Part 4
Waakt, kiezers! Speelt dan niet met vuur! Past op, want, dringt t’ onzaalger uur De Leider zich weer in ’t Bestuur, Langs politieke bochten, Als dan god Mars zijn vuisten balt, En dreigender het schetren schalt, En... als er dan geen boekje valt, Dan is ons land gesjochten!
3. DE RAAD DER BEZADIGDEN.
De heer Bogaerts: „De Eerste Kamer is niet alleen een college van revisie, doch dient tevens door haar bezadigdheid de continuïteit van de wetgeving te waarborgen. Dit element van bezadigdheid mag niet worden miskend.”
De heer van Schaik: „Ik hecht aan het behoud van die Kamer op grond van het daarin gelegen element van bezadigdheid.”
Zoo zij ’t mij vergund dat ik zing Op den Raad van bezadigde mannen, Uit welken bezadigden Kring Alle wuftheid (bijna) is gebannen.
Bezadigdheid klinkt uit hun taal, Waar geen felroode vonken uit spatten, In deze bezadigde zaal Zoemen louter gedegen debatten.
Bezadigd en zacht is het licht, En bezadigd het kleed en de stoelen, In die sfeer van Gezag en Gewicht Zou geen Wijnkoop zich thuis kunnen voelen.
Bezadigd zijn stem en kostuim, Bezadigd zijn blik en gebaren, Bezadigd zelfs kortswijl en luim — Bezadigd door stand en door jaren.
Hoe weinig bezadigd of fijn Is ’t gezegd (of ik moet me vergissen) Dat ’t enkel de boden nog zijn, Die die Kamer niet graag zouden missen!
Neen. Net als het nukkige wicht Het gezag van Papa of Mamma ducht, Zoo vreez’ en vereer’ men ’t Gericht, Dat daar zetelt, sereen en bezadigd.
Hoog tronen zij — kloek en classiek, Door de godlijke gunst begenadigd! Hun nut is wat problematiek, Maar ze zijn en ze blijven bezadigd.
4. PENELOPE.
Fragment.
Muze, vermeld mij den man in ervaringen rijk en in listen, Die ons beveiligen kan tegen daimonikoi (paganisten). Zing mij dan, Muze, de maar’ van de macht en den moed en de hope...! Droef stond Penelope daar (in den regel genoemd Penelope). Droef, want de Meester was weg, de Kolos, de geweldige strijder, Daarom, met wijs overleg, zag zij uit naar een anderen Leider. Zie, zoo nu gaf de Godin, de klaar-oogige Pallas-Athena, ’t Denkbeeld Penelope in van den boog, van den boog van Messena. Plotseling snelt zij terug, naar ’t Paleis met den goudenen toren; Rap, als de vogelen vlug, haalt zij weg den veerkrachtigen horen. Als zij, een oogwenk alleen, zich het hart heeft ontlast van de droefheid, Spoedt zij ter zale zich heen, nu getooid met het masker der stroefheid, En den veerkrachtigen boog overhandigend hun, die daar wachten, Noodt zij hen statig en hoog te beproeven om beurten de krachten. „Hij, die zijn sterkte bewijst,” zoo ontsnapt aan den wal harer tanden, „Krijgt wat hij wil, wat hij eischt, uit mijn eigene vorstlijke handen.” En als de zwoegende troep dan bij beurten den boog tracht te spannen, Monstert zij peinzend de groep, en ziehier wat zij denkt van die mannen: Kolinios bidt en werkt, en (daar kan de Parteia niet buiten) Hij wordt door godsvrucht gesterkt, en door Petroleontische duiten. Phrysios ook is vertrouwd, Maar Penelope heeft al berekend, Dat op de keper beschouwd, deze Held niet zoo heel veel beteekent. Haemskarchileus komt daarna, maar Penelope neemt dien man vast niet: Hij was een Broeder, nou ja, maar het degelijk wagenschot was ’t niet. Idiobyrgias dan? om de macht van den vijand te fnuiken? Neen. Dat ’s een eerlijke man, en zoo iemand is nooit te gebruiken. Zoo peinsde Penelope, en de zaalbogen welven zich wijder... Buiten dreunt dondrend de zee, en de zeewind zingt: „Waar is de Leider?”
