugde zich er in zijn verloofde te zijn. Gelijk met de nieuwe maan zou de bruiloft plaats hebben en vol hoop op de toekomst bracht het lieftallige meisje de volgende weken van haar verlovingstijd door.

Minder vroolijk was de zielstoestand van haar bruigom. Op spottenden toon hadden zijn drinken jachtgenooten hem gelukgewenscht. Zij vonden het allen onaangenaam, dat het dolle jonggezellenleven in den burcht van den gastvrijen vriend zoo niet eindigen, dan toch zeer beperkt worden zou. En terwijl de een hem voorspiegelde van welk een heerlijke vrijheid hij lichtzinnig voor altijd afstand deed, trachtten anderen hem schertsend en spottend te overtuigen welke drukkende ketenen hij zich in den bloei zijner jaren vrijwillig op den hals wilde halen. In den beginne hoorde de ridder hen rustig glimlachend aan. Het beeld zijner verloofde verdrong de treurige tafereelen, die de welbespraakte heeren hem voor oogen stelden, doch toen zij steeds voortgingen met hem over te halen, werd hij besluiteloos. Trots en jeugdige overmoed kookten sterker dan ooit in zijn binnenste en verdrongen alle edele gevoelens.

Eens, toen de jonkvrouw den ridder verwachtte, kwam hij niet. In zijn plaats kwam er een brief, en bij het lezen daarvan viel ze in zwijm. Hij bevatte de verklaring van graaf Koenraad Bayer, dat hij zich nog niet rijp voelde, om het huwelijksjuk te dragen, en dat hij haar haar woord teruggaf.

II.

Weken waren verstreken.

Graaf Koenraad reed door het woud, dat tot zijn bezitting behoorde. In gedachten verzonken--hij was niettegenstaande de verhoogde vroolijkheid der drinkgelagen steeds treurig gestemd--had hij niet bemerkt, dat een ridder met gesloten vizier hem tegemoet draafde. Verrast hield hij hem aan en vroeg zijn naam en wat hij wenschte.

"Mijn wapenschild antwoordt u," zeide de ridder met een bijzondere stem. "Maria's wreker ben ik, die u van laffe trouwbreuk beticht en Gods oordeel over u en mij zal laten beslissen. Maak u gereed tot den strijd." Deze trotsche uitdaging prikkelde den toorn van den ridder zeer. De klank van de gedempte stem had hem zeer opgewonden, het wapen van het schild behoorde tot het geslacht van zijn vroegere verloofde. Het moest haar broeder zijn, die in het Morgenland vertoefde, overlegde hij bij zich zelf, en gaarne had hij het tweegevecht vermeden.

Maar reeds reed de tegenstander voor. Het was een korte strijd. De zwakke arm van den vreemdeling was ongeoefend, door een forschen stoot van ridder Bayer, die zich door zijn pantser heenboorde, zonk hij zonder geluid te geven ter aarde. De overwinnaar snelde toe, om den helm los te maken. Een kreet van ontzetting kwam over zijn lippen.

In de handen hield hij het hoofd zijner verlaten bruid, uit een gapende wond vloeide bloed.

"Door uw hand zocht ik den dood, sedert uw trouw voor mij gestorven is." Zij fluisterde dit met brekende stem, terwijl de wanhopige ridder zich over de stervende heen boog.

Sedert dien dag was in het slot te Boppard de feestvreugde voor altijd verstomd; stil werd het ook in het woud, waar vroeger dikwijls jachthoorns en hondengeblaf weerklonken hadden. Op deze plaats in het bosch heeft men een klooster gebouwd, Marienberg genaamd (nog steeds draagt het dezen naam), en daaraan heeft ridder Koenraad Bayer, de stichter, al zijn goederen vermaakt om zijn schuld te boeten. Hij zelf is naar het Heilige Land gegaan, waar de vrome kruisvaarders met de ongeloovigen vochten over het bezit van de Heilige plaatsen. Zonder pantser heeft hij gevochten--men zegt, dat hij steeds opzettelijk het strijdgewoel opzocht--en wonderen van dapperheid heeft hij in het leger der kruisvaarders verricht. Daar trof hem, bij de bestorming van Ptolomeus een vijandelijke lanssteek.

Hij stierf in het vertrouwen op God en met den naam van zijn ongelukkige verloofde op de verbleekte lippen.

