Part 8
De koning heerscht bij Gods genâ. Dat staat zoo vast als algebra. De gratie Gods doet hem regeeren; Maar wil hij werklijk iets presteeren, Iets extra-fijns — dan bidde hij Er _mooie, flinke kindren_ bij.
Zoo luidt dan ’t vroede vorstenwoord. Verneemt het, volkren, zegt het voort! Verdwijn’ de Republiek in ’t duister, Verschijn’ de Vorst in vollen luister, Van Gode zelf ten dienst gewijd... Nu knielt, en prevelt...: Majesteit!
47. PRINSEN-RIJM.
(De Duitsche kroonprins dicht in _Ueber Land und Meer_:
„Wir stehen still auf Posten Im Arme das Gewehr; Im Westen und im Osten Viel Feinde und viel Ehr.”)
Dus niet slechts op den zwaarde Is ’s prinsen oog gericht, Hij doolt ook in den gaarde Der Muzen, en hij dicht.
De kloekste Dichter-welle’ Die klotsen klankrijk neer Van d’ allerhöchsten Stelle In _Ueber Land und Meer_:
Wij staan als Rijks-suppoosten, In d’ armen het geweer; In ’t Westen en in ’t Oosten Veel vijanden — veel eer.
Wij seinen schoone woorden In menig telegram, Naar ’t Zuiden en naar ’t Noorden Van Pest tot Amsterdam.
De heer vindt Ons het beste En schenk Ons zijn genâ, In ’t Oosten en in ’t Weste’ — Dat weet Ik van Papa.
Wij zullen ’t god beduiden: Hij vaart er ’t beste bij, Als hij van ’t Noord tot ’t Zuiden De Britten haat als wij.
Aan Duitschland blijft de zege, Van d’ Oeral tot Bordeaux, Wij winnen allerwege: Noord, Zuid, Oost, West — O zoo!
48. EEN NEUTRAAL LIED VAN DEN OORLOG EN HET OPPERWEZEN.
Motto: „Met Gods hulp hebben onze troepen gisteren de grens van Egypte overschreden.” — (_W. B._)
De Keizer liet den commandant der troepen Toen tot zich roepen. En zei: „De zege is ons nabij; In diepen deemoed heb ik God gebeden, Hij was tevreden Over mij. Dood zooveel moog’lijk. Dat ’s Gods hand.”
De Czar ontbood zijn legercommandanten Van alle kanten. Hij sprak: „Ik heb de zege al in mijn zak! In diepen deemoed heb ik God gebeden, Hij was tevreden En zei: „„hak Er flink op los! Steek Insterburg in brand, Dood zooveel moog’lijk, dat ’s Gods hand.””
De Koning van Brittannië riep: „ga halen Mijn admiralen, Aanstonds! De zege is aan de kinderen Albions. In diepen deemoed heb ik God gebeden, Hij was tevreden Over ons En zei: „„Vecht mede op ’t vasteland, Dood zooveel moog’lijk, dat ’s Gods hand.””
De Koning liet ook aan zijn verre helden De mare melden: „Ik ben In oorlog met het ergste, dat ik ken.” De Hindoes hebben toen tot God gebeden Die was tevreden Over hen En zei: „„Trek spoedig nu naar Christenland, Doodt zooveel moog’lijk, dat ’s Gods hand.””
Toen bad ook de Mikádo op zijn eiland Tot aller Heiland: „Mijn God, Daar is een volk, dat listig samenrot. Wanneer gij wilt, ’k verdelg het nog op heden. God was tevreden; Zeide tot Den Mikado: „„trek naar den overkant. Verniel Ki-Autsjou. Dat ’s Gods hand.””
Toen sprak Frans Jozef tot zijn legerscharen: „Ik ben op jaren, Maar tuk Op wraak en nog verzot op krijgsgeluk. Zoo als ik bad, bad nooit tot God een tweede. Hij was tevreden En zei: „„ruk Nu Servië in. Neem dat als onderpand. Dood zooveel moog’lijk. Dat ’s Gods hand.””
