# Sagen van den Rijn

## Part 3

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/sagen-van-den-rijn-15163/index.md

Een zilveren kinderstem deed hem uit zijn overpeinzingen opschrikken. Een meisje van ongeveer vijf jaar, meer op een engel dan op een aardsch wezen gelijkend, naderde hem bedeesd en bracht den vreemden gast den nachtgroet van haar moeder. Getroffen keek de keizer op het kindje neer, dat hem het witte handje toestak. Dubbel bekoorlijk kwam de onschuldige schoonheid in de schramele omgeving uit: een pastelteekening in een donkere lijst.

"Hoe heet je, kleine?" vroeg de keizer.

"Emma," antwoordde het kind.

"Emma!" herhaalde Karel en een traan gleed over zijn wangen. Hij trok het engelachtige kind naar zich toe en drukte een kus op haar rein voorhoofd.

Toen hoorde men gedruisch. Aan de voeten van den keizer lagen de man met den blonden baard en de jonge vrouw en smeekten snikkend om vergeving.

"Emma, Eginhard!" roept Karel met trillende stem en omarmt hen weenend. "Gezegend zij de plaats, waar ik u weergevonden heb!" Boven de eenzame hut zweeft de engel des vredes.

VI.

Emma en Eginhard keeren met veel praal aan het hof van den keizer terug. Karel schonk hun het prachtige slot te Ingelheim, en gevoelde zich door het bijzijn zijner kinderen veel jeugdiger. Op de plaats, waar hij hen wedergevonden had, liet hij een klooster oprichten en later ontstond daar een stad, tot op heden Seligenstadt (d.i. stad der zaligen) genaamd.

In de kerk te Seligenstadt bevindt zich het graf van Eginhard en Emma. Volgens hun wensch werd hun stoffelijk overschot in dezelfde sarcophaag bijgezet.

Rüdesheim

De Brömserburg

In den hoogen Dom te Speyer stonden duizenden mannen in ridderlijke wapenrusting te luisteren. Aan het altaar zat Koenraad de Staufe in den koningsstoel, de handen op het gevest van zijn zwaard gevouwen, luisterende naar de geestdriftige redevoering van Bernard van Clairvaux over de gruwelijke verwoesting van de heilige plaatsen van het beloofde land. Toen de heilige monnik zijn rede eindigde met op indrukwekkende wijze een beroep te doen op den moed der belijders van den christelijken godsdienst, weerklonk door de gewelven van den Dom uit duizenden monden tegelijk als ware het één kreet: "Op, naar Jerusalem!"

Ontelbare ridders boden den vromen keizer in den kruistocht tegen de heidenen hun diensten aan. En onder hen bevond zich ook Hans Brömser, heer van de Niederburg bij Rüdesheim, de laatste afstammeling van zijn geslacht. Niets weerhield hem; zijn gemalin rustte onder de aarde, en de eenige telg uit hun huwelijk Mechtilde zou den vader onder de hoede van de naburige familie Falkenstein evenmin missen, als hij dit het aankomende meisje in het Syrische land zou doen.

Zoo trokken de vrome strijders naar de moeilijke wegen van dat land, waar onze Heer geleefd en geleden heeft. De oogen van vele edellieden zijn daar in den strijd tegen de Saracenen voor eeuwig gesloten; velen trof een nog treuriger lot, zij waren levend dood, daar zij vol smaad in de gevangenissen der ongeloovigen versmachtten. Ook ridder Brömser viel, na een verloren slag, in handen der Turken en zat in een afschuwelijken onderaardschen kerker gevangen. Gelijk een dier liet de pacha den ridderlijken vijand een molensteen in beweging houden. Dag op dag verging, en met steeds heviger smart verdroeg de ridder den smaad zijner vijanden. Toen legde hij in een uur van de bitterste wanhoop voor den Heer de volgende plechtige belofte af: "Schenk mij de vrijheid weer en ik beloof u, dat mijn eenig kind Mechtilde den sluier aan zal nemen."

En hij herhaalde den heiligen eed nog eens en ten derde male.

Toen gebeurde, wat geen der wapendragers ooit had durven hopen: De dappere kruisvaarders bestormden het Turksche slot in de zandwoestijn te Syrië en bevrijdden hun geloofsgenooten uit de vernederende gevangenschap. Uit dankbaarheid jegens God leende Hans Brömser zich op nieuw voor de heilige zaak. Toen keerde hij terug naar het vaderland aan den Rijn.