Rhense

Keizer Wenzel

In de omstreken van Koblenz, niet ver van den oever van den Rijn, staat op een bloemenrijke weide de historische Koningsstoel. Hier op Rhenser grond, waar het gebied van de drie groote bisschoppen van Keulen, Mainz en Trier aan elkander grenst, verzamelde het vorstelijke zevental zich, om den nieuwen gebieder van het heilige Romeinsche rijk te kiezen. Hier werd als eerste bij de vrije vorstenverkiezing Karel de Vierde, de vader van Bohemen en de stiefvader van Duitschland gekozen; hier koos ook het zevental Wenzeslaus, den zoon van den Luxemburger tot Duitschen keizer. Bij zijn leven had de keizer reeds veel moeite gedaan, dat zijn oudste zoon verkozen werd, en was in hoogst eigen persoon met hem naar Rhense aan den Rijn getrokken, alwaar in den beroemden Koningsstoel de kanselier van het rijk, de aartsbisschop van Mainz dikwijls gewichtige conferenties hield met de bisschoppen van Trier, Keulen en den paltsgraaf.

Destijds was Wenzeslaus van Bohemen verrukt over den Rijn en zijn heerlijken wijn, en toen hij later werkelijk, minder door eigen verdienste, dan door de bemoeiingen van zijn vader en de genade van den keurvorst, keizer van Duitschland werd, terwijl zijn broeder Sigismund het onvruchtbare Brandenburg erfde, heeft hij den Rijnwijn meer eer aangedaan dan eenig drinkebroer. Het goud der druif trok hem meer aan dan dat der kroon, en daar een lekker glas wijn nergens zoo goed smaakt als aan de bron zelf, zocht hij zeer dikwijls den braven paltsgraaf van den Rijn op, die in den gezegenden "Rheingau" woonde en meer fusten in zijn kelder had dan er heiligen in het jaar zijn. Den hoogedelen Ruprecht van de Palts was dit bewijs van 's keizers vertrouwen volstrekt niet onaangenaam, en door buitengewone gastvrijheid trachtte hij zijn keizerlijken gast steeds genadiger voor zich te stemmen.

De slimme Ruprecht zou niet ongaarne het paltsgrafelijke kroontje voor de keizerskroon verruild hebben, en als zijn vorstelijke gast, door den wijn in een vroolijke stemming gebracht, hem mededeelde hoe lastig de keizerlijke praal voor den drager daarvan was, dan gaf de paltsgraaf hem uit den grond van zijn hart gelijk. Hij liet ook niet na zijn gebieder mede te deelen, hoe weinig de wijze keurvorsten over het nalatig bestuur van het rijk gesticht waren, en hoe verheugd ze over zijn mogelijk aftreden zouden zijn. Keizer Wenzel hoorde dit, zittende achter zijn volle bokaal met ijzige kalmte aan en dronk onderwijl het eene glas na het andere uit.

Eens zat de keizer weder met zijn mededrinkers bij den Rhenser Koningsstoel en algemeen heerschte er een vroolijke geest, want de paltsgraaf schonk vurigen Aszmannshäuser in groote bokalen. Met welbehagen proefde Wenzel den edelen drank en de overige drinkers hadden geen woorden genoeg, om het edele vocht te prijzen.

En terwijl de bekers rondgingen en vroolijke melodiën in de koningshal weerklonken, verhief de keizer zich plotseling van zijn zetel, en door den wijn overmoedig gestemd, zeide hij tot den paltsgraaf:

"De kroon, die men mij op het hoofd gezet heeft, zou u niet lastig zijn. Welnu, ik bied haar u aan, indien gij mij en den anderen gasten een wijn schenkt, die nog beter smaakt, dan deze Aszmannshäuser."

Toen knipte de paltsgraaf zeer vroolijk met de oogen, wenkte daarop zijn schildknaap en na een poosje sleepten de knechts een bestoven vat naar binnen, waaruit dadelijk de bekers gevuld werden. En de paltsgraaf verhief zich en bood de eerste bokaal den keizer aan.

"Dit is mijn Bacharacher, edele Heeren! Proeft hem; ik onderwerp mij zonder vrees aan uw oordeel."

En men hoorde een welbehaaglijk slurpen en zag vele voldane gezichten. De vurige Bacharacher vond algemeenen bijval, en keizer Wenzel verhief zich en gaf hem luid de voorkeur boven den Aszmannshäuser. Hij kon het edele druivensap niet genoeg prijzen en proeven.

