Sagen van den Rijn

Part 2

Chapter 2 3,833 words Public domain Markdown

Vol praal liet zij den koninklijken held op een baar leggen en beval, dat men een Gods gericht bij het lijk zou houden. Want er bestaat een groot wonder, dat ook thans nog geschiedt, n.l. dat de wonden van het slachtoffer opnieuw beginnen te bloeden, als de moordenaar het nadert. Alle vorsten en Bourgondische edelen passeerden dus Siegfrieds lijk, dat door de beeltenis van den gekruisigden Verlosser beschaduwd werd en zie: als de sombere Hagen zijn slachtoffer nadert, beginnen diens wonden opnieuw te bloeden. Ten aanschouwe der onthutste mannen en vrouwen beschuldigt Kriemhilde nu Hagen den sluipmoord op haar gemaal gepleegd te hebben.

Treurig was de boete, die op deze groote schuld volgde: de Nibelungenschat, die de voornaamste aanleiding tot de schandelijke daad geweest was, moest in den Rijn geworpen worden, ten einde in 't vervolg hebzucht en twist uit de harten der krijgers te verbannen. Maar Kriemhilde's oneindig groot verdriet was hiermede niet verdwenen, evenmin als haar drang naar wraak.

Na de begrafenis van den held noodigde koning Siegmund Kriemhilde uit naar den koningsburcht te Xanten te komen, doch te vergeefs. Gedurende dertien jaren bleef zij te Worms in de nabijheid van den innig geliefden doode, toen vertrok zij naar de abdij Lorch, die door haar moeder, de hertogin Ute gesticht was. Daarheen nam ze Siegfrieds lijk mede.

Toen daarop Etzel, het opperhoofd der Hunnen haar een huwelijksaanzoek deed, gaf zij den heiden haar jawoord. Niet uit liefde, doch door andere beweegredenen geleid. Zij trok met hem naar Hongarije. Daar liet zij Siegfrieds moordenaar door vele harer dienaren op listige wijze bij zich noodigen, ten einde hem in 't verderf te storten op een manier, die ons met afschuw vervult. Ook de medeplichtige koningen van Bourgondië, sedert de schat tot hen gekomen was, Nibelungen genaamd, hebben in de Etzelburg onder de aanvallen der Hunnen hun ontrouw met den dood bekocht.

Zonder mededoogen liet Etzels gemalin haar geheele familie onthoofden. Den boosaardigen Hagen sloeg ze eigenhandig met Siegfrieds zwaard het hoofd af. Daarop werd de razende vrouw door den vertoornden Hildebrand gedood.

Hier eindigt de sage. De treurmare van de Nibelungen is in den volksmond het meest populaire heldenlied geworden.

Door deze sage wordt de historische ondergang der laatste Bourgondische koningen van Worms door alle eeuwen heen op dichterlijke wijze verheerlijkt.

Mainz

Heinrich Frauenlob

Hij was een waardig domheer in het oude Mainz, daarbij een zanger bij de genade Gods, die tallooze vrome hijmnen dichtte en toonzette, ter eere van de reinste aller vrouwen, doch tevens ook menige welluidene harptoon aan de wereldlijke liefde gewijd heeft. En daar hij in tegenstelling met vele dichters van zijn tijd in teedere vereering den naam "Frau" d.i. meesteres hooger schatte dan "Weib" wat slechts echtgenoote beteekent, heeft de nakomelingschap hem den naam "Frauenlob" geschonken en onder dezen is hij meer bekend, dan onder zijn werkelijken naam Heinrich von Weiszen.

Groot was de vereering, die de vrouwen van het gouden Mainz voor den zanger koesterden. Dit bleek gedurende zijn léven, maar meer nog bij zijn dood. Niet te beschrijven was de droefheid van het dankbare, zwakke geslacht, toen het bericht kwam, dat de lier van den geliefden minnezanger voor altijd verstomd was. Er werd besloten den doode een eer te bewijzen zooals nog nooit een dichter te beurt gevallen was. Onafzienbaar was de stoet, talrijk vooral de schaar van vrouwen, die in rouwkleeren het lijk begeleidden en voor zijn zieleheil baden. Acht van de schoonste vrouwen droegen zijn kist, die bedolven was onder welriekende bloemen. Uit teedere vrouwenmonden klonken aan het graf van den minnezanger de grafliederen en zachte vrouwenhanden goten op zijn rustplaats heerlijken Rijnwijn, die hem zoo dikwijls zijn prachtige liederen ingegeven had. Deze stille liefdegave moet zoo rijkelijk gevloeid hebben, dat de gangen der kerk er van overstroomden. Meer waarde echter dan deze gaven hadden de tranen, die op dien dag door vele schoone oogen om den dooden zanger vergoten werden.

