Part 6
Toen snelde hij, te laat tot bezinning gekomen, vol afschuw over de begane misdaad weg. Evenals vroeger de onzalige discipel des Heeren, beging hij zich in het donkere dennen boschje een ongeluk.
Op Rheinfels treurde men algemeen om haar die als onschuldig offer van haar trouw gevallen was. Midden in al deze ellende werd er een bezoeker aangediend. Hij kwam uit Zwitserland. Op het slagveld bij Moorgarten had een braaf landman den ridder tusschen een hoop dooden gevonden en hem, die uit vele wonden bloedde en vreeselijke pijn aan een beenbreuk leed, naar zijn boerenhutje medegenomen. Daar heeft de heer Georg Brömser vele maanden ziek gelegen, langzamerhand genas hij echter, maar moest nog lang veel pijn aan zijn been lijden. Eindelijk was hij, na veel uitgestaan te hebben, als een der laatsten naar den Rijn teruggekeerd, met den naam der bruid op de lippen, haar beeld in het hart.
Zwijgend wees de burchtheer van Rheinfels op het graf van zijn kind. Voor den verschen aardhoop hielden de oude en de jonge man elkaar innig omarmd. Vervolgens heeft de laatste den verdorden lindeboom van de burchtpoort in den Rijn geslingerd en het graf zijner overleden bruid met witte lelies beplant. Georg Brömser heeft voor den tweeden keer niet meer bemind, maar is de doode trouw gebleven tot aan het einde van zijn leven. In den omgang met ridderlijke zangers zocht hij vergetelheid voor het leed, dat hem getroffen had. Later heeft hij menig schoon lied gemaakt. Een daarvan is sedert eeuwen bewaard gebleven en is eerst in onzen tijd met de zangwijze in een oud manuscript gevonden; het is een even eenvoudig als roerend lied. Aan den Rijn kunt ge het nog dikwijls hooren zingen. Het luidt aldus:
Es steht eine Linde in jenem Tal: O Gott, was tut sie da? Sie will mir helfen klagen, Dass ich mein Lieb verloren hab!
St. Goar
De Lorelei
I.
Boven Koblenz, waar de Rijn zich een weg baant door met druiven begroeide heuvels, verheft zich een steile rots: de Loreleirots. Als de boot van den schipper bij het vallen van den avond over het water glijdt, ziet hij met angst en eerbied naar den onmetelijk hoogen rotsachtigen top op. Evenals praatzieke kinderen fluisteren de nimmer moede golfjes elkaar wonderlijke sprookjes toe, terwijl de sage den grijzen top verheerlijkt en vreemde verhalen vertelt van een schoone, valsche nimf, die eens daar boven op den berg gezeten en zachte sirenenliederen gezongen heeft, totdat zij door een treurig voorval voor altijd verdreven werd.
Lang, zeer lang is het geleden! Of het waar is, wie zal het zeggen?
Destijds, als de nacht in een donker gewaad van de met druiven beplante heuvels neerdaalde en zijn stille gezellin, de bleeke maan, haar zilveren brug van schitterende arabesken over den groenachtig gouden vloed spande, dan klonk van de rots een wonderlijk vrouwengezang en een vrouw van goddelijke schoonheid verscheen op den top. Evenals een koningsmantel golfde haar goudblond haar over haar volle schouders en viel in fraaie lokken op het sneeuwwit prachtgewaad, dat haar trotsche gestalte in een lichte wolk scheen te hullen.
Wee den schipper, die op dit uur--waarop moegewerkte oogen zich sluiten en levenslustige harten zich openen--de rots passeerde. Evenals eens de dwalende held der Grieken, werd ook hij door het gezang betooverd. In zalige verrukking vergat hij alles om zich heen, zoodat zijn oog, even verblind als zijn ziel, geen acht op draaikolken en klippen sloeg. Maar de teedere vrouwelijke bloem, wier bekoorlijkheid hem boeide, bloeide op een graf. Terwijl hij, beroofd van zijn zinnen, op haar af stuurde, reeds droomende van haar bezit, maakten de afgunstige golven zich van zijn schip meester en slingerden het op het laatste oogenblik verraderlijk tegen de rots, die het, evenals de Magneetberg in het Noorden meedoogenloos aan haar harde borst verpletterde.
De doodskreet van het slachtoffer overstemde het woeste kabbelen van den Rijn. Nooit zag men den ongelukkige weer.