5. AAN LIEFTINCK, HET TACHTIGJARIG KAMERLID.
Gij, Lieftinck, Staatsman, jonge hoogbejaarde, Die rustloos werkte heel een leven lang, Die niemand naar den mond sprak, niemand spaarde, Maar spaarzaam spreekt — slechts spreekt uit sprekens drang,
En dan, als bliksemflits van ’t zwerk op d’aarde, Plots treft de kudde in ’t veld in loomen gang, Zoo stuit des redenaars zwaren woordenzang, Als ’t schuiflend schrijdend spook der saaiheid waarde —
Ga voort, gij glundre grijsaard, gaaf van geest, Bezielende ernst met luchten luim te kruiden, Gij, ’s volks gestage, stoere afgezant!
Nu zal tot ver in ’t vrije vaderland Met heldre klanken uw geboort-clock luiden, Ter eere van uw tachtig... zomeren-feest!
6. STEMRIJM.
Waaruit men kan leeren, dat de invoering van het vrouwenkiesrecht aanmerkelijke vereenvoudiging teweeg brengt.
Een jong en aardig paartje, Gelukkig, schoon getrouwd, Dee ’t eerste huwlijksjaartje, — Verstandig, welbeschouwd! — Niet heel veel aan de politiek, en ’t kiesrecht liet ze koud.
Zij was zoo’n beetje kerklijk, En hield haar godsdienst aan; Hem was het wat bewerklijk Om ’s Zondags op te staan „Voor dag en dauw,” zooals hij zei, om naar de kerk te gaan.
Ofschoon ’t haar wel wat griefde, Ze hield zich wijslijk stil, En ’t mantelpak der liefde Bedekte dit verschil; Daar heerschte Eendracht in hun huis, en Vree, en Goede Wil.
Maar na de eerste jaren Deed hij zijn kiezersplicht; Ook dat gaf geen bezwaren, En zelfs geen boos gezicht, Hoewel _hij_ links was, en _haar_ neiging rechtswaart was gericht.
Zij was in zulke zaken Verstandig en bedaard; Zich daarom druk te maken Was niet de moeite waard: Een links bestuur liet ieder vrij te leven naar zijn aard.
Toen kwam de dwang te stemmen, En ’t kiesrecht voor de vrouw; ’t Begon haar te beklemmen, Het keurslijf werd te nauw: Ze kon niet meer, als vroeger, doen en laten wat ze wou.
Een bende jongelingen Hing daaglijks aan de bel, Om haar naar rechts te dringen, In termen, forsch en fel: Wie links stemt, wordt haar uitgelegd, gaat spoorslags naar de hel!
Ze loopen, ongedurig, Vergaderingen af, ’t Gesprek wordt bits en vurig, Hun leven wordt een straf, Hun eens zoo teer gekeuvel wordt een politiek geblaf.
Weg is de lieve Vrede, Verbroken is de band, Het zwaard verlaat de scheede, De veete-fakkel brandt, Ze bakkeleien alledag tot heil van ’t Vaderland.
Daar krijgen plotseling beiden Een lumineus idee: Als onze stemmen strijden, Wint geen partij er mee: We dokken dus de boete, en we stemmen geen van twee!
De goede geest herleeft dus, Nu zijn ze niet meer boos, En ’t Vrouwenkiesrecht heeft dus Op alle stembureaux Den zwaren arbeid zeer verlicht. Vertel ’t maar op de Soos.
III. OORLOGS-RIJMEN.
1. DE BLOEDGEBEDEN.
(_Verzoek van een Neutraal._)
„Men drukt ons het zwaard in de hand......