Nog heden kan de reiziger in den ouden Mainzer Dom het gedenkteeken voor den grooten Dichter en Zanger zien. Een prachtige vrouwenfiguur van sneeuwwit warmer legt een krans neer op de kist van den zanger, die den lof der vrouw in onvergetelijke liederen bezongen heeft.

Bisschop Willigis

In het jaar Duizend ongeveer hadden de inwoners van Mainz een vromen kerkvoogd, Bisschop Willigis. Hij was de zoon van een wagenmaker, en alleen door ijzeren wilskracht en groote bekwaamheid was hij tot de waardigheid van eersten bisschop gestegen. De brave burgers van Mainz beminden en vereerden den edelen dienaar Gods zeer, de trotsche kanunniken en stijve patriciërs daarentegen was het hoogst onaangenaam zich te buigen, voor iemand, die in de armoedige hut van een wagenmaker geboren was.

Ernstig, doch met zachtheid verweet de bisschop eenigen van hen, dat ze zich te veel op hun voorouders lieten voorstaan. Dat verdroot de hooghartige heeren, en eens op een nacht haalden zij een grap uit bij de vertrekken van hun geestelijken heer en teekenden met krijt op alle deuren reusachtige raderen.

Toen de bisschop 's morgens vroeg naar de mis in de Domkerk ging, zag hij het baldadige werk van de spotvogels. Zwijgend keek hij naar de raderen, doch zijn kapelaan, die naast hem stond, wachtte in angstige spanning te vergeefs op het losbreken van den toorn van de beleedigden kerkvorst. Integendeel op het gelaat van den bisschop vertoonde zich een vroolijke glimlach. Vervolgens gebood hij een schilder te toepen, en toen deze gekomen was, beval hij hem overal, waar de spotvogels de raderen geteekend hadden in een vuurrood veld, zichtbaar voor iedereen, witte raderen te schilderen en daaronden het spreukje:

"Willigis, Willigis! Denk, hoe laag je afkomst is!"

En zelfs nog verder is hij gegaan; de wagenmaker heeft hem een ploegrad moeten maken en dit heeft hij boven zijn legerstede laten ophangen; om steeds aan zijn afkomst herinnerd te worden.

Sedert dien dag hielden de spotters zich stil. De inwoners van Mainz echter hechtten zich met nog grootere liefde aan hun bisschop, die, niettegenstaande het hooge ambt, dat hij bekleedde, toch zoo eenvoudig bleef. En van dien tijd af voeren alle bisschoppen van Mainz de witte raderen in een rood veld in hun wapen.

Johannisberg

De Johannisberger

In 't heele Duitsche rijk en ver over zijn grenzen kent men hem, en onder de beste merken wordt hij geteld, als de koning aller Rijnwijnen. Alle vrienden van het Rijnsche druivensap kennen hem, maar weinigen genieten hem in zijn vorstelijke echtheid. Vorstelijk is hij, niet omdat een vorstenhand den sleutel van den Johannisberg bezit, maar omdat een vorstenhand hem in de gezegende "Rheingau" geplant heeft. En deze gekroonde schenker was niemand anders dan de groote Karel, de machtige beheerscher van het Frankenrijk.

Eens stond hij--'t was voorjaar--op het platform van zijn slot te Ingelheim en liet zijn blikken weiden over het wonderschoone landschap aan zijn voeten. Er was 's nachts sneeuw gevallen en een wit kleed bedekte de Rüdesheimer heuvels. Terwijl het oog van den keizer nadenkend op het witte landschap rustte, bemerkte hij, dat op de rug van den Johannisberg de sneeuw gauwer door de zonnestralen smolt dan op de heuvels in het rond. De groote Karolus, die als een echt Duitsch keizer ook een diepdenker was, meende, dat daar, waar zulk een gezegende zonnegloed viel, ook meer dan gras gedijen kon.

Dadelijk liet hij den grijzen Koenraad zijn wapendrager bij zich komen en gebood hem bij het aanbreken van den volgenden dag zijn paard te zadelen en naar Orleans, de stad van den edelen wijn, te rijden, met de boodschap aan de brave burgers, dat de keizer hun voortreffelijken wijn nog steeds genadig in herinnering had en dat hij gaarne zulk een edel gewas aan den Rijn zou bezitten, waarom hij den getrouwen burgers van Orleans verzocht een pootrank naar de "Rheingau" te zenden.

