Part 9
Met de notab’len van ’t gehucht, Een kringetje, klein, En triest, Speel j’ elken avond, met een zucht, Een robbertje bridge, Of whist.
Je gaat naar Pa, maar nooit alleen; Eerst vraag j’ of het mag Aan Ruys; Dan brengt m’neer Kan j’r aan ’t handje heen, En net zoo terug, Naar huis.
Je droomde j’eens een ander lot...... Jou wachtte een Keizerskroon! Je vader hield zich voor een god, En jou voor een Godenzoon......
Omringd van vleiers groeide j’op, Je zwelgd’ in hun hoofsch Gelal; Jij, jeugdig godje in den dop, Beheerscher — ééns! — van ’t Heelal!
Zoo peinzend sta je aan den dijk, Spuwt kringetjes in De sloot; Je voelt jezelf een levend lijk, Een mummie, lang voor Je dood.
Hoor! Troost je met dit zoet bedrog, Verongelukt schip Op ’t strand! Eén lichtstraal, stumper, blijft je nog: De leutertaal van De krant.
Dat ’t dan met gulden lettren sta In ’t princelijk Levensboek: „Wanneer ik naar Mijn tandarts ga, Dan heet dat nog HOOG BEZOEK.”
58. DE BRIEF VAN DEN VADER.
_Een Nachtgedachte._
Mijn zoon, als deze woorden u bereiken, Heb ik mijns levens laatste daad gedaan. Voor ’t naad’rend Noodlot heb ik willen wijken, Ik ben vrijwillig in den dood gegaan.
Stil is de nacht. De menschen slapen allen. En, eenzaam in dit kille, vreemde land Zit ik ter neer, verlaten en vervallen; Ik ben alleen, en schrijf met vaste hand.
Ik heb, vol fantasie van vooze vinding, Mijn leven in één dwazen droom geleid, Een droom van schitring, schijnschoon en verblinding. Van prinsenpraal en heerschersheerlijkheid.
Ik heb u grootgebracht in wanbegrippen, Ik leidde u als een dwaas het hollend paard. En toen ik mij de teugels liet ontglippen, Toen rende ’t ros in nog verdolder vaart.
Ik heb een dwaalleer aan mijn kind verkondigd, Ik leerde u lust tot ijdlen roem en macht; Mijn zoon, wij hebben beiden zwaar gezondigd — Mijn schuldenlast was grooter dan mijn kracht.
Wie peilt het bloed, gevloeid op d’ aard in stroomen? Wie telt de jonge doôn, in d’ aard gelegd? Eén woord had al dat wereldwee voorkomen, Eén woord van mij. Ik heb het niet gezegd.
Wat ik de laatste stonden heb geleden, Toen het te dagen in mijn hart begon, Was meer dan in zijn felste wraakgebeden Mijn vijand van den Wreker vragen kon.
Zooals de schipper, ’t zinkend schip besturend, Vergeefs een haven zoekt in rots’ge kust, Geen lichtstraal speurt hij, door het duister turend... Zóó angstig zocht mijn zieke ziel naar rust.
Laat dan mijn doode stemme tot u spreken, U wacht niets meer dan schande, smaad en leed. Gij kunt met eigen hand uw boeien breken, Volvoer de daad — doe wat uw vader deed.
59. HOEZEE!
„Een hoezee! voor de gezagvoerders, stuurlieden en matrozen onzer koopvaardij- en visschersvloot, die zee blijven houden niettegenstaande de gevaren toenemen, en dagelijks hun leven wagen in dienst van het vaderland. _In dienst van het vaderland_; want wat zou er van Nederland worden, zoo de zeeman zijn bedrijf moest staken?” (_Vragen des Tijds._)
Nu klinke de zang met een juichenden klank, Op Holland, zing jubelend mee! Wij brengen ze lof, en wij brengen ze dank, De moedige mannen der zee. De geest van de vaderen is niet gebluscht, Klein Holland, mijn Holland, is groot! Wij wachten de toekomst getroost en gerust, Een hoezee! een hoezee! voor de vloot.