"De wijn is meer dan kronen waard," sprak hij na elke ferme teug.

Hij heeft ook woord gehouden. De heer Ruprecht van de Palts kreeg de koningskroon en schonk keizer Wenzei uit dankbaarheid zes groote vaten Bacharacher wijn.

Burcht Lahneck

De tempelier van Lahneck

Tegenover Koblenz boven Lahnstein verheft zich op den vijfhoekigen Bergfried, Lahneck, een der weinige burchten, die uit ruïnen tot goed bewoonbare kasteelen herschapen zijn. Aan Lahneck, dat in hetzelfde jaar als het Heidelberger slot door de horden van Lodewijk den Dertienden neergeschoten werd, is een treurige sage verbonden. Door de tempeliers, wier ordehuis in Jerusalem stond, moeten deze vestingen gebouwd zijn, waarvan de wachttoren dertig meter boven de kamers uitstak.

De rijkdom der tempeliers bracht hun ongeluk te weeg. De lage koning der Franschen Philipp, die den bijnaam van den Schoone had, bewerkte bij den paus, op grond van gefungeerde zware beschuldigingen, dat de veel gesmade orde opgeheven werd, en haar grootmeester met vijftig volgelingen op den brandstapel gebracht werden. Overal werden de veroordeelde ridders op gruwelijke wijze uitgeroeid, waarbij verbeurdverklaring hunner aanzienlijke goederen meer dan de geloofsijver tegen de vermeende ketters en zondaars de drijfveer was.

Op het trotsche Lahneck, dat twaalf tempeliers met dienstpersoneel herbergde, richtten zich de begeerige blikken van Peter van Aspelt, den aartsbisschop van Mainz. Tegen zijn bevel, dat hij op grond van hun zoogenaamde afkeurenswaardige levenswijze uitvaardigde, om den burcht te ontruimen en den witten wapenmantel met het roode kruis voor de boetende monnikspij te verruilen, verzette het twaalftal zich als ridders zonder vrees of blaam.

Dit hitste de hebzucht en toorn van den bisschop nog meer aan. Van den Hoogepriester, dien hij, toen deze te Avignon zwaar ziek lag, met goed gevolg verpleegd had, verkreeg Peter van Aspelt een bijzonderen vrijbrief, die hem de macht over de bezittingen en het leven der bannelingen te Lahneck gaf. Hij trok dus met vele vazallen en soldaten den Rijn af en gaf den tempeliers het pauselijk geschrift over, met bevel zich te onderwerpen. Indien zij weigerden te gehoorzamen, zou de burcht stormenderhand genomen worden, en de bewoners als onboetvaardige zondaars door de handen van den beul een smadelijken dood sterven.

De oudste der twaalf ridders, een grijsaard met zilveren haren, legde in naam van zijn broeders de verklaring af, dat ze vast besloten waren tot den laatsten druppel bloed te strijden; eveneens waren ze bereid, evenals hun broeders in Frankrijk folterkwelling en ketterdood te verdragen.

Zoo begon de strijd van de overmacht tegen de minderheid. Met bebloede hoofden werden zij, die tot de partij van den keurvorst behoorden, door de ridders en hun getrouwe schildknapen teruggedreven; maar steeds zond de vertoornde aartsbisschop andere mannen in het strijdperk. Het aantal der verdedigers slonk met den dag. Onder hen blonken in dezen strijd van man tegen man de heldenfiguren der twaalf tempeliers in den witten mantel met het bloedroode kruis uit. Daar zonk een der twaalf ridders met brekende oogen naast de met leeuwenmoed verdedigde muur onder het verbrijzelde schild neder; de tweede volgde hem en toen de derde. De anderen, die uit vele wonden bloedden, verdubbelden met de weinig overgeblevene burchtlieden hun dapperheid; maar onbarmhartig maaide de dood in hun midden.

Toen op den avond na de hevigste bestorming de belegeraars de overwinning behaald hadden en hun vlag op de veroverde tinnen plaatsten, stond de grijsaard met het zilveren haar, die voorheen het woord gevoerd had, als laatstovergeblevene met zijn met bloedbevlekt zwaard tusschen de lijken van zijn gevallen broeders.

De bisschop, getroffen door zooveel heldenmoed, beval hem zich over te geven.