De jonkvrouw, die nog nooit door iemand van nabij gezien was, ging elken avond voort met zingen, zacht en verleidelijk, totdat de nacht door de kus van den aanbrekenden morgen verdreven werd, en de stralende dageraad den grijzen morgennevel uit de dalen verdreef.
II.
Ronald was een fier jongeling en een der vermetelste strijders aan het hof van zijn vader, den paltsgraaf van den Rijn. Ook hij hoorde van het goddelijke wezen. Zijn hart brandde van verlangen om haar te zien. Nog voordat hij de jonkvrouw aanschouwd had, vereerde hij haar reeds.
Hij verliet het hof en ging schijnbaar ter jacht. In werkelijkheid bracht hem een oud, ervaren schipper naar de rots. In het Rijndal brak de schemering reeds aan, toen de boot den reusachtigen berg naderde. Laag stond de ondergaande zon achter de bergen.
Daar verschijnt op eens een flikkering aan het blauwe uitspansel: de avondster. Heeft de beschermengel van den droomende jongeling deze zooeven aan den hemel geplaatst om den verblinde te waarschuwen?
Hij ziet omhoog, voor een oogenblik afgeleid.
Een zachte kreet van den ouden man aan zijn zijde.
"De Lorelei!" fluistert hij angstig, "ziet haar, de toovenaarster?"
Ronald antwoordt niet. Reeds zag hij haar. Ook hem ontglipte een zachte kreet. Met wijd opengesperde oogen keek hij omhoog. Daar stond de Lorelei. Ja, zij was het. Een stralend godenbeeld in een donkere omlijsting. Een welriekende wonderbloem, uit een ruïne gesproten. Dat was haar goudlokkig haar, dat was haar wit golvend gewaad.
Aan den rand van den afgrond zit zij en brengt haar goudblond golvend haar in orde. Een stralenkrans omgeeft het edele hoofd en laat, niettegenstaande de duisternis en den verren afstand, haar bekoorlijkheid zien. Heimelijke begeerte straalt uit twee vochtige, groote oogen, op twee zacht gekleurde wangen ligt een betooverende blos, en twee zwellende purperen lippen, rood gelijk een kers, openen zich om te zingen of te verhalen. Nu klinkt er gezang door de stilte, zacht en klagend, verleidelijk evenals de heerlijke nachtegaalslag in den stillen zomernacht.
Dan zwijgt zij.
In nadenken verzonken zit zij daar en tuurt mijmerend in het blauwe verschiet. Dan ziet ze naar den vloed onder haar en een schitterend oogenpaar rust lang in den starren blik van den jongeling. Haar oogen gelijken een paar zonnen, waarvan een verterend vuur uitgaat.
Een lichte rilling gaat door het lichaam van den jongeling. Nog steeds rust zijn blik op de trekken van de demonische vrouw, en geheel bedwelmd leest hij daarop het teedere sprookje van de liefde. Rots, vloed, alles smelt met den grootschen hemel samen, zijn oog ziet slechts haar aan den rotswand; slechts de blankheid van haar golvenden boezem, de saffieren van haar schitterende oogen. Te langzaam kruipt de bark door den vloed. Hij houdt het niet meer uit in de boot. Hij meent haar stem te hooren, onuitsprekelijk zacht en verleidelijk. De smeulende vlam wordt een verterend vuur.
Evenals een losgebroken veulen stort hij zich in den vloed.--De oever wenkt.
"Lore!"
Een doodelijke gil weerklinkt en overstemt den kreet der liefde.
Klagend weerkaatste de echo het geluid door de rotsen.
De golven zuchtten en lekten liefkoozend het ongelukkige slachtoffer. De oude schipper stiet een klaagtoon uit en maakte een kruis. Op dit oogenblik dreef een bliksemstraal de wolken uiteen, en doffe donderslagen dreunden door de bergen. Beneden fluisterden zacht de golven, en van de hoogte klonk opnieuw, dezen keer treurig en gelijk een zucht wegstervend, het spookachtig gezang der Lorelei.
III.
De paltsgraaf ontving spoedig de treurige tijding. Zijn vaderhart was vervuld van smart en toorn. Hij beval de valsche toovenaarster dood of levend bij hem te brengen. Op den namiddag van den volgenden dag zeilde een goed bemande boot den Rijn af. Vier schippers roeiden, stoere, door de zon gebruinde mannen. Somber ziet het oog van den stuurman onder de borstelige wenkbrauwen naar de rots, die ernstig en zwijgend wenkt. Smart en toorn staan op het gelaat van den breedgeschouderden man te lezen. Hij had verlof gevraagd de duivelsche verleidster, van den top der rots naar beneden in de golven te mogen werpen, waar haar een wisse dood wachtte--want haar tooverkunsten konden wellicht de gevangenen van hun boeien en kerker bevrijden. De paltsgraaf had het wraakplan goedgekeurd.
