Ruize-rijmen

Part 5

Chapter 53,687 wordsPublic domain

Zie je nog zoo’n stakkerig troepje, Stijf van schrik, van doodsangst stom, Eén goed schot, en ’t schommelend sloepje — Slaat met ’t heele zootje om.

Zie je ’n drenkeling, even later, Die zich vastklampt aan een hout, Prachtig mikpunt: kop uit ’t water! Paf — en ’t Schwein is d’r om koud!

Dat geen stervling wederkeere! Al wat leeft, dat moet kapot; Moordt er raak op los, ter eere Van onz’ ouden Duitschen God.

Volgt mijn raad dus; weest verstandig, Dan bè j’ hartlijk welkom thuis, En schenkt Wilhelm j’ eigenhandig, Een voor één, het ijzren Kruis.”

Luxburg, ’k wil je niet verhelen. ’t Is niet hoffelijk, misschien, Maar als ’k _jou_ zag vierendeelen — ’k Zou het met genoegen zien!

Van een „Duitschen God” te spreken Staat je volk volkomen vrij: Daar is ook — ’t is nu gebleken — ’n „Duitsche Duivel”. Dat ben jij.

10. OLIEVERF-RIJM.

„Als uiterlijke gedachtenis schenk ik u, Hindenburg, mijn portret in olieverf, dat u vandaag zal worden toegezonden.” _Wilhelm, I. R. — N. v. d. D._

Z. M. dicht ook. Charivarius veronderstelt dat iets als ’t volgende de schilderij tot Geleibrief gestrekt heeft.

„Gij, schuts van onzer vaad’ren erf, En in mijn dienst vergrijsd, Hierbij Mijn Hoofd in olieverf, In zwaar vergulde lijst.

Gij, held, geen drie-, maar duizendwerf! Dien ’t menschdom eert en prijst, Aanvaard Mijn Hoofd in olieverf, In zwaar vergulde lijst.

Gij, die zoo vaak voor Rus en Serf De Rijksvaan dreigend hijscht, Gij krijgt Mijn Hoofd in olieverf, In zwaar vergulde lijst.

Gij zijt den vijand ten verderf, Wat uw succes bewijst; Dies stuur ’K u MIJ — in olieverf, In zwaarvergulde lijst.

„Koom nooit de tijd, dat ik u derf!” Dat bidt uw Vorst — neen _eischt_ — Bij dit portret in olieverf, In zwaar vergulde lijst.

Wat er verbrokle of verscherv’ — Dat maakt Mij nog het blijst — Niet dit portret in olieverf, In zwaarvergulde lijst.

Wáárin het mes des tijds ook kerv’ Wááraan de worm ook spijst — Niet aan Mijn Hoofd in olieverf, In zwaarvergulde lijst.

En, nadert d’ ure, dat Ik sterf, Mijn Ziel ten hemel rijst, Gij houdt ME — al is ’t in olieverf, In zwaarvergulde lijst.

Eens zal ’K ten prooi zijn aan bederf, Zelfs Ik — wie ’t hoort, die ijst! Maar nooit Mijn Hoofd in olieverf, In zwaarvergulde lijst.”

— — — — — — — —

Nu weet ’k geen woorden meer op -erf, En ook geen meer op -ijst, Vaarwel dus, hoofd in olieverf, In zwaarvergulde lijst!

11. DE TIEN.

De Toorts vermeldt met blijdschap, dat een tiental Nederlanders zich bereid hebben verklaard een professoraat aan de Gentsche hoogeschool, in Duitschen dienst, te aanvaarden.

Gij hebt u dan bereid verklaard, nietwaar? Om België’s overweldiger te dienen, Gij buigt u blij voor den geweldenaar, Gij, met uw tienen.

Gij zult doceeren in den geest en trant, Door d’ allerhöchste Stell’ u voorgeschreven, En zóó den zonen van ’t geteisterd land Uw wijsheid geven.

Ziet — nu reeds, vóórdat Duitschland is geslaagd Gansch België en zijn Koning te bedwingen, Begint het al zijn weldaân, ongevraagd, Hun op te dringen.

