# Sagen van den Rijn

## Part 10

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/sagen-van-den-rijn-15163/index.md

In het dal bij Honnef hebben ze zich neergelaten en geen banvloek heeft ze sedert dien tijd daar vandaan verdreven. Zij, die daar in gepeins verzonken alleen wandelen of met hun beiden babbelend door het dal van Honnef gaan, zijn niet, evenals St. Bernhard, afkeerig van de wereldsche vreugde; evenmin als zij, die met glinsterende oogen en een teringachtigen blos op de wangen door den tuin van het sanatorium Hohenhonnef wandelen. Deze en gene hoort den verlokkenden klank van de nachtegalen, nu eens klagend, dan overmoedig. En iedereen legt hem op zijn manier uit.

De Drachenfels

I.

Als de reiziger de schoon gelegen Muzenstad Bonn verlaten heeft en per stoomboot den Rijn opvaart, aanschouwt hij spoedig aan zijn linkerhand de schilderachtige toppen van het Zevengebergte. De steile kruin van den voorsten berg wordt thans nog versierd door den toren en de muren van een oud ridderslot. Van dezen toren met den griezeligen naam, waar men in den zomer voortdurend vroolijk gezang en klinken van bokalen hoort, vertelt het volk een aandoenlijke sage.

In de eerste eeuwen na de geboorte van den Verlosser namen de Germanen op den linker Rijnoever gewillig de leer van het kruis aan, zooals de heilige Maternus, een discipel van den Volksapostel, uit Gallië hun die mededeelde. Reeds sedert langen tijd hadden de vrome christelijke zendelingen getracht, de christenleer bij de heidensche stammen van Midden-Germanië te doen doordringen, doch zonder gevolg. Zij hielden aan hun heidendom vast en wilden de christelijke priesters uit het vreemde rijk niet in hun landstreken toelaten. Reeds vroeger had dit rijk gepantserde legioenen, onder aanvoering van listige bevelhebbers in de vrije landen gezonden.

Destijds moet er een vreeselijke draak in een hol (nog thans "Drachenloch" genaamd) gehuisd hebben, een draak met een afschuwelijke gestalte, die dagelijks zijn rotshol verliet en in de bosschen van het dal verschrikkelijk te keer ging, terwijl hij menschen en dieren op vreeselijke wijze bedreigde. Menschelijke krachten waren onmachtig tegen dat monster en daar men meende, dat zich een vertoornde godheid in den slangachtigen salamander verborg, bewees men hem goddelijke eer en offerde hem bereidwillig misdadigers en gevangenen.

Een ruwe heidensche stam woonde aan den voet van den berg. Dikwijls ondernamen de strijdlustige mannen verwoestende rooftochten aan den linker Rijnoever. Zij staken alles in brand en vermoordden de christelijke broeders. Op een nacht waren ze wederom naar de andere zijde getrokken en maakten in een verwoeden strijd met de overvallenen vele goederen en gevangenen buit. Onder de laatsten bevond zich een jonkvrouw van buitengewone schoonheid. Twee legeraanvoerders, door haar bevalligheid bekoord, verlangden haar te bezitten. De oudste heette Horsrik, hij was een beroemd hoofdman en gevreesd strijder, krachtig als een beer en woest als een tijger, de jongste, Rinbold was minder ruw, doch even dapper.

Huiverend wendde de lieftallige jonkvrouw zich af, toen ze de beide vorsten met vlammende oogen om haar bezit vechten zag. Mannen, overmoedig geworden door de behaalde overwinning, omringen hen. Toch stellen zij nog meer belang in den strijd der aanvoerders, om de gevangen christin, dan in hun eigen verworven buit. De toornige woorden der beide tegenstanders vinden een echo in de harten der omstanders. Als Horsrik, de gevreesde strijder de jonkvrouw voor zich eischt, wordt hij door de omringende mannen aangemoedigd, maar als Rinbold, de jeugdige trotsche legeraanvoerder haar begeert, wordt hij veel meer door de omstanders toegejuicht. Somber staart de andere voor zich uit, terwijl zijn vuist dreigend de strijdkolf omklemd houdt. Daar gaat de kring der omringende mannen uiteen. Tusschen de strijders treedt, met een ernstige uitdrukking op het gelaat, de opperpriester, een grijsaard met zilveren haren en harde trekken. Luid weerklinkt de toornige stem van den grijsaard:

"Vervloekt zij deze twist om het bezit van een andersgeloovige. De christin zal geen tweedracht zaaien tusschen de edelsten van onzen stam. De dochter van hen, die wij haten zal u geen van beiden toebehooren. De stichteres van dezen onzaligen twist zal den draak geofferd worden. Ter eere van Wodan, dien zij en de haren miskennen, zal zij bij zonsopgang gewijd worden." De mannen juichten dit plan toe, vooral Horsrik. Met opgeheven hoofd staat de jonkvrouw daar. Smartelijk en vol bewondering rust het oog van Rinbold, de trotsche jeugdige legeraanvoerder op het engelachtige gelaat der jonkvrouw.