Op het met mos begroeide slotplein omhelsde Mechtilde hem lang en zwijgend. Naast de zeventienjarige stond de jonker van Falkenstein, die zich diep voor den teruggekomen heer boog en hem zacht begroette met de woorden: "Welkom, vader!" Toen kwam er plotseling een herinnering bij den ridder op, die de vreugde van het weerzien vergalde.

In de rijk versierde staatsiezaal vierde Hans Brömser, omringd door zijn getrouwen, zijn gelukkigen terugkeer. Luide loftuitingen weerklonken in den kring der kruisvaarders; iedereen luisterde, toen de gevaren, die de helden doorleefd hadden, verhaald werden. Hoe hij voor het geloof gestreden en in gevangenschap der heidenen geleden had, vertelde de ridder met geestdrift aan de luisterende schaar.

Daarop liet hij zijn stem dalen, en met plechtige woorden deelde Hans Brömser de verzamelde menigte zijn belofte mede, die hij in het heilige land in de grootste wanhoop afgelegd had. Toen weerklonk een gil door het ruime vertrek en het dochtertje van den ridder, nog witter dan het tafellaken, zonk bewusteloos ter aarde. De jonker van Falkenstein verhief zich met vlammende oogen en roode wangen, en sprak met vaste stem: "Mechtilde behoort mij, ze heeft in een plechtig uur beloofd, mij voor eeuwig te zullen toebehooren!"

Met gefronst voorhoofd legde de burchtheer de fluisterende gasten het zwijgen op: "Mechtilde behoort den hemel toe en niet jou, knaap. Dezen eed deed de laatste Brömser en hij zal hem ook houden!" Met ingehouden toorn riep de ridder dit uit en in bedrukte stemming gingen de gasten uiteen.

Mechtilde lag in woeste smart in haar kamer. Flikkerend wierp de kleine lamp aan het crucifix haar schijnsel op de liggende, die de voortkruipende uren van den nacht in liefdesmart doorbracht. De met tapijten behangen muren, van het in schemerlicht gehulde vertrek, leken het jonge meisje drukkende kerkermuren.

Zij ijlde, met het lichtje in de bevende hand, den hoogen wenteltrap op naar den zolder en vertrouwde het harde leed van haar jonge ziel den kalmeerenden nacht toe.

Geleund tegen een der schietgaten in den muur, staarde zij naar de tegenovergelegen Felsenburg waar de welgemoede minnaar, aan wien ze zich voor eeuwig verbonden had, vertoefde.

"Geliefde!" klonk het snikkend in den nacht. Aan den hemel waren geen sterren: een ruwe herfststorm begeleidde den hartestorm van de jonkvrouw en blies plotseling met een hevigen rukwind om de vesting.

Toen weerklonk er een gil, kort en schel. Was het de loeiende wind of een menschelijke kreet? In de stilte van den nacht stierf hij weg. Van het hoogste punt van de Brömserburg stortte het lichaam eener vrouw in de af grijselijke diepte en werd door het stroomende water van den Rijn verzwolgen.

Een prachtige herfstmorgen volgde op den stormachtigen nacht. Tevergeefs zocht men boven in de Brömserburg naar Mechtilde, het dochtertje van den burchtheer. Beneden echter hebben ze in alle vroegte een meisje uit het water gevischt, waarvan de oogen reeds gebroken waren. Een sombere stoet bewoog zich toen naar den burcht, waar de smartkreten van velen weerklonken over de vroeg geknakte bloem, de laatste spruit van den Brömserstam. Hans Brömser heeft zich op het lijk geworpen en zijn gebaard gezicht lang en zwijgend in de plooien van het sneeuwwitte gewaad verborgen. Geen traan hing aan zijn wimpers.

Voor de zielsrust van de dochter, die den sluier niet wilde aannemen, legde hij in de grootste treurigheid opnieuw een belofde af; hij zou een kerkje laten bouwen op den heuvel tegenover zijn vesting. Toen heeft hij zich in zijn vertrek opgesloten en in droevig gepeins de verdere dagen doorgebracht, totdat frisch groen op het graf van zijn onzalig kind ontlook.

Sedert dien tijd zijn er maanden verstreken, maar nog is er niet aan de beloofde boetkapel begonnen. Verbitterd heeft Hans Brömser zich steeds meer van de wereld afgezonderd en zich in de treurige eenzaamheid teruggetrokken. Toen is er eens een knecht met de beeltenis van de moeder Gods bij hem gekomen.

