Ruize-rijmen

Part 6

Chapter 63,605 wordsPublic domain

Brittanje sluit den toevoer af van ’t sterke Duitsche rijk, Wel, Duitschland slaat terug voor straf, nou...... beiden schóón gelijk!

’t Duitsch snorkerig telegramgedruisch verveelt ons wel ontzachelijk, Onz’ oude God en ’t IJzeren Kruis — dat vind’ we hier belachelijk.

O, land van vrijheid-in-den-Staat, — ons voorbeeld — Engeland, Van zelfbestuur, van rappe daad, ons bindt een sterke band!

En d’ Engelschman, steeds kalm (zelfs _nu_) die heelemaal geen „soldaat” is, Hij trekt ons aan, doordat hij hu- morist, sportief, en „smart” is.

De Duitsche wetenschap en vlijt, de kunst, vooral muziek, Het bier, en de Gemüthlichkeit, ze zijn ons sympathiek.

Voor Duitschers zijn die Fremden zeer, zéér achterlijke horden, „Kultur” dat zeggen z’ al niet meer, dat ’s „Hoch-kultur” geworden.

De Brit behandelt iedren vreem- dling hoflijk, als een heer, Maar ziet — wat ’k hem niets kwalijk neem — diep op den foreigner neer.

Hij heeft alleen maar te veel smaak, te vriendelijke manieren, Om op Kultur zoo van de da- ken af te renommieren.

Wij haten ’t Britsch schijnheilig, slap- pe kijk-devoot-geteem, En ’t Duitsche lik-naar-boven-trap- naar-onderen-systeem.

Zoodat ’k oprecht verklaren moet, — kan ’t meer neutraal gezegd zijn? — Ik vind dat z’ allebei even goed, en allebei even slecht zijn.

En als het eindlijk vrede is, wat wacht ons landje dan? ’t Is mooglijk dat ik me vergis, maar dit denk ik er van:

Krijgt _Engeland_ de heerschappij, dan zal ’t niet heel veel praten, Maar kalm den blooming for’ner vrij — — dat is: tevreden — laten.

Als _Duitschland_ — Heer, verhoed het maar! — zijn Gods-bevel volvoert, Dan word’ we door een ambtenaar ver-über-hoch-kulturt.

24. OPEN BRIEF.

(Welkomstrijm aan „_De Toekomst_.”)

Aan Prof. Sleeswijk, dr. van Vredenburch en Prof. Valckenier Kips, Redacteuren.

Heil U, hoog erhavene Lieden! Luistert naar mijn Woord een Wijl, En gestaat m’ U Lof te bieden, Groet U God! Hoog! Maaltijd! Heil!

Gij, die Gij zoo kloek bemoeid zijt, Te verspreiden Duitschen Geest, Telt niet, dat Gij wel verfoeid zijt Door ’t Gezindel, dat U vreest.

Gij, die Gij zoo groote Dingen U te onderstaan verzoekt, Glanzend moge Uw Werk gelingen, Looft den Pruis — den Brit vervloekt!

Is het ja niet te beduren, Dat men Pruisische Kultur, Plaats ze immer aan te vuren, Hier verkent, als ik ervoer?

Ach, bestreeft U met elkandren, Keizer Wilhelm trouw ten Dood, Ons almalig om te andren, Duitsch te maken, Pruisisch — groot.

Schade, dat niet langst in dezen Oorde klinkt de Wacht aan Rijn! Ach! dat waar te schoon gewezen, Ach! dat heeft niet zullen zijn!

Met begeesteringsvolle Wijding U ontledigend van Uw Taak, Teigt G’ in d’ Omslag van Uw Tijding Schoon Uw Duitschen Hoog-gesmaak.

Maar schrijft: „Tukomst” — dat verstaat zich Doch om zoo veel beter, ziet: D’ „oe” van „Toekomst” immers laat zich Lezen: „ö”, als: „Goethe”, niet?

Ja, ’k verloof m’ U in te laden, (’k Hoop ’k mij niet te gek beneem?) Tuisch den naam om, laat u raden, Heet ’t ten Bijspel...... hm: „Daarheem”!

Ach, Uw werk is lievenswaardig, En gevallig ied’ren Pruis, Uiterdien bestemd grootaardig, Keizer! schik hun ’t IJzeren Kruis!