Gaat nu ter kerke, knielt neer voor God, en bidt om hulp voor ons dapper leger.”
_Wilhelm, I. R._
„Nooit is Engeland met zuiverder geweten ten strijde getrokken dan nu.”
_Asquith._
„De kerken in Londen en Parijs zijn vol van de geloovigen, die om de zege bidden.” _N. R. C._
„Antwerpen heden zonder strijd bezet. Gode zij dank gebracht in diepen ootmoed voor dit heerlijk succes. Hem alleen zij de eer.”
_Wilhelm, I. R._
...„WOLFSKUILEN zijn kuilen, waarin puntige palen zijn geslagen, met de punt naar boven. Om hen aan het gezicht te onttrekken worden zij met takken belegd, en daarna met dunne zoden bedekt.”
_Pioniervoorschrift voor de Infanterie._
Wij leven in een donkren tijd, Want twee partijen zijn in strijd, Die ik uit onpartijdigheid, Vanwege de neutraliteit, Maar A en B zal noemen. Den vrede minnen beide teer, Zij zeggen ’t zelven keer op keer, Dus daaraan twijfelt niemand meer, Zij plegen zich er evenzeer — Terecht — op te beroemen.
En iedren dag stijgt, strijk en zet, Tot Onzen Lieven Heer ’t gebed Van A en B, als een duet: „Wij trekken op, Heer, onbesmet, Men drukt ons ’t zwaard in handen! O, God, wees met ons leed begaan, Help ons den vijand te verslaan, Op ’t land en op den oceaan, O, Heer! hoor onze beden aan, En zie onz’ offeranden!”
Zoo wordt de slachting voorbereid. En na het winnen van een strijd, Zegt A: „slechts God zij dank gewijd!” Tijgt vol van vrom’ erkentlijkheid Ter kerk, in diepen ootmoed; En knielt, de handen vouwend, neer, Al preevlend: „God alleen zij d’ eer! Het is ’t besluit — dat blijkt alweer — Van Onzen („onzen”) Lieven Heer, Dat onze vijand dood moet.”
Maar B gevoelt zich martelaar, En zegt: „Die A is een barbaar, Hij zocht den krijg, die huichelaar!” En A weer: „God, het is niet waar, B lastert. ’t Is verfoeilijk!” O, A en B, en B en A! Nu vraag ’k je. Is _dat_ logica? Kom, laat die race-in-’t-bidden na! Het brengt geen voordeel, ’t brengt geen schâ, Je maakt het God maar moeilijk.
’k Wou, dat je allebei dit onthield: God ziet op d’ aard, waar ’t menschdom krielt, Millioenen A’s ter neer geknield, En evenzooveel B’s, bezield Met hoop op steun van Boven; En A geeft God zijn eerewoord, Dat hij slechts voor den Vrede moordt, Voor de Beschaving, enzoovoort... Als God van B nu ’t zelfde hoort, Wien moet Hij dan gelooven?
