Part 4
Luisterende, hoorde de gast, dat een vrouwenmond een vurig minnelied zong. En de nieuwsgierigheid dreef hem, het wezen, te zien, dat aan den stillen nacht haar meisjesklachten toevertrouwde. Hij vond in de aangrenzende kamer een jonkvrouw, een zeldzaam bekoorlijk schepsel. Getroffen door zulk een vreemdsoortige vrouwelijke schoonheid sprak Guntram haar aan, die bij zijn binnentreden plotseling met zingen opgehouden had.
Hij ontving geen antwoord op zijn woorden en toen hij zijn toespraak herhaalde, ontmoette hij den zwijgenden blik van twee vurige oogen.
Toen hij naderbij komend voor de derde maal begon en teedere woorden van bewondering fluisterde, werd er plotseling, omgeven door verblindend licht, een marmeren plaat aan den muur zichtbaar, waarop in schitterend vlammenschrift de woorden stonden:
Musz dauernd schweigen; Darf nicht mich zeigen. Der Liebe Wesen Kann mich erlösen.
Met de hand wees de jonkvrouw daarop. En de booze betoovering der liefde, droeg Guntram als op vleugelen in het land der bedwelming. Hij vatte onstuimig de sneeuwwitte hand en drukte zijn lippen op den mond der minzaam glimlachende sirene. Op zijn knie gezeten, zong zij zacht met liefelijke stem smachtende liederen aan de liefde gewijd.
Toen het twaalf uur sloeg, ontrukte zij zich uit zijn omarming en verdween. Een ring had zij in zijn hand achtergelaten. In zijn kamer teruggekeerd, las hij de daarop gegraveerde woorden: "Gij zijt de mijne." Opeens stond het luid kloppende hart van den ridder seconden lang stil, toen hij tot besef van zijn trouwelooze handelwijze kwam. De rest van den nacht bracht hij, geheel ontnuchterd in wakenden toestand door. Met een haastige, doch hartelijke dankbetuiging aan den ouden gastheer, verliet hij tegen het aanbreken van den morgen den eenzamen burcht. Geen blik wierp hij achter zich. Een vriendelijk herder geleidde hem naar den straatweg. Uit diens mond vernam Guntram, terwijl hij doodsbleek werd, het geheim van deze afgelegen Waldburg:
De bejaarde ridder, die hem gastvrij ontvangen had, was eens de vader van een dochter, Gerlinde genaamd. Zij was zoo schoon als een engel, doch niet zoo braaf als een engel. Zij had van de vele minnaars, die om haar hart dongen, in zondige vermetelheid de meest ongehoorde daden geëischt, die hun allemaal het leven gekost hadden. Toen is er eens een troostelooze moeder van een van deze onzalige jongelingen voor het goddelooze meisje getreden en heeft de vloek des hemels over haar zondig hoofd afgesmeekt. En voordat het weer volle maan werd, haalde de dood 's nachts de jonkvrouw uit de Waldburg. Sedert dien tijd dwaalde haar geest in het slot rond, teneinde elken mannelijken gast door haar vroegere bekoring te betooveren. Slechts de man, die aan haar verzoeking weerstand kon bieden, kon haar verlossen. Wie zich daarentegen door haar verlokken liet, stierf binnen driemaal negen dagen. Toen Guntram, bleek van schrik, deze boodschap uit den mond van den herder vernomen had, reed hij ontsteld weg. Op Falkenburg verwachtte zijn kuische bruid hem vol verlangen. Op dringend verzoek van den bruigom werd de bruiloft op den volgenden dag bepaald. In de feestelijk versierde burchtkapel stond Guntram met de allerliefste dochter van den ridder van Falkenburg voor het altaar. Toen echter de priester beider handen in elkaar wilde leggen, trad, slechts zichtbaar voor den bruigom, de spookachtige jonkvrouw van de Waldburg tusschenbeide en legde haar ijskoude hand in de zijne. En Guntram zonk, van zijn zinnen beroofd, op den steenen vloer neer.
Met teedere toewijding verzorgde de bekommerde bruid den geliefden man. Toen hij de oogen weer opsloeg, bekende hij haar berouwvol zijn wederwaardigheden op de Waldburg. Dietlinde's liefde was zoo groot, dat zij den berouwvollen geliefde alles vergaf. De priester werd nogmaals geroepen en verbond hen in den echt. En, nadat ze driemaal negen dagen van zalig geluk doorgebracht hadden, ging graaf Guntram liggen en ontsliep vol berusting in de armen van zijn trouwe gade.
