Part 3
Ja, de oorlog is verschriklijk, En de tijd als lood zoo zwaar, Droef, benauwend, onverkwiklijk, Welhaast onverdraaglijk, maar — Weet je, wat ik nog veel zwaarder, Harder te verduren vind, Veel ellendiger, veel naarder? _Het piano tikkend kind!_ Daar begint ie, Jantje of Pietje, Weg is weer je rust en vree, Want, als naaste buur, geniet je Gratis van het goede mee: Telkens weer dat zelfde stukkie, Telkens weer die zelfde dreun, Telkens weer dat zelfde stukkie, Telkens weer die zelfde dreun...... Wat een wanhoop, wat een lijden! Kind, je maakt me stapelgek! Ongevraagd en onbescheiden, Dring je door in mijn vertrek. Telkens weer dat zelfde stukkie, Telkens weer die zelfde dreun, Telkens weer dat zelfde stukkie, Telkens weer die zelfde dreun...... Vruchtloos zucht je, klaag je, mor je, ’t Helpt niet of je protesteert, Door die klanken-duikboot wor je Rücksichtslos getorpedeerd: Telkens weer dat zelfde stukkie, Telkens weer die zelfde dreun, Telkens weer dat zelfde stukkie, Telkens weer die zelfde dreun...... In mijn huis wil _ik_ regeeren, Kan ’k dan niet uit _mijn_ gebied Iedereen en alles weren? Neen! die helsche klanken niet! Zoo doet dus dit kleine knaapje Wat de Staat zelf niet vermag, En zoo is het nietigst aapje Sterker dan het Staatsgezag! Och, mevrouwtje! Och, meneertje! Hebt respect voor ’t instrument! Staakt de lessen — ik bezweer ’t je, Want je kind heeft _geen_ talent. Laat ’m liever leeren schilderen, Is die kunst soms minder fraai? Dan voorkom je het „verwilderen,” En het maakt niet zoo’n lawaai. „Maar zijn leeraar prijst hem hooglijk, Heusch, die ziet er wel wat in......” Ja mevrouw, dat is best mooglijk, Maar — de man heeft een gezin! Zelfs al is hij nog zoo eerlijk: De verwachting volgt den wensch, Iedre leerling is begeerlijk — Ook een leeraar is een mensch! Eiglijk moet je meelij krijgen Met het wicht, gekweld, geplaagd, Door gestadig dringen, dreigen, Naar het jengelblok gejaagd. „Weet je, dat je nog studeeren, Jantje! nog studeeren moet? Wanneer zal je toch eens leeren, Dat je ’t uit je eigen doet!” „Hè, ’k ben net zoo leuk aan ’t lezen......” ’t Is al weer gedaan, de pret! „Zal je nou gehoorzaam wezen? Gauw: studeeren — of naar bed!” En daar zit ie weer weemoedig Op het klavecijn te slaan; „Ik vin wel,” zegt Grootmoe goedig, „Jantje _is_ vooruit gegaan.” Rapper gaan de finkies, rapper, Door geen aardsche macht gestuit, Jantje rinkelt, klein maar dapper, Boven al het praten uit: Telkens weer dat zelfde stukkie, Telkens weer die zelfde dreun...... Telkens weer dat zelfde stukkie, Telkens weer die zelfde dreun...... „Hè, speel nou nog ’s dat stukkie Voor de jaardag van je pa!” Jantje draait wat op zijn krukkie, En hij denkt ’s even na...... „Nee, dat kan ik niet meer spelen, En ik von d’r ook niks an. _Dit_ nog eens? ’t Kan _mijn_ niet schelen.” „Goed; Dan _dit_ nog maar ’s, Jan.” Dan begint weer ’t zelfde stukkie, Weer die zelfde nare dreun Weer dat griezelige stukkie, Weer die liederlijke dreun...... En ik hoor ’t weer binnen zweven Op de golven des geluids Heel die gruwel van mijn leven...... Wicht, je tingelt me pro-Duitsch!! En ik wil u wel vertellen, — ’t Klinkt niet vrindlijk of beleefd — Maar _dat_ kan ik u voorspellen: Als hij eens zijn vrijheid heeft, En, ontgroeid aan moeders zorgen, Kalm zijn eigen weg mag gaan, Zult u ’m op een goeien morgen Bij het rammelhout zien