Hij echter vervloekte den hebzuchtigen kerkvoogd en ging met hoog opgeheven zwaard op zijn vijanden af. Hun slagen deden ook den laatst overgeblevene van het twaalftal vallen, en over het lijk van dezen held drongen de Mainzers in den thans onbeheerden burcht.

Peter van Aspelt maakte Lahneck tot verblijfplaats van den baljuw van het Keurvorstendom Mainz en benoemde tot eersten hoofdschout Hartwin van Winningen. Zoo behoorde de burcht ruim driehonderd jaar tot het Keurvorstendom Mainz; maar de treurige geschiedenis van de twaalf tempeliers op Lahneck is steeds in die omstreken bewaard gebleven.

Stolzenfels

Het dochtertje van den kamerheer

De heer Koenraad van Isenburg, keurvorst van Trier, was een zeer hebzuchtig man. Toen de bisschop van Mainz, niettegenstaande het machtwoord van den keizer, dat hij niet bevoegd was, den vrijen doortocht op den Rijn te belemmeren en belasting van de reizigers te heffen, de Rijnbelasting invoerde, deed hij hetzelfde. Bij den burcht Stolzenfels, dien hij op een boschachtigen bergtop gebouwd had, liet hij een sterk tolhuis bouwen. Het beheer hiervan gaf hij in handen van zijn kamerheer Gerhard Frundsberg.

Deze slotvoogd was nog hebzuchtiger dan zijn heer. De drukkende tolgelden, die hij op Stolzenfels hief, waren haast ondragelijk, zoo gebruikte hij b.v. speciaal daarvoor afgerichte honden, die de rondtrekkende joden moesten opspeuren en wanneer die hun smokkelarij ontdekt hadden, moesten ze dubbel tol betalen.

De beheerder Frundsberg beging hierbij het groote schelmstuk het aartsbisdom voor een gedeelte van de belastinginkomsten te berooven, en door zijn steeds grooter wordende rijkdom werd zijn hebzucht nog meer aangewakkerd. Een rondtrekkend Italiaan, Lionarde genaamd, die door zijn geheimzinnige kennis van de planeten bij ridders en geestelijken voordeel zocht te behalen, hoorde van de schraapzucht van den Stolzenfelser slotvoogd. Hij verzocht den heer Frundsberg om een vertrouwelijk onderhoud en beroemde zich er toen op, dat hij in de raadselachtige kunst der alchimie het onmogelijke tot stand kon brengen. Volgens zijn zeggen was hij een adept, dat is iemand, die de wonderbaarlijke kunst verstaat met de beide geheime middelen, zooals de steen der wijzen en elixir alle onedele metalen in zilver en goud te veranderen, ook kon hij met den eersten, Grootelixir of Panacée des Levens genaamd maken, dat verdund als vloeibaar goud alle gebreken genas, den ouderdom verjeugdigde en het leven verlengde.

Met lichaam en ziel gaf de hebzuchtige administrateur zich aan den Italiaanschen adept over. Hem ontging in zijn eerzuchtige verblindheid, dat het den valschen man alleen om zijn vermogen te doen was, en in afwachting van de hem Voorgespiegelde schatten, liet hij zich meer dan ooit tot lage verduistering van hetgeen aan het Keurvorstendom behoorde, verleiden. Handenwringend smeekte Gertraud, zijn lieftallig dochtertje, hem, zich niet in het verderf te storten. Maar haar smeeken vond bij den verstokten vader geen gehoor.

Daar verscheen op een dag de heer Koenraad van Isenburg op Stolzenfels, om van zijn kamerheer Gerhard Frundsberg rekening en verantwoording omtrent de Rijnbelasting te ontvangen. En met angst zag de ontrouwe rentmeester het uur van de afrekening tegemoet.

In haar doodsangst smeekte Gertraud den alchimist om redding in den nood. En terwijl zijn oogen begeerig schitterden, deelde Lionardo haar mede, dat alleen de zelfopoffering van een jonkvrouw in staat zou zijn den vader te redden. Door zulk een offer zou hij ontelbare koninklijke schatten en eer verwerven, later een gelukkigen ouderdom, kortom al het aardsche geluk zou hem beschoren zijn. Zwijgend hoorde het meisje deze woorden aan en verklaarde zich toen bereid, haar jong leven terwille van den innig geliefden vader te geven, hetgeen, volgens zeggen van den Italiaanschen toovenaar de geheimzinnige machten der alchimie eischten.