De Sultan ging toen aan de Dardanellen Zijn schepen tellen. Hij dacht „De God van Duitschland heeft een sterke macht.” De Sultan heeft met Bethmann saam gebeden, God was tevreden. En zei: „„slacht Grieksch-Katholiek en Roomsch en Protestant Ter eere van Mohammed. Dat ’s Gods hand.””
De President zei: „vrienden, draagt de tijden Van hoon en lijden Met mij. Straks is ons bitterst levensjaar voorbij...... Wij hebben voor gerechte zaak gestreden Wij wilden vrede, Oorlog zij! Want schaamtloos vielen in ’t onschuldig land. De wilde horden. Sneuvelt! of...... houdt stand!”
Hoog op de duinen staat een blonde Koning; Hij heeft geen woning; Zijn rijk Werd aan een dorre woestenij gelijk. Als een vervloekt aan Satan cijnsbaar Eden, Ligt het vertreden; Handvol slijk En smalle kuststrook hield hij van zijn land; Al ’t andere is geknecht, verpuind, verbrand.
Hij leerde goed, wat hem zijn bijbel leerde. Hij bidt. Hij keerde ’t Gelaat Niet naar rumoer van marktplein en van straat, Maar tot der hemelen hooge onmeetlijkheden... Hij heeft gebeden En hij gaat, Waar zich de smart op zijn gelaat ontspant, Tot zijn arm volk, troostende lichtgezant.
FRANS BASTIAANSE.
49. AAN FRANS BASTIAANSE, MIJN CONCURRENT-RUIZERIJMER.
Ik schei d’r maar uit met m’n rijmen, Ik leg er het bijltje bij neer, Het woordjes en regeltjes lijmen, ’k Verdraai het, ik doe het niet meer. Eerst had ’k een succes als de „Spaansche Vlieg” — nu ’s ’t met mijn Glorie gedaan In ’t droef Ondermaansche, nu Frans Bastiaanse Mij als concurrent komt verslaan.
Hij, een onzer ernstigste dichters, Als Boutens, van Looy en Verwey, Zoekt plotsling kracht in wat lichters. En nu concurreert hij met mij! Waarom blijf je niet op je eigen, Je deftige, hooge terrein? _Mij_ breng je aan ’t zwijgen — jou gaven die neigen Toch meer in een andere lijn?
Moet ik dan maar honger gaan lijden? Vaak denk ik: hoe kom ik nog rond In deze benauwende tijden; Je neemt mij het brood uit den mond! Ik heb toch mijn kroost en mijn vrouw nog! Die valt van gebrek soms in zwijm. Daar net weer. Z’ is blauw nog! Misgun je me nou nog Die schamele tien pop per rijm?
’t Is schandelijk. ’t Is om te huilen...... Maar wacht eens, ik weet er wat op: We zullen van plaatsen verruilen, We zetten den boel op z’n kop. Ga jij charivaria maken, Venijnig en puntig en bits, Jij kunt ze wel raken! — we wislen van taak, en Dan schrijf _ik_ sonnett’ in de Gids.
Let op, hoe ik bladen op bladen Met droeve sonnetten bedruk, Ik zing van de wee-witte waden, En ’k dicht van het wondre geluk. Ik — nuchter als planters van Deli, En flink als de zoons van De Koo, Ik kweel van de lelie! (Terwijl ik toch veel lie- ver rijmde op Kuyper, en zoo.)
Dan vul jij de Nieuw’ Amsterdammer Met Waanwijze Jantj’ en z’n Pa, „Gaat dat zien,” en met deelwoorden-jammer, En je loopt Tante Betje dear na, Met wie ’k vaak zoo’n doux tête-à-tête had! ’k Verdwijn als de man-in-de-mist, Alsof ’k „en retraite” zat, en jij schrijft „Hij zèt wat!”...... _Ik_ Dichter — _jij_ Rijmspecialist!
50. AAN CHARIVARIUS,
om hem gerust te stellen.
Erasmus _Jacob_: En verorberde Antronius alleen zijn boonenpap?
_Gilbert_: Ja, want hij had voor een kleinigheidje gekocht. Hij verbood echter niet, dat iemand die in zijn buurt zat eens met hem zou proeven. Maar ’t scheen wel wat onbeleefd den armen uitgehongerden man van de voor hem bestemde prijs te berooven.