Daarom, Partijen, A en B, Spreek ik nu ook een woordje mee, Eenvoudigweg, en recht-door-zee, Ik zeg het tegen alle-twee, Omdat ik zoo neutraal ben; Partijen, A en B dus, hoort Naar mijn neutraal en nuchter woord, Behartigt het en zegt het voort, (’k Hoop niet dat ’t _onzen_ Vrede stoort, Pardon, dat ’k zoo brutaal ben!):
Rolt, Republiek en Keizerrijk, Rolt, volkren, u in bloed en slijk, Dat niets voor Hart of Rede wijk’, _Wie ’t sterkste is, die heeft gelijk!_ Dat ’s nu de wet van ’t Leven. Blijft uw beschavingsplicht bewust: Vernietigt Kunst naar hartelust, Kweekt armoe, hongersnood, gerust, ’t Geweten maar in slaap gesust! Het schouwspel is verheven;
Schiet, steekt en hakt en moordt en brandt, Verminkt, vertrapt, schopt, schendt, ontmant, Zweert „oog om oog, en tand om tand!” En laat, ter eer van ’t Vaderland, Uw krijgsgeschreeuw weerklinken. Verbrijzelt, decimeert, verkracht, Werpt bommen uit den duisteren nacht, Duikt, torpedeert, scheurt, spietst en slacht, Laat weg en weide, grebb’ en gracht Van wond- en lijklucht stinken;
Vergiftigt stroom en beek en wel, Spuit vochten, vlammend forsch en fel, Roept Satan op tot metgezel, Vraagt allen machten uit de Hel Steeds nieuwe kwel-methoden; Blaast gassen, vol van vuil venijn, — Het laatste! Prima, extra-fijn! — Dan zult gij wel tevreden zijn: Zóó sterft uw vijand, dol van pijn, Niet één, maar duizend dooden;
Pleegt woordbreuk zonder blik of blos, Verwoest landouwen, beemd en bosch, Verspreidt uw helsche mijnen los, Graaft _wolfskuil_ voor man en ros, Bindt krijgers aan d’ affuiten; Zet huis en hof in vlammengloed, Noemt razernij en moordlust „moed”, Snuift óp de lijklucht! zwelgt in ’t bloed, Ik vind het allemaal mooi en goed...... Maar toe! _laat God er buiten!_
2. HET SCHOONSTE.
„De indruk, dien ik gekregen heb, is overweldigend. De geestdrift der soldaten, die kracht, die moed, welke zich overal openbaren, is het schoonste dat ik ooit in mijn leven gezien heb, schrijft Sven Hedin.”
_Tel._
„Zij werden dan met de bajonet er uitgekieteld.”
_Brief in de Vossische Zeitung._
„Der Krieg ist im Gegensatz zum Frieden der gröszte Lebenserwecker. — Bestrebungen, die die Abschaffung des Krieges überhaupt zum Zweck haben, sind unsittlich und menschunwürdig.”
_Bernardi._
„’t Is ’t schoonste dat ’k ooit heb gezien in mijn leven,” Heeft Sven Hedin, volgens de bladen, geschreven: „Die geestdrift, die kracht en die moed! De indruk is mooi, overweldigend, prachtig!” Hij schrijft het in termen, bewonderend en krachtig — Zijn pen is gedoopt in het bloed.
Is dàt nu het schoonste? Ellendig geschetter! Maar oorlog is lijklucht, en oorlog is etter, En oorlog is haat en venijn! Verbranding, verwoesting van huizen en gaarden, En oorlog is stank van de krengen van paarden, Verminking, vernieling en pijn!
Daar liggen de lijk’ in ’t gedrang en de volte, Een romp zonder armen...... zeg, zie je de holte Waar d’ arm zat, gescheurd bij de borst? De wormen zijn nu al den mond ingekropen, Het haar zit gekleefd, en het oog is beloopen, Het bloed is gedroogd en gekorst.
De hersenpan druipt daar dien knaap op de wangen, Het linkeroog blijft uit de oogholte hangen, Arm kind! moeder’s trots, vader’s vreugd! Een sabelhouw heeft hem die woestling gegeven. Een bloedrige klomp is er overgebleven Van ’t stralende Beeld van de Jeugd.
Dat lillend lap vleesch van dien jongen daar beeft nog, Zijn buik is in twee, maar waarachtig, hij leeft nog! Een vinger ligt ginds op den grond; Daar liggen de stompjes van armen en beenen, Hier hoor je het schreeuwen, daar ’t kreunen en stenen Nog zacht uit den stervenden mond.
Die daar, die den ander niets, niets! kan verwijten, Staat klaar om hem daadlijk den schedel te splijten, Hoe ’t oog hem van beestigheid straalt! Omdat een troep veilige hofdiplomaten, Met seinen en telefoneeren en praten, Dat eenmaal zoo hebben bepaald.
