Ruize-rijmen

Part 7

Chapter 73,528 wordsPublic domain

„De ontzettende vernietiging van het Italiaansche leger is een Godsgericht. De hemel, enz.” — _Wilhelm, I. R._

De Keizer spreekt tot de Entente:

Hoezee! Nu is door ’s Hemels wil Italië’s macht geknot; Dat heeft mijn leger niet gedaan — dat was ’t Gericht van God!

Ja. Weet je waarom ’K winnen moet, en winnen _zal_, per slot? Dat zit eenvoudig zoo: Ik heb een eigen, ouden God.

Want waardoor liep bij ons de zaak van meet af aan zoo vlot? Van wege d’ assistentie van Mijn eigen, ouden God.

Je legt het af. Je wordt getrapt, en bovendien bespot, Maar ’t is geen wonder: jullie hebt geen eigen, ouden God.

„Wij missen eenheid,” zegt Lloyd George, hoe komt de vent zoo zot? Je mist geen eenheid, neen, je mist een eigen, ouden God!

Je luksburgt vreemde schepen niet met man en muis kapot, Want jullie hebt niet zooals Ik een eigen, ouden God.

Toen Grey een conferentie vroeg, toen weigerde Ik ’m bot; Ik vond ’t niet noodig: Ik had toch een eigen, ouden God.

Ik brak Mijn woord, en het verdrag verscheurde Ik, als een vod; Dat mocht _Ik_ doen, want _Ik_ bezit een eigen, ouden God.

Gehoorzaamt, volk’ren, dan devoot Mijn Keizerlijk gebod; Wat Ik wil, en Mijn generaals, dat is de wil van God!!

36. ONZE OUDE.

„Und alle diese Siege verdanken wir nur Einem. Das ist unser alte Gott.”

_Wilhelm, I. R._

Wie met zeekren stijl vertrouwd is, Heeft gemerkt dat keer op keer Wordt gezegd dat God zoo oud is: „Onze oude God, de Heer.”

Altijd weer die Oude, Oude, Die ons zoo’n goed hart toedraagt, Wat dat toch beduiden zoude? Heb ’k me dikwijls afgevraagd.

Waarom toch dat veelverspreide „Onze Oude” steeds? Waarom? Waarom is men toch zoo blijde Over ’s Heeren ouderdom?

Is ’t de hoop waarin wij leven, Dat „Onze oude God”... misschien... Wat in België is bedreven Niet meer goed heeft kunnen zien?...

37. DE STRIKTSTE BEVELEN.

„De Nederlandsche autoriteiten hadden het beschieten van ons luchtschip niet behooren toe te laten, daar zij hadden moeten begrijpen, dat het zich alleen tengevolge van force majeure boven Nederland bevond, aangezien het toch bekend was, dat de Duitsche Regeering aan hare luchtschippers de _striktste bevelen_ had gegeven, onzijdig gebied te vermijden, en dit langs den kortsten weg te verlaten, wanneer zij er bij vergissing boven waren gekomen.” — _Nota van de Duitsche Regeering, 17 Febr. ’16._

„Vooral imponeerde de _majestueuze kalmte_, waarmede het schip, zonder zich om het schieten der Hollandsche kustwacht te bekommeren, zijn tocht voortzette.” — _Bericht in de Duitsche bladen, van een Duitsch journalist hier te lande, vertegenwoordiger van de Telegraphen-Union._

„Het wordt tijd, dat onze regeering, met majestueuze kalmte, dezen grappenmaker bij de kraag pakt, en over de grens zet. — Bijna na elken Zeppelin-aanval op Engeland vliegen er, ook bij het helderste weer, Duitsche luchtschepen over Nederland, soms dwars over ons land, zelfs over de stelling van Amsterdam. — Is het in Duitschland dan zoo’n janboel, dat de regeering de luchtschippers niet meer in de hand heeft? Dit is moeilijk aan te nemen; wat blijft er dan anders over, dan om te veronderstellen, dat de Duitsche regeering ons eenvoudig voor den mal houdt?” — _Kernkamp, De Europeesche Oorlog. Uitg. Tjeenk Willink en Zoon, Haarlem._