’t Is zeker veelszins aangenamer Te zitten op een Heliekon, Dan in een burgerlijke kamer met sloffen aan en huisjapon;
Zijn blikken laten dwalen naar de Gebieden buiten ruimte en tijd, Dan naar het wriemlen dezer aarde, Met de al te kleine onmenschelijkheid.
Maar somtijds voel je toch wat krieblen, Heel ver beneden aan je voet: Je zit op je fotuil te wieblen En...... je wilt weten wie dat doet.
Je laat zoolang op den Parnassus Je lege stoel aan „Leepers” na, Neemt uit de boekenkast Erasmus, Het deeltje der Kollookwieaa.
Dan pak je in Buda-pest de ekspreste — Ah! Buddha pest thans niet alleen! Die voert je naar t’ beschaafde Westen En...... je vindt Holland als voorheen:
Nog altijd is Verkaaie aan ’t bakken Zijn teebeschuitjes en bis-kwie, En zorgt Verweij voor het verzakken Der Nederlandsche poëzie.
’t Nieuws van den Dag, godlof, bestaat nog, En geeft op Zaterdag zijn preek, De aloude Groene heeft zijn plaat nog, Daar Braakensiek onsterflijk bleek.
De dijken liggen langs de slooten, De velden saai, onogelik, ’t Is nog het land der bentgenoten Van Bella-mie en Bilder-dik.
Maar zijn soldaten werden menschen, Die zitten niet meer bij de pap, Maar wandlen langs de Zuidergrenschen, Met krachtig mielietère stap.
’t Is nog het land waar Wouter Pieters- E zooveel vreugd in heeft beleefd En waar men honderd Hektolieters Boergonje maandliks nodig heeft,
Om zun verveling weg te spoelen, Die van de dorre daken geeuwt; ’t Is nog het land van modderpoelen, Waar ’t eeuwig regent, waait of sneeuwt.
’t Is nog het land, waar achter ieder Gordijn een oude juffrouw zit, Die klappertandt bij ’t „Buch der Lieder” Met haar wormsteekig zwart gebit!
’t Is nog het land, waar maazematten Geslaagen worden klandestien, En waar je in donkre Kaazematten ’t Neutrale flonker-goud kunt zien.
Den rijken hort der Neevelingen, Bewaard in ’t Veilig Rotterdam, Waar lonkende „Reintöchter” zingen Van den Germaanschen Goodestam. — — — — — — — — — Je hebt gelijk, die een fotuil heeft Op den Parnassus onder goôn, IJs niet dat hem een krant in ruil geeft Voor geestlik goed verachtlik loon......
Wat je uit de suiker kunt tietreren, Of uit Tabak en koffy haalt, Het word’ tot delging van zijn beeren An Chaarivaaricus betaald.
En morgen neem ik vroeg de ekspreste, Die mij naar den Parnassus spoort, En zit weer bij mijn adelaarsnesten, Door kraai- noch kikkerzang gestoord.
FRANS BASTIAANSE.
51. VORSTENSCHOOL.
(_Eerbiedig opgedragen aan den Duitschen Kroonprins._)
Rosika Schwimmer schrijft in het _Hbl._ over den keizer van Oostenrijk: „In de grootste spanning zocht men naar de psychologische en materieele bron, waaruit zijn onpartijdigheid en democratie moesten voortkomen. En men vond een oorzaak, die inderdaad verbluffend was. De bioskoop bleek de opvoedende kracht voor den vorst te zijn geweest. Karl en Zita hebben vroeger in een kleine plaats gewoond, waar zij buitengewoon vaak naar de bioscoop gingen. — De vaakbespotte kleinburgerlijke en proletarische films hebben in de vorsten-opvoeding van het koningspaar een belangrijke taak vervuld.”