IV
De eerste schaduwen der schemering gleden schuchter over de slapende aarde. Rondom de rots stonden gewapende mannen. Met moeite beklom een der aanvoerders met drie flinke strijders de hoogte. Een licht gouden wolk omhulde den top van den berg. De mannen dachten, dat dit het avondrood was. Het was echter het magische licht, dat de jonkvrouw omgaf, die juist aan den rand van de rots verscheen. Droomerig keek zij voor zich uit en maakte met een gouden kam haar lokken in orde. Nu nam zij het parelensnoer van haar boezem en met welbehagen bevestigde de smalle witte hand dit boven haar voorhoofd in haar kapsel. Daar bemerkt zij de vertoornde mannen. Een wolk van misnoegen zweeft over haar trekken.
"Wat zoeken de zwakke zonen der aarde op deze hoogte?" Verachtelijk plooiden zich haar volle lippen.
"U, toovenaarster!" schreeuwde de aanvoerder toornig en met een spottenden lach voegde hij er bij: "U! Om U op den bodem van deze rivier te zien neerstorten."
Een welluidend lachen weerklonk door de bergen.
"O, de Rijn zal zelf komen, om mij te halen!" riep de jonkvrouw uit. Ver over den afgrond, die onder haar gaapt, buigt zich haar lichaam. Haar hand rukt het lint, dat zij om het voorhoofd draagt, af en slingert het triomfantelijk in den vloed. Dan klinkt zegevierend van haar lippend het gezang:
"Vader, gezwind, gezwind! Stuur de witte paarden aan uw kind! Zij wil rijden op golven en wind!"
Daar verhief zich de storm, de Rijn begon bruisend te koken, en sneeuwwit schuim bedekte den oever. En twee golven met schuimende koppen, gelijkende op twee sneeuwwitte paarden, stegen uit de diepte tot aan de hoogte van de rots op en trokken de nimf in de bodemlooze diepte. Over haar heen brandden zij schuimend voort.
V.
Doodelijk verschrikt keerden de Bedienden van den paltsgraaf terug en deelden ontsteld het vreemde verhaal mede.
Ronald werd zeer betreurd. Bij zijn lijk, dat door een golf aan den oever gespoeld was, weerklonken de smartkreten van tallooze menschen.
Vanaf dien dag zag men de Lorelei nooit weer. Maar wanneer de nacht in een donker gewaad van de met druiven beplante heuvels nederdaalt, en zijn stille gezellin, de bleeke maan, haar zilveren brug van schitterende arabesken over den groenachtig gouden vloed spant, dan klinkt er een wonderlijk vrouwengezang, zacht en klagend, verleidelijk evenals de heerlijke nachtegaalslag in een stillen warmen zomernacht.
Zij verdween, de Lorelei, maar haar betoovering bleef.
Gij kunt haar aanschouwen, toerist, in de schitterende oogen, op de zachte wangen en op de rozenlippen van de meisjes van het Rijnland.
Gij zult haar daar aan den Rijn bespeuren, stralend van vreugde en geluk.
Wapen uw hart, bedwing uw gevoelens enl sluit uw oogen!
Hoe was toch de waarschuwing van den wijzen dichter van den Rijn?
"Mijn zoon, mijn zoon! Ga niet naar den Rijn..."
Zij verdween, de Lorelei, maar haar betoovering bleef.
Liebenstein en Sterrenberg
De vijandige broeders
In de middeleeuwen was slot Sterrenberg boven Boppard gelegen, een der schoonste burchten aan de oevers van den Rijn. In den tijd waarop onze geschiedenis speelt, werd hij bewoond door een oud paladijn van Koenraad, den Staufenkeizer, tengevolge van de verkiezing op de vlakte van Oppenheim bij Mainz. Twee zonen stonden den bejaarden krijgsheld ter zijde. Zijn vrouw sluimerde reeds lang onder de aarde. Sedert dien tijd klonk er zelden vroolijk gelach door de hooge gewelven.