_De Keizer spreekt:_

„Schippers en stuurlui van onze roemrijke luchtflotille, De liefde voor je vaderland besture en beziel’ je. Houdt Onzen naam in den Ons opgedrongen oorlog hoog, En den roem van de heerlijkste vloot, die ooit bij ongeluk over neutrale landen vloog. Nu Onze oude, niettegenstaande Mijn herhaald bevel, ’t vertikt Engeland afdoende te straffen, Moeten jullie, in zijn plaats, Ons daarginder recht gaan verschaffen. Maakt weer eens op humane wijze ’t perfide albion aan ’t schrikken, ’t Is bekend, dat je altijd net tusschen de vrouwen en kinderen op een fabriek weet te mikken. Verlies je onderweg eens een bom, en vaart er toevallig een hollander met noem het maar „contrabande” onder door, Trek je zoo’n vergissing niet aan — ’t komt in de beste families voor, Wàt de oorlogsrechtverkrachtende engelschen daarover in hun lasterpers ook mogen kwebben! Maar dit is het niet, waar Ik ’t eigenlijk met jullie over wou hebben, Want je weet wel, dat Ik eigenlijk in alles, wat Wij in dezen heiligen oorlog doen, god’s hand zie; ja, Zelfs in Ons optreden in zake de sussex... Ik bedoel de palembang en de tubantia. Maar Ik heb je in ’t bijzonder hier voor Me aan laten treden, Om je zeggen, dat je zorgt, dat onzijdig gebied zorgvuldig wordt vermeden. En mocht er, na je baby-sparende heldendaden in engeland, toch ’s een ongelukje gebeuren, Dan zorg je, dat zoo’n slippertje, boven amsterdam b.v. bij helder weer, geschiedt door force majeure, En laat alsdan het schieten van de kustwacht je volstrekt niet beletten, Om in majestueuze kalmte je tocht over ’t platduitsch sprekend volkje voort te zetten. Dat voor slechte verstandhouding met ’t bevriende landje alle vrees wijk’; ’t Wordt allemaal wel goedgepraat in _de tukomst_ door Onze handlangers, zooals steenmet en sleeswijk, Onder Ons gezegd, een zoo’tje, waarover Ik eigenlijk niet graag spreek, Want dat weeë gelik van die buitenlanders geeft Me altijd zoo’n rommelig gevoel in M’n maagstreek. Maar nemen jullie toch maar wat abonnementen op dat strooperige blaadje, Dan schrijven de stumpers uit dankbaarheid nog eens een extra-drie-dubbel-overgehaald duitsch-freundlich praatje. Onthoudt dus, dat er de strengste straffen op staan, Als je ’t, Ikverdomme, in je duitsche hart krijgt om over holland te gaan. Ziet hier, schippers en stuurlui, Onze strikste bevelen, Maar als je ’t tóch doet...... nou, dan kan ’t Me ook al weer niet veel schelen.”

38. QUOD LICET JOVI NON LICET BOVI.

„Ik erken, dat de inval in België een schending van het volkenrecht is.”

(_Bethmann-Hollweg._)

„Onmiddellijk na den inval maakte België zich schuldig aan de schandelijkste schennis van het volkenrecht.”

(_Het Duitsche Witboek._)

Toen ik nog een kleine aap was, Nog zoo’n baardelooze knaap was, Mocht ’k niet rooken voor m’n Pa, Of ’k ’t land had — ga maar na! Als ’k ’m dan zoo zoet zag blazen Zware wolken, witte wazen, Knord’ ik in mijn jeugdverdriet: „U mag wel, maar ik mag niet! hè......!”

Onlangs liep ’k weer eens een blauwtje, Ach, zij werd een ander’s vrouwtje, ’k Zag ze gistren op ’t perron, En het minnespel begon! Hij kwam thuis — direkt aan ’t kussen! En ik mompeld’ ondertusschen, Fel jaloersch, zooals je ziet: „Hij mag wel, en ik mag niet! Oh......!”

