Part 12
"Evenals elk bestaan kennis van de elementaire grondstoffen vereischt, zoo is uw gemaal slechts dan te helpen, wanneer gij zijn geheim kent," deelde de rondtrekkende man op gewichtigen toon mede. "Beproef, schoone vrouw, door de spraakzaamheid uwer lippen en de macht uwer bekoorlijkheden in een aangenaam minneuurtje het hart en het vertrouwen van den meester te winnen, opdat zijn mond verrade, wat zijn hart verbergt. Dan kan ik u helpen en zult gij de gelukkigste vrouw in het heilige Keulen worden."
De vrouw deed wat haar bevolen was, maar onmachtig kaatsten de pijlen der verleidster op de halsstarrige stilwijgendheid van den man af. Drie dagen na zijn eerste bezoek verscheen, de magister opnieuw.
"Daar gij geen succes gehad hebt, onwaardige Eva's dochter, heb ik nog een ander middel, doch ik vrees, dat gij het versmaden zult."
Door hevige nieuwsgierigheid gekweld, verzocht de vrouw den geleerden magister dringend zich te verklaren.
"Welnu, dan zal ik spreken," roept deze plechtig uit. "Medelijden vereischt de vrouw en dubbel medelijden zij haar geschonken. Ik ken een vreemdsoortig kruidje. Daaruit zal ik uw heer gemaal een drankje brouwen. Hij zal dan 's nachts droomen; zijn droom zal hem verraden, en gij kent zijn geheim."
Vol dank nam zij de gave uit de hand van den vreemden magister aan. 's Avonds schonk zij het drankje in en reikte het haar gemaal. Meester Gerhard zonk uit de omarmingen zijner teedere gade in een vasten slaap. Spoedig werd de slaper onrustig. Zijn mond deed onverstaanbare woorden hooren. Angstig luisterde zijn wakende vrouw. Met de scherpzinnigheid, die haar geslacht eigen is, kwam ze weldra achter de beteekenis der onsamenhangende woorden van den droomer en wist spoedig van de onzalige weddenschap, die meester Gerhard met den Satan in eigen persoon gesloten had.
"Hij zal zijn weddenschap nooit winnen," fluisterde de slaper, "ik ken zijn geheim."
"En wat mag dat zijn?" vroeg met kloppend hart iemand van het geslacht, aan wie de slang destijds den appel bood.
"Hij kan doen, wat hij wil," ging de meester voort. "Nooit zal een eend uit het onderaardsche kanaal zwemmen, indien hij daarin niet op elk kwartier afstands luchtgaten aanbrengt. Maar de duivel zal nooit op deze gedachte komen."
Den volgenden morgen verscheen bij het aanbreken van den dag--nauwelijks had de meester zijn huis verlaten--de rondtrekkende magister. Getrouw deelde de vrouw hem mede, wat zij gehoord had. Toen liet de man in den vuurrooden mantel een zegevierenden lach hooren en verdween. Bleek en angstig bleef de praatzieke vrouw van den meester achter.
IV.
Meester Gerhard stond bovenop de Domkerk. Donkere onweerswolken kwamen aan den kant van den Rijn opzetten. De bouwmeester spoorde de werklieden tot spoed aan. De lucht was zwoel. Daar werd een hand loodzwaar op zijn schouder gelegd. Opgeschrikt uit aangename droomen over de toekomst wendde hij zich om, en zijn gelaat werd plotseling doodsbleek. Achter hem stond de duivel in scharlaken gewaad, de zwarte baret met de wapperende hanenveer versierd. Hij had een zegevierende uitdrukking op het gelaat. Zwijgend wees hij naar beneden; aan den voet van den Dom was een beekje zichtbaar, snaterend zwom een eend in dit water en werd door meerdere gevolgd.
Toen greep woede en vertwijfeling meester Gerhard aan. Verloren was de weddenschap en de ziel. Grijnzend keek de duivel toe en opende de klauwachtige handen.