II.

Den volgenden dag in alle vroegte, nog voordat de godin van den dag haar stralend hoofd van het purperen kussen in het Oosten ophief, werd het levendig in het dal. Door het woud, dat nog in schemering gehuld was, besteeg een opgewonden stoet de hoogte. Vooraan schreed de priester, in het midden, bleek, maar kalm, de gevangene. Zwijgend had zij het ter wille van den Heer toegelaten, dat de beenige hand van den opperpriester den offerband om haar voorhoofd wond en gewijde bloemen in haar loshangend haar vlocht. Menige medelijdende blik uit het volk trof heimelijk het standvastige meisje, ook de blauwe oogen van den jeugdigen, trotschen legeraanvoerder hadden zich smartelijk vertrokken bij den aanblik van de aan den dood gewijde jonkvrouw.

Het vooruitspringende gedeelte der rots was bereikt, dat reeds dikwijls door onschuldig menschenbloed bezoedeld was. Zwijgend wonden de dweepzieke priesters touwen om haar teeder lichaam en bonden haar aan den heiligen, aan Wodan gewijden boom, die den rand van den afgrond beschaduwde. Geen klacht kwam over de bleeke lippen der christin, geen traan blonk er in haar oogen, die verrukt naar het morgenrood aan den hemel opzagen. De volksmenigte ging uit elkaar en verspreidde zich; zwijgend en angstig bleven de heidenen in de verte wachten op hetgeen komen zou.

De eerste zonnestralen wierpen hun schijnsel over den berg. Zij schitterden in de bloemenkroen, die de jonkvrouw in het haar droeg en speelden op haar verheerlijkt gelaat, dat ze met een stralenkrans van licht en glans omgaven. De jonge christin verwachtte den dood evenals een verloofde haar bruigom. Haar lippen bewogen zich zacht als in een gebed.

Daar hoorde men in de diepte dof rumoer; de draak kwam snuivend uit zijn hol en stoof over den landweg. Hij ontdekt het offer op de plaats, die zijn bloeddorst kent. Hoogop kromt zich zijn met schubben bedekt lichaam, dat op ver uitgestrekte van scherpe nagels voorziene pooten rust; gruwelijk slaat hij met zijn slangachtigen staart en laat in zijn afschuwelijk gapenden muil zijn doodend gebit zien. Blazend komt het ondier aangekropen, terwijl het begeerig de tong heen en weer beweegt. Uit de bloederige oogen stralen helsche vlammen.

Doodsangst overvalt de jonkvrouw bij den aanblik van dezen afschuwelijken salamander. Sidderend trekt zij een schitterend gouden kruis, dat zij op de borst draagt, te voorschijn en strekt dit afwerend naar den draak uit, terwijl een angstige hulpkreet tot God haar lippen ontsnapt. En, o wonder! Terwijl hij zich hoog, als door den bliksem getroffen, opricht, treedt de draak terug en stort achterwaarts over puntige rotssteenen in de diepte. Onder brullend gehuil en het donderend rumoer van vallende rotsblokken verdween het ondier in de woeste golven van den vloed. Een algemeene gil klonk van de lippen der ter zijde wachtende heidenen. Verbazing en schrik stond op alle gezichten te lezen. Vol berusting, met droomerig gesloten oogleden stond de jonkvrouw daar en bad zacht tot Hem, die haar gered had. Daar werd zij van de touwen, die haar vastgebonden hielden, bevrijd, en twee krachtige armen omvatten haar en droegen haar in den kring der verbaasde toeschouwers. Zij hief de oogen op en zag den jongsten der beide legeraanvoerders; zijn ruwe krijgsmanshand vatte de hare. Als voor een hemelsche verschijning boog de jongeling zijn knie en raakte met de lippen de witte vingeren aan. Luide zegenkreten klonken den ridder tegen.