Een stier had dit bij het ploegen op den heuvel tegenover den burcht opgeworpen, en de knecht heeft driemaal "Not Gottes!" hooren roepen. Toen heeft Hans Brömser zich zijn belofte herinnerd en terstond het kerkje, dat hij den Heer beloofd had, laten bouwen voor de zielsrust van Mechtilde. "Not Gottes" heeft hij het genoemd en zoo heet het nog heden.

Bingen

De Muizentoren

Onder Bingen ligt midden in den vloed op een eenzaam eiland een vesting in den vorm van een toren, de Muizentoren genaamd. Sedert eeuwen is hieraan de naam van een aartsbisschop uit Mainz op sornbere wijze verbonden. In de sage wordt deze slechte Hatto van een vreeselijke misdaad aangeklaagd, waardoor hij in de heele Rijnstreek en nog veel verder veroordeeld is geworden.

Een eerzuchtig, harte- en trouweloos mensch moet hij geweest zijn, een wreed heer voor zijn onderhoorigen. Hooge belastingen perste hij hun af, liet hen tol betalen en verzon tallooze belastingen om aan zijn heersch- en pronkzucht te voldoen. Tusschen Bingen en Rüdesheim liet hij in den Rijn den stevigen toren bouwen en hief van alle schepen, die stroomaf voeren, tol.

Spoedig daarop was de oogst in het land van den Main mislukt.

Droogte en hagel vernielden het toch reeds schaarsche graan en de duurte van levensmiddelen werd nog vermeerderd, daar de aartsbisschop Hatto groote hoeveelheden graan opgedaan en op zijn zolder afgesloten had. De hongersnood was spoedig verschrikkelijk; maar de ongelukkigen smeekten den wreeden heer tevergeefs, den prijs van het graan, dat hij op zijn zolders had, te laten dalen. Wel drongen zijn raadslieden er op aan, dat hij medelijden met de ongelukkigen zou hebben, maar Hatto bleef ongeroerd, en toen de stijgende ellende en de hardvochtigheid van den gebieder verbittering te weeg brachten en oproerige stemmen zich onder het volk, dat zoo zwaar beproefd was, deden hooren, zette Hatto de kroon op zijn wreedaardige handelwijze.

Eens drong een bedelende menigte jammerend in het aartsbisschoppelijk paleis en smeekte den aartsbisschop, die juist aan zijn overdadigen maaltijd zat, om voedsel.

Hij had juist tot zijn dischgenooten op knorrigen toon gezegd, dat het beter zou zijn als dat ellendige volk op de een of andere manier van de wereld verdween; dan zou het van alle zorgen verlost zijn en ook hij zou dan niet meer door hen lastig gevallen worden. Toen nu de in lompen gehulde menigte, mannen, vrouwen en kinderen met holle oogen en bleeke gezichten voor hem neervielen en om brood schreeuwden, kwam er plotseling een flikkering in zijn oogen. Hij wenkte hen met gehuichelde welwillendheid, beloofde hun koren en liet hen in een schuur voor de stad brengen, alwaar ze zooveel graan zouden krijgen als ze noodig hadden. Vol blijdschap en van dank vervuld, ijlden de ongelukkigen weg; toen zij echter allen in de schuur waren, liet Hatto de deur sluiten en de schuur aansteken.

Vreeselijk was het gekerm van de ongelukkigen. Tot aan het paleis van den bisschop moet het geschreeuw doorgedrongen zijn. De wreede Hatto riep echter spottend tot zijn getrouwen: "Hoort hoe de korenmuizen piepen? Nu is het gebedel uit. De muisjes zullen mij bijten, als het niet waar is."

Verschrikkelijk echter trof hem de straf des hemels. Uit de brandende schuur slopen duizenden muizen naar het paleis, vulden alle vertrekken en vielen zelfs den aartsbisschop aan. In ontelbare scharen sprongen zij door zijn kamers, en hoewel zijn bedienden tallooze gulzige knagers verdelgden, zoo toch werd hun aantal steeds grooter en hun vraatzucht steeds heviger. Afgrijzen vervulde den aartsbisschop, en daar hij een voorgevoel van Gods oordeel had, ontvluchtte hij per schip de stad om zich aan de woedende beten van zijn vervolgers te onttrekken. Maar de onverdelgbare schaar zwom hem in legioenen na, en toen hij vol vertwijfeling den toltoren bereikte, meenende in de, door water omgeven, vesting veilig te zijn, vervolgde het grijze muizenleger hem ook hierheen, knaagde met de scherpe tanden een toegang tot den toren en bereikte spoedig hem, dien het vervolgde.