’k Vrees mij slechts door andre Proffen, Schrijvers in Onze Eeuw of Gids, Wordt naast Uw Vereen van — Daargesteld een „Club” (pro-Britsch).

En ’k verwacht zoovoort niet anders Als dat hier straks even goed d’ Oorlog _tusschen Nederlanders_ Zooals nu in ’t Uitland, woedt......

Wederig is mij alle tanken Innerhalf mijn dure land; ’t Bruist een Roep in heetere Klanken: Wapen neder! Hader bant!

Maar t’ is Tijd om optehooren, ’k Ben aan ’t Einde mijnes Briefs, Lof zij God, die U verkoren, Schleswig, Friedenburg en Kiffs!

25. DE TOEKOMST.

(„Nooit zal men van een Hollander een Duitscher maken.” — _Stijn Streuvels in de Nieuwe Groene._)

Stijn Streuvels heeft gelijk. Zoo is ’t. Ik ben gerust. Herhaalt het, Hollanders, verkondt het van de daken! Dat het weerklink’ van berg tot berg, van kust tot kust: Nooit zal men van een Hollander een Duitscher maken!

Wij willen wel waardeeren waar het kan. Maar toch, Wij hebben andere noties, neigingen en smaken; Onze eigen aard van eeuwen her — hij is er nog! Nooit zal men van een Hollander een Duitscher maken.

Hollandsche humor blijft, geschoeid op d’ eigen leest, De zachte taal — vol kracht! — die onze vaadren spraken, Maar bovenal blijft onz’ ontembre Vrijheidsgeest... Nooit zal men van een Hollander een Duitscher maken.

Laat dan een duistre _Tukomst_-bent in wee gevlei Hun waardigheid en plicht en landsgevoel verzaken; Keert hun den rug toe. Wat wij zijn, dat blijven wij. Nooit zal men van een Hollander een Duitscher maken.

Wordt soms de Taal, door germanismen in de krant En menig boek — bekent het met beschaamde kaken! — Van ’t pootig Nederlandsch tot duf plat-Duitsch ontmand, Nooit zal men van een Hollander een Duitscher maken.

Ja, ook al mocht voor Holland zelve d’ ure slaan, En ’t Lam, door overmacht, in ’s Adelaars klauw geraken, Des Grooten Zwijgers geest zal nimmermeer vergaan... Nooit zal men van een Hollander een Duitscher maken.

26. WAT ZIJ KUNNEN DOEN.

Afscheidsrijm aan „_De Toekomst_.”

Vier jaren lang hadt gij den last te zeulen Van wat gij hieldt voor uw verheven plicht; Om met den keizer-en-zijn-kliek te heulen; Met wellust hebt gij ’t weeë werk verricht.

Daar velde plotseling de bliksemschicht Uw aangebeden goden — België’s beulen. Gij zette (en niet ten onrechte) een gezicht, Alsof ge ’t hoorde donderen in Keulen.

Nu is uw lekke, wrakke schuit gestrand, En kiel en dek en mast ligt stukgeslagen. Wat kunt gij nog beginnen, mag men vragen, Nu gij het groote Deutsche Vaterland Niet weeklijks meer kunt vleien, loven, likken? Gij kunt... je kunt voor mijn part allemaal — !