"Nooit zult ge mij levend hebben!" roept meester Gerhard gillend uit en stort zich in de diepte.
Ratelende donderslagen maken zijn doodskreet onhoorbaar. Vreeselijk woedt het weer. De verlichte hemel gelijkt een vuurzee. De brandklok luidt in den toren--de bliksem was in het huis van den bouwmeester van den Dom geslagen.
De vlammen vernietigden de ontwerpen van den bekwamen meester, en eeuwenlang bleef de reusachtige Dom onvoltooid. Het werk treurde over zijn oprichter, verlaten waren de gewelven, onvoltooid de grootsche torens. De inwoners van Keulen beweerden, de de geest van meester Gerhard 's nachts klagend om den Dom zweefde. Toornig verweet hij den volgenden geslachten, dat hun laksheid het reuzenwerk, dat de scheppende kracht van vroegere tijden met steenen mond verkondigde, onvoltooid liet Ongehoord sterft de vertwijfelde klacht van de schim weg. Andere geslachten komen en verdwijnen weder. En eindelijk werd werkelijkheid, wat niemand ooit had durven hopen. Voltooid stond de Dom in zijn vorstelijke pracht daar, als het meest grootsche godshuis van Duitschland.
Sedert dien tijd verscheen meester Gerhard nooit weer. Op de plaats, waar hij onder de verwenschingen van den vorst der hel in de diepte stortte, is zijn beeltenis in steen ter eeuwige gedachtenis opgericht.
Aken
De bouw der Munsterkerk
I.
Eens toen Karel de Groote, keizer der Franken zijn paleis te Aken verliet en een rijtoer maakte, moet zijn paard luid hinnekend zijn poot snel teruggetrokken hebben uit een bron in het bosch, waarin het getrapt had. Toen de ruiter nieuwsgierig afsteeg en de hand in het water stak, moet hij de warme bron ontdekt hebben, die naderhand duizenden zegen aanbracht. Dankbaar erkende de vrome keizer in deze heilbron een welwillend geschenk van de Voorzienigheid, en hij nam het besluit hier ter eere van den Heer een huis te bouwen. Aan den hoef van het paard zou de rondbouw der kerk herinneren. Met frisschen moed werd spoedig aan het bouwen van den trotschen tempel begonnen, en verheugd zag de bejaarde keizer de muren van de Munsterkerk verrijzen. Haar voltooiing zag hij niet meer.
Treurig werkte dit op de bouwlieden. Karel de Groote had het machtigste rijk van het Westen aan een zwakken zoon nagelaten, die tegen zijn eigen kinderen het zwaard moest trekken, teneinde het recht op den troon te behouden.
Toen bleef veel onvoltooid, wat de reuzenhand van Karel den Grooten begonnen was. Ook de bouw der Munsterkerk werd gestaakt. Eenzaam lag het bouwterrein daar, onvoltooid staken de muren en torens omhoog. Tevergeefs beriep de eerzame overheid zich op de liefdadigheid van de christelijke medemenschen, karig kwamen de gaven in, en nooit waren zij toereikend om de Munsterkerk te voltooien.
Zeer dikwijls zaten de raadsleden bij elkaar, en beraadslaagden hoe den drukkenden geldnood te verhelpen en de voltooiing der Munsterkerk te volbrengen. Goede raad was even duur als het materiaal waarvan men kerken bouwt. Toen zij weder eens in het raadhuis bij elkaar zaten, liet een vreemde heer zich aandienen. Hij had den edelachtbaren raad gewichtige zaken mee te deelen. Hij werd binnen gebracht en deelde niets minder mee, dan dat hij den waarden raad van de stad Aken het geld ter voltooiing van den Dom voor zou schieten. Wantrouwend zagen de waardige heeren naar den vreemd gekleeden spreker met het bijzondere gezicht met den puntbaard; deze echter liet zich door de schuwe blikken niet in de war brengen maar herhaalde vrijmoedig, doch beleefd zijn aanbod.