Aldus ging de schrandere koningsbode op weg en nog voordat de maan haar cirkelkring geëindigd had, was hij weer in het keizerlijke slot te Ingelheim terug. Alom heerschte daarover groote vreugde. Karolus zelf, de groote keizer voer naar Rüdesheim en plantte eigenhandig de Fransche wijnrank in de aarde van het Rijnland.

Het werk van den keizer was geen voorbijgaande gril geweest. Zorgvuldig liet hij zich over den stand der druiven in Rüdesheim en op helling van den Johannisberg op de hoogte houden en toen de derde herfst in het land gekomen was, kwam tegelijk met hem Keizer Karel uit zijn lievelingsstad Aken in de "Rheingau". En het juichen van de oogsters weerklonk in de wijngaarden van Rüdesheim en Johannisberg.

Plechtig werd het eerste geurige product der wijnpers den keizer aangeboden; een gouden vocht in een gouden bokaal. Een koninklijke wijn! Een flinke teug heeft de groote Karel genomen en opgetogen den kostelijken drank geprezen. De vurige, zachte Johannisberger is zijn lievelingsdrank geworden, die hem op hoogen leeftijd den last der jaren deed vergeten. En wat Karel de Groote ondervond, dat bemerkt nog heden een ieder wien dit druivenbloed in den beker parelt. In het heele Duitsche rijk en ver over zijn grenzen kent men hem, en onder de beste merken wordt hij geteld als de koning aller Rijnwijnen, de Johannisberger.

Zeer schoon wordt de sage vervolgd van keizer Karel, die zijn druiven zegent. Door den mond van den dichter is hij in een lied herschapen, dat men dikwijls hoort zingen aan de oevers van den Rijn, waar de druiven groeien.

Elk voorjaar, als op de heuvels en in de dalen aan den vloed de druiven bloeien en de welriekende geur van de druivenbloesems de lucht vervult, wandelt 's nachts een hooge schaduw door de wijngaarden. Koninklijk is zijn gestalte, de purperen mantel golft om zijn schouders en op zijn hoofd schittert de keizerkroon. Het is Karel de Groote, keizer der Franken, die voor ongeveer duizend jaar den wijnstok naar Rüdesheim en aan den rand van den Johannisberg overplantte. De heerlijke geur van de druiven heeft hem uit zijn graf te Aken gewekt en hij is gekomen om de druiven, die hij geplant heeft, te zegenen. Het zachte schijnsel der volle maan verlicht den weg van den keizer en bij Rüdesheim bouwt zij een gouden brug over den stroom. Daarover schrijdt de keizer voort en verder trekt hij langs de heuvels, alom zijn zegen over de druiven uitstortende. Bij het eerste hanengekraai keert hij in zijn graf te Aken terug en hervat zijn eeuwenlangen slaap, totdat hij het volgende jaar opnieuw door den geur der druiven gewekt wordt, om zijn zegenrijken tocht door de "Rheingau" te volbrengen.

En nu, waarde lezer, zal ik U als derde verhaal nog een vroolijke geschiedenis van de Johannisberger monniken meedeelen. Eens, kwam onverwachts de hooge abt het klooster op den Johannisberg bezoeken, juist toen de rijpe druiven aan de stokken hingen. De eerwaarde abt vroeg met belangstelling naar alles, betoonde zijn ingenomenheid met de levenswijze der brave monniken, en noodigde eindelijk, als blijk van zijn welwillendheid, het geheele convent uit met hem een avonddrank te gebruiken.

"De wijn vroolijkt het hart der menschen op!"

Met deze spreuk van den vromen koning David begon de abt zijn rede en vervolgde: "Gods milde hand zal uwe wijnstokken ook den volgenden herfst zegenen. Laat ons daarom, waarde Broeders, eenige flesschen uit het groote vat met matigheid op waardige wijze ledigen. Doch neemt, voordat we ons aan Gods edele gaven laven uw getijdenboek en laat ons met een kort gebed beginnen.'"

"Getijdenboek?" gaat het fluisterend door den kring en de oogjes in de welgedane, waardige gezichten flikkeren van hulpelooze verlegenheid.

"Ja, het getijdenboek!" Het door strenge lijnen doorploegde gelaat van den verstandigen abt beschouwt zwijgend de broeders. Zij zoeken, zoeken steeds voort.