De bejaarde priester trad naar voren en vol verwachting zweeg het volk. Hij vroeg de christin plechtig, wie haar van den wissen dood gered had, en wie de God was, die de zijnen zoo zichtbaar hielp. En zegevierend glinsterden de van gelukstralende oogen der jonkvrouw.

"Dit beeld van Christus heeft den draak verpletterd en mij gered," riep zij zegevierend uit. "In hem rust het heil der wereld en de welvaart der volkeren!"

Met schuwen eerbied beschouwde de bejaarde priester het kruis van Christus.

"Dat het spoedig uw geest moge verlichten evenals van al deze lieden," sprak de jonkvrouw ernstig. "Het zal u grootere wonderen openbaren dan dit, want onze God is groot."

Men geleidde de jonkvrouw met de overige gevangenen weer naar haar vaderland. Zij keerde spoedig terug, vergezeld van een christelijken priester. De stem van het geloof en der onschuld richtte wonderen uit in de harten der heidenen. Bij duizenden tegelijk begeerden zij den doop. De oude priester en Rinbold waren de eersten, die hun hoofd voor de nieuwe leer bogen. Vreugde heerschte er onder den stam, toen de jonkvrouw den jeugdigen legeraanvoerder de hand voor het leven reikte. Een christelijke tempel werd in het dal opgericht en bovenop de rots verrees een trotsche burcht voor de jonggehuwden. Wel tien eeuwen bloeiden het machtige geslacht der Drachenburgers in de omstreken van den Rijn.

De monnik van Heisterbach

In den ouden tijd stond in een liefelijk dal van het Zevengebergte het klooster Heisterbach. Thans staan nog eenige overblijfselen op het met boomen omgeven grasveld. Niet door den tand des tijds, maar door de barbaarschheid van het oorlogzuchtig tijdperk zijn de kloosterhallen verwoest. Men heeft de monniken verjaagd, de muren afgebroken en de steenen voor het bouwen van vestingen gebruikt. Sedert dien tijd, zoo deelen de landlieden van het Zevengebergte mede, wandelen 's nachts de geesten van de verjaagde monniken tusschen de ruïnes van het koor en de puinhoopen der zuilen. Zwijgend klagen zij hun vervolgers en de verwoesters hunner cellen aan. Onder hen bevindt zich ook Gebhard, de laatste prior van Heisterbach. Hij dwaalt tusschen de monniksgraven, telt ze en bezoekt ook de graven van de heeren van Löwenburg en Drachenburg. Een graf ontbreekt: bij de laatste verwoesting hebben de kloosterschenders dit geopend.

Zeer beroemd waren de geleerde monniken in de middeleeuwen. Menig kunstig afschrift van den Bijbel, menig zeer geleerd geschrift, dat in de wereld verscheen, was afkomstig uit de stille kluis van het klooster aan den Rijn en gaf blijk van de vlijt en kennis der vrome monniken. Een was er onder hen, die boven allen in geleerdheid uitblonk. Hoog stond hij bij allen in aanzien, en zelfs het bejaarde hoofd van den vader prior boog zich deemoedig voor de door God begenadigde geleerdheid van den jeugdigen monnik.

Maar de giftige worm van den twijfel knaagde aan zijn veelomvattende kennis, en de spiegel van zijn geloof werd beneveld door schadelijk gepeins. Dikwijls dwaalde zijn oog onrustig over het geel geworden perkament, waarop het levende woord Gods geschreven stond, en ofschoon zijn kinderlijk deemoedig hart zich onderwierp en smartelijk uitriep: "Ik geloof, Heer, sta mij bij in mijn ongeloof!" zoo toch omzweefden hem dikwijls hoonend de scheppingen van zijn onrustigen geest en de pijnigende gestalten van den verderfelijken twijfel, die zijn ziel tot het tooneel van een smartelijke worsteling maakten.

Eens zat hij bij het aanbreken van den dag weder met gloeiend hoofd over de perkamentrollen gebogen. Uren verstreken, en de morgenzon verguldde de hooge zuilengangen met haar gouden glans. Verleidelijk dansten de stralen op de beschreven rol, die de monnik in de handen had. Hij echter zag het niet en staarde voortdurend op de regels, die hem reeds sedert maanden met kwellenden twijfel vervulden: "Duizend jaren zijn den Heer gelijk een dag!"