Hoevelen had men al vergeefs genood? Het waren de hooghartigen, de sterken; Als onderkruipers voor wie d’ eer ’t verbood Gaat gij daar werken.

Van Keizer Wilhelm’s wege aanvaardt g’ uw ambt, Uw rechten en uw plichten, uw belooning; Maar Wilhelm niet — neen, Albert, die daar kampt, _Hij_ is uw Koning!

Hij — die daar stille strijdt voor huis en erf, Dien d’ overmacht verslaan kon, noch verlammen, Die geen Portretten stuurt, in olieverf, Of Telegrammen.

In dienst van hem, die België heeft geknecht, Zult gij u richten naar zijn hoog verlangen, Een deel der boeten, België opgelegd, Als loon ontvangen.

Voor wat de vijand aan dat volk misdeed Zult g’ onderdanig uw bewondring veinzen; Bij ’t zien van al dat onverdiende leed Zoet-schmeichlend grijnzen.

Maar als voor trouw-loos Duitschland d’ ure slaat, En België’s vlag weer waait in sted’ en dorpen, Dan wordt gij, weet dat wel, met hoon en smaad Er uitgeworpen.

Gaat. Huldigt door uw daad de Duitsche leer: Verdragen zijn maar vodjes — om te brande’! Gaat. Uw professorstitel acht g’ uw eer — Hij is uw schande.

12. ’T WORDT WEER AANGEVULD.

_Troostrijm voor den Oudejaarsavond, opgedragen aan De Moeders._

„Tegenwoordig kunnen wij het normale verlies der troepen bijna geheel door de jaarlijksche vermeerdering der manschappen aanvullen.” — _De O. H. Minister van Oorlog._

„I didn’t bring up my boy to be a soldier.” _Amerikaansch liedje._

„Moedertje, vanwaar die tranen? Heb je zoo’n verdriet? Heb je niet genoeg te eten, Brandt je vuurtje niet?”

„„’k Heb geen honger, ’k voel geen koude, ’k Ben gewend aan nood; ’k Werk me warm, ’k denk niet aan eten, Maar mijn kind is dood.””

„Dapper heeft uw zoon gestreden, Kijk maar in de krant; Schoon is ’t, Moedertje, te sterven Voor het Vaderland!”

„„’k Lees geen kranten, want mijn oog is Dof van droefenis; ’k Weet alleen maar dat mijn jongen Weggenomen is.””

„Maar zijn naam zal in ’t Geschiedboek Staan, met eer vermeld; Voor zijn Volk en voor zijn Keizer Stierf hij als een held!”

„„Voor zijn Volk en voor zijn Keizer Bracht ’k mijn zoon niet groot; Roem en eere zijn gebleven, Maar mijn kind is dood.””

„Troost je, Moeder. Droog je tranen! Draag het met geduld; ’t Is ’t normaal verlies der troepen, ’t Wordt weer aangevuld.”

13. IN DEN GULDEN RIDDERTIJD.

(„In den Gulden Riddertijd.” — _Marlowe-Pisuisse._)

In den gulden riddertijd Was er schoonheid in den strijd, Streed men niet in leelijk kakhi, Maakten handelaars geen zaakie Uit den oorlog, met profijt — In den gulden riddertijd.

In den gulden riddertijd Was er stoere eerlijkheid, Waren er geen persberichten Om het volk valsch voor te lichten, Haat te zaaien, haat en nijd — In den gulden riddertijd.

In den gulden riddertijd Raakte men zijn hoofd niet kwijt, Hooggeleerde professoren Deden geen betoogen hooren Mal van oppervlakkigheid — In den gulden riddertijd.

In den gulden riddertijd Trad de ridder kalm in ’t krijt, En geen dikke telegrammen Om den moed te doen ontvlammen Werden onder ’t volk verspreid — In den gulden riddertijd.

In den gulden riddertijd Werd er stevig gerammeid, Hard geslagen, fel gestooten, Maar niet met _dum-dum_ geschoten, Die ’t gebeent’ in splinters splijt — In den gulden riddertijd.