Dietlinde treurde aan de zijde harer moeder zeer om den verloren echtgenoot en bad veel voor de eeuwige rust van zijn ziel. Zij schonk het leven aan een zoon dien zij ook Guntram noemde. Zij voedde hem op in liefde voor zijn vader, dien hij nooit gekend had.
Sooneck
De blinde schutter
Op het rotsnest Sooneck, viert Siebold, de vermetelste der roofachtige arenden van den Rijn een losbandig feest. Op de rustbanken in de staatsiezaal liggen lichtzinnige vrouwen met gekrulde haren en geblankette wangen in de armen van dronken feestgenooten. En terwijl de muzikanten speelden en gevulde wijnkannen het kostbare maal bespoelden, sprak de burchtheer met een door den drank verhit gelaat en glimmende dronkemansoogen aldus:
"Veeledele vrouwen (hier bulkten de wellustige drinkebroers het uit) en veelvrouwige edelen! (brutaal gichelden de hetaeren.) Na spijs en drank genoten te hebben, zou de gastheer u gaarne zooveel mogelijk verstrooiing bezorgen. Ik zal u dus een gevreesd dier uit mijn kerker doen aanschouwen."
Terwijl de vrouwen angstig in hun kussens wegdoken en de mannen vol verwachting den spreker aanzagen, gingen de deuren der zaal open. Door twee knechten geleid, schreed een man met verwaarloosde haren en baard in een harig gevangenisgewaad over den drempel. Een angstig gefluister deed zich onder de dischgenooten hooren, en aller blikken vestigden zich op het gerimpeld gelaat, waarin men achter de moe neergeslagen oogleden de ledige oogkassen ontwaardde. Weder begon de burchtheer op overmoedigen toon: "Aanminnige vrouwen en ridderlijke mannen! Eens was Hans Veit von Fürsteneck de beste schutter van den geheelen Rijn. Met hem vocht ik in een hevigen strijd op leven en dood. Hij dolf het onderspit."
"Zonder helm, met gespleten schild en gebroken zwaard lag ik, uit dertien wonden bloedende, voor je en wachtte moedig den laatsten lanssteek af," mompelde de gevangene met een stem, die uit een graf scheen te komen. En angstig zwegen alle aanwezigen.
"Ik had te veel medelijden met hem om hem dood te steken," riep Siebold von Sooneck lichtzinnig uit, "en daarom liet ik hem slechts de beide oogen uitsteken en plaatste de beste schutter van den Rijn bij mijn andere rariteiten."
"Mijn uitgestoken oogen zien je spotternij," sprak de gevangene streng.
"En toch heerscht er nog een ridderlijke geest op Sooneck," verklaarde de burchtheer.
"Zoo hoor dan: mijn knechten hedden mij meegedeeld, dat gij, zelfs blind zijnde, in staat zijt een uw opgegeven mikpunt met den pijl te treffen. Indien gij hiervan het bewijs kunt leveren, dan is de vrijheid uw loon." Donderende bijvalsbetuigingen der gasten begeleidden deze woorden.
"De dood zou mij aangenamer zijn dan het leven," mompelde de blinde. Toen verlangde hij, terwijl de uitdrukking van zijn gelaat eensklaps veranderde, pijl en boog. In een hoek, tegen elkaar aan gedrukt, sloegen de gasten zijn bewegingen gade.
De heer van Sooneck had een beker ter hand genomen en gelastte den gevangene op het geluid af op dat voorwerp te schieten. Met een zilveren klank valt in het volgend oogenblik een beker op den grond. "Schiet op nu," klinkt Siebolds stem--en een pijl treft hem doodelijk in den mond. Rochelend als een slachtdier zonk, de aan den dood overgeleverde, ter aarde. Zwijgend en stil met de oogholten gapend geopend, stond de blindgemaakte man daar, het verwilderde hoofd op de onstuimig ademende borst gebogen. Als een zwerm opgejaagde kraaien stoven de heeren en de bevallige vrouwen uit elkaar, en bij het verstijfde lijk van Siebold van Sooneck prevelden de knechten en edelknapen een stil gebed.