Het is niet gedoofd het Oud-Hollandsche vier, Al schijnen wij soms in den dut, Bij bittere borrels en Heinekensbier, Er zit in ons landje nog fut. Er zit nog wel kracht in het Hollandsche bloed, Al bruist het niet altijd — wat nood! Wij tellen nog mannen met montere moed, Een hoezee! een hoezee! voor de vloot.
Daar gaan ze weer scheep, en ze zeggen g’n dag Aan d’r vrouw, aan kind en aan broer. Ze reven de zeilen, ze hijschen de vlag, En de stuurman staat stram aan het roer. „Ik, schipper, naast God, van me schip, voer me vracht, En me volk, als het moet naar den dood; Wij doen wat het vaderland wil, en verwacht......” Een hoezee! een hoezee! voor de vloot!
(_Dit Rijm is, op muziek gezet — zang en piano — afzonderlijk uitgegeven_).
IV. TAAL.
1. TAAL-RIJM.
Opgedragen aan den vreemdeling, die Hollandsch leert.
O, vreemdeling, die onze taal bestudeert, Lees verder. Ik wed dat mijn Rijm je wat leert. ’k Hoop niet, dat de studie je tegen zal vallen, Zoo zegt men bal — ballen, maar, ach! niet: dal — dallen. En ’t enkelvoud, vreemdling, van koeien is: koe, Maar de boef draagt wel boeien, de drenkling geen boe. En Vondel, je weet het, schreef prachtige reien, Maar niemand bestelt in een lunchroom ooit eien. En kinden is niets, noch ook winderen — wel lammeren, Wel: wortelen, geen eikelen, noch borstelen of kammeren. Zoo kom je van zelf op de lastigste paderen: Rad — reden? Stad — staden? Is vad stam van vaderen? Ook heb je wel potten, maar nergens zijn slotten, En niemand zegt roten, marmoten of lotten. De boer houdt geen haanders, maar zeker wel hoenderen, En draagt op het land meestal klompen — nooit schoenderen. Het meervoud van krent is eenvoudigweg: krenten, Maar: vent, in het meervoud, is kerels — niet: venten. Leer ook de geslachten, mijn leerling, vroegtijdig: De vrouwen zijn vrouwlijk, maar wijf is onzijdig. O ja, dat is waar, ’k zou het haast nog vergeten: Een _oud_ wijf is mannelijk — je moet het maar weten! Zoo stelde Verheul al het onderscheid vast Tusschen _een_ gast, _de_ gast, en — eilacie! — _het_ gast. Zeg: naaister, maar schilderster moet je niet zegge’, Ook niet koninges of dievin of vriendegge. Dan deminutiva, als scheepje van schip; Heeft Jantj’ al een zweepje — zijn pa heeft geen zwip. En ’k weet het, lief kind, met gevogelte dweep je, Maar toon nu geen lippetje om dit taai-droge sneepje. Ook werkwoorden moet je met zorg bestudeeren, Want als je niet oppast, dan scheur’ je je kleeren. Je zult al wel weten — ik hoop, dat je ’t wist, Dat je heden zult eten, maar gisteren niet ist. Toen gisteren de torenklok twaalf had geslagen, Zeg, ben je toen rustig naar huis toe gegagen? Gezegd is niet beter gezegd dan: gezeid, Maar nooit is er nog naar een drenkling gedreid. Och, als je ’t maar weet, is ’t gemaklijk genoeg; Ik joeg bij ’t behang naar een muisje dat knoeg. En als je in vervelend gezelschap haast sliep, Heeft niemand gemerkt, dat je heimelijk giep. Ik denk ook wel niet, dat je vaak hebt gezocht Naar een post in je boek, die verkeerd was gebocht. Bedenk, vriend, als j’ in verontwaardiging raakt, Dat niet wan wordt getrouwd hij, die nacht heeft gebraakt. Ik vraag j’ of je hier wel eens ooit aan gedacht hebt, En of je ’r je aandacht genoeg aan geschacht hebt? En dan — ’t is niet erg, als je j’ even vergist — Wat zeg je: „dank wijtte”, „dank weet”, of „dank wist”? Leer ook de getallen, o vreemdling, aandachtig: Zeg: vijftig en zestig — niet drietig en achtig. Ook d’ uitspraak is soms nog een moeielijk ding, Immers: beving je ooit van de angst een beving? En hoorde j’ ooit iemand in ’t Hollandsch bevelen, Een vocht naar een lager staand vat te hevelen? Al schrijf je ook Gorinchem, spreek het uit: Gorkum, Maar schrijf in vergissing niet Borinchem voor Borkum. En teeder is zeker hetzelfde als teer, Maar noem nooit een reeder bij ongeluk: reer. Misschien ben je ’t Hollandsch in zoover al meester, Dat je heester niet zoo maar laat rijmen op zeester. En heb je de klemtoon al zoo goed te pakken, Dat je lieden, die slabakken, gooit met slabakken? En ’t enkelvoud, hoe zeg je dat dan wel? slabak? En rijmt dat op tabak? Of beter op klabak? En rijmt dit precies: „Als Marie gelei maakt, Dan vind ik, dat die naar een spiegelei smaakt?” Neen, houd j’ aan de regels, al ben je een vrijgeest, En zeg niet gelei-taart zoowat als gelei-geest — Zoodat ’k maar wil zeggen, aan ’t eind van mijn lied: Het Hollandsch is heusch nog zoo makkelijk niet.