Eens kwam er een lieftallige gast op het eenzame slot. Met haar kwam er een zonnestraaltje in de donkere vertrekken. Een verre neef uit het geslacht der Brömsers van Rüdesheim was gestorven en op zijn sterfbed vertrouwde hij zijn eenig kind, een bloeiend meisje, aan de zorg van zijn bloedverwant, den heer van Sterrenberg--Brömser toe.
De blonde Angela--zij verdiende dezen naam--werd spoedig aller lieveling op het slot. Zij vereerde den grijsaard als haar vader en beloonde de welwillende vriendelijkheid van de beide jongelingen met zusterlijke genegenheid. Wat eeuwen geleden gebeurde en nog altijd gebeurt, had ook hier plaats; de vriendschap der jeugdige ridders veranderde spoedig in liefde. Beide broeders dongen naar de gunst der jonkvrouw.
De bejaarde burchtheer bemerkte het, en een treurig voorgevoel maakte zich van hem meester. Hoewel hij voor beide zonen dezelfde liefde koesterde, zoo toch beviel hem het zachtzinnige, van zijn moeder geërfde karakter van zijn eerstgeboren kind beter, dan de vurige geest van Koenraad, den jongsten zoon.
Reeds vanaf het eerste oogenblik, dat de jonge wees op zijn familieslot gekomen was, had hij den wensch gekoesterd, dat de sierlijke jonkvrouw in het huwelijk zou treden met zijn lievelingszoon Hendrik, die den naam zijns vaders droeg en eenmaal den familieburcht bezitten zou.
In stilte beminde Hendrik Angela steeds vuriger. Zijn broeder echter maakte geen geheim van de hartstochtelijke liefde, die hij voor de jonkvrouw gevoelde en spoedig bemerkte de grijsaard met droefheid, dat het jonge meisje de genegenheid van dezen ridder beantwoordde. Ook den broeder bleef het geluk der beide jongelieden niet verborgen, en diepbedroefd begroef hij zijn liefde, een schuw kind, dat wellicht tot sterven veroordeeld was, omdat de spraak hem niet vroegtijdig gegeven was. En Angela? Wel ontging haar de zwaarmoedigheid niet, die op de trekken van den oudsten broeder te lezen stond. Zij ontroerde, toen ze eens bemerkte, dat zijn stem beefde als hij haar naam noemde; maar de zonneschijn van haar jonge liefde verblindde haar zoozeer, dat ze de wolken niet bemerkte, die een schaduw over de trekken van den ridder wierpen. Terzelfder tijd kwam Bernard van Clairvaux uit Frankrijk aan den Rijn en predikte over een nieuwen kruistocht tegen de ongeloovigen. Duizenden werden in geestdrift gebracht door de bezielende rede van den heiligen monnik. Ook op de vesting Sterrenberg werd zijn oproeping vernomen. Hendrik besloot aan den kruistocht deel te nemen. Hij kon niet langer op den burcht blijven, waar zij vertoefde, die hij hopeloos beminde. Maar ook de naar roem dorstende geest van den jongsten ridder werd zeer opgewonden door de onbekende bekoorlijkheid, die een kruistocht in het sprookjesachtige Morgenland aanbood. Zijn jeugdige kracht, die jarenlang op een afgelegen vesting in toom gehouden was, dorstte naar avonturen, die de vermetele kruisvaarders ver weg onder de Oostersche palmen in de woeste Levant wachtten. Nutteloos waren de smeekbeden en tranen van de liefhebbende jonkvrouw, nutteloos de smart zijns vaders, die hem smeekte, hem niet te verlaten.
Wanhopig was de grijsaard over het onwrikbare besluit van zijn zoons.
"Wie blijft op den burcht mijner voorouders, als gij hem verlaat om daar nooit terug te keeren?" riep hij smartelijk uit. "Ik smeek u, mijn oudste zoon, evenbeeld uwer moeder, heb erbarmen met het witte haar van uw vader! En u, Koenraad smeek ik, heb medelijden met de tranen van uw verloofde."
Zwijgend stonden de broeders daar. Toen vatte de oudste de hand van den grijsaard. "Ik zal u niet verlaten, vader," sprak hij aangedaan.
"En gij, Angela?" vroeg de jongste op trotschen toon aan de weenende jonkvrouw, gij zult het offer der scheiding brengen en een laurierboompje planten om mij daarvan een krans te maken als ik weerkom.
II.
Den volgenden dag verliet de jonge ridder den vaderlijken burcht.