staan; Al zijn notenboeken kwakt ie In de verste rommelhoek, En het klavecimbel smakt ie Dicht — voor eeuwig. Met ’n vloek. Want hij denkt aan al die uren, Die hij weggesmeten heeft, En ’t zal heel wat jaren duren, Voor hij u uw schuld vergeeft! — Wie een huis gaat meubileeren Voor zijn burgermans gezin, Wàt ie daar ook kan ontberen — Een piano moet er in. Net zoo goed als kommen, kannen, Tafels, stoelen, canapé’s, Schotels, borden, potten, pannen, Vliegenkasten voor het vleesch, Glazen, lepels, vorken, messen, Hooikist, poetslap, emmer, tijl, Kurketrekkers, inmaakflesschen, Bezem, blik, en doek en dweil, Voor de lampen lampekappen, Voor elk venster een gordijn, Matten, loopers op de trappen — Moet er een piano zijn. — Moch ik ooit minister worden, Dan kwam hier d’ „Impôt unique,” Tegen die verwenschte horden, Die pianotikkerskliek. Mateloos zou ik belasten, Altijd zwaarder, altijd meer: Die vervloekte jammerkasten....
Goden! daar begint het weer:
Telkens weer dat zelfde stukkie, Telkens weer die zelfde dreun, Telkens weer dat zelfde stukkie, Telkens weer die zelfde dreun...... _enz. ad infinitum._
(Knip uit, arme lezer, en stuur aan je buren!)
17. VISITE.
Visites maken is niet erg. Dat kom je wel te boven. En ben je in de maatschappij, dan moet je ’r aan gelooven. Al weet je best hoe idioot ie staat, je hooge hoed, Je schaamt je niet meer als je ’t meubel opzet — want het _moet_. Je eergevoel is afgestompt. Je draagt je lot gelaten. Je bent volmaakt bereid om over ’t mooie weer te praten. Al vin’ je ’t weer, als denkend mensch, geen conversatie-stof, Iets, waar j’ alleen van spreken mag in winkels, en aan ’t Hof. Je moet je op visite met gedachten maar niet plagen, Daar wentel je j’ in ’t weer, wellustig, en vol welbehagen. „’t Is niet zoo koud meer als ’t geweest is, vindt u wel, mevrouw? Ik zie u stookt nog. — Ja zoo zachtjes. ’k Houd niet erg van kou. Enfin, het schikt vandaag nog al. We hebben niet te klagen. Ja, ’t weer doet vreemd in dezen tijd. Dat gaat soms zoo bij vlagen. Als nu de _zon_ maar beter scheen. Die heeft al _vrij_ veel kracht. Nu is het in de _schaduw_ kil, maar in de _zon_ is ’t zacht. Herinnert u zich ’t voorjaar nog van zeven jaar geleden? Toen was het zóó, dat w’ einde Maart nog bijna schaatsen reden! En hoe bevalt u ’t nieuwe huis? ’t Is zeker nog wat vreemd; Hoe jammer dat dat huis daar links het uitzicht wat ontneemt. Maar zoo als ’k hier zit, is het prachtig, door die groote ruiten, Wat heeft u hier een mooi gezicht! U is hier heelemaal buiten, En toch zoo midden in de stad, en overal vlak bij. En eigenlijk geen overburen. Dat ’s wel heerlijk vrij, Hebt u geen hinder van de trem? — Ja, erg. — Och kom, dat ’s jammer. Enfin, ik merk dat zoo niet op, als volbloed Amsterdammer. En hoe zijn de berichten van het jong-getrouwde paar? Lili schrijft: nee, ze zijn toch zóó gelukkig met elkaar! Zooals u weet logeert ze er. Ze zou ’r een weekje blijven. En dan zoo keurig ingericht! Dat schijnt _niet_ te beschrijven......!” Dat zeg jij — en je voorganger — en hij, die na je komt, Tot dat de „jour” voorbij is, en ’t inaan gelal verstomt. Zoo ga je kalm, gelaten door visites af te leggen, Waarbij je vooruit weet, dat j’ absoluut _niets_ hebt te zeggen. Je doet iets niet, omdat je ’t prettig, nuttig vindt, of goed, Neen, wat je doet, dat doe je alleen...... _omdat ’n ander ’t doet_!