Hij heeft ook het onderspit gedolven, de afschuwelijke. Eindelijk moet hij vol wanhoop zijn ziel aan den duivel beloofd hebben indien deze zijn lichaam verloste, en de duivel moet in het helsche vuur tusschenbeide gekomen zijn, het schokkende lichaam bevrijd hebben en de ziel op den derden dag voor zich genomen hebben.

Dit deelt de sage mede. Maar zachter oordeelt haar zuster, de geschiedenis, over Hatto, den strengen aartsbisschop van Mainz. Zij laakt slechts een ding in hem: zijn heerschzucht. Hierdoor verkreeg de Mainzer zetel die wereldlijke macht, waardoor hij later de eerste bisschopsplaats van het rijk werd. Al vonden de burgers van Mainz dit niet onaangenaam, zoo toch was de trotsche, despotische geest van hem, die haar verworven had, zeer gehaat, en daar hij bovendien den slottoren in de rivier had laten bouwen, van waar uit hij alle voorbijvarende schepen voor de belasting onderzoeken liet--doorsnuffelen, "müsen" zeiden de Duitsche voorvaderen en zegt de "Rhein-lander" nog heden--zoo mag deze Muizentoren, waarbij ook nog de haat van een onderdrukt volk kwam, deze vreeselijke sage in omloop gebracht hebben.

Aszmannshausen

De Klemenskapel

Een treurige geschiedenis is er aan de stichting van de Klemenskerk verbonden, die meer stroomafwaarts dan de burcht Rheinstein aan den oever van den Rijn ligt. Eerst in den lateren tijd is zij door de milde hand van de burchtvrouw van Rheinstein op nieuw verrezen.

Het was ongeveer in den tijd waarop door de flinke regeering van Rudolf van Habsburg een einde gemaakt werd aan de buitensporigheden der roofridders, die vooral in den keizerloozen tijd aan den Rijn zeer huisgehouden hadden. De roofridders beantwoordden met openlijken hoon de ernstige waarschuwingen des keizers, en meer dan ooit voerden ze op den smallen straatweg, die zich aan den Bovenrijn tusschen de rotsen en de rivier uitstrekt, hun roofachtig bedrijf uit.

Daar verscheen de vertoornde keizer zelf met een sterke macht en hield een vreeselijk strafgericht onder de adellijke roovers. Als schurftige honden wilde hij hen en hun geheelen aanhang uitroeien. Hiermede had hij de bespotters van den heiligen landvrede gedreigd, en hij voerde zijn bedreiging uit. Brandende burchten waren zijn wegwijzers aan den Bovenrijn. De bewoners van het dal zagen met ontzetting de vlammen uit de vestingen van de Reichensteiners, Sooneckers, Heimburgers en andere gevreesde roofridders opstijgen, en talrijke leden van adellijke geslachten werden door den strop van den beul ter dood gebracht. Toen hoorde men menigen schoonen mond jammeren en weeklagen over de strenge rechtvaardigheid van den keizer. Door de vreedzame kooplieden echter werd zij vol dankbaarheid geprezen.

Voor de overblijvenden waren de lichamen van huns gelijken, die stuiptrekkende aan de boomen langs de rivier hingen een vreeselijke waarschuwing.

Schuwe gestalten zijn toen, beschermd door de duisternis van den nacht, naar de gerechtsplaats geslopen; vol droefheid hebben de betrekkingen van de ter dood veroordeelden de lijken afgenomen, om ze voor smadelijke vernietiging te bewaren. Heimelijk werden de ongelukkigen in gewijde aarde begraven. Maar de gedachte aan een vergelding hiernamaals liet de achterblijvenden geen rust; want menigeen, die zulk een smadelijken dood gestorven was, had zijn wapen met het bloed zijns naasten bevlekt.

Men heeft dus op raad van een verstandig, vroom dienaar Gods het hout van de boomen genomen, waaraan zij gehangen hadden, en een boetkapel gebouwd op de eenzame gerechtsplaats aan den Rijn. Ook van de rookende puinhoopen der afgebrande burchten heeft men steenen genomen voor het boetehuis bij Aszmannshausen evenals voor de hut van den beschermer, den kluizenaar.