Het jonge meisje scheen in het eerst ontroostbaar van smart. Zij schreide om den afwezigen geliefde en sliep toen in als een moegeweend kind. En toen ze ontwakend om zich heen keek, kwam de toorn, die den verloofde zacht beschuldigde en het beeld van hem, die zich om ijdelen roem van haar gescheiden had, eenigszins uit haar herinnering verdreef.
Meer dan vroeger bleven haar blikken op den fieren jongeling rusten, die een meisjesachtig gelaat op mannelijke schouders droeg, en die gedwongen was, onder een dak met zijn verloren geliefde te wonen. Zij bewonderde hem, die door ontelbare bewijzen van reine vriendschap haar leed trachtte te verzachten. Veel, wat haar vroeger ontgaan was; zijn groote moedigheid op de jacht, zijn bedrevenheid in het hanteeren der wapenen, vond zij thans bewonderenswaardig.
Het scheen, dat hij haar ontvluchtte, als vreesde hij de geesten der doode liefde te wekken, die in zijn ziel sluimerden. Angela echter voelde zich steeds meer tot den ridder aangetrokken. Zij trachtte hem duidelijk te maken, dat haar liefde voor den jongsten broer niets geweest was, dan een voorbijgaande jeugdige hartstocht, die gelijk met den persoon zelf verdween. Zij gevoelde zich ongelukkig, toen zij bemerkte, dat hij, dien zij verkelijk lief kreeg, voor haar slechts broederlijke genegenheid scheen te koesteren. En toch zou ze hem voor een woordje van liefde haar rijk, gevoelvol hart hebben gegeven.
De verandering van haar gevoelens was den ridder niet verborgen gebleven, maar trotsch en mannelijk verstikte hij elk opkomend gevoel voor de verloofde van zijn broer.
De grijsaard was hoogst bevredigd, toen Angela hem eens haar hart uitstortte. Hij bad God, de twee geliefde menschen bij elkaar te brengen, die volgens zijn inzicht een paar in den geest des Heeren zouden worden. In zijn droomen zag hij Angela reeds met een knaapje op den schoot, met blauwe oogen en blonde haren, evenals zijn overleden vrouw en zijn eerstgeboren zoon. Dan dacht hij plotseling aan den opvliegenden jongeling, die als kruisvaarder in het Heilige Land vertoefde en snel brak hij zijn droomen af.
Tegenover zijn familieburcht liet hij een indrukwekkende vesting bouwen. Hij gaf haar den naam van Liebenstein en bestemde haar voor zijn tweeden zoon, als hij van den kruistocht terugkeerde. Nauwelijks was de burcht voltooid, toen de grijsaard stierf.
Eenigen tijd later was de kruistocht afgeloopen. De heeren van den Rijn, die terugkeerden, brachten de vreemde tijding mede, dat graaf Koenraad een schoone voorname Grieksche vrouw mee zou brengen, waarmede hij in het Morgenland getrouwd was.
Toen de broeder dit vernam, fonkelden zijn oogen. De mededeeling leek hem onmogelijk. Hij berichtte de jonkvrouw de spoedige aankomst van haar verloofde. Haar lippen bewogen zich, maar zij was niet in staat een woord uit te brengen. Dikwijls ging zij naar den toren en richtte haar blikken naar het Zuiden.
III.
Eens, op een namiddag vertoonde zich een groot schip op den Rijn. Vreemde vlaggen woeien van de masten. Angela zag het vanaf de platform en riep den broeder. Het schip kwam naderbij; men hoorde het roepen van de stuurlieden en kon de gezichten van de bemanning onderscheiden.
Plotseling stiet de jonkvrouw een vreeselijken kreet uit en wierp zich weenend in de armen van den ontstelden ridder. Deze kromp ineen. Somber staarde hij naar het schip. De ridder, die daar in schitterende wapenrusting aan boord stond, was zijn broer. Een schoone vrouw vlijde zich tegen hem aan.
Het schip legt aan.
Het eerste springt Koenraad aan wal.
De twee personen op de platform waren verdwenen. Een schildknaap naderde den ridder en berichtte hem, dat het nieuwe slot, hem door zijn vader vermaakt, zijn eigendom was.
Denzelfden dag kondigde hij zijn bezoek op Sterrenberg aan. Toen hij voor de opgehaalde brug wachtte, liet zijn broeder hem zeggen, dat hij den trouwelooze, die zijn verloofde verlaten had, slechts met het zwaard in de hand ontmoeten wilde.
De beide burchten werden in schemering gehuld. Op den smallen weg, die de vestingen scheidt, stonden twee broeders in een strijd op leven en dood.