In den gulden riddertijd Was op d’ _open zee_ de strijd, Deden geen verborgen mijnen Schepen machinaal verdwijnen, Zonder moed en dapperheid — In den gulden riddertijd.

In den gulden riddertijd Was er edelmoedigheid, Was er geen gemeene duikboot, Die een schip laag in den buik schoot Als een dief, die ’t daglicht mijdt — In den gulden riddertijd.

In den gulden riddertijd Streed men niet des duivels-strijd, Wierp geen vliegersvloot in drommen Vrouw en kind met helsche bommen, Streed men niet als Satan strijdt — In den gulden riddertijd.

In den gulden riddertijd _Bleef_ men ridder in den strijd. ’t Bethmann-Hollwegiaansche knoeien, ’t Draaien, placht men te verfoeien, Eens gezeid — dat bleef gezeid! — In den gulden riddertijd.

In den gulden riddertijd Was er openhartigheid, En voorzichtige neutralen Zwegen niet in alle talen. Over ’t onrecht in den strijd...... In den gulden riddertijd!

14. „SCHIMPT HEUSCHELIJCK!”

_Leerdicht voor de Belgische dames._

„De 16-jarige gravin Hélène Jonke d’Ardoye is door het Duitsche Gerechtshof te Brussel tot 3 maanden gevangenisstraf veroordeeld, omdat zij op de Boulevard een Duitsch officier op de grofste wijze heeft beleedigd. De gevangenisstraf is verdiend wegens de gemeene uitdrukkingen, waarvan de gravin zich bij die gelegenheid bediende, en die een opmerkelijk _gebrek aan takt_ en opvoeding verrieden. Hare grootmoeder, die aan de beleedigingen deelnam, moest evenzeer met gevangenis worden bestraft. Het is te hopen dat deze vonnissen den Belgischen vrouwen tot waarschuwing zullen strekken.” — _Wolff’s Bureau._

Een jolig, jong gravinnetje Liep langs de Boulevard, Een kuiltjen in d’r kinnetje, Een krultjen in d’r haar. En naast haar liep haar grootmama, Daar keek natuurlijk niemand na.

’t Was heusch een lief gravinnetje, Zoo vriendelijk als de dag, Maar — nijdig als een spinnetje, Zoodra z’ ’n Duitscher zag! Dan uitte ze de grofste taal — En grootma had dezelfde kwaal.

Daar komt een stramme luitenant, Hij vult de halve straat, Echt Pruisisch aan den buitenkant, Al is zijn hart niet kwaad; Zijn snorren wijzen, in een boog, Naar onzen oude, daar omhoog.

Hij doet...... enfin ge kent ze wel — Luid briest zijn hoog-Germaansch, Zijn stem is tien percent te schel, Zijn kleur kalkoensche-haansch; Zijn blikken schieten twee en veer- tig centimeters vonk’ — en meer!

„’k Wou dat ’k die vent zag hangen, heusch!” Roept grootma — veel te luid, En sist, en trekt een langen neus...... Daar krijscht gravinnetje uit, Wijl z’ op haar paarlen tandjes knarst: Loop naar den bl...... M.f, en — !!!!!

Nooit is den luit, zijn leven lang, Zoo’n smaadheid aangedaan, Hij schrikt, en schijnt zelfs even bang...... Maar — ’t komt haar duur te staan: Ja, dames, ’t is niet na je zin, Maar...... allebei de bajes in!

Een vrouwenmond staat zelden stil, Hij kleppert onverveerd, Maar, dames, àls je schelden wil, Scheldt dan gedistingeerd! Waarom is Jonke opgepakt? Van wege haar _gebrek aan takt_.

Het lot van ons gravinnetje Zij u een les, voorgoed; Zegt nooit zoo’n leelijk zinnetje, Als g’ ook zoo’n luit ontmoet, Zegt heel beleefd: „Pardon, meneer, Wees u zoo goed en...... explodeer!”