Toen de dag aanbrak, waarop zich voor de eerste maal het woord van den priester aan het altaar zou doen hooren, zijn er booten met dooden en treurenden stroomop en afwaarts gevaren--in het schip der kerk hebben zij de lijkkisten neergezet--en met plechtige woorden heeft de aartsbisschop van Mainz de dooden van hun zonden ontheven en de armezondaarskerk haar bestemming doen bereiken. Daarop heeft men de nu gezegende lijken ten tweede male in het gemeenschappelijke graf ter aarde besteld. Vele tranen moeten er toen in de nieuw gewijde kerk gestort zijn.

Dit had plaats in het einde der dertiende eeuw. Eeuwen achtereen hebben de geloovigen en de priesters in dit kerkje bij Aszmannshausen voor de arme zielen der veroordeelden gebeden.

Boven in de burchten zijn ondertusschen vele geslachten uitgestorven, de trotsche burchten zijn vervallen en beneden zijn veelbewogen tijden voorbijgegaan. En de tand des tijds, die boven aan de burchten knaagde, is ook beneden aan het kerkje zijn verwoestingswerk begonnen, heeft het dak vernietigd en de muren afgebrokkeld.

In lateren tijd is er weer een kerkje in de plaats der ruïne ontstaan, en evenals voor zeshonderd jaar klinkt het woord van den priester weer aan het altaar van de Klemenskerk.

Rheinstein

Het huwelijksaanzoek

Op Rheinstein heeft een ridder gewoond, die buitengewoon strijdlustig was. Hij heette Diethelm. Van een rooftocht had hij eens als buit een mooi meisje, Jutta genaamd, mede naar huis gebracht. Evenals teedere klimop zich om den knoestigen eik slingert en zijn ruwen bast in glanzend fluweel verandert, zoo ook heeft deze jonkvrouw met haar vrouwelijk karakter uit den ruwen krijgsman na jaar en dag een braaf ridder gemaakt, die afstand deed van rooftochten en feestgelagen en de schoone Jutta, als belooning voor haar deugd en lieftalligheid, de hand reikte.

De eerste vrucht der jonge liefde kostte de teedere moeder het leven; maar Gerda, het evenbeeld der afgestorvene, groeide op tot een volmaakte schoonheid, zoodat vroegtijdig de minnaars van heinde en ver kwamen, en het aankomende meisje tot echtgenoote begeerden. Maar de ridder van Rheinstein was zeer lastig in zijn keus omtrent een pretendent en menigeen trok bedroefd, met een weigerend antwoord af.

Een was er echter, dien het meisje en ook de oude heer gaarne mochten lijden. Hij heette Helmbrecht en was de oudste afstammeling op Sternburg. Het was den jongeling gelukt het hart der jonkvrouw te veroveren, en eens, toen hij voor de tournooispelen op Rheinstein vertoefde, en Gerda met de met ringen versierde rechterhand de ridders op het burchtplein aanmoedigend den dank der vrouwen toezwaaide, deelde Helmbrecht haar zijn liefde mede. Eenige dagen daarna droeg hij, zooals de ridderlijke etiquette voorschreef, zijn oom Gunzelin von Reichenstein op zijn aanzoek over te brengen. Maar Gunzelin was niettegenstaande zijn rijperen leeftijd arglistig en valsch. In plaats van voor zijn neef, deed hij voor zich zelf aanzoek bij Gerda's vader, en deze aarzelde niet den ridder uit een oud geslacht met aanzienlijke goederen zijn jawoord te geven.

Tot beider verbazing wilde de dochter van den rijken minnaar niets weten. Haar hart behoorde den neef, niet den oom. De toorn in het binnenste van graaf Diethelm groeide steeds aan, en door de hevige woede der laatste dagen, zwoer hij, dat de met goederen gezegende makker uit zijn jeugd zijn dochter zou bezitten, en dat de arme stakker von Sternburg haar nooit naar het altaar zou voeren.

In haar stille kamer weende het troostelooze meisje hartverscheurend, maar haar tranen vermochten de ijskorst om het hart van den vader niet te doen smelten. Tevergeefs smeekte de in't geheim beminde bij den ouden heer toegelaten te worden, deze echter beriep zich op zijn ridderlijk woord, dat hij den heer von Reichenstein op handslag gegeven had.

En zoo brak de dag aan, waarop Gunzelin met het meesmuilend welbehagen van een ouden wellusteling, wien in den herfst de liefelijke lente toelacht, de schoonste jonkvrouw van den Rijn in zijn trotschen burcht zou binnenleiden. Gerda, die het zachte karakter van haar overleden moeder bezat, had zich in het onvermijdelijke geschikt.