Reeds maandenlang martelde hij zijn hersenen met dit raadselachtig woord van den apostel. Met geweld had hij de onbegrijpelijke plaats uit zijn gedachten verbannen, en nu dansten haar letters wederom voor zijn moede oogen. Zij werden grooter, de gekrulde teekens, rekten en verlengden zich bovennatuurlijk en werden spottende gestalten, die hem hoonend omzweetden: "Duizend jaren zijn den Heer gelijk een dag!"

Het liet hem geen rust in de muffe cel en trok hem naar de eenzaamheid van den frisschen kloostertuin. Met onrustigen tred ging hij, in kwellend gepeins verzonken, de paden op en neer. Zijn blik vestigde zich op den grond, zijn geest vertoefde zeer ver van de rustige omgeving. Zonder het te weten had hij den kloostertuin verlaten en wandelde op de boschwegen. Vertrouwelijk groetten de vogels in de groene twijgen hem, met groote oogen zagen de bloemen in het zachte mos hem aan. Hij echter, de peinzende denker, hoorde en zag niets. Want de twijfel in zijn ziel zag slechts een plaats, hoorde slechts een klank: "Duizend jaren zijn den Heer gelijk een dag!" Vermoeid was zijn dolende voet, afgemat zijn overspannen hersenen. Op een steen zonk de monnik neder en steunde het geplaagde hoofd tegen een boom. Een verzoenende droom voerde zijn geest weg. In door licht omgeven sferen vond hij zich zelf terug; aan den troon van den Allerhoogste. Het water van de eeuwigheid ruischte om hem heen. Alle voortbrengselen der schepping verschenen en prezen het werk zijner handen, welks heerlijkheid de hemelen roemen: vanaf den worm in het stof, dien nog geen sterfelijk wezen heelt kunnen scheppen, tot aan den adelaar, dien Hij vleugels gegeven heeft en het vermogen om van de hoogte op de diepte neer te zien; van de zandkorrel in de zee tot aan den reuzenkegel, die op bevel van den Heer uit den sedert duizenden jaren gesloten vuurmond spuwt. Zij allen spreken slechts een taal, die voor den hoogmoedige onverstaanbaar is en den nederige geopenbaard en duidelijk gemaakt wordt. De taal van Hem, die hen uit het stof te voorschijn riep, zij het in zes dagen, zij het in zesduizend jaren: "Duizend jaren zijn den Heer gelijk een dag!" Met een lichte rilling opent de monnik de oogen.

"Ik geloof Heer, sta mij bij in mijn ongeloof!" mompelt hij, zich opheffend. Luisterend staat hij stil. Van verre luidt de kloosterklok. Vesperluiden is het. Het avondrood straalt reeds door de takken. Snel wendt hij zijn schreden naar het klooster. De kerk is reeds verlicht. Door de half geopende deur ziet hij de monniken in hun stoelen. Stil snelt hij naar zijn plaats. Met verbazing bemerkt hij, dat er een andere monnik voor zijn stoel staat. Hij raakt hem met den vinger aan, maar tot zijn verbazing ziet hij een vreemde, dien hij tevoren nooit gezien heeft. Nu heft ook deze en gene zijn hoofd van het boek op en kijkt vragend naar den binnengekomene.

Dan komt er een zonderling gevoel over hem. Slechts vreemde gezichten ontdekt hij. Terwijl hij verbleekt, kijkt hij om zich heen en wacht het einde van den ernstigen psalm af. Verstomd zijn gezang en gebed. Door de rijen gaat een fluisterende vraag. De prior, een eerwaardig grijsaard nadert den binnengetredene. Op zijn hoofd rust de tachtigjarige sneeuw.

"Hoe is uw naam, vreemde broeder?" vraagt hij op vriendelijken, welwillenden toon.

Afgrijzen maakt zich van den monnik meester.

"Maurus," mompelt hij toonloos, terwijl zijn stem beeft. "Bernard, de Heilige, was de abt, die mijn gelofte afnam in het zesde regeeringsjaar van koning Koenraad, dien men den Frank noemde."

Ongeloof en verbazing teekenen zich op de ernstige gezichten der monniken af. En de monnik heft zijn doodsbleek gelaat tot den prior op en deelt hem met doffe stem mede, hoe hij in het bosch ingeslapen, en niet ontwaakt is, voordat de vesperklok luidde. De prior wenkt een broeder.

"Het is bijna driehonderd jaar geleden, dat St. Bernhard stierf, evenals Koenraad, dien men den Frank noemde."