15. DIETSCHLAND, DIETSCHLAND, UEBER ALLES!

„Opgericht is de _Dietsche Bond_, met het doel de onderlinge toenadering der Dietschers, de ontwikkeling der Dietsche sprake, enz. Bestuur: Prof. Steinmetz, e. a.” — _Bericht in de bladen._

„Wat heb ’k nou an me fiets hange?” — _Populair gezegde._

Dietsch, Dietsch, Dietsch! Wat hangt er an me fiets? Ik vraag j’, of dàt niet wat belooft, Zoo’n ding met...... _Steinmetz_ aan het hoofd En nog zoo’n stuk of zes? Nou, reken maar van yes!

Dietsch, Dietsch, Dietsch! Zeg, zegt dat woord je niets? Mij wel. Dit ’s de beteekenis: Dat „Holland” bijna „Duitschland” is; Ja. Al dat „Dietsch” gedoe Drijft ons naar Duitschland toe!

Dietsch, Dietsch, Dietsch! Zoo heet het niet voor niets! Dietsch — Duitsch — dat ’s „taal- en stamverwant.” Zoo naadren wij...... lang-za-mer-hand...... Zoo loopt het zaakje best, En volgt vanzelf — de rest!

Dietsch, Dietsch, Dietsch! We weten nu toch iets: Dat ons die Dietsche Dietschers-boel Iets dietsch wil maak’ omtrent zijn doel; Maar, Dietsche, Dietscher, „Dietsch” Is — _Duitsch_, en anders niets!

Dietsch, Dietsch, Dietsch! Ik ben aan ’t eind mijns lieds. O, Dietscher-zonder-vrees-of blaam, Kom, noem je met je waren naam, Dan weten we ’t precies: Dus, lummel, noem je...... Pries!

16. O, GIJ, EENS DE ZON VAN MIJN LEVEN.

_Toekomstbrief van een Neutraal aan Gretchen, zijne Duitsche Beminde._

Het Duitsche Tandheelkundig Weekblad oppert het denkbeeld om aan gesneuvelde vijanden de tanden uit te trekken, teneinde de gebitten der Duitschers te herstellen; vooral de tanden van de gevallen Russen worden aanbevolen, daar ze bijzonder wit en sterk zijn. — _N. Gr._

O, gij, eens de zon van mijn leven, Mein Gretchen, aanbiddelijk kind! Gij hadt mij den hemel gegeven, Wat heb ik u innig bemind! Mijne ziele verhief Zich zoo zalig, mijn lief, Als de wolk op de wiek van de wind. „Ffff......t!”

Wat hebben wij samen genoten, Zacht fluisterend in ’t suizende bosch, Waar meerlen ons minnelied floten, Wij, schouder aan schouder, op ’t mos! Als lelie en roos Kind, zoo scheen, bij ’t gekoos, Mij het blank van je hals, en je blos. „Ssssss......t!”

En als ik dan, minnelust-dronken, Je kuste, mijn lief, op je mond, Al streelend, in weelde verzonken, Je vlecht van het vlassigste blond, Dan zuchtten wij zacht Van de Liefde, die smacht, En de zephiren ruischten het rond. „Hhhhhh......!”

Toen heb j’ eens gezegd, lieve Greetje, Dat alles heel echt aan je was; ’k Geloofde je daadlijk, dat weet je: ’k Geloof in de trouw van je ras. Maar je voegde er bij: „Slechts die tand, hier op zij, Zoo sneeuwwit, en zoo glimmend als glas, („Hm!”)

Die heb ik er in laten zetten.” Zoo sprak je, en gaf mij een kus...... Ach! dàt zal ons huwlijk beletten!! Want ’k las....... (zie hierboven) en dus...... Ik ka’ j’ niet meer zien!! Want die tand is...... misschien Wel gerukt uit het lijk van een Rus!! „Brrrrr!!”

17. ACH, DEDEN WIJ OOK MAAR MEE!

Een Amerikaansch oud-senator schrijft in de _Times_: „In Amerika hoort men nu herhaaldelijk uitingen van leedwezen, om niet te zeggen van teleurstelling over de omstandigheid, dat de Vereenigde Staten zich niet in den grooten wereldkrijg gemengd hebben.”