O, God, onze Vader! Wij danken U allen: Daar is er net een in de wolfskuil gevallen, De punt van de paal door zijn pens! Wij haten hem vurig — geheel naar behooren, Omdat hij in ’t andere land is geboren, Een half uur over de grens.
Nou ja, maar je hoeft het zoo cru niet te zeggen, Je kunt er toch ook wel een bloempje op leggen, Je zegt het zoo „eng” en onguur; Je kan ’t ook met grappige namen betitelen, De Vossische Zeitung sprak laatst al van „kietelen” — In ’t algemeen heet het „Cultuur”.
’k Hoor liever van „geestdrift” en „heldenmoed” zingen, Van „edele strijdlust” en dergelijke dingen, Van roem, en...... hoe-heet-dat-ook-weer? En als we de bloem van de natie zien vallen, Cadavers, gestapeld op hoopen en wallen, Dan noemen we dat: „’t Veld-van-Eer!”
De beest-mensch in deze verschriklijke tijden Geniet van het hakken en steken en snijden. Het schoonste!! Armzalige zot! Neen, Sven Hedin, nu is ’t de Glorie van ’t Slechte. Want als je geen beest bent, dan kun je niet vechte’, De oorlog is...... walglijk, is...... rot!!
3. DAPPERE SOLDATEN, BANGE DIPLOMATEN.
_Gerijmd naar aanleiding van Grey’s genoegelijk déjeuner in het Cecil Hotel te Londen._
„Indien de zedelijke moed der regeeringen den onsterfelijken krijgsmoed van hun soldaten evenaarde, zouden er tusschen de gezanten vertrouwelijke gesprekken kunnen beginnen.” _Emily Hobhouse._
Ze praten zoo goed Van onsterflijken moed, Van de dapperheid van de soldaten; En iedereen vecht Voor beschaving en recht... Maar over den vrede te praten, Daar zijn ze te bang voor, dat durven ze niet. Zingt ’t droevig refrein van een droeviger lied: _Koor:_ Dappere soldaten, Bange diplomaten.
’t Staat vast, dat _ik_ win, Dus als _ik_ nu begin, Dan denken ze, dat ik bek-af ben; _Ik_ ben niet zoo bang Dat ’k naar vrede verlang! Wat denk je wel, dat ik zóó laf ben? En ’t vredesverdrag ligt nog ver in ’t verschiet: Ze zijn er te bang voor, ze durven nog niet. _Koor:_ Dappere soldaten, Bange diplomaten.
Ze durven zooveel Op het oorlogstooneel, Waarvan een gewoon mensch zou schrikken; Schiet ze lam, schiet ze blind! Moordt er moeder en kind! En laat er de mannen verstikken! Maar ’n einde te maken aan ’t schrijnend verdriet, Daar zijn ze te bang voor, dat durven ze niet. _Koor:_ Dappere soldaten, Bange diplomaten.
Zoo’n stichtlijke toast Wakkert aan, en vertroost, Verdriet en ellende vergeet je. En er wordt niet gedacht Aan ’t gemoord en ’t geslacht Bij ’t genot van zoo’n fijn déjeunertje... Maar te doen, wat het hart en ’t geweten gebiedt — Daar zijn ze te bang voor, dat durven ze niet. _Koor:_ Laffe diplomaten, Stervende soldaten...
4. ZES DIPLOMATEN.
(„Het wordt steeds meer duidelijk, dat slechts enkele personen, eenige diplomaten en ministers, de onmiddellijke aanleiding geweest zijn tot de uitbarsting.” — _Chr. N. i. h. Hbl._
„Het is een oorlog door een zes-tal diplomaten veroorzaakt. De volken leefden vreedzaam met elkander, zonder eenigen haat of nijd. Een half dozijn mannen heeft Europa aan den rand des afgronds gebracht, en Europa is daarin gevallen.” — _Ramsay Macdonald in de Cont. Times._)
Wie hebben strijd En moord bereid, Giganten-strijd van zóóveel staten? Zes Diplomaten.