2. ED-DIJM.
Oefening voor lijders aan keelpijn, Engelsche, Italiaansche, zang- en tooneel-les.
Fhdededik, Fdans, Chdistien en Gdietje, Spdongen vdij in ’t gdoene gdas, Tdapten ’t gdint en bdaken ’t spdietje, Stdaf ze bdommend, stdeng en kdas! Bdam, dedink bdaaf Bdittanje’s dedanken, Dediemaal dedeigend dedaai de dedaad, Fdommelt fdanje, fdaaie Fdanken, Gdaaf de gdond en gdijp de gdaat. Kdakend kdast de kdomme kdekel, Pdachtig pdijkt de pdaal en pdonk, Hdeis bdond, hdust hdoest, hduwe hdekel! Tdacht te tdemmen, tdap de tdonk, Bdand, bdand, bdand! hdoept onvedschdokken Tdijn de gdoenvdouw, hded het fduit! Stduikel oved gdoote bdokken, Stdooi gdauw stdoo, gdof schdoot, gdijs kduid. Bdeng bduin bdood, Bduid, bdadend, bdeiend, ’t Gdijpgdaag vdouwtje gdijnst en gdoet, Vdeemde vdienden vdagen vdijend Spdot en spduitjes, vdoom en vdoed. Tdoelstda, gdam doohd spdaakgebdeken, Schdokt, bdooddedonken, dediest en dedoef, Hdeebdaad, schdaal met hdoom bestdeken, Schdapt schdiel schdijnend ’s gdaven schdoef. ’n Bdakke tdanenstdoom hdolt pduiledig, Waadh ik Hdosa’s hdozen hduik, Koendaad stdeelt gdaag, hdilledig, deduiledig, Hdika’s hdade, hduige pduik. Onhdaad! Gdievend, gduwzaam, hdoemdijk, Hdembdandt hdoemt wie ’t onhdecht dedaagt, Daahd Pdins Albdecht stdam en bloemhdijk, ’t Schdikgededocht vedstdikt of schdaagt. Pdikkeldedaad omhdingt de stduiken, Vdees, Gdaalhdidded, dedijft tot hdamp, Kda, kda, kda! Fdee, bdeek Dediek’s kduiken, Bdecht stdijkt kdagen, Kdijn kdijgt kdamp. Schdijf dedie bedieven, Fdits, dedaag vdachten, ’t Schdil gekdas vedschdikt de spdeeuw, Wdeed wdeekt Fdankdijk’s geduwbde kdachten, ’t Stdijdkdeetkdijschend kdijgsgeschdeeuw!