Wat is het toch akelig duf en saai, die eeuwige pais en vree! Lang leve de frissche, de vroolijke krijg! ach, deden wij ook maar mee!

Bij ons is er niemand met haat bezield, met hevigen, blinden haat, Voor iederen man en voor iedere vrouw, en kind, van „den anderen staat.”

Wij hebben nog wel wat waardeering hier, al maken w’ ons soms wat boos, Wij zien toch het goede in ieder land — wat laf! wat karakterloos!

Bij ons wordt er rustloos gewerkt, gezwoegd voor ’t leven, voor ’t dagelijksch brood, Ginds werkt men alleen voor een nobeler doel, veel prettiger: voor den dood!

Hier zie je niet ieder gezin in rouw, om vader, of man, of kind, Hier zie je de straten niet volgepropt met monsters, verminkt en blind.

In Duitschland spelen de kindren al een heel aardig spel op straat, ’t Is origineel, en goed bedacht, het heet „De gewonde soldaat.”

Een doekj’ om het hoofdje, rood geverfd, hij komt er zoo uit ’t gevecht, Hij speelt dat hij sterft, de oogjes dicht, hij doet het heel leuk, net echt.

De kinderen spelen hier nooit zoo iets, ze kunnen ’t niet eens, misschien: Ze hebben waarschijnlijk hier nog nooit ’n gewonde heusch gezien.

Hier zijn nog de jongens zoo gaaf, zoo heel, ’t verveelt je. Wat ’s dáár nou an? Dáár zie je ze overal bij de vleet, de stompjes gewezen-man.

Wij hebben ’t nu allemaal goed gezien, hoe heerlijk het is. Hoezee! Lang leve de frissche, de vroolijke krijg! ach, deden wij ook maar mee!

18. DAT IS HET!

_Tubantia-rijm._

„Een jongmensch uit de machinebranche verzekerde ons: „Ik geloof evenmin aan een torpedo als aan een mijn. Naar mijne meening was de een of andere kist in het schip de oorzaak. Van dezelfde meening zijn ook alle geredden.”

_Kölnische Zeitung._

Wijze: „_’t Is zoo deftig, ’t is zoo fijn, Vegetariër te zijn._”

Waardoor is het schip gezonken, Zijn de menschen haast verdronken? Was, als reeds zoo vele keeren, Duitschland weer aan ’t torpedeeren? De regeering informeerde, Waarop Duitschland repliceerde, Met een verontwaardigd antwoord, Dat bij ’t vredelievendst land hoort: Dat je zóó iets kon gelooven, Dat gaat ons verstand te boven, Holland moest ons zoo niet krenken, Foei! hoe _kon_ het dààraan denken......! Laat’ we dus maar niet meer gissen, En eenvoudig dit beslissen: Geen torpedo en geen mijn — Dus het moet...... de _zeeslang_ zijn!

Engeland had, naar ieders oordeel, Met dit wanbedrijf geen voordeel, En hoewel de Duitsche bladen Gauw de schuld op Albion laadden, Engeland van ’t werk betichtten Lachen wij om die berichten, Laat’ we dus maar niet meer gissen, En eenvoudig dit beslissen: Geen torpedo en geen mijn, Dus het moet de zeeslang zijn!

Wat de Kölnische bedacht heeft, Dat een kist de ramp gebracht heeft, Schijnt een zeer gegrond vermoede’, Maar het blad houd’ ons ten goede, Dat we even twijflen durven...... Laat’ we dus maar af gaan turven: Dit niet — dat niet — dit niet — dat niet — Een toevallig lek niet — gat niet — Dit niet — dat niet — dit — dat ook niet — Heks niet — booze fee niet — spook niet — ’t Is de mysterieuze kist niet — Engeland is ’t niet — Duitschland is ’t niet — Laat ons dan niet verder gissen. ’t Staat nu vast. Het kan niet missen: Geen torpedo en geen mijn...... Ja! het _moet_ de _zeeslang_ zijn!