Een der bladen, dezer dagen, Stelde deze vraag der vragen, Of ’t de man is of de vrouw, Die men ’t liefst vergeven zou, Als...... hm! ja, hoe zal ’k ’t zeggen...... ’t Is zoo moeilijk uit te leggen...... Maar ik wed da’ j’ ’t antwoord ried: „Hij mag wel, maar zij mag niet! Foei......!”

Tusschen mij en ieder ander Journalist bestaat (hij kan d’r Niets aan doen) een groot verschil: Ik mag schrijven wat ik wil, Niets belet m’ ’r uit te flappen. Wat mij lust, maar hij moet schrappen Wat zijn redacteur gebiedt: „Ik mag wel, maar hij mag niet! Eis......!”

Bethmann-Hollweg heeft beleden, Dat hij ’t volkrecht heeft vertreden, En nu lees ik ’t Witboek weer, — Ik verwonder me niet meer! — Daarin zegt hij tegen België: „Beiden schond’ we ’t volkrecht wel, zie je, Maar” — ’t is weer het oude lied! — „Ik mocht wel, maar jij mocht niet! Zóó......!”

39. DE GEVALLEN RUITER.

Onuitgesproken oordeel van een Neutraal.

Toen Bethmann-Hollweg ruiterlijk verklaarde: „_Wij plegen onrecht_ — ziet, ik geef het toe!” Toen was er menigeen, die dat aanvaardde, Al werd ’t den zwakken volkren dezer aarde Op ’t hooren van dit woord ook bang te moe......

Maar toch, er was iets eerlijks in die woorden, „_Wij plegen onrecht_, maar wij maken ’t goed”; Zelfs zeiden de Juristen, die het hoorden: Zoo verontschuldigt ’t Recht ook doodslaan, moorden, Dat heet „Uit noodweer”, of „Het mag — als ’t moet.”

Wel dachten enklen, dommer dan Juristen: Het was een plan, al jaren her bedacht, Dit was toch iets, dat zelfs de kindren wisten, Dat, als de Duitschers België’s doortocht misten, Geen overwinning moog’lijk werd geacht.

En _dat al lang_, bij ’t gieten der kanonnen, En onder ’t zingen van „Die Wacht am Rhein”, Terwijl steeds beter moordtuig werd verzonnen, En van meer Dreadnoughts steeds de bouw begonnen, _Het „Stück Papier” verscheurd had moeten zijn_.

Maar Duitschland leek den plompen boerenpummel, Die ’t kind opzij schopt, dat hem wederstaat: Hij is misschien nog wel een goeie lummel, En heeft per slot zelfs meêlij met den hummel, Hij is een lomperd — maar au fond niet kwaad.

Maar dat gij, Bethmann-Hollweg, nu getracht hebt, U grondend op den schijn, op een verhaal, t’ Ontkennen, dat gij ’t Volkrenrecht verkracht hebt Op gronden, _die gij naderhand bedacht hebt_, Dàt noem ik...... nee, da’s waar ook: ’k ben neutraal.

40. DE TOEKOMSTIGE LEIDING DER MENSCHHEID.

„Als hun taak wordt niet alleen de Entente, maar de geheele wereld te overwinnen, openbaart zich hier een nog grootere opzet van de Voorzienigheid voor de toekomstige leiding der menschheid.” _Neue Zuericher Nachrichten._