3. MEVROUW.
O, Neerland’s taal, wat breng je me toch dikwijls in het nauw! Ik weet zoo dikwijls niet, hoe ’t zijn moet: „juffrouw,” of „mevrouw.” Belastingdruk bezwaart me. Ja. Maar als ik ’t wel beschouw, Dan heb ik ’t nog veel meer te kwaad met juffrouw-of-mevrouw. Vaak grijpt de weifelings-harpij mij aan met krommen klauw, Wanneer ’k maar niet besluiten kan: is ’t „juffrouw,” of „mevrouw.” En als ik noch absurd wou doen, noch iemand krenken wou, Dan bromde ik maar zoo’n zoemgeluid, half „juffrouw”, half „mevrouw.” In winkels, vroeger, wist je zeker wat je zeggen zou: De dikke dame, die bediende, was gewoon „juffrouw”; Maar in zoo’n deftig magazijn, waar, trotscher dan een pauw, De statige patrone stapt, zeg ik gedwee, „mevrouw.” Potgieter’s herbergierster, blond van haar, van oogen blauw, „Het Weeuwtje van het Hof van Holland,” heette nog „juffrouw”. Maar d’ eigenaresse van ’t hotel, dat weeldrige gebouw, Al is ’t ook in den Achterhoek — noem die gerust „mevrouw!” Mijn juffrouw’s dochter is getrouwd, en wat gebeurt er nou? Ze stuurt haar meid, die zegt: „Juffrouw, een boodschap van „mevrouw!”” De Franschman, Duitscher en de Brit die blijven zich getrouw, En noemen haar, die ’t trouwjuk torst „Mrs.”, „Madame,” en „Frau,” Die kennen niet de kwellingen van wroeging en berouw, Als wij, wanneer we „juffrouw” zeiden tegen een „mevrouw.” Bij twijfel — nou, in ’t donker zijn toch alle katjes grauw! Bij twijfel of ze ’n ega heeft, dan zeg je maar „mevrouw.” ’t Is anders nu. We zijn niet meer zoo vrij met „je” en „jou”, Laat ons dan ook zoo bang niet zijn voor ’t hoffelijk woord „mevrouw!” Want wie zich een „mevrouw” gevoelt, voelt „juffrouw” als een knauw; Hoe menige „mevrouw” heb j’ al beleedigd met „juffrouw!” Ja, op het punt van ’t „gek figuur” zijn ook wij, helden, flauw: O, goden! ’t was een „juffrouw” en ik heb gezegd: „mevrouw!” Op, patriotten! dapper zijn — niet aarzlen, laf en lauw, De „juffrouw” zij gepromoveerd — cum laude — tot „mevrouw!” Dus Jans, het vischwijf, Sien, de badnimf — och het went zoo gauw! De krantverkoopster, enzoovoorts... allo-dan-maar...: „Mevrouw!” Verander dus van koers. Keer om. Verman je — do it now! Noem iedere getrouwde vrouw met mannenmoed: „_Mevrouw_!”
4. BESLIST.
O, gruwzaam woord van al wat stom en plat en muf en laag is, Van elk wiens hoofd te hol, wiens tong te log, wiens geest te traag is O, voetbalterm, o, commisvoyageurs-, o, kapperswoord, Dat in elk ingezonden stuk beslist, beslist behoort, O, woord dat moet gekrijscht, geniest, gekrast, gebriescht, gesist: „=Besjlllissst=!”
Ik ga beslist, jij blijft beslist, zij kletst beslist, hij liegt beslist, Het klinkt beslist vulgair, beslist, en ’t is beslist verbazend, Maar ’t irriteert en prikkelt me beslist, en maakt me razend, Want wat ik vroeger zeker wist, dat weet ik nu beslist beslist, „=Besjlllissst=!”
Beslist, echt, beslist prima, beslist concurreerend, Beslist fijn, beslist Christelijk en beslist doleerend, Beslist goed, beslist beter, beslist best, beslist grievend, Beslist dom, beslist leelijk, beslist vaderlandslievend, O, is er ook één term dien iedereen verfoeien En met mij trachten moet beslist vast uit te roeien, Dan is ’t (beslist!): „=Besjlllissst=!”