Tegen het aanbreken van den volgenden nacht begaf zij zich naar de afgelegen torenkamer, die Lionardo als meest afgezonderd vertrek voor zijn goudmakerskunsten gebruikte. Over een groote tafel in het midden van de kamer was een purperen kleed gespreid; een schaal stond daarop, en daarnaast lag een dolk. Op een drievoet, die daarbij stond, kronkelden blauwachtige vlammetjes omhoog en hulden het lage vertrek in een benauwend schemerlicht.

De goudmaker reikte het doodsbleeke meisje een blinkend wit linnen laken over en beval haar vervolgens haar kleeren af te leggen, zich op het purperen kleed op de tafel uit te strekken en haar jonkvrouwelijk lichaam met het laken te bedekken.

Terwijl het opofferende meisje in droefgeestige stemming aan haar onzaligen vader dacht en deed wat haar bevolen was, boog Lionardo zich over de offervlam, verbrandde daarin een stukje hout, afkomstig van het gebergte Libanon, en mompelde in zijn puntbaart onverstaanbare woorden. Vervolgens trok hij, terwijl de jonkvrouw de oogen van schaamte gesloten hield en haar reine ziel den Heer aanbeval, snel het omhulsel van haar af en zwaaide, terwijl hij met fonkelende oogen zijn tooverformulier ten einde prevelde, den dolk in de opgeheven rechterhand in de richting van het hart van het meisje.

Op hetzelfde oogenblik werd de deur geopend. Met een ijzeren greep omklemde een hand den opgeheven arm, en een slag deed den toovenaar als een slachtdier ter aarde storten. Over Gertraud, die blozend het laken om haar kuische leden hulde, boog jonkheer Reinhard van Westerburg, de jeugdige hoofdman van de keurvorstelijke bezetting op Stolzenfels zich met gepasten eerbied. Het opofferende meisje beleed hem alles, wat er gebeurd was. Hij echter deelde haar mede, hoe hij, door haar zonderling gedrag van dien avond verschrikt, angstige voorgevoelens had gekregen en het sedert langen tijd in stilte beminde meisje totaan het uur, waarop zij den drempel van deze kamer overschreed, gade geslagen had. Hoe dan een hoogere macht hem op het laatste oogenblik ingegeven had, hier binnen te dringen, en een gruwelijke euveldaad te verhinderen, waarvoor hij den Italiaanschen goochelaar morgen aan den beul van den keurvorst zou overleveren. Bij deze laatste woorden sprong de goudmaker, die op den grond lag, alsof hij dood was, als een sissende slang overeind, stiet een gruwelijken vloek uit en ontvluchtte.

Den volgenden morgen is jonkheer Reinhard van Westerburg tot den heer van Frundsberg gegaan en heeft dezen verzocht hem zijn lieftallige dochter Gertraud tot gemalin te geven. Toen de kamerheer van den keurvorst den hooghartigen ridder verward meedeelde, dat zijn dochtertje, hoewel rijk aan lieftalligheid en deugden, zulk een met goederen gezegenden heer onwaardig was, verklaarde de heer van Westerburg, dat hij aan zijn aanzoek slechts een voorwaarde verbond: De vader van zijn bruid moest van hem zonder dralen de som aannemen, welke de vreemde bedrieger, die dezen nacht door den duivel gepakt was, hem afgeperst had.

Terwijl de heer Gerhard Frundsberg bij het hooren van deze dubbelzinnige woorden verbleekte, kwam er een stalknecht naar binnen gestormd, die mededeelde, dat ze beneden bij een uitstekende rots den Italiaanschen toovenaar met gespleten schedel gevonden hadden; hij had waarschijnlijk bij nacht en nevel den weg gemist en een doodelijken val gedaan. Toen heeft de slotvoogd een kruis gemaakt. Jonkheer van Westerburg hield steeds de handen van den sidderenden oude in de zijne en drong er nogmaals op aan hun schatten met elkaar te ruilen.

Tegen den middag kwamen de Trierers in gala op Stolzenfels aan. De heer Koenraad van Isenburg heeft nauwkeurig afgerekend en alles in de beste orde bevonden. Na verloop van eenige dagen heeft hij het deugdzame dochtertje van zijn trouwen kamerheer aan den hoofdman van zijn Stolzenfelsche bezetting toevertrouwd, en de hoogeerwaarde heer verheugde zich zeer, zijn vesting Stolzenfels nu in dubbel goede handen te weten.