19. WANHOPIG BESLUIT VAN EEN GESLINGERD KRANTENLEZER.

„Dronken of gek — wie meenen, dat een Duitsch officier te hoog staat voor deze qualificaties, hoe anders kunnen zij het gebeurde met de Artemis verklaren, waardoor een brandmerk is gedrukt op de Duitsche marine? — Zoodat wij, in afwachting van een verklaring, die voor den betrokken officier minder onaangenaam is, voorloopig alleen de keus hebben tusschen bovengenoemd alternatief.” — _Prof. Kernkamp, De drijvende dood._

„Van welke zijde men de zaak ook beziet, is het optreden van de Engelsche regeering in deze kwestie — de aanhouding der effecten — als een ongehoorde rechtsschennis aan te merken, waardoor roekeloos met de sympathieën der neutralen wordt gespeeld.” — _Hbl._

Eens was ik pro-Duitsch — maar dat kun je niet blijven, Als j’ even bedenkt, wat ze doen, Die Duitschers, in ’t dwaze, doldriftige drijven, Teg’ ieder begrip van fatsoen, Hoe groot, en hartgrondig, rechtvaardig de grief is, Nu rede noch oordeel meer geldt, Nu „dronken, of gek” slechts het alternatief is, Aan Duitsch’ officieren gesteld. (_Tubantia????_) Artemis! en zoo veel meer nog, Te veel voor mijn kleine bestek; Wat wacht ons nog meer van dien kant? Hoeveel keer nog Zal ’t klinken, het „dronken, of gek?” Ook was er een tijd, dat ik hevig pro-Britsch was, Wat leek mij mijn vaderland klein! Toen d’ Engelsche spirit mijn leidsman, mijn gids was, En ’k bijna een Brit wilde zijn! Maar als ik nu opmerk, hoe trotsch en verwaten, Hoe strijdig met regel en recht, Brittannia, spottend met alle tractaten, Beslag op onz’ eigendom legt, Nu komt mij de twijfel de ziel ondermijnen, — Hoe graag ’k dit gevoel overwon — Nu zie ’k sympathie en bewondring verdwijnen, Versmelten, als sneeuw voor de zon.

Nu elk van de twee ons zoo bar op de kop zit, Ons hoont, krenkt, ons minacht, in ’t kort, Nu vrees ik wel, dat er niet anders meer op zit, Dan dat ’k maar... pro-Nederlandsch word!

20. DIE GROSZE ZEIT.

„Bilder aus groszer Zeit” — _Gebruikelijk opschrift in Duitsche illustraties._

Wie sukkelt aan produitserigheid, Die zwetst — je weet ’t van te voren — De Duitschers na van „Grosze Zeit,” En dankt zijn Schepper dag aan dag, Dat hij dien tijd beleven mag. Dat schijnt er nu zoo bij te hooren.

Toen d’ oorlog uitgebroken was, Dien wij vervloeken en verwenschen, Die schande voor het menschenras, Toen schenen de bedrijvers mij Verblinden, als in razernij, Verdwaasde, geesteskranke menschen.

Maar toen daarna, langzamerhand, Het schelden toenam, en het kijven, Zoowel aan d’een’, als d’ and’ren kant, Toen kreeg ’t geval ten slotte veel Van ieder achterbuurt-tooneel: Een zooi bezopen Zeedijk-wijven.

Toch schijnt het tegenwoordig al Zoo mooglijk nog weer te vermind’ren. ’t Is niet meer erg. Alleen maar mal, Het „Wel-is!” „Niet-is!” „Jij!” „Nee, jij!” Hier past nog maar een grimlach bij, Als tegen nare, stoute kind’ren.

21. DE GROOTE TOEVLUCHT.

De luchten zijn onwederzwanger, De donder dreunt dof door den nacht, De nooddruft nijpt banger en banger, Maar Holland is wakker, en wacht. Waar Armoê zich mat weent en moe zucht, Daar wenkt, als het Licht op de reê, De groote, genadige Toevlucht: Het Steuncomité.

In deze bedroevende dagen, Nu alles een slakkengang gaat, Wordt menige werkman ontslagen, En staat met de zijnen op straat. Goddank dat de man nog bewaard blijft Voor honger en nameloos wee: Wie zorgt, dat hem schande bespaard blijft? Het Steuncomité.