De broeder brengt de oorkonden van het klooster. Zij bladeren ver terug: driehonderd jaren tot den tijd, toen Bernhard, de Heilige, leefde. En zoo las de bejaarde prior, wat het perkament verkondigde: "Maurus, een twijfelaar, verdween op een dag uit het klooster en niemand heeft sedert dien tijd vernomen, wat er van hem geworden is."

Een rilling gaat door de leden der monniken. Dat was hij, deze broeder Maurus, die na driehonderd jaar in het klooster terugkeerde! In zijn ooren weerklonk het laatste woord, dat de prior gelezen had, als bazuingeschal van het laatste oordeel: driehonderd jaren! Met opengesperde oogen ziet hij omhoog, hulpeloos tast hij met de handen voor zich uit. De broeders ondersteunen hem en beschouwen hem met heimelijk afgrijzen, want zijn gelaat wordt aschgrauw, als van een stervende, de smalle haarkrans op zijn hoofd wordt eensklaps sneeuwwit.

"Mijne broeders," prevelt hij met brekende stem, eert steeds het onvergankelijke woord des Heeren en zoekt niet door te dringen in wat Hij opzettelijk voor ons verborgen hield. Voor Hem bestaat er geen tijd. Dat mijn voorbeeld nooit uit uwe gedachten moge verdwijnen. Eerst heden drongen deze woorden van den apostel tot mij door: Duizend jaren zijn den Heer gelijk een dag. Hij, de Heer, zij mij armen zondaar genadig!"

Levenloos zonk hij ter aarde en geroerd baden de broeders bij zijn lijk.

Godesberg

Het "Hochkreuz"

Aan den grooten weg tusschen Bonn en het naburige Godesberg verheft zich aan den linker kant uit een donker boschje een hooge steenen zuil; in die streek bekend onder den naam van "Hochkreuz". Vriendelijk komt de steen uit het schaduwrijke groen te voorschijn, als de toerist daar op den dag voorbij komt. 's Avonds daarentegen maakt het vervallen, verweerde gedenkteeken, wanneer dit plotseling op den eenzamen weg voor de blikken van den voorbijganger opdoemt, een ernstigen, bijna griezeligen indruk. Deze wordt nog versterkt wanneer men de sage kent, die sedert oudsher--het "Hochkreuz" staat daar reeds vele eeuwen--het grijze gedenkteeken omzweeft.

De sage voert ons terug in den tijd, toen in plaats van de tegenwoordige ruïne nog een trotsch ridderslot vanaf den Godesberg op de heerlijke omgeving van Bonn neerzag. Destijds leefde op den Godesberg een oud strijder, die in het Rijnland zeer geroemd werd. Zijn vrouw was gestorven; maar haar beeld leefde in twee finke zonen voort. De oudste was geheel het evenbeeld zijner moeder: hij bezat een zachtzinnigen aard en het gemoed van een kind. Hierdoor kwam het, dat de oogen van den vader met meer welgevallen op hem, dan op den jongeren zoon rustten, die niettegenstaande zijn jeugd reeds menig dol waagstuk en menig onridderlijk avontuur uitgehaald had.

Maar toch was de grijsaard hem daardoor niet minder goed gezind. Hij hoopte, dat hoe onstuimiger de jongeling den genotvollen beker ledigde, hoe eerder hij op den drabbigen bodem zou komen, hetgeen het gevolg van elk bovenmatig genot is. Dan zou hij niet meer afkeerig van ernstigere dingen zijn, en wellicht zou de wensch van de overleden gemalin vervuld worden, die steeds gehoopt had, dat de Keulsche bisschopsring van den heiligen Maternus eens haar jongsten lieveling mocht sieren, terwijl Erich, de oudste, heer van Godesberg zou zijn.

Dikwijls kwam deze wensch bij den grijsaard op, en menig vroom gebed voor de verhooring daarvan zond hij ten hemel, wel wetende; dat zijn overleden vrouw zich daar boven met zijn smeekbeden vereenigde. Dikwijls ook sprak hij den jongeling toe en slaakte in stilte een zucht als deze zich aan het onaangename gesprek poogde te onttrekken.