27. O, DIE BLINDE, BLINDE, BLINDE...

O, die blinde, blinde, blinde, Blinde, blinde Duitsch-gezinde, Die maar nooit _iets_ kunnen vinde’ In hun hoch-kultursche vrinde’ Dat niet über-hoch-volmaakt is, Waarvan elk direct geraakt is, Die ’t eenvoudig niet verdragen, Als je ’t maar zou durven wagen, Even, weifelend, te vragen, Of in al die oorlogsdagen, d’ Uber-hoch-kulturelingen Nooit één enkele fout begingen? Laat’ we, zonder te laveeren, Ons de luxe permitteeren Om nog wat te critiseeren, Laten we toch profiteeren Van het feit, dat wij nog vrij zijn, Dat we werklijk geen partij zijn. Met pro-Britten valt te spreken, Die zijn niet zoo blind gekeken, Zien in Engeland, ’t is gebleken, Hier en daar nog wel gebreken. Is ’t niet juist ons grootste voordeel, Dat we vrij zijn in ons oordeel? En nu mag ’k niet eens wat spele’, Spotten, schertsen met de heele Vele, vele, vele, vele Dikke-lange-woorden-tele- Grammen, die ze prachtig vinden Die ze lezen en verslinden! En terwijl ze plots ontbranden, Voor het heerlijkst land der landen, Slaan zij klapprend met de tanden, Woest, met allebei de handen, In vervoering op de tafel, Schreeuwende: „hou jij je wafel! Duitschland, moedig, kloek en krachtig, Heerschen zal en moet het, machtig Over d’ aard, alleen, eendrachtig, Deze strijd is grootsch en prachtig!” En geen enkel Duitsch sergeantje, Korporaaltje, luitenantje, Heeft ooit iets, iets, iets misdreven, Krieg ist Krieg — zoo is nu ’t leven, Ziet, hoe heerlijk en verheven Zij zich in den dood begeven... En zij zingen: hoog den Keizer! Wie is grooter, wie is wijzer? En dan wordt er schel geschetterd, Ge-potstausenddonnerwetterd, Dat het klinkt en knalt en knettert, En — ik ben maar ongeletterd, Ik kan ’t niet zoo mooi vertellen, Hoe ze ’t weten voor te stellen — Maar dat brallen, ’t brengt hun laving Op de Duitsche hoogbeschaving, Duitsche uitduur en begaving! En dan zingen zij tot staving Van hun woorden, overmeesterd Door hun geestdrift, gansch begeesterd, Unsere Wacht am Rhein, bestendig, Want die kennen ze uitwendig, En ze smokkelen behendig Menig leelijk, lomp, ellendig Germanisme in hun zinnen, Want per slot _moet_ Duitschland winnen, En we moeten, zelfs in ’t praten, Nu al vast bemerken laten, Dat we ’t liefst bij Duitschland zaten, Als een van de Bundesstaten. Duitsch zijn zou hun ideaal zijn, Neen, zij kunnen niet neutraal zijn, Door de banden, die hen binde’ Aan Groot-Duitschland, ’t veel beminde, O, die blinde, blinde, blinde, Blinde, blinde Duitsch-gezinde...!

28. DE ZWARTE LIJN.

_Anti-pro-Rijm._

Ach, ons goede land, eilacy! Is verdeeld, al is er vreê, Onze „eensgezinde” natie Scheidt een zwarte lijn in twee.

’t Is de lijn, die fel-proditten Van de fel-prodatten scheidt, Die de Duitschers en de Britten Nadoen — in een pennestrijd.

Als de honden en de katten Staan ze klaar tot krab of beet, De proditten en prodatten, Even vinnig, even wreed.

Waarom moeten wij toch _dwepen_ Met den Duitscher of den Brit? Heb je nog al niet begrepen, Dat je net in ’t midden zit?

Ach, moest ’t lot ons zóó beloonen, Waaraan hebben wij ’t verdiend, Dat de vader van zijn zonen, En de vriend wijkt van den vriend?

Bij de huiselijke feesten, Waar juist alles één moest zijn, Scheidt de harten en de geesten Die beroerde zwarte lijn!

Vriend en vriend, en zoon en vader, Elk aan elken kant der lijn! Brengt je dan ’t idee niet nader, Dat de strijders _gekken_ zijn?

Gekken zijn ’t! aan beide zijden, Onze sympathie niet waard, Te verdwaasd om uit te scheiden, Als een toomloos, hollend paard.

Duidelijk verklaart het geene, Waarom hij ’t gemoord begon, „Prusianisme”, zegt de eene, d’ Ander: „’t plaatsje in de zon.”

En met zulke vage woorden Snelde men in ’t strijdgewoel, En zoo als de grond van ’t moorden, Even wazig — is het _doel_.

Laat ’m branden, ook al brandt ie Nóg zoo fel daar, d’ oorlogstoorts, Weg met pro’s! Wees enkel _anti_: _Anti-dollemans-oorlogskoorts_!