Lorch
De vrouw van den Wispermolenaar
In den ouden tijd heeft in het woeste dal achter Lorch, dat de Wisperbeek doorstroomt, een molen gestaan. Eens, toen de molenaarsvrouw, een opgewonden jonge vrouw aan het werk was, moet haar een stem toegefluisterd hebben, dat ze naar den Kammerberg moest opstijgen en den schat halen, die in den toren verborgen lag; de sleutel bevond zich in de kist. De molenaarsvrouw keek verschrikt om, maar toen ze niemand zag, kwam ze tot de overtuiging, dat de een of andere onzichtbare grappenmaker haar voor den gek gehouden had. Den volgenden dag echter, toen zij aan de beek de wasch spoelde, fluisterde haar wederom een zachte stem in het oor: "Ga naar den Kammerberger toren en haal den schat. De sleutel ligt in de zwarte kist."
Toen heeft de vrouw de wasch laten liggen, en haar man het tooversprookje, zooals zij het vernomen had, medegedeeld. Deze echter heeft haar voor een domme vrouw uitgemaakt en schertsend gezegd, dat in zijn meelkast een vertrouwbaarder schat lag, dan in de zwarte kist.
De molenaarsvrouw kon de woorden, die haar ingefluisterd waren maar niet vergeten, en steeds heviger maande de verlokkende stem van het spreukje, totdat zij haar geheel in haar macht had.
Den volgenden morgen, toen de molenaar uitgereden was om een lading meel naar Lorch te brengen, heeft zijn vrouw den molen verlaten, en is met haar jongste kind op den arm den weg naar den Kammerberg opgegaan. Toen zij boven aan de ruïne kwam, is het haar wel angstig te moede geworden, en was zij gaarne omgekeerd, maar wederom klonk de fluisterende stem aan haar oor, die haar mededeelde, dat haar niets deren zou, slechts spreken mocht ze geen syllabe. Wanneer ze zich hieraan hield, dan zou de schat haar eigendom zijn.
Moedig is de vrouw toen het donkere torengewelf binnengetreden, heeft haar knaapje buiten voor den ingang neergezet en de zwarte kist opgezocht. Zij heeft haar ook gevonden, evenals den sleutel, die daarin lag. Hiermede heeft ze de grootere kist geopend, die achter in het gewelf stond en toen ze het zware eikenhouten deksel oplichtte, straalde haar een hoop schitterende goudstukken tegen.
Met begeerige handen tastte de vrouw toe, opeens echter begon het knaapje angstig kermend: "Moeder, Moeder!" te roepen, want een slang ritselde naast hem in het met bloemen versierde gras. De vrouw wendde zich om en riep wrevelig uit: "Wat is er, jongen?" Op hetzelfde oogenblik ratelde een donderslag, die de gehurkt zittende vrouw op den grond wierp en vreeselijk weergalmde het nu door het gewelf: "Wee mij, dat gij gesproken hebt! Wederom moet ik honderd jaren onbevrijd blijven! Wee mij en u!"
Tegen den middag is de molenaar teruggekomen en heeft de molen leeg gevonden. Zijn knecht heeft hem medegedeeld, dat de molenaarsvrouw 's morgens den Kammerberg opgegaan was, met haar jongste kind op den arm. Een droevig voorgevoel is bij den molenaar opgekomen en als ging hij op vleugelen is hij den Kammerberg opgesneld. Rustig was het in den ouden burcht. In het gras zat zijn knaapje te spelen en strekte juichend de armen naar den vader uit. Toen hij op het kind toesnelde, hoorde hij zacht kermen in de gewelven van den toren en toen hij ontzet naar binnen vloog, vond hij zijn vrouw op den grond uitgestrekt liggen.
Een bleeke man is in den molen van Wisperbach weergekeerd. Drie dagen daarna heeft het molenrad stil gestaan. Op het Lorcher kerkhof heeft men toen de vrouw van den Wispermolenaar aan de aarde toevertrouwd. Sedert dien tijd heeft niemand het gewaagd, den schat te verkrijgen.
Ruine Fürstenberg
De geest der moeder
Hoewel de burchtheer Lambert von Fürstenberg een levenslustig en genotzuchtig ridder was, zoo toch was hij zijn zachtzinnige gemalin Wiltrud, die van het geslacht der Florsheimers afstamde, zeer genegen, vooral nadat deze hem een zoontje geschonken had. Op een dag echter heeft het ongeluk zijn intrede in het kasteel gedaan in de gedaante van een jonkvrouw, Luckharde genaamd. Zij was de eenige, plotseling wees geworden, dochter uit een geslacht, waarmee de Fürstenbergers sedert oudsher bevriend geweest waren, een ontluikende vrouwelijke schoonheid, die niettegenstaande haar achttien lentes reeds een statig meisje en een verleidelijke schoonheid voor de mannen was.