5. RUIZE!
Besjlllisjt is nog niet uitgesist, het krijscht niets minder heftig, Integendeel — maar ’t zegt niet veel — dit parvenu werd deftig. Eerst was het in de „Port van Cleve” de geijkte taal, Nu is ’t al in de „Witte” en de Staten-Generaal. Maar als je niets oorspronkelijks hebt, geen smaak hebt, niet kunt denken, Dan moet je nu mekaar een ander misbak na gaan jenken: Dat lamme woord, dat j’ altijd hoort, dat j’ in je oor blijft suize’, ’t Is: ruizedit en ruizedat, en ruize, _ruize_, RUIZE! Daar is het ruizeuitverkoop, die man doet ruizezaken, Wie ruizeveine heeft, die kan nog ruizewinsten maken. In dit café is ’t ruizeleeg, in ’t andere ruizevol, Hier is ’t besjlllisjt een ruizekeet, daar hè je ruizelol. En vroeger gaf de kermis nog wel eens een ruizemop, Die doeken ze op; ’t is ruizepech! besjlllisjt een ruizestrop. Kijk! fijn! Een ruizekornerkik! Een ruizecenterhalf! Hij is een ruizesloome vent, en hij een ruizekalf, Hier koop je voor een ruizeschijntj’ een ruizesantekraam, En wor’ je voorgesteld dan zeg je: „ruizeaangenaam!” Is ’t zonnig zomersch, vriest het, stormt het, pletst de regen neer, Je zegt in elk van die gevallen: „Wat ’n ruizeweer!” Wie helpt? ’k ben er vlak ruizevoor, we zull’ ’t ’m ruizelappen Dat ruizelamme ruizewoord er ruize uit te trappen!
6. WAAR GAAT HET OM?
Wat heb ik niet gestreden tegen „ruize” en „besjlisjt!” Maar al mijn strijden was vergeefsch — ik heb mijn doel gemist. Hoor naar een redevoering, lees een brief, neem maar een krant op: Men gaat er onvermoeid mee door — steeds den verkeerden kant op. De kranten brengen nu alweer, in iedere kolom, Een andere gemeenplaats, het is dit: „Waar gaat het om?” Men schrijft het, zegt het, bauwt het na, dit smakeloos verzinsel: „_Waar gaat het om?_” — „_Hier gaat het om!_” — „_Het gaat om een beginsel!_” „_’t Gaat om artikel dit of dat!_” — „Die zaak, die man, die daad, Dat is de zaak, dat is de man, de daad, _waar om het gaat_!” „Het gaat om d’eer des lands, het gaat hier om ’t geloof, mijn broederen, ’t Gaat om de vrijheid, ’t gaat hier om uw geestelijke goederen!” — „_Het gaat om_”...... hoort men overal, in kroeg, in huis, op straat, „_Waar gaat het om!_” — „_Waar het om gaat?_” — „_’t Gaat daar om, waar ’t om gaat!!_” „We spraken van, we hebben ’t over, hierop komt het aan, Dat staat op ’t spel, dit is bedoeld...” dat zou geen mensch verstaan. O, hoe ’k die menschlijk’ echo’s haat, die kerels van het gaat om! En als ’k ’r een in de verte zie, dan loop ik gauw een straat om. Laat ons dit Germanisme met vereende kracht bestrijden, De gaatommers bevechten, en de gaatoms zelf vermijden; Nog is het wellicht tijd; ik hoop dat ik nog niet te laat kom, Op! ’t gaat hier om een gruwelterm, het gaat hier om „het gaat om!”
7. PRACHT-BEWEGING.
Een prachtvent heeft een prachtidee, hij heeft het zelf bedacht; Het is een prachtplan, en zijn prachtjas is gewoon de pracht. Zijn prachtkarakter houdt hem ver van elke slechte neiging; Hij doet niet aan de vrouwe- en niet aan de drankbeweiging. De vliegbeweiging laat hem koud, hij houdt niet van ’t gesnor Daar boven in de lucht (gelijk gemeld) van den motor. En toen hem onderlaatst een auto op den weg voorbijging, Toen zeid’ ie: „stik en barst, verroest! die stof- en stankbeweiging!” En zelf zoo’n ding te koopen is begrootelijk, dat gaat niet, Gelijk gezegd, het is te prijzig, ’t kan niet, het besjtaat niet. Om reden hij geen centen heeft, en arm is, en arm blijft. Maar, dame, geeft u hem er een, dan dankt hij u beleifd, Voor en aleer hij erft — in die beweiging is hij niet — Moet hij beleifd verzoeken om wat werk, tot zijn verdriet.
Ik ben niet groos, nee, en ik geef mijn eigen nooit geen airs, Maar dit gedicht, dat vin’ ’k toch weer besjlisjt een ruizevers.