29. DE MELKKNECHT EN DE DUITSCHE KULTUR.

„Wij ontmoetten dezer dagen een knap man uit het volk, die jaren lang als melkknecht in Duitschland was werkzaam geweest. Zijne krachtige, sympathieke persoonlijkheid wekte vertrouwen, en wij konden den lust niet weerstaan hem te ondervragen, om van hem te vernemen wat hem van de Duitsche kultuur had gesproken. „De Duitschers zijn vlotte menschen,” zeide hij. — „En het drinken?” vroegen wij. „Bier,” was het antwoord. „Overal en altijd in Westfalen, bier.” — Toen begon ik zoowat over de denkbeelden van von Treitschke en Bernardi. Dat was echter aan onzen melkknecht onbekend terrein gebleven. — Men kan zeker niet afgaan op de ondervindingen van één Nederlandschen melkknecht, wanneer men wil weten wat de Duitsche Kultur beteekent. Toch valt niet te ontkennen, dat de opmerkingen van den melkknecht misschien den sleutel geven, waardoor wij een der hoofdoorzaken van het succes der Duitschers leeren begrijpen.” _N. R. C._

Wij zijn niet lichtvaardig en wuft van natuur, We gelooven maar zóó niet wat elk zegt! We hebben daarom, want we zijn wat secuur, d’ Opinie gevraagd over Duitsche kultuur Van een knappen en krachtigen melk-knecht.

„O melk-knecht,” zoo spraken we, vriendlijk, maar vrij, „Het zal ons een werklijk genot zijn, Te hoor’n wat U dunkt van Kultur!” ...„Zeg maar _jij_!” Zei de melk-knecht, „en ’k zweer je,” zoo voegd’ ie er bij, „Dat de Duitschers beslist ruizevlot zijn!”

Nu kwam er een vraag op — belangrijk genoeg Maar we plaatsten haar wat onverwàchts hier — „Wat is er de drank?” — „Bij m’n eg en m’n ploeg!” Riep hij uit, „dat is bier, bier-bier-bier — ’s morgens vroeg, En ’s middags bier, ’s avonds bier, ’s nàchts bier!”

„Maar luister eens,” zeiden we, ietwat bedeesd, — Want die melk-knecht bleek lang niet van gister! — Maar dat intrigueerde ons toch nog het meest, „Is-t-er dan een speciaal-Duitsch kultuurlijke geest?” „Nou reken maar!” sprak hij, „die is-t-er!”

„Wat dunkt je van Treitschke?” zoo gingen wij voort, „Wat is jou idee van Bernardi?” „Zeg, as-je-me-nou!” sprak de melk-knecht verstoord, „O ja, toch, daar hè ’k wel ’s wàt van gehoord...... Maar ’k weet ’t niet meer. Ik verwar die — ”

Men kan zeker niet op hetgeen wordt beweerd Door een Hollandschen melk-knecht maar, afgaan, Wanneer men zich sterk voor „Kultur” intresseert. Maar alles wat hier omtrent „Bier” wordt geleerd, Zal menigeen toch nog doen paf staan.

Charivarius is net als het deftige blad, Hij gelooft ook maar zóó niet, wat elk zeit, Maar als _hij_ „Kultur”-vorschings-neigingen had, Ging _hij_ voor een klein interviewtje op ’t pad...... Met een knappe en krachtige =melk-meid=!

30. WE WONEN IN EEN HOUTEN HUIS.

Gerijmd na het lezen van Prof. Kernkamp’s „Hou zee!” — Prof. Dr. Kernkamp. _De Europeesche Oorlog._ Uitg. _Tjeenk Willink & Zoon_, Haarlem.