Wordt de taak de heele wereld te verslaan hun opgelegd, Dan is eenmaal hun de leiding! heeft het Zwitschersch blad gezegd. Dat is dan de heerlijke hooge opzet der Voorzienigheid: Hun de leiding van de menschheid, (als zij winnen in den strijd.) ’t Duitsche doen en ’t Duitsche denken dringt dan door van pool tot pool, „Rücksichtlosigkeit”, „Einschüchtern”, „Nicht gestattet!” wordt ’t parool, Alle landen van de wereld omgetuischt in Duitschen geest, Staatsbesturen, volksgebruiken omgeschoeid op Duitschen leest. Sabelrinkling, dikke boeken, gnädigste, durchlaucht, mensur, Bekkesnijen, luintvergoding, zware humor, hochkultur, Duitsche smaak en Duitsche vormen, Duitsche bouw en Duitsche dracht, Duitsche klanken, Duitsche kleuren, Duitsche pronk en Duitsche pracht, Duitsche modes, Duitsche groeten, Duitsche sect en Duitsche ham, In St. Petersburg, in Londen, in Parijs, en Amsterdam. Duitsche Kaffee, Duitsche Kuchen, Duitsche Klatsch en Duitsche worst, Duitsche Kneipe, Duitsche knevels, Duitsche buiken, Duitsche dorst. Monumenten, sieg’-alleeën, over heel onz’ aard verspreid, Beelden, zuilen, schilderijen, (olieverf) „Aus groszer Zeit,” ’t Lik-naar-boven-trap-naar-onderen-systeem het hoogst gebod...... En hoog tronend zit de Keizer, met den Kroonprins — vlak bij God.

41. BIOLOGISCHE FRIEDENSRÜSTUNGEN.

(_Alleen voor Heeren._)

„Onder de overlevende soldaten blijven er nog genoeg flinke mannen over om Duitschlands werk- en weerkracht snel op ’t oude peil te brengen. Zoolang het echter den man verboden is bij meer dan een vrouw kinderen te krijgen, blijft zijn voor de volkskracht zoo vruchtbaar scheppingsvermogen door dat van de vrouw beperkt. De vraag moet daarom overwogen worden, of het niet voor het behoud van de volkskracht geraden, ja, geboden is na den oorlog b.v. als gunst voor de uit den oorlog terugkeerende dapperen, van de starre monogame zedenwet af te wijken, en de mannelijke natuur toestemming te verleenen tot hetgeen haar volgens moreele opvattingen van andere tijden en andere volken als goed recht wordt toegestaan.” — Biologische Friedensrüstungen. Door C. von Ehrenfels, in het Archiv für Rassenbiologie. — (_Avondp._)

(Dit Rijm zou Holland’s Vrouw, of heb ik ’t mis? Wellicht geneeren, Dus, dames, leest niet verder door. Dit is Alleen voor Heeren.) — — — — — — — — — — — — — Misschien wordt deez’ of geen geschokt, die ’t hoort, _Mij_ zal ’t niet hinderen — Al strijdt ’t een beetje met het bijbelwoord: „Wordt als de kinderen!”

’k Beken, dat ik het zelf zoo erg niet vind, Zoo’n kransje vrouwen; ’k Heb óók wel ’s meer dan één gelijk bemind — (Dit in vertrouwen!)

„Laat ons den held, keert hij uit d’ oorlog weer, Royaal beloonen; Mijn volk,” schrijft Ehrenfels, „ga in de leer Bij de Mormonen!

Laat ons toch breken met die starre mo- nogame zeden, Waarom hetzelfde niet gedaan dat zoo veel andren deden?”

Dus breekt ’r een gouden tijd aan, Duitsche jeugd! Dat zal je smaken! Een tijd van volop huwelijksgeneucht, Dan ku’ je ’m raken!

Doet als uw bondgenoot, de sultan, (Ma- homet bewaar’ ’m!) Volgt hem ook in zijn huiselijk leven na, En vormt een harem!

Zes donkre schoonen hou je in Berlijn, Met rozenmondjes, In Sommerfrische, ’t andre half dozijn, Zes slanke blondjes.

Hou verder nog een extra-troepje vrij, Vol vuur en verve, Om in te vallen, als ’t eens moet, bij wij- ze van reserve.

En wordt er eentje soms ontrouw misschien, Of wil ze scheiden, Wat nood? Je hebt er nog een stuk of tien, Het kan best lijden.