Wie is er die thans nog minachtend beweert: „Zoo’n spul is voor meid’ en soldaten!” Men heeft nu van Rosika Schwimmer geleerd Heel anders daar over te praten. Toekomstige heerschers, die smachtende dorst Naar kennis en kracht voor ’t regeeren! De prachtbioskoop is de School voor den Vorst, Om ’t billijk en grondig te leeren. — Te lang hebt Gij, Hoogheid, die lessen gemist, O, Hoop des Heelals, Kroonprins Willem! Zoon van den doorluchtigen Telegrafist...... Nu weet Gij ’t. Dus — op! naar de Film! Vooreerst: als Gij denkt aan Pa’s kiesrechtbesluit, Dan kunt Gij de vraag niet negeeren: „Hoe komen de lagere standen vooruit?” „DE BANKDIEFSTAL” zal het u leeren. Verlangt gij een blik in ’t klassieke te slaan, — Wat iederen heerscher gerad’ is — Gij hebt maar te kiezen waarheen Gij wilt gaan: Naar „CLEOPATRA” of naar „QUO VADIS?” Leer voorts, Prins, dat hij, die de Liefde erlangt, Een prijs uit het Lotspel van God loot; Ga dus naar de Film, die het Leven vervangt, Met aanteekenboekje en potlood, En let er goed op, hoe de minnaar zich weert, De doffer de duif met gekir kust; En als ’t U de film „LIEFDE’S LIST” al niet leert, Dan doet zeker „PEG UIT HET CIRCUS” ’t, „MIJN SCHOONMOEDER”, „LIEFDE VERLOOCHENT ZICH NIET”, „HET HART OF WAT VROUWEN VERMOGEN”, „DE VROUW EN DE WIJN”, of „HET EEUWIGE LIED”, „DE MAAGD MET DE VURIGE OOGEN”. Gij weet, dat den vorst ook bekend dient te zijn, Wat tot de verbeelding kan spreken; Uw Hoogheid bezoek’ dus „DE HAND OM ’T GORDIJN”, „HET SPOOK”, „’T GEHEIMZINNIGE TEEKEN”, „DE ZWEVENDE LICHTEN”, „EEN BLIK DOOR DE KIER”, „DE KLOP OP DE DEUR”, „DE GELUIDEN”, „HET HUIS MET DE 5000 KAARSEN”, „’T PAPIER”, „WAT DE BLOEDVLEK OP ’T BALKLEED BEDUIDDE”. En wordt Gij wat sentimenteel, of wat week, — We zagen al eens de symptomen! — Dan vindt Gij weer kracht in „DE DUIVELSCHE STREEK”, „DE VAMPIERS”, „HET BLOED”, „SATANS DROOMEN”. Geniet BILLY RITCHIE — die ’s fenomenaal! Ook d’ Explicateur maak’ U wijzer; En d’ „_Au, niet zoo hard!_” ’s uit de duistere zaal...... Dat alles, dat vormt U tot Keizer. Geen vorst kent zijn vak, die geen Zond’ heeft gezien En Misdaad. Bezoek dus „DE WREKER”, „DE GIFTMENGSTER”, „SLUIPMOORD”, „DE BLOEDHAAT” misschien, „DE WRAAK VAN HOMUNCULUS” zeker. Uw Hoogheid raak’ met de sensatie bekend Van kippenvel, rilling en griezel: „’T GEWELF DER VERSCHRIKKINGEN”, zie Gij tot ’t end! En „DE STAP OP HET KRAKENDE KIEZEL”. „DE WRAAK VAN DE RAZENDE ROODHUID GESTILD”, „DE STRAF VAN DE GLOEIENDE STAVEN”, „HET STIJGENDE WATER”, „HET VALLUIK”, „GEVILD”, „DE SCHIJNDOOD OF LEVEND BEGRAVEN”...... — — — — — — — — — P. S. Doch juist als de mensch zich ’t meest zadelvast voelt, Dan komt soms de Duivel, en wipt ’m; Maar dit is...... enfin...... niet voor dames bedoeld, Ik zet het dus in een P. S.: Verlangt Gij rein, matig te blijven en kuisch, En wolken van kinderen te krijgen, Bezoek dan, o Prins (laat de Hofdames thuis) — Incognito! — „MOGEN WIJ ZWIJGEN?”!