Wie wierpen ’t lot, Het volk ten spot, Van gansch Europa, trotsch, verwaten? Zes Diplomaten.
Wie speelden met Moraal en wet, Geheime ententes en tractaten? Zes Diplomaten.
Wie stookten ’t vuur T’onzaalger uur Nog meer door zwijgen dan door praten? Zes Diplomaten.
Wie stookten ’n zee Van wereldwee, Een storm van jammer zonder maten? Zes Diplomaten.
Wie brachten woed’ En dorst naar bloed, Wie brachten haat tot wie niet haatten? Zes Diplomaten.
Wie vulden lucht En aard, geducht Met ’t knetrend knallen der granaten? Zes Diplomaten.
Wie drijven dag- aan-dag ten slag, Ten doode, duizenden soldaten? Zes Diplomaten.
Wie maakten dat In dorp en stad De lijklucht hangt in steeg en straten? Zes Diplomaten.
Wie brengen smart En angst in ’t hart Van vrouwen, eenzaam en verlaten? Zes Diplomaten.
Wie roepen luid Den volke uit: Ik wilde vrêe, maar ’t mocht niet baten? Zes Diplomaten.
Wie zal ’t berouw — ’t Koom’ laat of gauw — Geen stonde lang met ruste laten?... Zes Diplomaten.
5. AAN CORT.
Nomen breve, opera longa.
Toen d’ eerste schok onz’ oude burcht deed beven, Hebt gij met Treub, gij =duo van de kracht=, Aan ons verbijsterd volk ’t verstand hergeven, En in den chaos orde en rust gebracht.
Gij stutte ’t Staatshuis sterk, met moed en macht, Ook toen in ’t boek van ’t eigen zieleleven Met scherpe stift het smartwoord werd geschreven; U zij de dank van ’t nu en ’t nageslacht.
En als soms weer, in deze duistre dagen, Bij ’t dreigend schijnsel van den vlammengloed, De geest benauwd wordt, en het harte bang —
Dan hoedt dit woord den wankle voor versagen: De dijkgraaf waakt, bij ’t wassen van den vloed!... Uw naam is Cort — wat gij gewrocht hebt, lang.
6. NIEDERLAND! DIE WAFFEN NIEDER!
Reimchen von ein „scrap of paper” und ein „Stück Papier.”
Trulstra, Substitut-Gesandt, Ging in Deutschland informieren, Ob das grosze Vaterland Niederland wollt’ annexieren, Wenn — was er wahrscheinlich findt — Deutschland diesen Ohrlog winnt.
Trulstra war der rechte Mann, Weil die Hollandsche Regierung Eiglig nicht regieren kann: Die ist nur so zur Verzierung. Trulstra ist Representant Von das ganze Niederland.
Aber, Trulstra, hör’ mich an, Warum liefst du thatlig toll weg, Wenn du kamst von Zimmermann? Warum nicht zu Bethman-Hollweg? Der schrieb’ wohl ein „Stück Papier”, Belgien’s Tractat-Formulier!
Trulstra, ehrlich dürt das langst, Krieg ist grausam, Friede seelig, Dusz bekenn nur, in dein Angst Haft du — Niemand nimmt es kwälig — Die =Alliierten= unterschatzt, Nicht neutral das! und misplatzt.
Ein Ding hätt’ ich darum grag, Gistern schosz es mir zu binnen: Geh’ nun auch nach England, Trag’, Falls die Alliierten winnen, Dasz wir nicht, wenn das geluckt, Durch =Brittannien= aufgeschluckt.