Koblenz

Riza

Toen in het begin der negende eeuw Lodewijk, de Vrome, zoon van Karel den Groote, aan de oevers van den Rijn met zijn verdorven zoons om de keizerskroon streed, werd in Koblenz, ter eere van den godsvruchtigen Kastor, die in het land van de Moezel het christendom verbreid had, een godshuis gebouwd. Aan een vertakking van den Rijn werd het van vier torens voorziene gebedenhuis gebouwd.

Destijds verhief zich op het hoogste zuidwestelijke punt van Koblenz het Frankische Koningshof, een voormalig Romeinsch kasteel, en daarnaast een, aan den heiligen Kastor gewijd nonnenklooster. Hierin heeft Riza, een dochter van Lodewijk den Vrome, die reeds vroegtijdig afstand van de wereld deed, haar vroom leven gesleten. Elken dag ging de koningsdochter aan de andere zijde van de rivier in de Kastorkerk naar de mis. De Heer schiep zulk een groot welbehagen in Riza, dat zij, evenals voorheen zijn discipel over het meer van Genezareth, met droge voeten over den Rijn wandelde, om deel te nemen aan de heilige offerande in de St. Kastorkerk.

Eens, zoo deelt de vrome sage verder mee, was de vloed door den storm zeer woest. Voor het eerst was de jonkvrouw angstig, toen haar voet de golven betreden zou. Uit voorzorg trok ze een stok uit een nabijzijnden wijnberg en nam hem als staf mede op haar wandeling over de waterstraat; maar evenals voorheen Petrus, zonk ook zij, na eenige angstige schreden gedaan te hebben, in het water.

In haar doodsangst werd zij zich vol berouw haar gebrek aan vertrouwen op God bewust. Zij slingerde den stok ver weg, hief de armen ten hemel en vertrouwde zich aan de bescherming van den Allerhoogste toe. Daar dook ze weer op uit de golven, en evenals vroeger bereikte ze met droge voeten den tegenover gelegen oever. Sedert dien tijd beijverde Riza, de heilige dochter van den vromen Lodewijk, zich meer dan ooit in werken, die God welgevallig waren. Zij stierf tusschen de kloostermuren en haar stoffelijk overschot werd naast dat van den heiligen Kastor in zijn kerk bijgezet. Het marmeren monument van Riza, die door het volk heilig verklaard is, kan men nog in de noordelijke zijvleugel van de Kastorkerk te Koblenz zien.

Andernach

Genoveva

I.

In de omstreken van den Rijn wordt de naam van de deugdzame gemalin van paltsgraat Siegfried met vereering genoemd. Zij, die eens het grootste kleinood van het hart, niettegenstaande gruwelijke beproeving en nameloos verdriet standvastig en ongeschonden bewaarde, werd door het volk de heilige Genoveva genoemd. In den tijd, dat Karel, de naamgenoot van zijn voorvader, den grooten keizer der Franken, het land der West-Franken regeerde, stond in den "Mayenfelder Gau" ten westen van de oude stad Andernach, het slot van den paltsgraaf. Zeer gelukkig en eendrachtig leefde de jonge paltsgraaf met zijn liefelijke gemalin.

Doch het eerste wolkje kwam aan den horizon van hun huwelijksgeluk. De gevreesde Arabieren waren uit Spanje gekomen en in Gallië binnengedrongen en baanden zich moordende en alles verbrandende een weg naar het Noorden. Een hevige schrik verspreidde zich door het christelijke Frankenland. De vijand van het christendom moest uitgeroeid worden, wilde het Westen niet hetzelfde lot van het door de halve maan beschaduwde Afrika ondergaan. Ook in den burcht van den paltsgraaf drong de oproeping van den gebieder tot deelneming aan den strijd door. Toen trok de heer Siegfried de wapenrusting aan, kuste zijn weenende vrouw en nam afscheid van den burcht zijner voorvaderen. Zwaar viel hem het scheiden van de heerlijke "Mayenfelder Au", waar hij det hoogste geluk zijns levens gesmaakt had, maar nog zwaarder viel hem het afscheid van de bedroefde gade. Zijn slotvoogd Golo droeg hij op, goed voor zijn beminde vrouw te zorgen, en haar verzocht hij, dezen haar volle vertrouwen te schenken.