52. KARL EN ZITA OF HET BIOSKOOPGEVAAR.
_Gerijmd na Karl en Zita’s staatsgreep op 22 October 1921._
(Zie de aanteekening op bl. 99)
O, keizerlijke kwibus! Kwast, Met Zita aan je zij! Jan Klaassen uit de poppenkast Deed nooit zoo mal als jij.
Per vliegmachine kwam je an, En hebt met man en macht, Met haar de heele ratteplan In rep en roer gebracht.
Maar van een „Schlager” had ’t niet veel — Die kluchtspel-heldendaad! Je kreeg van ’t volk, integendeel Rott’ appels in ’t gelaat.
Je brak je woord. Dat doet men meer. Daar zegt geen mensch iets van; Voor vorsten geldt een andre eer Dan voor den mindren man.
Maar nu is ’t knersing en geween, Acherm! Wat zal je doen? De schrik zit — lees ik — in je been, De moed zit in je schoen.
Och, eiglijk is het medelij, Dat ons het hart vervult, Want deze potsenmakerij Is =niet= je eigen schuld.
Neen. Evenals maar al te vaak In dezen rommeltijd Door prikkelfilms tot roof en braak Het „boefje” werd verleid......
Zooals zoo meenge montre maagd, Onschuldig, zoet en zacht, Door ’t hitsend trilbeeld opgejaagd, Tot zonde werd gebracht —
Zoo is de schuld van ’t droevig lot (Waakt, ouders, die dit leest!!) Van dezen armen Don Quichot De BIOSKOOP geweest!
53. MIES, CHARIVARIUS, DE KANARIE EN DE OORLOG.
Mies, mijn mooie, grijze poesje, Ligt genoeglijk in haar soesje Voor mijn open haard, Op het warme, wollen kleedje. Kijk, zij droomt — beweegt een beetje ’t Puntje van haar staart.
Mies ontwaakt, en wascht haar snoetje; Dan, behoedzaam, voet-voor-voetje, Sluipt zij naar mij toe. Hoepla! Plotseling springt zij op je! Spint verheugd, en geeft een kopje: Mies is blij te moe.
_Ik_ niet minder, dat begrijpje! Met mijn poes en met mijn pijpje, Onder ’n _dak_ van rook! ’k Streel het zachte zijden velletje; Mies en ik, wij zijn een stelletje, Mies is lui — ik ook.
’t Is zoo rustig, ’t is zoo stille, Is ’t geen plaatje? geen idylle? Vriendschap, Vreugd en Vree. En we denken geen van beiden Aan het slachten en het strijden, En het Wereld-wee......
’k Soes wat over „Charivari”...... Kijk, daar huppelt mijn kanarie Uit zijn open kooi. Mies springt eensklaps van mijn schoot en Heft, met tijgeraard, haar poot, en...... Pats! Zij heeft haar prooi!
’t Bloed druipt tappelings langs haar kaken, ’k Hoor de broze beentjes kraken, Hoe ’k die kat verwensch! ’k Tracht een scheldwoord te verzinnen, Wacht! daar schiet m’ er een te binnen: Schaamje, Mies! Jij... MENSCH!!
54. O! O! O!
Stemmings-Rijm.
Het is griezlig weer. Hu. De regen pletst neer. En de wind schudt de deur en de ruiten. Je kamer is guur. Zonder licht. Zonder vuur. ’t Is net zoo naar binnen als buiten.
Een warm kopje thee? Kun je denken. O nee. Daar gaat, snap je, veel te veel gas aan. Je zit kil en krom. Met een reisdeken om. Een voetenzak. Handschoenen. Jas aan.
Je vrienden gaan zien? Voor een praatje misschien? Gezelligheid? Onzin. Illusie. ’t Prodit en prodat Ben je gauw genoeg zat. En het eindigt gewoonlijk met ruzie.
Landziekig en wee, Slof je naar je café. Voor de krant. Om een hapje te eten. ’n Partijtje biljart — Wat dan ook. Om je smart En je narigheid wat te vergeten.
Maar het licht is te mat. Ja. En lees je nog wat, Dan is ’t van de Krieg und kein Ende. Je weet het al wel. ’t Is alles de hel. En bloed. En bedrog. En ellende.