Zoo heeft je liefde hier een hooger doel, Door ’s Keizers gratie, En paart het Nut zich aan het reinst Gevoel, Tot heil der natie.

Bravo, von Ehrenfels! Breek met verou- derde begrippen; Volgt dan zijn oproep, Bloem der Duitsche Vrouw: Wordt als de kippen!

42. LEUGEN-RIJM.

Troost aan de Non-combattanten.

„Nooit werd in het openbaar meer gelogen en gelasterd, nooit werd opzettelijk en bewust meer onwaarheid gesproken dan in dezen oorlog.” — _Chr. N. in het Hbld._

Toen ik een jonge jongen was, En Staatsinrichting leerde, Toen zei de leeraar van de klas, Die ons dat vak doceerde:

De _Combattanten_, dat zijn zij, Die vechten voor hun land, en Zij, die niet meedoen — leerde hij — Dat zijn _Non-combattanten_.

Die slechte kerels! dacht ik dan, Of soms had ’k medelijden Met wie niet optrok, als een man, Om voor zijn Vorst te strijden.

Nu ik een ouwe jongen ben, Al bij de grens der grijsheid, En niet meer zoo doordrongen ben Van ’t ware van die wijsheid,

Nu ’k Wolff’s-bureau-berichten slik, En Reuter-telegrammen, Nu merk ik, dat onze oude frik Een beetje heeft staan zwammen.

Nu weet ik, dat aan elken kant In dezen taaien tweestrijd Een zoogenaamd „Non-combattant” Geweldig dapper meestrijdt:

De pers! zij voert een strijd (met inkt) Van leugen en van laster — Of: „liefde voor haar land” — dat klinkt Iets netter en gepaster.

De pers moet liegen, in het groot, Den vijand grof verguizend; Dus, schieten d’ onz’ er zestig dood, Dan schrijft ze: „zestig duizend!”

Is ’t met de „geestdrift” slecht gesteld, En met de „doodsverachting”, En worden d’ onzen met geweld _Gedreven_ naar de slachting,

Dan vinden wij, in tegendeel, Den toestand zóó geteekend: „De opgewektheid, het moreel Der onzen was uitstekend.”

De pers — en ook de burgerij Moet zwetsen, kletsen, klappen, En in hun brieven moeten zij Uit ’t zelfde vaatje tappen.

Is van een kogel ’t puntje maar Een beetje afgestooten, Dan schrijf je: „Gruwzaam! de barbaar Heeft met dums-dums geschoten!”

(_Brief uit......_) „We krijgen zelfs geen stroomatras Om ons op neer te leggen! We slapen op gebroken glas, En omgekeerde eggen.”

(_Brief uit......_) „Zij deelen dooie katten uit, Met wurmen en met neten, En hondenworst met rattenkruid, Dàt krijgen wij te eten!”

(_Brief uit......_) „Gewonden worden afgemaakt, Als overreje honden; ’k Heb gistren zelf een graf gemaakt Voor zeventig gewonden.”

(_Brief uit......_) „Laatst zag ik er een stuk of vijf, Die zóó het leven lieten: Ze dienden één voor één als schijf, Om op te leeren schieten!”

(_Brief uit......_) „Een luitnant, die mijn dochter sprak, Kreeg schik in ’t meisje, nam ’r......” (De rest door ons geschrapt — Redac- tie _Nieuwe Amsterdammer_.)

Dus wees getroost, Non-combattant Door ziekte of door jaren! Je kunt j’ in dienst van ’t Vaderland Toch lauweren vergaren.

Wanneer je dan niet vecht in ’t veld, Bij ’t schetteren der trompetten — Al ku’ j’ niet als een echte held Een stad in vlammen zetten.

Al werk je niet met bom of mijn, Bij ’t varen of bij ’t vliegen — Je kunt je land toch nuttig zijn: Je kunt toch altijd ... _liegen_!

43. ROFFEL-RIJM.

„......starb den Heldentod fürs Vaterland......”