We wonen in een houten huis, en ’t dak dat is van riet, De heele straat staat al in brand, alleen ons huis nog niet. Stel, er gebeurt een „ongeluk”: een schip geramd — gebomd, Dan kan het zijn, gebeurt het meer, dat eindlijk d’ oorlog komt. (1) Of — als een deel van zeekre vloot in onze waatren drijft, En niet wil gaan — dan weet de Heer waar onze vrede blijft! (2) Geval 1 drijft ons goede land in d’ armen van vriend A, Dan volgen w’ hem en doen hem enthousiast in alles na. Maar worden wij naar B gekwakt — dat is dan geval 2 — Dan fluks aan B ons hart verpand, dan dwepen we met B. In elk geval doen we dan mee met al ’t gepoch, ’t gescheld, En iedre A (of B) is „Hun”, en B (of A) een „Held”. ’t Hangt alles van het toeval af, van één schot — van één schip, We rollen links of rechts, we zitten midden op de wip. Bij (2) wordt Raemaekers gespietst, de _Telegraaf_ verbrand, Bij (1) treft generaal Prins dat treurig lot — en ’t _Vaderland_. Gij andere bladen! weest bereid, en houdt je pen gereed, De oorlog dreigt van elken kant, en is er vóór je ’t weet. Schrijft van „barbaarsch-heid” en „kultuur”, artikelen, zin voor zin, Je laat maar open: „A” of „B” — dat vul je later in. Weest klaar! de straat staat al in brand, alleen ons huis nog niet, Maar denkt ’r om: ’t is een houten huis, en ’t dak dat is van riet...

31. LEUZEN-RIJM.

„De valsche leuze is een onmisbaar oorlogswapen...... Zij is bestemd voor de outsiders...... Men gevoelt, dat de oorlog een zoo afschuwelijk iets is, dat „belangen” niet volstaan om hem te rechtvaardigen; door edeler doel moet het afzichtelijk middel worden geheiligd.” _Prof. dr. Kernkamp. De Europeesche oorlog. Uitg. Tjeenk Willink en Zoon, Haarlem._

In de lang vervlogen tijden, in de dagen van weleer Streed men om „belangen”, Macht en Rijkdom, Grootheid, en zoo meer. Thans vecht niemand om motieven van een dergelijk laag allooi, Dààrom juist is deze oorlog zoo verheffend en zoo mooi.

Hoog en heerlijk is de _leuze_, die elk Volk in ’t Vaandel voert, Wij Neutralen lezen z’ alle, vol bewondering, diep geroerd...... Maar nu wordt toch tegenwoordig ’t aantal wel zóó uitgebreid, Dat ’k ze maar eens heb verzameld — want je raakt de tel haast kwijt.

Ach! in Oostenrijk werd plotseling Vrede en Eendracht ruw verstoord: ’t Koningspaar werd daar laaghartig door — wie was ’t ook weer? — vermoord. En men zond een ultima... pardon! een „Nota” net op tijd; Trok ten slotte ’t zwaard — alleen ter wille der _Gerechtigheid_!

Rusland, in de gansche wereld, (ook in Finland) zoo geliefd, Was door ’t harde lot van Servië tot in ’t diepst der ziel gegriefd. ’t Volk van Knoet, Kozak, Siberië is met zooveel leeds begaan: _Ter bescherming der verdrukten_ scharen zij zich om de vaan.

Frankrijk, ’t land van politieke Orde, Eerlijkheid en zoo, (Wie herdenkt niet met genoegen Dreyfus en ’t proces-Caillaux?) Steunt met roerende verkleefdheid zijn bedreigden bondgenoot, Onder d’ aanhef van de leuze: „_Trouw, ja trouw tot in den dood!_”

„Deutschland, Deutschland über Alles!” is een hoogst bescheiden air, De Uhlaan is vredelievend — Pruisen anti-militair, Duitschland schuwt, verfoeit den oorlog, haat het vechten en het vuur, Is tot dezen strijd _gedwongen_ — vecht _voor Vrijheid en Kultuur_.

Engeland is _dol_ op Duitschland, voelt geen _greintje_ jaloezie Op zijn sterken jongen nabuur — _denkt_ niet aan hegemonie! Strijdt voor ’t Recht der Kleine Staten — zooals België (en Transvaal), Voor _’t goed recht der kleine staten_! Hoor je ’t wel? Dat’s andre taal?

Nippon! Nippon yusen kaisha, watakushin Engeland, Yen, Yi-Yitsu, kakimona, ’t gele ras, de broederhand, Ra Mikado sore geisha, hari-kiri Albion’s keus, „_Mizugwashi fuji sama rokuban!_” is dààr de leus.