En het bruinbrood is grauw. En het wittebrood blauw. En oudbakken, al heet het ook „net versch.” En het bier smaakt als inkt. En de whisky, die stinkt. De visch is goed voor de briketpers.
Je gaat maar weer heen. Door het donker alleen. Trapt in alles. En botst, op de hoeken. Je stoot er een blauw. Jij hem. En hij jou. Razen. Tieren. En schelden. En vloeken.
Zoo zit je weer thuis. Krats. Daar hoor je een muis. Een muizeval? Rattekruid? Baat niet. Hier faalt zelfs de kat. Want je huis is te nat. En ze deeglijk te luksburgen gaat niet.
D’r zit niets meer op, Dan met mokkenden kop Den dag met den nacht te verruilen. Het land als de pest. Ruk maar op. Naar je nest. Diep onder de dekens. En huilen.
55. EEN FAILLISSEMENT.
Door het torpedo-werk van de Duitsche duikboot verdronken meer dan 1600 personen. Het bericht van de heldendaad der bemanning bracht over Duitschland, schrijft de _Köln. Zeitung_, „eine jublende Freude.” Alle opvarenden verkregen het IJzeren Kruis.
Als de vrede is gesloten, En de strijd gestreden is, Als er bloeds genoeg vergoten, Leeds genoeg geleden is;
Als de zwakke landman zwoegend — Want de sterken zijn gedood — ’t Bloedgedrenkte land doorploegend Op verminkte lijken stoot;
Als de tranen wat gedroogd zijn Van de weduw en de wees, De belastingen verhoogd zijn, En de prijs van ’t brood en ’t vleesch;
Als het aantal werkelooze’ Niet meer weeklijks, daaglijks, stijgt, En de werkman, na een pooze, Hier of daar een plaatsje krijgt;
Als de zaken weer gaan loopen, En de rust is weergekeerd — Hebben w’allen, laat ons hopen, Eéne wijze les geleerd:
Dat in heel ons brave leven Eigenbaat, -belang, gewin, Drijfveer is van al ons streven — Nimmer God of Godsdienstzin,
En dat Vroomheid, Recht en Waarheid, — Noem ’t maar „Godsdienst” voor ’t gemak — Liggen — ’t blijkt met groote klaarheid — _Boven_ aan het oppervlak.
Want zoodra we ’t wenschelijk achten Voor het winnen van den strijd, Bannen w’ alle Godsgedachten, Daarvoor is er dan geen tijd.
En, al roepend: Heere, Heere! Zett’ we Godsdienst aan den kant; Moord en doodslag komt in eere, En de Bijbel wordt verbrand.
Ja, het universum staat dan Op zijn kop, zoo lijkt het wel: In den Hemel huist de Satan, En de Heer is in de hel.
Want de felste _Bloedgebeden_, Tot onz’ Ouden God gericht, Stijgen... loodrecht naar beneden! Bidden blijft maar Christenplicht.
Ieder van de Tien Geboden Overtreden w’ elken dag; Rooven, branden, liegen, dooden, Zelfs verstikken — alles mag.
Wie, vervuld van ’t „Onze Vader”, Doet, wat Jezus heeft geleerd, Wordt direkt, als landverrader, Afgemaakt — gefusilleerd.
„Hebt uw vijand lief, mijn kinderen!” Sprak de man van Nazareth; Maar de luint zegt tot zijn mindren: „Prikt ’m met je bajonet!”
En de krant bezielt gedurig Den soldaat met haat en nijd; Zeer terecht: dat maakt hem vurig En bloeddorstig in den strijd.
Jack of Karl, die thuis zoo knusjes Met zijn broertjes samenzat, Steeds iets meebracht voor zijn zusjes, Als hij thuiskwam, uit de stad...
Kijk, daar staat hij, d’arme jongen... Stil!... nou moet je handig zijn... Steek ’m daar... net naast z’n longen!... Mooi!!... hij kronkelt zich van pijn!
Prik ’m nog eens!... Kijk ’m spartelen!... Hak z’n voet af!... of z’n hand!... Lekker eiglijk wel, dat martelen...! ’t _Mag_ nu. ’t Is voor ’t Vaderland!!