De zachtzinnige burchtvrouw meende argeloos, dat Luckharde, die zij vol liefde in haar kring opgenomen had, haar, die sedert de geboorte van haar knaapje ziekelijk was, bij de huiselijke bezigheden gaarne behulpzaam zou zijn en zusterlijke liefde met wederliefde vergelden zou. Maar Luckharde's geest hield zich meer bezig met beuzelarijen en vermaak, dan met huiselijkheid en vrouwelijke bezigheden. Hoe meer de maanden verstreken en haar verderfelijke schoonheid zich gelijk een donkere roos ontwikkelde, des te meer gelukte het haar, het hartstochtelijke hart van den burchtheer voor zich te winnen.
Onmerkbaar, doch geleidelijk kwam de ridder steeds meer onder de betoovering van de schoone vrouw, totdat de dag aanbrak, waarop vrouw Venus hen geheel in haar macht had.
Wiltruds oogen waren niet blind voor de goddelooze handelingen van den trouweloozen echtgenoot; maar door haar langdurige ziekte vond zij niet de kracht, de zonde met vlammend zwaard te bestrijden. Intusschen kwam door de heerschzucht en het verterende vuur der liefde het duivelsche plan in Luckharde's hoofd tot rijpheid, om de gemalin van den heer Lambert uit den weg te ruimen. Op een nacht sloop de zondige vrouw in de kamer der burchtvrouw, naderde gelijk een kat de legerstede der sluimerende en verstikte de benijde Wiltrud, die te laat en zonder resultaat zwijgend weerstand bood, koelbloedig met haar kussen.
De droefheid over de meesteres, die volgens iedereen aan een gebroken hart gestorven was, was vooral onder het dienstpersoneel van den graaf zeer groot, doch bij hem zelf uiterst gering. In de armen van de zwartgelokte minnares vergat de heer Lambert spoedig zijn gemalin, en reeds na eenige weken nam Luckharde de plaats van de overleden burchtgravin in. Het knaapje, dat Wiltrud den ontrouwen echtgenoot nagelaten had, was de tweede vrouw tot ergernis. Zij wees den door genot willoos geworden Fürstenberg op de kinderen, die zij hem hoopte te schenken en zette het door, dat de eerstgeboren, natuurlijke zoon van den ridder in een afgelegen kamertje van den burcht aan de zorg van een brommige oude vrouw toevertrouwd werd.
Op een nacht, toen de oude plotseling ontwaakte, zag ze, dat zich een vrouwengedaante in een wit golvend kleed over het bedje van het knaapje, dat naast haar sliep, vol zorg boog en hem zegende. De oude heeft toen een kruis gemaakt en tot de veertien beschermheiligen gebeden. In alle vroegte, met de kenteekenen van den doorgestanen angst op haar gelaat, is zij naar de burchtvrouw gesneld, en heeft haar met bevende lippen de gebeurtenis verhaald, lachend heeft de lichtzinnige Luckharde het ongeloofelijke sprookje aangehoord, maar is toen op eens nadenkend en ernstig geworden. Zij heeft de oude vrouw bevolen zich den eerstkomenden nacht een legerstede bij het andere dienstpersoneel te bereiden, het kind echter in de torenkamer te laten. In haar met schuld bevlekte ziel was de veronderstelling opgekomen, die daarop als lood drukte, dat deze nachtelijke geest wellicht Wiltrud in eigen persoon kon zijn, die men bij vergissing voor dood gehouden had.
Zonder angst of gewetenswroeging bereidde ze zich tegen het aanbreken der duisternis een legerstede in de torenkamer. Een moorddadigen dolk hield haar rechterhand omklemd, en vastberaden zag de zondares den nacht tegemoet. En wederom vertoonde zich tegen middernacht de vrouwengestalte in het witte golvende gewaad, die de legerstede van den sluimerenden jongen naderde, hem verzorgde, kuste en zegende.
Terwijl Luckharde met starende oogen, bewegingloos bleef liggen, werd de nachtelijke verschijning steeds grooter, tot in het oneindige. Al dichter boog ze zich tot de liggende over, en het doodsbleeke gelaat van Wiltrud staarde met levenlooze verwijtende oogen de zondige vrouw aan. Het scheen deze, alsof een overhangende rots op haar hijgende borst nederstortte om haar te verstikken. Met een laatste krachtsinspanning gaf zij de verschijning een steek met haar dolk; maar het was, alsof het wapen een nevelachtig omhulsel doorboorde, en Luckharde bespeurde met steeds toenemend afgrijzen, dat de wezenlooze gedaante de geest van de vermoorde burchtvrouw was.