18. DE HUWELIJKSRECEPTIE.
Wanneer ’k een visch op ’t droge, of een vlieg in ’t spinneweb zie, Dan denk ik aan een ander wee: de huwelijksreceptie. Vergun me, dat ’k u thans de gruwelen der receptiezaal Met scherpe lijnen teeken, en met felle kleuren maal. Vooreerst: de manden en boeketten — zeker, het staat prachtig; Maar wat te zeggen van zoo’n kamer met een stuk of tachtig?! En tegenover éénen vriend, die ’t moois van harte gaf, Staat een dozijn van ja-dat-moet-daar-kunnen-we-niet-af. Van: „Das al nummer drie van ’t jaar. Zeg, moet’ we wéér wat geven?” — — „Piet doet het wel.” — „Nou ja, maar _Piet_ en _hij_ zijn volle neven!” — — „Wat hebb’ z’ ook weer bij _ons_ gedaan?” — --„O, ’t een of ander vod. Een vaas, geloof ik.” — „Ja, das waar. ’t Ding is goddank kapot.” — „En dan, bedenk, het volgend jaar d’r broer: das wéér een huwlijk; En moeten wij maar _telkens_ dokken? ’t Is gewoon afschuwlijk!” — — „Ja, ’k weet er heusch niets op dan dat je ’t „lijstje” maar weer vraagt”. — — „Nee, zeg! Je weet toch dat zoo’n ding j’ op hooge kosten jaagt! Dan moet je een pendule geven, lepels, of een looper! Nee. Bloemen maar. Das altijd goed: en das ’n hoop goedkooper...” „Voor 10 pop bloemen!” wordt er dus, per telephoon, besteld: Géén eigen smaak, géén poëzie, géén hart — alléén maar...... _geld_! d’Ontvangsalon wordt volgepropt met „blom”, in mand’ en potten — En na een dag of twee staat daar voor honderden te rotten. — De dag is daar. Zie ’t bruidspaar met de feestfamilie staan, Als in de kas van een bloemist; en ’t Kostlijk Mal vangt aan. Een zusje, stiekum met de lijst der gevers van de bloemen, Lispt: „_Die_ bedanken! — _Deze_ niet!” zoodra z’ ’n naam hoort noemen. „Ik dank u! Ook uit naam van Pim! Wat ’n beeldige boeket! Kijk, dáár: we hebb’ ’m wat vooraan (_zusje schudt angstig ’t hoofd_)...... wat achteraan gezet...... Dan... lijdt ie niet zoo van de zon”. (_Zusje, wanhopig, te hard fluisterend_): „Nee, hij heeft niks gegeven!” — — „O, nee, pardon!... die ’s niet van mij; (_snel tot een zwager_) Zoo! hoe staat _jou_ het leven?......” Dan haastig langs de halve maan; een knik, een grijns, een hand — Een paar bêtises — voortgedrongen, naar den andren kant. Daar moet je de cadeaux gaan zien. Twee bakvischjes in ’t rose Staan bij de tafel, Ies en Iet, in elegante pose, Om uit te leggen, voor ’t geval je suf bent, of bijziend, Wie van elk ding de gever is, en waar elk ding voor dient. „Dat is voor olie en azijn, van Miep. En daar die vaze’ Voor bloem’, — of zóó maar, voor het mooi — die zijn van tante Zwaze.[1] ’t Ameublement: van Grootpapa — ’t buffet is nog niet klaar, Maar kijk, zóó wordt het. U begrijpt, _dit_ is de _foto_ maar. Die lepeldoos is van oom Puk, die spergetang van Atie. En dan van Juf — echt aardig hè? — een slabak; kijk, daar staat ie. Dat kussen is van tante Zus. Dat zoutvat van oom Broer.” „Hoe weet u ’t alles uit uw hoofd? Das toch ’n heele toer!” — En zijn de meiskens even weg, om ginds wat te bedisselen, Dan jeuken me de vingers om... de kaartjes te verwisselen: B. v. dit, met ’t kroontje hier, toevallig wat „in ’t zicht”, Te ruilen met dat kaartje, dat daar bij die _slabak_ ligt!...... En waar dat alles nu voor dient? Je hoeft ’t niet te vragen: Dat ’t bruidje ’t dure bruidstoilet nog eens een keer kan dragen! Dáárvoor dient al die herrie. Want beken het maar oprecht: Op geen receptie is ooit één verstandig woord gezegd!