8. ZIELIGE ZALIGHEID.
Een bakvischje is coquet en lief, royaal, en nooit inhalig, Ze houdt alleen een beetje veel van „zielig” en van „zalig.” ’t Is zalig weer! maar zielig, dat we net naar school toe moete’! Hoe zielig, jij krijgt zure room, maar zalig: ik krijg zoete. Zeg, vé j’ ’t niet zielig? ’k mag niet uit: Ma vindt de wind wat schralig. Maar Broer tracteert: marrons glacés; die zijn gewoonweg zalig. Een zalig schrijver: Schiller, wat? waarop heel Duitschland groot gaat; „Maria Stuart” zalig hè? maar zielig, dat ze dood gaat. ’k Lees van Napoleon; zalig toch zoo’n held te zijn, zou ’k meene’! Maar hoe ontzettend zielig zat hij daar op St. Helene! O, zalig Zwitserland! daar reist mijn zus, die net getrouwd is, Tot boven op de Gornergrat, maar zielig, dat ’t er koud is. Ze schrijft: „ik heb het zalig hier, altijd alleen met mannie!” Ik mag van het jaar naar Rolandseck, hoe’ zalig! zeg, met Annie. Hoe vé j’ die zalige chrysanten? ’k kreeg een heele ruiker. We hadd’ op tennis zalige thee, maar, zielig, zonder suiker. Broer’s vriend, een blonde adelborst, logeert hier; o! ’t is zalig! Maar vé j’ ’t niet innig-zielig, zeg, de jongen is pokdalig. Hoe zielig, dat je zuster Mies nog altijd thuis moet blijven, Ik zal haar trouw, — dat vindt ze zalig — lange brieven schrijven. — De wereld is niet goed of slecht, niet edel of schandalig, Maar d’ eene helft van het heelal is zielig, de andre zalig!
9. FEDERALISME.
„Om verwarring te voorkomen van negen met zeven, roepe men voor het laatste getal in de telefoon _zeuven_”. — Int. telefoongids.
Hij, die wat keuv’len wil per telefoon, Onthaakt den hoorn, versierd met ribb’ en gleuven, Hij drukt het ding krampachtig aan de koon, En — zoekt hij _zeven_, — zegt op zachten toon: „Hello! met zeuven!”
Dat wordt nu maar zoo kalm gedecreteerd, Van wege de gelijkenis der klanken, Maar ik heb van ons voorgeslacht geleerd Te zeggen, als ’k iets gek vind, of verkeerd: „_Ik_ zou je danken!”
Zie, ’k ben geen knapper taalman dan de rest, Maar ’k meen, dat _zeuven_ Brabantsch dialect is; Nietwaar? in ons geliefd gemeenebest, Daar spreekt, om zoo te zeggen, elk gewest Zoo als ’t gebekt is.
En waarom moest het telefoonbestuur Nu aan _dit_ dialect de voorkeur geven? Wat blaast het aan het middeleeuwsche vuur? Wil ’t der gewesten strijd t’ onzaalger uur Weer doen herleven?
Klinkt dan het Betuwsch tongespel zoo slecht? Waarom die goede lieden gindsch te grieven? Heeft daar dan d’ inboorling niet ’t zelfde recht, Waar men — tenzij ik ’t heelemaal mis heb — zegt Zoo iets als „_zieven_”?
En van ons Noordervolkje, daar bij d’ Eem, Is toch de tongval waarlijk óók zoo plat niet; Dáár — onze taal is kneedbaar, murw als leem — Klinkt het fatale woord zoowat als „_see’m_”, Waarom dan dat niet?
Enfin. Men _wil_ den strijd — dien ik verfoei. Welnu, verkiest men ’t vechten boven vrede, Dan, op! te wapen voor (Noord-)Holland’s bloei! Komt d’ eer van mijn provincie in de knoei, Dan vecht ik mede!
Ja, door ons allen stroomt wienneerlandsch bloed, Maar: Holland bovenaan! Dat ’t steeds zoo blijve! Als _ik_ dus nummer zeven roepen moet, Dan spreek ik Amsterdamsch — dat ken ik goed — Dan zeg ik: „_sijve!_”
10. HET LIED VAN MOOIE KAREL UIT DE JORDAAN.
Een lesje in de Nederlandsche taal.