_Honderdduizendzooveelste adv. Köln. Zeitung._

„Een infanterist aarzelde aan het bevel van den kapitein tot voortrukken in de vuurzône te voldoen en de heele compagnie begon gedemoraliseerd te raken. De kapitein trok onmiddellijk zijn revolver en schoot den soldaat neer, waarna de andere soldaten dadelijk de bevelen gehoorzaamden.” ... ... _Hbl._

_Rrrrrm — rrrrrm!_ _Rrrm, rrrm, rrm, rrm,_ Heldendood! Heldendood? Heldendood?! Ben je mal? Als de lijkenmachine maar draait en schiet, Ben j’ ’n held, vóór je ’t weet, of je wil of niet: ’t Honderdduizendzooveelste geval.

Heldendood! Heldendood? Heldendood?! Ben je frisch? Wanneer je ’t verdraait om een held te zijn, Krijg j’ ’n kogel door je kop, van je eigen kapitein: Held zijn! of — naar de verdoemenis!!

Heldendood! Heldendood? Heldendood?! Ben je dwaas? Als de luint commandeert, zeg, dan toon je maar je moed! Heb het hart eens, dat je niet heldhaftig doet, Durf je niet! al ben je nog zoo’n haas!

Heldendood! Heldendood? Heldendood?! Ben je raar? Is het _jou_ soms gevraagd, of je bekkesnijen wou? Of _moest_ je wel weg van je kleuters en je vrouw, ’n Dooie held te worden hier of daar?

Heldendood! Heldendood? Heldendood?! Ben je dol? Neen, niet in deze _machinale lijkenmakerij_ — In den _Vrede_ vin’je helden en... heldinnen, allebei: Levens, tragisch, groot en kommervol.

Heldendood! Heldendood? Heldendood?! Ben je gek? Bij de wet, in het Staatsblad nummer _X_ vermeld, Is de Algemeene Heldplicht ingesteld, Dus... wéés een held, en verder hou je _rrrrrm_! _Rrrrrm — rrrrrm!_ _Rrrm, rrrm, rrrm, rrrm..._

44. CHARIVARIUS’ BEKEERING.

Ik word pro-Duitsch. Ik word er toe gedreven Door deze jingo-yankee-politiek. Het neme’ — _in doodsangst!_ — was hun te vergeven, Maar dat geteem van „recht”, dat maakt me ziek.

Ik word pro-Duitsch. Ik ga me abonneeren Op Reichmann’s _Toekomst_, en ik schmeichel mee. En Steinmetz, Kiffs, en al die kleffe heeren Die vraag ik — als ’k weer ’s thee heb — op de thee.

’k Ga óók van d’ „opgedrongen oorlog” spreken, ’k Geloof dat Duitschland Oostenrijk ontried Dat Ultimatum... in die donkre weken... En wat Lichnowsky schrijft — dat lees ik niet.

De Woordbreuk, dus de Inval, was rechtvaardig, Men gooit toch niet de deur dicht voor een Vriend? En de behandeling van België — edelaardig; Vernieling, brand en plundering — ruim verdiend.

De ruize-boeten? — Billijke bestraffing. Het Vlaamsch gedoe — ’t ging alles „op verzoek”. De deportaties? — Zuiver _werkverschaffing_. Dat alles eet ik op voor zoete koek.

En als ze onze vloot den grond in boorden — De zee voor ons te sluiten was hun recht, Daar mochten z’ onze zeelui vrij vermoorden; Ze hadden het toch duidelijk gezegd?

Ook Luxburg’s plan was, après tout, wel praktisch, ’t Voorkomt veel last en noodeloos geschrijf; ’t Is repressief, en tevens prophylaktisch, Dus Luxburg, sans rancune! Geef me de vijf!

Ja. ’k Word pro-Duitsch. Ik word nu eindlijk wijzer. Ik heb berouw van m’ ongepasten spot. ’k Lach niet meer om den Telegrammenkeizer, Ik ga gelooven in Zijn eigen God.