Geheel verpletterd door het besef van haar begane schuld, hoorde zij een stem, die uit een andere wereld scheen te komen, haar toeroepen: "Doe boete, doe boete!"
Den volgenden morgen wachtte de heer Lambert tevergeefs op zijn gemalin. In plaats van haar, vond hij een reep perkamentpapier, waarop Luckharde hem in berouwvolle woorden beleed, hoe zij zich in toomeloozen hartstocht aan zijn eerste vrouw vergrepen had, en hoe haar de geest van de overledene dezen nacht verschenen was, om haar aan den omvang van haar zonde te herinneren. De rest harer dagen wilde zij haar schuld in een klooster boeten. Zij verzocht haar vroegeren minnaar hetzelfde te doen.
De heer Lambert von Fürstenberg werd door deze mededeeling diep getroffen. Ook hij kwam tot inkeer, vertrouwde het slot en kind aan de zorg van den jongeren broeder toe en trok zich, tot aan het einde van zijn dagen, als kluizenaar in de eenzaanheid terug.
Bacharach
Burcht Stahleck
Het oude Bacharach heeft ook eenmaal schoone tijden gekend. Reeds lang voordat de vurige Bacharacher wereldberoemd werd--het was in het tijdperk, toen de grootvader de grootmoeder nam--werd hij door buitenlandsche wijnkenners in Romeinsche en Etrurische bokalen met liters tegelijk gedronken. Destijds hebben de dankbare drinkebroers ter eere van hun Wijngod op een rotsblok, dat zich tusschen een eiland en den rechteroever uit den vloed verheft, een altaar opgericht, en de Romeinen hebben ter eere van Bacchus, den lieftalligen knaap, de stad den naam gegeven, dien hij nu nog draagt. Al zijn ook de opschriften sedert langen tijd onleesbaar geworden, zoo weten de inwoners van Bacharach thans de oorspronkelijke beteekenis van den "Elterstein" (altaarsteen) nog zeer goed, en nog altijd verkleeden de schippers in overmoedige scherts een stroopop als Bacchus--evenals de boeren van Mecklenburg in den oogsttijd hun Wodan--plaatsen hem op den Elterstein en varen al zingende om hem heen.
Iets hooger dan Bacharach ligt de ruïne van de vesting Stableck. Ten tijde van Koenraad, den eersten keizer der Staufen, woonde daar een jong, eerzuchtig ridder, Paltsgraaf Herman. Hij was de neef des keizers en trotsch op deze hooge verwantschap, streefde de onbezonnen strijder naar uitbreiding van zijn paltsgraafschap. Hij begeerde niets minder, dan zich de bezittingen van de beide aartsbisschoppen van Mainz en Trier, die aan zijn gebied grensden, gedeeltelijk toe te eigenen. Hij beriep zich hierbij op rechten, die hij meende te bezitten. De naijver, die destijds onder de geestelijke en wereldlijke machthebbenden bestond, maakte, dat zich vele naburige ridders als bondgenooten aan hem opdrongen, en vermetel begon de paltsgraaf zijn strijd met de bestorming van de Moezelvesting Trier, die bij de Triersche parochie behoorde.
Adalbert von Monstereil, een moedig man, voerde destijds de heerschappij over de bisdommen Trier en Metz. Hij verzamelde dadelijk al zijn mannen, om den vermetelen roover van den wederrechtelijk veroverden burcht te verdrijven. De stoutheid van den paltsgraaf had hem overbluft, en de overmacht van zijn tegenstander stemde hem tot nadenken. Maar de aartsbisschop Adalbert was een verstandig man; op den morgen, dat de zijnen den burcht wilden bestormen, hield hij met het kruis in de hand een geestdriftige rede tot de ruiters. Hij deelde hun mede, dat de aartsengel Michaël hem in den afgeloopen nacht verschenen was, hem dit kruis overhandigd had en een zekere overwinning toegezegd had, indien elk strijder, in het vaste vertrouwen op de onzichtbare hulp van boven den vijand aantastte.
De redevoering van den aartshertog bracht zijn krijgslieden in geestdrift en wekte hen op tot woeste dapperheid. Geleid door hun veldheer, die met het kruis in de hand allen voorging, bestormden zij den burcht en versloegen het leger van den paltsgraaf. In hulpelooze vlucht stoven zijn troepen uit elkaar, en diep vernederd moest de eerzuchtige Stableck van de voortzetting van den strijd met den Trierer aartsbisschop afzien.