Und jezt fältt mir dies noch ein: Gibt auch =Grey= so’n „=scrap of paper=”, Dann kann Holland ruhig sein. Und, bekeicht man ’s auf dem Käper, Wenn kein Feind uns dähren kann: =Wahrfür dient das Läger dann?=
Drum, Soldaten, stuhr und stramm, Kehrt zurüch zu Ihr Pantoffeln, Braucht das Schwert fürs Boszerham, ’s Bayonet für die Kartoffeln!...... Und das Alles danken wir: „Scrap of paper” — „Stück Papier”!
7. MOEDER, WIL U BABY ROEPEN?
„En de kinderen zullen de moeders vragen hen te roepen, als ’s nachts het mooie luchtschip komt......”
(_Kernkamp, De Oorlog._)
„Moeder, wil u Baby roepen, Als dat mooie luchtschip komt, Dat daar boven alle daken Verre vliegt, en gromt en bromt?”
„Kind, ik zal je laten slapen, Als het Groote Monster naakt, Die je zeien, dat het mooi is, Hebben je wat wijs gemaakt!”
„Waarom zit u zoo te beven? Ben u bange voor de nacht? Zal u Baby zeker roepen......??” „Slaap, mijn kindje, sluimer zacht!”
Baby sluimert. In het duister Zweeft de Zeplin door het zwerk, En de moordenaars daarboven Doen bedaard hun duivelsch werk.
„Zal ’k er maar wat laten vallen? Dat daar, dunkt me, is een stad,” „Ja, je kunt het licht probeeren, ’t Hindert niet. Gooi maar zoowat.”
En hij werpt de helsche bommen Naar beneê met vaste hand, God ter eer, en voor de Zege Van het lieve Vaderland.
— — — — — — — — — — — — —
Baby ligt er, bleek en bloedig, In d’r bedjen uitgestrekt, Moeder hoeft ’r niet te roepen, Zeplin heeft ’r doodgewekt......
8. THE HYMN OF HATE.
„Und wollen sie dir nach der Kehle fassen, So recke dich in ganzer Furchtbarkeit! Zur Liebe ist es später wieder Zeit, Jetzt, Michel, hilft nur Eines: lerne hassen!” — _Fliegende Blätter._
Het is wel goed, maar eens oprecht te praten, Je komt niet verder met schijnheiligheid, Voor liefde is er later wel weer tijd, Nu is er maar één leuze: leer te haten!
Gevoel en zachtheid deugt niet voor soldaten, Een krijgsman is goddank geen jonge meid! Voor liefde is er later wel weer tijd, Nu is er maar één leuze: leer te haten!
De liefde moet j’ aan...... dieren overlaten, De liefde schept geen macht en wint geen strijd, Voor liefde is er later wel weer tijd. Nu is er maar één leuze: leer te haten!
De leer van Jezus kan ons nu niet baten, Das maar ’n tijdverdrijfje, zoo voor de aardigheid, Voor liefde is er later wel weer tijd, Nu is er maar één leuze: leer te haten!
Wij hebben nu voor alles surrogaten: Het surrogaat voor liefde is de nijd, Voor liefde is er later wel weer tijd, Nu is er maar één leuze: leer te haten!
Dus luistert, kanselier en diplomaten: Liegt, lastert, hitst en hoont; slechts haat gedijt, Voor liefde is er later wel weer tijd, Nu is er maar één leuze: _leert ze haten!_
9. CONSPUEZ!
„Wat de Argentijnsche schepen betreft, raad ik aan, ze...... spoorloos tot zinken te brengen.” — _Luxburg, Gezant._
_Oneerbiedig opgedragen aan Zijn Excellentie Graaf Luxburg._
Luxburg, schoft, je naam zal leven Tot bij ’t verre nageslacht, Door den raad, dien j’ hebt gegeven, En het plan dat j’ hebt bedacht:
„Spoorloos moet zoo’n schuit verzinken, Wind en weder diene je! Zorgt dat al de lui verdrinken, Leve Argentinië!
Laat van ’t ons bevriende landje ’t Schip met man en muis vergaan: Helpt de lummels maar ’n handje...... _Spoorloos!_ Heb je ’t goed verstaan?