Gelijdelijk verdwijnen de rimpels van het aangezicht van den abt en speelt daar zelfs niet een onmerkbaar lachje op het vervallen gelaat?

"Houdt nu op met zoeken en laat ons drinken! Gemoedelijk ontneemt hij den broeder, bottelier de bestoven flesch. Bij God, ik had den kurketrekker hier aan den Rijn wel mogen meebrengen. Schertsend zegt de vriendelijke heer dit, nadat hij zijn zakken doorzocht heeft.

"Een kurketrekker?" In een oogwenk voelt ieder in zijn zakken en voor de oogen van den waardigen abt verschijnen evenveel kurketrekkers als broeders om hem heen staan.

Toen kwam er een glans van vergenoegen op het waardige gelaat van den abt: "Bravo vrome Heeren. Welk een rijke zegen aan kurketrekkers. Doch laat het u niet verlegen maken en den dag van heden bederven. Morgen echter ---- maar laten wij denken evenals koning David."

Ingelheim

Eginhard en Emma.

I.

Het is een oude treffende geschiedenis, die ik U zal vertellen, waarde lezer, die bij de andere voorheeft, dat ze een greintje historische waarheid bevat.

In Ingelheim, een mooi stadje in den met druivengezegenden "Rheingau" verhief zich eens een trotsch marmeren paleis, de lievelings verblijfplaats van Karel, den Grooten. In deze heerlijke eenzaamheid, ver van de wereld, trok de groote keizer der Franken zich dikwijls terug. Slechts zijn trouwe dienaren en familieleden vergezelden hem. Onder de uitverkorenen ontbrak nooit Eginhard, secretaris des keizers. Hoewel hij nog jong was, zoo toch stond hij door zijn omvangrijke kennis in hoog aanzien bij Karel en verheugde zich in de bijzondere gunst van zijn gebieder. De vlijtige geleerde, wiens ernstig, zacht jongelingsgezicht dubbel afstak bij de schaar stoere krijgslieden, behaagde de vrouwen aan het keizerlijke hof niet minder.

Karel had den geheimschrijver in zijn familie ingeleid en hem opgedragen zijn lievelingsdochter Emma, die toen bekend stond als de schoonste dame van haar tijd, te onderwijzen. Zij was de dochter van Chismonda. Uit haar oogen, die donker als de vleugels van de raaf waren, sprak het bloed van haar Italiaansche moeder. Spoedig ontvlamde het hart van den jongen leeraar door de gloedvolle blikken van de zuidelijke schoone en de schrijf, en leeslessen veranderden in vertrouwelijke minne uurtjes.

II.

Elk van hen beminde en werd wederbemind.

Het was hun eerste liefde.

Had Karel de Groote zulk een afloop slechts kunnen gissen, toen hij het dochtertje met de gloedvolle fluweelen oogen aan de zorg van den jongen geleerde met het meisjesachtige gezicht toevertrouwde. Had hij zulks kunnen gissen.

In het doodstil nachtelijk uur als iedereen sliep, sloop Eginhard in het vertrek van zijn geliefde. Dan luisterde de dochter van Karel den Grooten naar de zoete vleierijen van den dichterlijken geleerde. Zij voer onder de betoovering der liefde met hem op een zee van zalige verwachting, welks klippen haar jeugdige onbezonnenheid niet zag.

Eginhard bezat een vurig hart, maar toch was de vlam zijner liefde voor de dochter van zijn heer rein, als het licht der sterren; geen toomelooze lage hartstocht verduisterde haar kuischen glans.

Maar het lot was niet met hen.

Op een herfstnacht bevond Eginhard zich weder bij zijn geliefde. Het groote paleis was in duister gehuld. Geen ster was er aan den hemel, die het geluk der minnenden kon verraden. De uren der liefde gaan snel voorbij. Op het oogenblik, dat Eginhard het vertrek verlaten wilde, bemerkte hij, dat een sneeuwkleed beneden de plaats overdekt had.

Het was onmogelijk haar te overschrijden zonder voetstappen achter te laten. En toch moest hij zijn kamer aan de overzijde bereiken. Wat nu te doen?

De liefde is vindingrijk.

Na kort nadenken kwamen beiden tot het besluit, dat later tallooze dichters bezongen hebben. (Was ik dichter, dan zou ik het ook doen.) Het teedere meisje nam de geliefde op den rug en ging met hem, de witte plaats over. In de schitterende sneeuw teekenden zich de sporen van twee allerliefste voetjes af.