Op een mooien zomermorgen begaf de bruidsstoet zich van de slotpoort van Rheinstein naar den nabij gelegen heuvel, waarop de Klemenskapel stond. Fanfares schetterden, bazuinen schalden. Op een sneeuwwitten telganger zit, het schoone hoofd treurig gebogen, de doodsbleeke bruid. Zij denkt aan den geliefde, die ver van haar is en even als zij door smart verteerd wordt. Daar vliegt opeens een zwerm gonzende paardenvliegen uit de struiken. Een daarvan steekt in den buik van het paard, dat de liefelijke vrouwenlast draagt, zoodat het dier, steigerend uit den bruidsstoet springt. De bruigom, op zijn prachtig opgetuigden hengst gezeten, springt moedig het schichtige paard na, maar daar de weg zoo smal is, doet hij een missprong en stort met zijn ros in de diepte. Stervend werd hij door de ontstelde bruiloftsgasten in den burcht gedragen.

De oude Diethelm was bij de poging, om het paard zijner dochter tot staan te brengen, even ongelukkig geweest; het woedende dier had hem het scheenbeen gebroken en dienstvaardige bedienden droegen den steunenden grijsaard voorzichtig naar het slot terug.

De heelmeester had de volgende weken, toen hij de gevolgen van een hevigen trap van het paard behandelde, geen gemakkelijke taak, bij den vloekenden burchtheer. Bij de eerst volgende kromming van den weg had zich echter een man voor het hollende paard geworpen, die het trillende dier tot staan gebracht en de bewustelooze bruid in zijn armen opgevangen had. Treurig gestemd, wilde hij, verborgen door de struiken, den bruidsstoet volgen en was zoodoende de redder geworden van haar, die alleen hem beminde. De heer van Rheinstein is, toen hij dezen afloop vernam, tot nadenken gekomen en heeft den geliefden zijn zegen gegeven. Hun stoffelijk overschot rust onder den steen voor het altaar van de Klemenskapel tegenover Aszmannshausen; burcht Rheinstein is hersteld en prijkt even schoon als weleer op de steile rotshelling.

Falkenburg

De Waldburg

De steeds opgeruimde slotheer van Falkenburg was in den heiligen oorlog tegen de Turken in de heete steppen van Phrygië voor de heilige zaak gevallen. Zijn vrome weduwe bewoonde met haar eenig kind Dietlinde den vaderlijken burcht. Deze jonge dame was bijzonder lieftallig en had een aantrekkelijk karakter, zoodat er vele edellieden waren, die de allerliefste jonkvrouw van Falkenburg, die het prachtige vaderlijke slot mede ten huwelijk zou brengen, tot echtgenoote begeerden.

Onder hen, die om de hand van het meisje dongen, was ook Guntram, een ridder uit een oud adellijk geslacht gesproten. Hij was de gelukkige veroveraar van Dietlindes hart.

Daar hij ook de moeder goed beviel, stond niets de vereeniging der beide geliefden in den weg. Onverwachts echter, toen alles reeds voor de bruiloft gereed was, kreeg Guntram een oproeping van den Paltsgraaf om in zijn residentie te komen. Daar kreeg de jonge ridder van zijn leenheer de eervolle opdracht zich met een gezantschap naar den hertog van Bourgondië te begeven.

Met een beklemd hart onderwierp Guntram zich aan dit bevel, man dapper afscheid van de weenende bruid en aanvaardde zonder oponthoud de reis.

Zoo snel, als ging hij op vleugelen, ving hij na verscheidene weken den terugtocht aan. Daar trof hem het ongeluk, dat hij op een onbegaanbare plaats in het bosch, van zijn gezelschap gescheiden werd en verdwaalde. Totdat de zon onderging zocht hij naar zijn geleiders zonder hun spoor weer te vinden. Na vele uren tevergeefs gezocht te hebben, ontdekte hij in de nachtelijke duisternis een licht, dat hem naar een eenzamen burcht in het woud leidde. Een grijsaard met zilveren haren heette hem welkom. Zacht waren zijn trekken, en de klank zijner stem evenals de uitdrukking zijner oogen waren treurig en vermoeid. Een rijkelijk maal sterkte den verdwaalden ridder, en een gemakkelijke rustplaats bood hem verkwikking voor het overige gedeelte van den nacht aan.

Toen Guntram met een vroom Ave Maria en met de gedachten vol trouw aan zijn verre bruid de oogen sluiten wilde, klonk uit een aangrenzende kamer een zacht, welluidend, en tevens verlokkend gezang.