[1] Françoise.
19. HET ENKELE WOORD.
„Als u het hart tot spreken dringt, zoo spreek!” — De Génestet.
Slachtoffers, luistert naar het lied, dat mij de ziel vervult: O, stumpers, ik beklaag je zoo! maar ’t is je eigen schuld. Daar ligt de invitatie-kaart voor ’t feest, voor het diner, Voor het congres, de plechtigheid, of voor het jubilé. Je hebt al dagen van te voren met je vrouw bepraat, Dat _jij_ er aan moet, jij moet speechen, toasten, als je gaat. Het heele feest is j’ al vergald — of neen, de heele week! En bij de pudding ril je zichtbaar, en je vrouw wordt bleek, Wanneer het onafwendbaar wordt... Daar komt het oogenblik... Je mes dwaalt angstig om je glas voor den fatalen tik...... Daar zegt je buurvrouw j’ iets — goddank dat j’ even wachten mag! Het is een grap, je luistert half — grijnst, met zoo’n weeë lach...... Nou moet het maar... „Mag ik misschien eens...” (niemand, die je hoort) „Mag ik misschien... hm, hm... misschien... mag ik een enkel woord...” Je stem is schor en beverig, en ’t anders flink geluid Klinkt vreemd en valsch en hoog en heesch, en ’t komt er stooterig uit: „Je wilt de aangename kout.., en d’ opgewekte toon Niet storen... maar het komt je voor... dat op een feest... zóó schoon... En op een dag als deze... waar wij allen, hier vereend... En... e... zoo feestlijk samenzijn... daar heb je toch gemeend... De tolk te zijn... de tolk van allen... die je om je ziet... Je zal niet heel véél zeggen... want... mooi spreken kan je niet Maar... als je met een enkel woord... ...e... met een enkel woord... Het vroolijke gekout... e... hm... een oogenblik verstoort... Dan is het voor... een woord van dank... van... e... erkentelijkheid... Voor ’t alleraangenaamste feest... ons allen hier bereid... Dàt moet je van het hart... en... ja... als je je niet bedriegt... Dan is _dit_ oogenblik je ’t schoonste... — zeg je, (en je liegt!) — Waarop _jij_... e... het voorrecht hebt... om hier een enkel woord... Ook namens — de afwezigen... die...” en zoo lal je voort. Je stapelt maar gemeenplaats op gemeenplaats, zonder end, Je stottert door, je weet niet meer hoe je begonnen bent. Je beelden zijn verkeerd bedacht, je zinnen zijn te lang, ’t Gezelschap kijk bezorgd, en ’t wordt den gastheer wee en bang. „Op jou... e... rust als... oudste... ...e... de aangename taak... De gastvrouw, die dit... gul onthaal... met... vrouwelijke smaak... Zoo echt... gezellig heeft gemaakt... niets stijf, of officieel... Zoo niets te... weinig — hoe za’ j’ ’t zeggen? — ja... zoo niets te... veel... De gastheer, sjoviaal als steeds... die