Karel de Groote was op dit uur nog wakker. Drukkende zorgen over zijn reusachtig rijk verdreven hem den slaap. Hij leunde aan het venster en keek, ernstig voor zich uit in den duisteren nacht. Daar zag hij een schaduw over de plaats glijden. Hij boog zich voorover en zag Emma, zijn meest geliefde dochter, die op den rug--Karel opende wijder de oogen--een man droeg, en deze man--een zachte kreet kwam over Karels lippen--was Eginhard, zijn gunsteling. In het gemoed des keizers streden smart en woede met elkaar. Hij wilde naar beneden snellen om de ongelukkigen te dooden, maar hij bedwong zich, want de schande zou te groot geweest zijn, indien de dochter des keizers op haar liefdetocht met den schrijver door den gebieder over milioenen overvallen werd.

Een diepe zucht steeg uit zijn breede borst op. Hij trad achteruit in zijn kamer en de kleine vlokken, die om de ruiten dwarrelden, zagen nog lang zijn door smart verwrongen gelaat.

III.

Den volgenden morgen riep Karel de Groote de wijze raadsleden bijeen. De oude getrouwen ontstelden bij zijn aanblik. Rimpels doorploegden zijn voorhoofd en verdriet lag op zijn afgematte trekken te lezen. Vooral Eginhard, die een voorgevoel had van wat er komen zou, beschouwde zijn gebieder met schuwe blikken. Karel verhief zich en sprak: "Wat verdient een koninklijke princes, die 's nachts een man in haar vertrekken ontvangt?"

De raadsheeren keken elkaar sprakeloos aan. Eginhards gelaat werd bleek als van een doode. De aanhangers des keizers zochten niet lang naar den naam van deze vorstendochter.

Verlegen beraadslaagden zij een tijdlang, toen nam een van hen het woord:

"Majesteit, voor misdrijven door de liefde begaan wordt de zwakke vrouw nooit gestraft."

"En wat verdient een gunsteling des keizers, die 's nachts in de vertrekken van een koninklijke princes sluipt?"

Met fonkelende oogen wendde de ijzeren Karel zich tot zijn secretaris. Eginhard beefde eenigszins en zijn meisjesachtig gezicht werd nog bleeker. Verloren! mompelde hij. Toen zeide hij, terwijl hij zich fier oprichtte:

"Den dood, mijn Heer en Keizer!"

Karel de Groote beschouwde den jongeling met bewondering. Bij deze zelfaanklacht en innig berouw smolt de toorn in zijn binnenste en maakte plaats voor zachtere gevoelens. Eenige oogenblikken later gaf de keizer den raadsleden hun afscheid. Eginhard wenkte hij, hem te volgen.

Zwijgend ging Karel hem voor in zijn studeerkamer, daar werd de tweede deur geopend en Emma, door haar vader geroepen, trad binnen. Zij begreep dadelijk alles en met een doordringenden smartkreet viel zij voor haar vader op de knieën.

"Genade, genade, vader! Wij beminden elkaar zoo innig!" En de groote omfloersde oogen keken smeekend omhoog.

"Genade!" mompelde ook Eginhard en boog de knie.

De keizer bleef eerst zwijgen. Toen begon hij te spreken, eerst streng en ernstig, doch geleidelijk, door het snikken van zijn innig geliefd kind, werden zijn woorden zachter.

"Daar gij elkaar bemint--hij legde bijzonder den klemtoon op dit woord--wil ik u niet scheiden. Een priester zal u vereenigen en voordat de volgende morgen aanbreekt, zijt gij van hier vertrokken."

De deur sloot zich achter hem.

Door smart overweldigd, den inhoud van het gesprek slechts half begrijpende, knielde het schoone meisje terneder. Een zachte stem deed haar opschrikken. Teeder trok Eginhard haar aan zijn borst.

"Ween niet, geliefde," fluisterde hij, "door dat je vader, mijn gebieder je van zich stiet, heeft hij ons voor eeuwig vereenigd."

Heviger vloeiden haar tranen.

"Kom," ging hij bewogen voort, "de liefde zal ons geleiden."

Den volgenden morgen verlieten twee jeugdige pelgrims het slot te Ingelheim en begaven zich in de richting van Mainz.

IV.

Jaren zijn verstreken.

Karel de Groote heeft in Saksen overwinningen behaald en ook de Romeinsche kroon verworven, zoodat zijn roem wijd en zijd verkondigd werd, maar niettegenstaande dat is zijn haar vergrijsd en zijn gelaat verouderd. Een aandoenlijk schoon beeld leefde sedert jaren in zijn gedachten, en hij was niet bij machte dit te verbannen.