"Ik zou u gaarne uit uw tijdelijke geldverlegenheid helpen, hoogedele Heeren en begeer niet eens terugbetaling van de duizenden, die ik U aanbied. (Hier trokken de edelachtbare raadsleden de wenkbrauwen op en spitsten de ooren.) En, opdat uw trots mijn leening niet af zou slaan, stel ik slechts een kleinigheid tot voorwaarde: n.l. dat, wanneer de bouw volbracht is, de eerste, die op den dag der inwijding de kerk betreedt, mij met lijf en ziel zal toebehooren."
Toen sprongen de wijze heeren ontsteld van hun zetels op en velen maakten eerbiedig een kruis; want wie anders, dan de duivel kon zulk een helschen eisch stellen.
De edelachtbare burgemeester keek reeds zeer vertoornd "Ga van ons," mompelde hij, "gij, die slechts ergernis te weeg brengt."
Rustig en kalm stond de satan daar.
"Laat mij een vroom woord uit den Bijbel op dezelfde wijze beantwoorden. Waarom zijt gij zoo vreesachtig, gij kleingeloovigen? Overweegt of ik vermetel ben, omdat ik één ziel voor mij bedongen heb, terwijl het krijgszwaard vlamt tusschen vader en zoons, tusschen broeders en duizenden voor de nuttelooze eerzucht opgeofferd worden. Daar worden door een mensch duizenden geofferd, terwijl zich hier voor aller welzijn slechts een enkele behoeft op te offeren." Zegevierend flikkerde het oog van den vreemd gekleeden spreker; want op de trekken van de wijze raadsheeren las hij een goedgunstig antwoord. Het aantal der besluiteloozen werd met de minuut kleiner, tot eindelijk ook de laatste geen gewetensbezwaar meer koesterde. De overeenkomst kwam tot stand en de vreemde nam met een triomfantelijk lachje afscheid, terwijl de waardige heeren met een beklemd hart op de beloofde som wachtten. Zij kwam nog denzelfden dag, onvervalscht en goed van gehalte en er heerschte groote vreugde in den hoogen Raad van de stad Aken.
II.
Wederom werkten de metselaars en timmerlieden aan den Dom te Aken. Vlijtig werd er voortgegaan om het verzuimde in te halen, en de voltooiing van de Munsterkerk naderde steeds meer en meer. Drie jaren waren intusschen verstreken en de dag brak aan, waarop de nieuwe godstempel ingewijd zou worden. Die inwijdingsdag zou een feestdag worden voor de stad Aken. Tallooze wereldlijke en geestelijke heeren waren verschenen en menigeen prees het prachtige godshuis, de milddadigheid van de burgers en de wijsheid van den prijzenswaardigen raad. Deze echter bevond zich in groote verlegenheid. Zeer wijselijk had geen der waardige vaders iets van het verdrag, met den Satan verteld; slechts een van hen had het in een zwak uur aan zijn vrouw opgebiecht. En sedert dat uur werd het geheim wel aan honderd ooren ingefluisterd.
Zoo kwam het, dat op den dag der inwijding zeer vele eerwaarde abten en prelaten, alsook talrijke ridders en heeren met begrijpelijken angst het uur tegemoet zagen, waarop de feestelijke stoet zich naar de Munsterkerk zou begeven.
Een vreemde optocht was het, de vaandels wapperden, de fanfares schetterden, maar de menschen in de schitterende wapenrustingen en veelkleurige prachtige ornaten zagen er zeer onrustig uit. En menig bezorgd gelaat keek angstig naar den hemel of daar wellicht plotseling een magere gestalte met een duivelachtig gezicht, paardenvoeten en vleermuisachtige vleugels zou komen toeschieten.
Daar kwam op eens beweging onder de menigte. Door de open ruimte in de processie, kwamen, van hun overwicht bewust, de waardige vaders der stad. Voor hen uit schreden vier reusachtige landsknechten en hielden met krachtige hand een bedekte kooi omvat.
De abt van St. Florian had een listig plan verzonnen om den Booze te verschalken.