Dat was een verschrikkelijke broederstrijd.
Rechtvaardige toorn en gekrenkte trots deden de blanke wapenen kruisen. De beide tegenstanders, wier hoofden, uit de pantserhemden gloeiden, hadden dezelfde kracht, denzelfden moed. Rood druppelde het bloed uit de armplaat van den oudsten.
Daar gingen de struiken uiteen. Een wit-gesluierde jonkvrouw, met doodsangst op het gelaat, wierp zich tusschen de strijders. Het was Angela. Wanhopig klonk haar smeeken:
"In naam des Heeren, die u ziet, houdt op! In naam van uw zaligen vader, stuit den broedermoord. Degene, waarvoor gij de zwaarden trekt, gaat op dit uur nog in het klooster en zal God voortdurend bidden, u, ridder Koenraad uw trouwbreuk te vergeven en u te zegenen, evenals uw broeder." De beide broeders lieten de wapenen zakken, Koenraad boog het hoofd diep en hield de hand voor de oogen. Hij waagde het niet de vrouw te aanschouwen, die hem zwijgend aanklaagde en in haar volle waardigheid voor hem stond. Hendrik vatte de hand der weenende jonkvrouw.
"Dank, zuster," fluisterde hij. "Kom, de trouwelooze verdient je tranen niet."
Door de schaduwen der boomen werden zij onzichtbaar. Zwijgend tuurde de ridder in de richting, waarheen zij gegaan waren. Een ongekend gevoel kwam over hem. Hij bedekte het hoofd en weende.
IV.
Op een afstand van een uur gaans ligt in het dal het klooster Marienburg. Achter zijn muren vond Angela rust. Tusschen Sterrenberg en Liebenstein verhief zich na verloop van eenige maanden een dikke muur, als stil bewijs van de vijandschap der beide broeders.
In het nieuwe slot volgde het eene feest op het andere. De mooie Grieksche vrouw vierde daar, te midden der ridders van den Rijn, de triomfen harer schoonheid.
Op burcht Sterrenberg heerschte diepe droefheid. Het was den ridder niet gelukt het besluit der jonkvrouw te veranderen. Sedert haar verdwijnen verminderden zijn krachten. Aan den voet van den berg liet hij een klooster bouwen en trok de monnikspij aan. Weinige maanden daarna ontsliep hij. Op denzelfden dag, zoo beschikte het lot, dat hen gescheiden had, luidden, de doodsklokken van het klooster Marienburg en verkondigden den dood van de verloren geliefde.
De heer van Liebenstein mocht zich niet lang in een duurzaam geluk aan de zijde van de verleidelijke vrouw verheugen. De hartstochtelijke Grieksche vrouw schond de echtelijke trouw en vluchtte met haar geliefde, een bevriend ridder, die gastvrijheid op Liebenstein genoten had. Overstelpt van smart en schaamte, stortte de burchtheer zich van de tinnen van zijn vesting in de diepte.
De burchten vervielen aan den ridder Brömser van Rüdesheim. Kerk en klooster staan nog altijd in het dal en worden jaarlijks door duizenden pelgrims bezocht. De beide vestingen zijn reeds lang vervallen. Terwijl beneden in het klooster Bornhofen dagelijks de klokken luiden en de plechtige gezangen van de bedevaartgangers weerklinken, heerscht boven tusschen de verlaten ruïnes, nog heden in de volkstaal "de Broeders" genaamd, treurige rust. Slechts dan, zoo heeft de Lorelei ons verraden, wanneer de volle maan in den zomernacht haar bleeke stralen werpt, hoort men op den smallen weg, die de vestingen scheidt, de zwaarden van de vijandige broeders kletteren.
Boppard
Klooster Marienburg
Op zijn burcht te Boppard woonde graaf Koenraad Bayer, die tot een hoogadellijk Rijnsch geslacht behoorde. Hij was nog jong, vol levenslust en dikwijls beheerscht door jeugdige onstuimigheid en gevaarlijke dartelheid, maar niet ontaard. Ongelukkigerwijs verkeerde hij in zeer slecht gezelschap, en de verderfelijke invloed, die deze lieden, waarmede hij drinkgelagen hield en ter jacht ging, op den jongen ridder hadden, verstikte menige goede kern, die in zijn ziel sluimerde.
Op een dag had hij de jonkvrouw van een naburigen burcht leeren kennen, en de betooverende lieftalligheid van de jonkvrouw had hem het besluit doen nemen om haar hand te dingen.