In Turkije, schoon Turkije, waar Geloof en Vrijheid bloeit, Is voor dezen _Heilgen Oorlog_ plots de Turksche borst ontgloeid, En millioenen Muzelmannen strijden met den vromen kreet: _Allah is_ (Onze Oude) _Allah — Mahomed is zijn profeet!_

België alleen vecht zóó maar — wreed geteisterd door het lot — Zonder mooie telegrammen, zonder eigen Ouden God. ’t Arme België kon niet eens — wat iedre nette natie doet — Kon niet eens een leus bedenken! België vecht... _omdat het moet_!!

32. REIK MIJ DE HAND, OF......

De Duitsche vredesengel spreekt: „In het gevoel van de _overwinning_, die gij door uw dapperheid hebt behaald, heb ik den vijand een vredesaanbod gedaan... _met Gods hulp_ hebben onze dappere troepen dezen toestand geschapen...... de _heldendaden_ onzer duikbooten...... de geniale aanvoering en de _heldhaftige daden_ onzer troepen...... de keizer gaf het bevel tot mobilisatie, dat hem door de Russische mobilisatie was _afgedwongen_...... ter verdediging van ons bestaan zijn wij destijds _gedwongen_ naar de wapens te grijpen...... de _heldendaden_ onzer legers...... de ons _opgedrongen_ oorlog...... besloten tot het _zegevierende_ einde voort te zetten...... in 1914 hebben onze vijanden de machtskwestie van den wereldoorlog gesteld, vandaag stellen _wij_ de vredeskwestie der menschheid... de kalmte die onze uitwendige kracht, en de innerlijke kracht van _ons rein geweten_ geeft...... vijanden, met vernietigings- en _veroveringsplannen_...... door de uittartingen en bedreigingen in 1914 _gedwongen_ naar het zwaard te grijpen...... _arglistige_ aanslagen...... voorwaarts stormend en _overwinnend_, de plannen van den vijand te schande gemaakt...... verdediging tegen een reeds lang beoogden en _afgesproken aanval_ op haar voortbestaan...... verdedigingsoorlog tegen het _vernietigingswerk_ der vijanden...... Het zal in de geheele wereldgeschiedenis zeker niet zijn voorgekomen, dat een _overwinnende_ mogendheid den _overwonnen_ tegenstander, voordat zij overgaat tot het volledig partij trekken van de overwinning, zoo grootmoedige en edelmoedige vredesaanbiedingen heeft gedaan...... enz.”

_Plaats der handeling:_ een achterbuurt.

_Personen:_ Kees en Hannes, twee vechtersbazen, even sterk.

Kees, al vechtende:

Hannes, ’k wil eens met je praten, Kom, gebruik nou je verstand! Zoud’ we ’t vechten maar niet laten? Toe. Hou op. Hier is mijn hand.

Jij bent onzen twist begonnen, Maar je stoot je kop kapot! ’k Heb je altijd overwonnen, Met behulp van m’ eigen God.

Ik ben tot ’t gevecht gedwongen, Dat jij valsch had voorbereid, Dat jij mij hebt opgedrongen, Met bedrog en listigheid.

Jij hebt mij er toe gedreven, Daar helpt geen ontkennen aan. _Ik_ heb d’ eerste trap gegeven...... Anders dan had _jij_ ’t gedaan!

Nu ’k je dus heb overwonnen, Nu bewijs je maar eens gauw, Dat _jij_ niet zou zijn begonnen! De bewijslast rust op jou.

Jij zocht — ben je ’t soms vergeten? — Jij zocht ruzie, om de macht; Vlekloos rein is mijn geweten, Ik heb moed en ik heb kracht.

Ik ben braaf en ik ben goedig, Man, je weet niet wat je waagt! Nu — hoe groot — en edelmoedig! — d’ Overwinnaar vrede vraagt!

’k Heb het biddend overwogen, Grijp je nu mijn hand niet gauw, Dat ’k je zonder mededoogen, Met Gods hulp in stukken houw.

Verder vechten is onzedelijk, Help ons beiden uit den nood! Kom, ik praat toch kalm en redelijk: Doe je ’t niet — dan trap ’k je dood!

_Moraal:_

O, pochend, pralend, brallend volk, wees wijs, kom tot bezinning! Wanneer je Vredesengel speelt — snoef niet op j’ overwinning!

33. WIJ!

Sonnet, ingegeven door een artikel van prof. dr. R. Eucken, van Jena, in het _Handelsblad_.