De stoet had de Munsterkerk bereikt en de eersten, die voor het Godshuis stonden, waren de vier mannen met de kooi. Nu trekt een van hen het omhulsel er af en voor het traliewerk laat een huilende wolf de tanden zien. Terwijl de beide anderen door een fermen stoot met de hellebaard de vleugeldeuren naar binnen openwerpen, jaagt de vierde met zijn spies het gevangen dier in de geopende kerk. Daarbinnen weerklinkt een helsch lawaai; achter den ingang verscholen, had de Booze loerend zijn prooi afgewacht en was begeerig het dier nageijld. Op hetzelfde oogenblik stiet hij woedende kreten uit, daar hij zich verschalkt zag. Snuivend ging hij achter den armen wolf aan, brak hem den nek en stoof onder het slaken van vele verwenschingen weg. De lucht was door zwavelachtige dampen verduisterd.
Beneden echter, in de hallen der kerk, verdrong zich de volksmenigte, die bij klokkenspel en trompetgeschal de goedheid des Heeren prees.
III.
Ondertusschen trok de gefopte duivel, terwijl hij gruwelijke verwenschingen slaakte, door het land van Aken. Dat men hem met een ellendige ziel van een wolf beetgenomen had, zou de inwoners van Aken berouwen. Hij was intusschen aan de zee gekomen en toen hij zoo spijtig en boos van het gele duinstrand naar den grijzen vloed keek, kwam hij op een helsche gedachte. Hij wilde hen allen begraven, de prelaten, ridders, mannetjes en vrouwtjes van Aken.
Met een torsenen ruk trok hij een zandberg van den oever los, laadde hem op zijn schouders en aanvaardde den terugtocht naar Aken. Maar de weg was zeer lang, zoodat de duivel het vreeselijk warm kreeg en den wind vervloekte, die hem voortdurend een stofregen van zand in de oogen joeg. Hij was reeds aan het Soerserdal gekomen en hield daar buiten adem stil. Zelfs den duivel kan menige last te zwaar worden.
Een oud, verschrompeld vrouwtje, dat op den weg voorbij strompelde, keek wantrouwend naar den lastdrager met zijn vreemden last. Zij wilde onbemerkt voorbij gaan, maar de andere hield haar aan en vroeg hoe ver de weg naar Aken nog was. Toen eerst heeft het vrouwtje hem aandachtiger aangekeken en haar gerimpeld gelaat nam een ernstige uitdrukking aan, alsof haar opeens een hooger licht opging. Zij had geen twee en zeventig jaar moeten tellen om in den knorfigen man niet den werkelijken Satan te kerkennen, en te raden, dat hij tegen de waardige stad Aken wat slechs in den zin had. Terstond heeft de oude dan ook een verdrietig gezicht getrokken, en op klagenden toon geantwoord:
"Dan zijt gij er slecht aan toe, waarde heer. De weg naar Aken is zeer lang. Ziet gij hoe mijn schoenen, die ik vanmorgen juist van den schoenmaker ontvangen heb, door de lange wandeling versleten zijn?"
De duivel stiet een nijdigen vloek uit, schudde den zandberg van zich af en trok, onder het slaken van een gruwelijke verwensching tegen de stad Aken, af. Het oude vrouwtje maakte een kruis en was zeer verheugd de eerwaarde stad Aken dicht voor de poorten--het was volstrekt niet ver meer naar Aken--van een groot gevaar bevrijd te hebben.
Nog altijd ligt deze zandberg daar, waar een oude vrouw den duivel te listig, volgens de taal van die streek "los" af was, zoodat de berg tot op heden "Losberg" heet. Ook het aandenken aan het arme wolfje, dat in de klauwen van den duivel viel, hebben de inwoners van Aken in de ijzeren deur van hun Dom vereeuwigd. Ook in de vleugeldeuren ziet men nog de spleet, die daarin ontstaan zou zijn, toen de vertoornde vorst der hel in machtelooze woede de kerkdeur achter zich dichtsloeg.