Zeer krenkte hem de smadelijke nederlaag, die hij geleden had. Met nog grooteren haat dacht hij aan zijn geestelijken buurman. Uit verbleekte documenten meende hij op te maken, dat hij werkelijk recht had op een gedeelte van het welvarende land, dat de bisschop van Mainz bezat, en hij liet niet na bij den bisschopsstoel te Mainz zijn aanklacht in te dienen. Met kouden spot werd zijn verzoek door den ernstigen Amold von Solnhofen opgenomen.
"Ik zal met dat paltsgraafje even gauw klaar zijn als met de stijfhoofdige inwoners van Mainz, waarvan velen het berouwen, dat ze zich tegen hun bisschop en kerkvoogd verzet hebben."
Dreigend moet Arnold deze woorden uitgeroepen hebben, terwijl hij het verzoekschrift van den paltsgraaf verscheurde. Stableck werd deze uitspraak medegedeeld en weenend smeekte zijn jonge vrouw hem, niet ten tweede male de hand tegen den gezalfde des Heeren op te heffen. Hij echter keerde zich boos van haar af en zwoer zich op hem, die zoo schandelijk vermetel was zijn bezwaarschrift te verscheuren, te wreken. Het was hem bekend, dat von Solnhofen zich bij de inwoners van Mainz door zijn machtig regiment zeer gehaat gemaakt had, en hiermede wilde hij rekenschap houden, om den somberen tegenstander van land en kroon te berooven.
Wederom rustte Stableck, vereenigd met verscheidene moedige ridders zich uit tot den strijd tegen een kerkedienaar. In Mainz gistte het onder de burgers, en daarbuiten rukte de paltsgraaf met zijn mannen aan. De aartsbisschop was buiten zich zelf van woede, en in zijn duistere ziel smeedde hij een vreeselijk plan. Door twee gehuurde landsknechten werd de paltsgraaf verraderlijk vermoord. Groot was de droefheid van zijn ongelukkige gade.
De oproerige inwoners van Mainz hebben den wreeden landvoogd spoedig daarna afgezet, nadat ze zijn paleis stormenderhand genomen hadden. Met gloeiende wraak in het hart is hij teruggekeerd. Te vergeefs waarschuwden zijn vrienden hem, tevergeefs schreef Hildegard, de beroemde profeten hem uit het klooster Rupertusburg bij Bingen: "Keer terug tot den Heer, dien gij verlaten hebt: uw uur is geslagen." Hij wilde daar niet naar hooren en zoo werd hij in de abdij bij den Jakobsberg voor de stad, waar hij toen verblijf hield, door de oproerlingen vermoord.
Burcht Gutenfels
Op een rots bij Kaub stond in de middeleeuwen de burcht van den heer van Falkenburg. Omstreeks het midden der dertiende eeuw werd hij door graaf Philip met zijn zuster Guta bewoond. De jonge gravin Guta was een buitengewoon lieftallige verschijning en vele ridders dongen om haar hand. Maar geen een had succes gehad; de jonkvrouw had volstrekt geen verlangen, het gezellige samenwonen met haar geliefden broeder, voor dat met een anderen man te ruilen.
Eens werd in Keulen een prachtig tournooi gehouden. Uit alle plaatsen van het rijk, zelfs uit Italië en Engeland waren ridders overgekomen. Ontelbaar was de menigte toeschouwers, groot het aantal van hen, die hier om den prijs, welken zij uit een schoone hand ontvangen zouden, met de wapenen streden. Onder hen bevond zich ook een ridder uit Engeland, die vooral door zijn flinke houding en prachtige wapenrusting opviel. Hij streed met gesloten vizier en werd door de commissie van het tournooi als de leeuwenridder afgeroepen, want een gouden leeuw versierde zijn schild.
Spoedig ook baarde de Brit door zijn meesterlijke wijze van strijden opzien, en toen het hem gelukte zijn tegenstander, een der meest gevreesde duellisten, met den lans uit den zadel te lichten, ging er een luid gejuich op. Onder de toeschouwers bevond zich ook de ridder van Falkenstein met zijn zuster. Ook Guta had met groote belangstelling den vreemden ridder gedurende het tournooi gadegeslagen, en het speet haar zeer, den gemaskerde niet in het aangezicht te kunnen zien.