„...... want aan ons is als aan geen ander volk door de Voorzienigheid de zorg voor het innerlijk, voor de eigenwaarde van het menschelijk bestaan toevertrouwd.”

Aan ons is als geen ander volk door God de zorg voor ’t innerlijk, voor d’ eigenwaarde van gansch het menschelijk bestaan op aarde vertrouwd. Vol vreugd volvoeren wij ’t gebod.

Op ons, die trouw onze oude God bewaarde geweldig, ongeketend, ongeknot, op ons rust thans de plicht — benijdbaar lot! — om onzen geest te spreiden, met den zwaarde.

Geen vijand zal ons zege-heir weerstaan; Klaar klinkt de krijgsklaroen, kartetsen knetteren! Wij vreezen =God= — ons kan geen =mensch= verschrikken!

Zoo mogen d’ andre volkren ondergaan; Wij zullen wie ons wederstreeft, verpletteren!...... En dan ’t Heelal met onzen geest verkwikken.

34. DE SNOEVERS.

Eenvoudig rijmpje van een nuchter neutraal.

„_Wir Deutsche_ sind unter allen Völkern von der Vorsehung ausersehen an die _Spitze_ aller der Kultur in der _ganzen Schöpfung_. Unterwerfung unter unserer in jeder Hinsicht überlegene Leitung ist das einzige und sicherste Mittel zu einer gedeihlichen Existenz für jede Nation.” — _Hengel._

„Engeland moge zulke leugenachtige toespraken gaarne hooren; de Duitscher, die doortrokken is van de zedelijkheid („der von oben bis unten voller Moral sticht,”) verdraagt ze niet.” — _Kreth, in den Rijksdag._

„......want aan _ons_ is als geen ander volk door de Voorzienigheid de zorg voor het innerlijk, voor de eigenwaarde van het menschelijk bestaan toevertrouwd.” — _Prof. Eucken, Hoogleeraar te Jena._

„_Wij Duitschers_ staan hoog boven aan, _Wij_ schrijden aan de spits, _Wij_ wijzen weg, _Wij_ breken baan. _Groot-Duitschland_ is de gids.

_Wij Duitschers_ gaan in alles voor, Wat edel is en schoon, _Wij_ richten ’t Al in ’t rechte spoor, _Groot-Duitschland_ spant de kroon.

God heeft de volkren van deez’ aard Gerangschikt op een rij; Ze staan naar kwaliteit geschaard, En nummer één zijn _Wij_.

In deez’ Ons opgedrongen strijd Verbrak’ _Wij_ nooit Ons woord; _Wij_ hebben Hoch-kultur verspreid In Leuven, enz.

Het Belgisch volkje hebben _Wij_ Menschkundig aangepakt; _Wij_ voeren dan de heerschappij Met heel veel fijnen takt.

_Wij_ hebben ’t menschdom laten zien, Hoe groot en goed _Wij_ zijn, Met duikboot en met Zeppelin, En gassen van venijn.

_Wij_ hebben hier een Kroonprins — o! Zoo wars van bloed en strijd, Die van Zijn leven nimmer kro- kodillen-tranen schreit.

Klein Holland en Amerika Behandelen _Wij_ gelijk: De Sussex...... de Tubantia...... Palembang...... Blommersdijk......

Zorgt, dat ge onder _Onze_ lei- ding, _Ons_ beheer geraakt, Want ’t uitverkoren volk zijn _Wij_, _Wij_ zijn zoowat volmaakt.

_Wij_ zijn veel beter dan de rest, _Wij_ zijn van zonden vrij, Het braafst, het reinst, het hoogst, het best Zijn _Wij_, zijn WIJ, zijn WIJ!” .............................................

’t Is allemaal waar, ’t is allemaal goed, Geen fout heb j’ ooit begaan, Wat ’t Godgevallig Duitschland doet, En deed — is welgedaan.

Alleen — je zegt het zelf zóó vaak, Dat j’ iedereen verveelt, En zoo van ieder man van smaak De sympathie verspeelt.

Een arme „Fremde” ben ik maar, Maar _dit_ zeg ik je toch: Je maakt de wereld wee en naar Met jullie mal gepoch.

35. DIVINA COMOEDIA.