Arm moedertje zit er te peinzen, Nu ’t monster van Nood en Gebrek Kil-kijkende gram staat te grijnzen, Zij rilt in haar schamel vertrek. Haar jongen, haar kostwinner, hangt maar Wat om — zonder werk, ontevreê...... Met opene armen ontvangt haar Het Steuncomité.

Het heertje, dat niet veel te doen heeft, Niet werkt en niet drinkt en niet speelt, Het meiske, dat last van fatsoen heeft, Zoodat ze zich chronisch verveelt, (Haar wangetjes zien er al wit van!) O, is het geen troostrijk idee! Die worden nu allemaal lid van Een Steuncomité.

En als deze oorlog voorbij is, Dan doeken de steunclubjes op; Natuurlijk dat iedereen blij is, Maar ’k vin’ ’t voor de leden een strop; Want evenals iedere zeeman Op ’t land weer verlangt naar de zee, Zoo mist dan de Steuncomité-man Zijn Steuncomité.

Ja, zóó als de visch naar het water, De drenk’ling in zee naar de plank, De kat op het dak naar den kater, De pimpelaar snakt naar den drank. De loerende Duitsche onderzee-er Naar ’n Engelsche trawler, of twee...... Zóó snakt dan de steuncomité-er Naar ’t Steuncomité.

22. IK HEB NU NET EEN JAAR GEMOORD.

Bloedrijm, opgedragen aan allen, die het schoone in den oorlog nog weten te waardeeren.

„_Wat moet mijn zoon worden?_” (De zoon is de held aan ’t front.)

Ik heb nu net een jaar gemoord, Verminkt, geslacht, gestoken, Gejammer en gesteun gehoord, En lijkenlucht geroken.

Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat Volgd’ ik de Tien Geboden — ’k Bedoel dan die voor den soldaat, Dat ’s tienmaal: „_Gij zult dooden!_”

’k Ben één dier veel bewonderden, Die echt goed mikken konden, Ik heb al vele honderden Naar ’t vroege graf gezonden.

Ook bommen gooien was mijn werk, Ik smulde van die dingen! ’k Heb heel wat kerels, jong en sterk, In stukken laten springen.

Een arm lag hier, een kop lag daar, Een been hoog in de boomen, En één keer heb ik er zoowaar Een kiekje van genomen!

Eerst werd ’t mij wel eens wee en bang, Dat wil ik niet ontkennen, Maar twaalf, twaalf maanden lang! Dan ga j’ er wel aan wennen!

Ja, mijn (koel-)bloedigheid is groot, ’k Màg wel zoo’n beetje slachting; Ik geef niet om een ander’s dood — Is dat geen „doodsverachting?”

’k Zeg wàt je doet, zeg, doe dat goed, Ook dooden en verdelgen, Ja bloed en bloed en bloed en bloed En bloed — daar kan ’k in zwelgen!

En steken met een bajonet! Vergiftigen met gassen! Maar ’t meeste heb ’k mijn hart gezet Op bloed en bloed in plassen!

En is ons moordwerk eens voorbij Dan zal ’k me dood verkniezen; Hoe moet ’k me in de maatschappij Een passend handwerk kiezen?

Ik weet wat. Eén vak dat ik ken! Al staat het ook wat lager Maar een waar ’k héél geschikt voor ben, Ik weet het: ik word slager!

23. DE HOCHKULTUR EN DE BLOOMING FOREIGNER.

Het moet maar weer het topic zijn, dat niet te mijden is: Alweer de oorlog. — Hier is mijn geloofsbelijdenis.

Entre les deux mon coeur balance, waarom — dat zul je lezen; Dus: honni soit qui mal y pense, ’k zal openhartig wezen.

Ik mep ze beiden op ’t gezicht, en ’k loof ze — doe ’k expres: Dan blijft de zaak in evenwicht, en ik krijg geen proces.

Het leusgeleuter is voor land- genooten en voor kindren, Neen, Duitschland _wou_ den Grooten Brand — de Brit wou ’m niet verhindren.