Dood je er één — je wordt bewonderd, Tien — dan krijg j’ een lintje thuis, Maar verzuip j’ ’r zestienhonderd, Dan verdien je ’t IJzeren Kruis.
Ja, ’t was „schitterend”, dat erken ik, _Zestienhonderd!_ Hoor je ’t wel? Zelfs ’t vergaan van de Titanic Was hierbij maar kinderspel.
Hoor ze jammeren... huilen... Luister! Hijgend, hunkrend naar wat lucht, Tot ze zinken naar het duister, Met een laatste droeve zucht...
Hoort! De maar’ verkondigt luide: „_Zestienhonderd tegelijk!!_” En een jubelende Freude Spreidt zich over ’t gansche rijk.
Al de Hoofden van de Staten, Keizer, Koning, President, Tsaar, Ministers, Diplomaten, Uit het Witboek welbekend,
Zij, die verantwoordlijk waren Voor het Wereld-moordnaars-werk, Waren ook de steunpilaren Van de Christelijke Kerk.
Dominees, pastoors, rabbijnen, Och, wat staat je zaakje zwak! ’k Zou maar stiekempjes verdwijnen, Gaat maar in ’n ander vak!
’k Stel je voor om dit te zeggen: Daar de Godsdienst is verjaard, En ’t Geloof het af moest leggen, Wordt de Kerk failliet verklaard.
56. WIJ DUITSCHERS, VOORHEEN EN THANS.
Helfferich in den Rijksdag, 21 April ’21: „Het Verdrag van Versailles is gegrondvest op den leugen van Duitschland’s schuld aan den oorlog.”
Dr. Riesser: „Het staat voor den geschiedschrijver vast, dat Duitschland alles gedaan heeft wat binnen zijn bereik lag om der uitgeputte wereld vrede te brengen.”
Wij Duitschers stonden steeds vooraan — wij staan er nog. De schurken schoolden saam, en legden listig lagen, Om ons uit onze hooge standplaats te verjagen; Hun bondgenooten waren: leugen en bedrog.
Ook Kautsky is een booswicht en een leugenaar, Zijn boek, en al wat dergelijks geopenbaard is, Een Duitscher neemt die lasterpraat voor wat ze waard is; Wij blijven bij onze oude leus: „Es ist nicht wahr!”
Wie spreekt van Duitschland’s schuld? Produkt van ’s vijands brein! De ware Duitscher werpt het van zich — lacht er mede! Neen, krijgt de uitgeputte wereld eenmaal weder vrede, Dan zal ’t aan ons, aan ons alleen te danken zijn.
En — is de vijand door den oorlog niet bekeerd, Wij evenmin. Wij pochen voort, het hoofd geheven, Wij zijn hetzelfde volk van voor den krijg gebleven. Wij hebben niets bedacht, begrepen — niets geleerd.
57. HOOG BEZOEK.
_Iambisch-choriambische Ode aan de Pers, bedoeld als scandeer-oefening voor de Gymnasiale jeugd._
Hoog bezoek. Vergezeld van zijn oom, Prins Heinrich van Pruisen, zijn adjudant en den burgemeester van Wieringen, bracht de ex-kroonprins van Duitschland Zaterdagmiddag een bezoek aan huize Duinwijk alhier, om zich door zijn tandarts te laten behandelen. Na een verblijf van eenige uren op Duinwijk aanvaardde het gezelschap, in 2 auto’s gezeten, den terugtocht naar Wieringen. — _O. H. C._
Het Plebs, en zijn slavin, de Pers, Vergapen zich aan Den Schijn. Dat is ’t, waaraan mijn Ruize-vers Van heden gewijd Zal zijn.
Ex-kroonprins, arme kerel, zeg, ’k Heb medelij, man, Met jou; Daar zit je vele mijlen weg, Gescheiden van kroost, En vrouw.
Je bent gevangen in een oord, Daar erregens aan De pool, Waarvan geen mensch ooit had gehoord, Dan soms in de les, Op school.
De streek is dor als een woestijn, Verlaten en kil, En kaal; Je huis is somber, grauw en klein, Naar, burgerlijk en Banaal.