(Wijze: „_On the fid-fid-fid-fid-fid-fid-fiddle-dee-do._”)
Toffe nefkes ’s aoves laot Die staonen in de Willemstraot, Met d’r rauje bloesies en Baoie rokken an d’r beine: Lange Lein uit Lutjebroek, Met d’r gauser op de hoek, En als ze mijn gein duytje sjoegt, Pak ik Mina Pannekoek. Ik ben Kaorel, mauje Kaorel uit de Jordaon, Loentjes zetten doen ik niet, Vraog het maor aon rauje Griet, Kek is, hoe m’n briefie sit, En m’n kaufert op m’n pit, Ik ben Kaorel, mauje Kaorel uit de Jordaon. Kom ik in de Wije Gang, Daor staone ze-n-al uren lang, En dan mo ’k derek ’n emmese Moppie fur ze speule, Ik draoi ze-n-’n stukkie voor, En dan gao me d’r kwiek van door, En me pakke fijn ’n kraokertje Vrij slib, in me lobbe, hoor! Ik ben Kaorel, mauje Kaorel uit de Jordaon, enz.
Met mijn foksenoksenoar, En al mijn poene staon ik daor, Neige knaoke, haupies sjauf, Seive spie, en kimmel biessies, Komt de doffe gaojes bij, Seg ik: maok je pleite, jij! En ik hou me sjaokes komt er dan Ook de heile Prinsemarei...... Ik ben Kaorel, mauje Kaorel uit de Jordaon, enz.
1. _T.n._, knappe meisjes; _L._ beruchte kroeg in de Jordaan; _g._, kerel; _g.d.s._, geen antwoord geeft; _l.z._, foppen; _b._, broek; _k._, hoed.
2. _kr._, borrel; _v.s._, gratis drank; _i.m.l._, in mijn schik.
3. _f._, horloge; _p._, geld; _k._, rijksdaalder; _s._, gulden; _sp._, cent; _kb._, drie dubbeltjes; _d.g._, stille verklikker; _m.j.p._, ruk uit; _sj._, kalm; _Pr._, politie.
11. UITKOMST-RIJM.
Juist voor dat de Groene ter perse ging, bladerde Charivarius, die maar geen onderwerp voor een Rijm kon bedenken, _Groot-Nederland_ 1921 door. Op bl. 403 las hij: „Rustig godslampte een ster.” Rijm klaar.
De bleeke maan godslampte door de kille ruiten, Ik handen in mijn zakte, pijpte in mijn mond, Zoo ruizerijmerde ik zonder Rijm, naar buiten, „Geen muz’,” helaasde ik, „die mij stof tot dichten zond.”
Ik straatopte. Maar ’t heeft mijn stemming niet verbeterd; Een enkeling klabakte voetstapsdreungedruis...... ’t Was zestien graden onder nul gethermometerd, Een straatdeern gajemeede, ’k neende norsch naar huis.
Of ik al hevig kachelcokesde, ’t mocht niet baten, Het warmekamerde, maar ach! mijn geest bleef koud. „Moet g’ ongeschrijfmachiend,” zuchtt’ ik, „uw epos laten? Hebt gij geiedereweekt, dat gij thans staken zoudt?”
Ik was geërgernist en had het uitgejammerd, Waar ’k niet te goeder uur gereddingd uit den brand. Ja. Gij hadt zonder Rijm gegroeneamsterdammerd, Had ik niet net op tijd nog gegrootnederland.
12. SPREEK JE MOERS TAAL!
Motto: „_As je maar durft!_”
De lieve lent’ komt aangesneld, De vroege vogels fluiten, En als de zon weer schijnt op ’t veld, Verlangen wij naar buiten.
We rusten uit van ’t daaglijksch werk, Met vriend, vriendin, of kennis, In rust, die blij maakt, frisch en sterk, Dat is: we spelen tennis.
We spoeden ons van overal Naar gras, cement of asphalt, Waar van ’t raket de vlugge bal Op ’t harde „koorgt”, of ’t gras valt.
En luide klinkt het wijd en zijd, In ’t „Engelsch” — ja, zoo heet ’t! — Van „Aag joe geddie? — Jes! — Ol gijt! — Joe pleet dis set? — IJ pleet it!”