's Avonds wanneer de ondergaande zon in de marmeren zuilen van het koninklijk slot weerspiegelden en haar laatste stralen hun gouden schijnsel in het hooge vertrek van den beheerscher der Franken wierpen, dan zagen zij hem dikwijls onbeweeglijk op zijn rijk gebeeldhouwden stoel zitten, het diepdenkende hoofd in de handen verborgen.

De keizer was in treurig gepeins verzonken. Hij dacht aan vervlogen dagen. In zijn verbeelding zag hij een jongen man, wiens zacht karakter en meisjesachtig gelaat zeer afstak bij de schaar stoere krijgslieden. Met welk een vuur had hij steeds de heerlijke heldenzangen voorgedragen, alsook de roerende volksliederen, die de keizer zoo ijverig verzamelde. Als hij dan voorgelezen had uit het grauwe perkament, dat hij zelf met sierlijke letters geschreven had, dan was er dikwijls een meisje met donkere oogen tegenwoordig geweest, de lievelingsdochter van Karel den Grooten.

Tegen vaders knie aangevleid, luisterde zij naar de zachte stem van den voorlezer en in haar helder oog blonk dikwijls een traan van ontroering.

V.

Jachtfanfares klonken door de eenzaamheid van het Odenwoud. Karel de Groote en zijn getrouwen beoefenen het edele jachtvermaak. De oude keizer, die overal vergetelheid zoekt heeft de speer ter hand genomen om de herten van het woud te treffen.

Hij heeft zich van zijn begeleiders afgezonderd en vervolgt juist een trotsch hert met zestienpuntig gewei. De zon staat reeds hoog aan den hemel als het vervolgde dier de richting van den Main uitsnelt welks water door de takken glinstert. Hij ontdekt den vloed, staat een oogenblik onthutst stil, maar stort zich dan, door de nabijheid van den vervolger opgejaagd, in de rivier, welks overkant hij zwemmende bereikt. De keizer verschijnt en staat uitgeput aan den oever. Nu eerst bemerkt hij, dat de avond hem onmerkbaar overvallen, en de streek, waarin hij zich bevindt, hem geheel onbekend is.

Voor zich heeft hij den vloed, achter zich het woud. De eerste sterren schitteren reeds aan den hemel. Tevergeefs zoekt Karel den rechten weg langs de rivier te vinden. Het woud, dat hij zooeven doorsneden heeft, schijnt nu ondoordringbaar. Volslagen duisternis omgeeft hem.

Daar schittert onverwachts een licht in de verte. De keizer ziet het en richt met blijde verrassing zijn schreden daarheen. Vlak bij den oever ontdekt hij een hutje. Door het verlichte venster ziet de koninklijke bespieder een armoedig vertrek.

Wellicht is dit de kluis van een vroom man, denkt hij en klopt aan de deur. Een man met blonden baard verschijnt. De keizer deelt, zonder zich bekend te maken, mede in welk een verlegenheid hij zich bevindt en vraagt huisvesting voor den nacht. Bij den klank zijner stem ontroert de man hevig. Hij laat den keizer binnentreden. Een jonge vrouw zit op een laag stoeltje en wiegt een kind op haar knieën. Als zij den keizer ziet, glinstert haar donker oog en wordt haar gelaat wit als marmer. Snel begeeft ze zich in de aangrenzende ruimte om haar snikken te verbergen. Karel neemt plaats en steunt, terwijl hij iedere verfrissching, die zijn gastheer hem aanbiedt, weigert, het moede hoofd in de handen.

Minuten verstrijken.

Slaapt hij?

Neen, hij is in treurig gepeins verzonken.

Hij denkt aan vervlogen dagen. In zijn verbeelding ziet hij een jongen man, wiens zacht karakter en meisjesachtig gelaat zeer afstak bij de schaar stoere krijgslieden. Met welk een vuur had hij steeds de heerlijke heldenzangen voorgedragen, alsook de roerende volksliederen, die de keizer zoo ijverig verzamelde. Als hij dan voorgelezen had uit het grauwe perkament, dat hij zelf met sierlijke letters geschreven had, dan was er dikwijls een jong meisje met donkere oogen tegenwoordig geweest, de lievelingsdochter van Karel den Grooten. Tegen vaders knie aangevleid, luisterde zij naar de zachte stem van den voorlezer en in haar helder oog blonk dikwijls een traan van ontroering.

De keizer slaakte een diepen zucht.