Toen verscheen de dood als een droevige gast op den Godesburcht. Hij nam den bejaarden burchtheer mede en voerde hem in het land der droomen tot zijn vrouw. In zijn laatste uur had de ridder nog tijd, datgene te herhalen, wat hij jarenlang als een vurige wensch in zijn binnenste bewaard had. Hij zegende de zonen en smeekte God den eenen op den burcht zijner voorvaderen, den anderen voor het altaar van den Heer Zijn rijken zegen te schenken. Daarop stierf hij, diep betreurd door de armen en verdrukten.

II.

In de hooge zaal van den Godesburcht, keken de portretten der voorvaderen op de beide broeders neer, die zwijgend den maaltijd gebruikten. Treurig gestemd zaten de tegenwoordige burchtheer en zijn jongere broeder tegenover elkaar. Er werd weinig gesproken, maar de enkele woorden, die de jongste uitte, klonken verbitterd en ontstemd. Tevergeefs trachtte de oudste het vertoornde gesprek van den jongeren broeder af te weren. "Ik nam slechts, wat mij als overoud vaderrecht toekomt," antwoordde hij zacht op de aanklacht van den anderen. "Ik ben niet heer, maar beheerder van mijn bezitting en zij, wier beeltenissen op ons neerzien, zouden mij in de andere wereld vervloeken, als ik mijn erfdeel niet goed beheerde. Voor jou echter is een hooger erfdeel voor het altaar van den Heer weggelegd, zelfs een hooge rang zal je bekleeden, zooals je reeds schriftelijk is toegezegd, wanneer jij, de afstammeling van een doorluchtig geslacht, een waardig dienaar van den Heer wordt."

Maar toornig valt de broeder hem in de rede: "Nooit buk ik mij voor den harden dwang, die den oudsten de wapenrusting, den jongsten de monnikspij oplegt. En al werd mij de bisschopsring en de kardinaalshoed aangeboden, dan nog wil ik geen priesterkleed dragen, maar het ijzeren kleed, dat ik tot nu toe gedragen heb."

Treurig hoorde de andere hem aan.

"Dat God uw donker hart moge verlichten. Gaarne zou ik met je deelen, maar het gebod onzer voorvaderen laat dit niet toe. Daarom onderwerp je en bedenk, wat hem dreigt, die de heilige gebruiken zijner voorouders veracht."

Toen werd het stil in de ridderzaal.

III.

Jachtfanfares klonken door het woud, dat zich destijds van den voet van den Godesberg tot aan de poort van Bonn uitstrekte en zeer veel edel wild bevatte. Evenals vroeger met hun vader, zoo gingen de beide broeders ook thans gezamenlijk ter jacht. Gaarne had graaf Erich de uitnoodiging van zijn broer aangenomen. Hartelijk verheugde hij er zich over, dat de slechte stemming, die hij sedert verscheidene dagen bij den broeder waargenomen had, verdwenen was. Het scheen, alsof deze tot inkeer gekomen was en het besluit genomen had, den vromen wensch zijner ouders te vervullen. Hij deelde zelfs mede, dat hij plan had, den aartsbisschop in de heilige stad Keulen te bezoeken en hem den brief te overhandigen, dien zijn vader hem als een gewichtig geschrift nagelaten had.

Dat verheugde graaf Erich zeer. Welgemoed doorkruiste hij het dichte struikgewas. Hij was zeer gelukkig op de jacht en had reeds verscheidene groote evers gespietst, ook een groot hert viel hetzelfde lot ten deel. Daarentegen trof de broeder slecht. Zijn hand was onvast, zijn bewegingen verrieden onrust, een zeldzaam vuur schitterde in zijn oogen. Hij was een prachtigen ever op het spoor, en bereidwillig gaf de broer aan den wensch om het dier gezamenlijk te vervolgen, gehoor.

Door heg en struik gingen de jagers, vergezeld van de blaffende honden. Daar ritselt het loover, hijgend baant de ever zich een weg door het bosch. Suizend snort de jachtspies uit de hand van den jongsten broer en blijft in de schors van een eik zitten.

"Je hand is meer geschikt om vrome christenen te zegenen," zegt de oudste schertsend.

"En om mij van lastige broeders te ontdoen," bromt de andere en trekt bliksemsnel den degen van zijn zijde. Sissend dringt het staal in de borst van den broeder. Een gil klinkt door het woud, in welks duisternis de broedermoordenaar verdwijnt. Ontzet snellen de beide schildknapen toe. Een smartkreet klinkt uit beider mond. De graaf ligt badende in zijn bloed, met de sluier des doods over de oogen.

De schildknapen buigen zich tot den stervende over.