Ja. ’k Kom ten langen leste tot bezinning; Omtrent Gods wil bestaat geen twijfel meer. Hij schenkt het Junkerdom de overwinning, Dat het Euroop — neen gansch onze Aard regeer!

’k Zing reeds den Zegezang met luider stemme. Kom, geest van Pruisen! Maak ook Holland groot! Dat ons Germania’s machtige Arm omklemme...! Ik ben pro-Duitsch. En maak me nou maar dood.

45. HET MEILIED DER MOEDERS.

_Opgedragen aan allen, die nog het goede in den oorlog weten te waardeeren._

„Met de vervaardiging der kunstledematen voor de verminkten schiet men hard op; bijna allen zullen binnen kort geholpen zijn. — Een zeer geschikte betrekking voor de jongelieden, die blind geschoten zijn — een schrikbarend groot aantal — is die van masseur. De opleiding geschiedt kosteloos.” — _Bericht in de bladen._

„Als de Mei komt, Ben ik blijde; In den morgen, Zoel en zacht, Dwaal ik rond langs Weg en weide; Wees gegroet, gij Tijd der tijden, Als het lente- leven lacht!”

„Als de Mei komt, Ben ik blijde, En ik strale van geluk, Want mijn kind zal Niet meer rijden, Neen, dan loopt hij Aan mijn zijde, Want mijn jongen Krijgt zijn kruk.”

„Als de Mei komt, Ben ik blijde, Is mij ’t harte Licht en warm, Want mijn kind, zoo- als men zeide, Heeft dan weer Zijn armen, beide, Want hij krijgt zijn Houten arm.”

„Als de Mei komt, Ben ik blijde, Want de wolf blijft Van de deur: Met het oog op Dure tijden, Zal ’k mijn blind kind Op doen leiden Tot een eerste- klas masseur.”

„Als de Mei komt, Ben ik blijde, Want mijn kind, ginds, Heeft geen nood; ’t Is het einde Van zijn strijden, Van zijn pijn en Van zijn lijden, Want mijn jongen Ligt er dood.”

46. MAJESTEIT OF HET KONINGSCHAP VOLGENS TSAAR EN KEIZER.

„Over Noorwegen was de tsaar zeer ongerust. Op de mededeeling, dat het koning Oskar onverschillig was wie zijn buurman zou worden en dat hij ook niets tegen een republiek had, sloeg hij de handen boven het hoofd ineen onder den uitroep: „Ook dat nog, dat mankeerde er nog maar aan. _Alsof wij nog geen republieken genoeg in de wereld hebben!_”

Hij sprak de meening uit, dat wanneer geen Zweedsche prins er heen ging en Kopenhagen het in zijn belang achtte, prins Waldemar kon gaan. Deze had _eenige levenservaring, een elegante, nette vrouw en mooie, flinke kinderen_.

Ik verklaarde het met hem eens te zijn......” — _Wilhelm, I. R._

Een koning heeft, geloof dat vrij, Een lang niet lichte karrewei! Daar komt een heeleboel bij kijken, Zoo als je dadelijk zal blijken Uit zeekre brieven — lees ze maar — Van Keizer Wilhelm en de Tsaar.

’t Is maar een moeielijk besluit! Hoe kies je ’n goeie koning uit? De Tsaar en Wilhelm kunnen ’t weten; De Tsaar is nu wel wat versleten, Maar Wilhelm is in ’t vak vergrijsd; Hij weet dus wat er wordt vereischt.

Daar dient gewogen en gewikt, Want heusch niet ieder is geschikt, Al kan hij reeknen, schrijven, lezen, Hij moet toch ook een kerel wezen Die zoo wel eens wat heeft beleefd, En _eenige ervaring_ heeft.

Hoor verder. Komt ’r ’n troontje vrij, En denk je: „das wel iets voor mij, Met andre baantjes wou ’t niet lukken, Wie weet of dit niet... (’t lot heeft nukken!)” Dan zoek je dalijk — do it now! — _Een elegante, nette vrouw._