nooit... e... kosten spaart... Of moeite... om de gasten aan... zijn huiselijken haard t’ Ontvangen... zoo als steeds...e de traditie was ...e... die... Tot allebei... e... richt je...e... een woord van sympathie... Je zou de gastvrouw willen vergelijken bij... een roos... Het beeld... je weet het... is niet... nieuw... is uit de oude doos... Je zegt het maar omdat je ’t hier, toch zoo... toepaslijk vindt... Haar geuren zijn... de banden van de vriendschap... die ons bindt...” Dan duikel j’ in je angst terug naar d’ huiselijken haard, Nu is ’t de gastvrouw die geen kosten en geen moeite spaart, En _hij_ blijft sjoviaal en gul — jij bent tot driemaal toe De tolk, en dat herhaal je maar, dat word je nimmer moe. En naar de wet van d’inertie, rolt rustloos zin na zin; Je vindt nog moeilijker je einde, dan daarnet ’t begin. „Toevallig las je dezer dagen (j’ hebt ’t expres gezocht!) Zoo’n aardig versje, als je dat hier ’s reciteeren mocht... ’t Is zoo toepass’lijk op dit feest... wanneer de dichter zegt... e... hm... e... hm... e... hm... e... hm... (je trekt je dasje recht)... „Die Freundschaft ist... die Freundschaft ist... Brüder... man liebt... man sehnt...” Je stokt, je kent er niks meer van — je vrouw zit star-versteend, Ze hoort niet meer, ze ziet niet meer, ze slaakt een droge snik, En staart in ’t Niet, verdoft, versuft, met wezenloozen blik... O, menschen, doet toch niet zoo mal, en plaagt mekaar zoo niet! En als je aan den jubilaris d’ „enveloppe” biedt, Of als je aanzit aan den disch, bij ’t welgeslaagde feest — Zegt dan: „Van harte!” of zoo; me dunkt, dan is het mooi geweest. Slechts hij, die de gemeenplaats eert, vulgair is en banaal, Kritiekloos, en tevreden met laag-bij-de-grondsche taal, Houdt van dat eeuwige gezeur, zoo geestloos en zoo laf. Kom, maakt ’t mekaar gemakkelijk, en schaft het speechen af!
20. DE DIEP-BEDROEFDE AANBEHUWDELINGEN.
Wel is het een macaber lied, dat ik u thans ga zingen: ’t Luguber lied der diepbedroefde aanbehuwdelingen. Want weet, zoo heet je; met een woord, waar elk net mensch van gruwt, Wanneer er iemand sterft, dan wor je plotseling „aanbehuwd.” Zoo: onze Moeder, Tante, Nicht — je kunt het nog verlengen — En dan het _innige geliefde_ „buiten haakjes brengen.” Dan een dozijn verwanten, allemaal even zwaar beproefd, Soms groepsgewijs: „en kinderen” — maar ieder diepbedroefd! En elk familielid — wie weet, met hoeveel vreugd begroef hij ’t! — Is overleden — naar de krant zegt — „tot zijne diepe droefheid.” O leugentaal, kolommen lang, die ’t advertentieblad Van iedere krant dag in dag uit, met frisschen moed, bekladt! O diep-bedroefde achterneef, o hecht-verknochte tante! O innig-minnend oud-oom, o geknakte bloedverwante! Houdt op met je vulgair gelieg, geen mensch gelooft een woord Van al je droefheid — geadverteerd, „omdat het nu zoo hoort.” ’t Is, als je d’advertenties leest, of j’ al die zwagers, nichten, In wilden jammer ziet, met scheefverwrongen smartgezichten! En toch, bij al die handenwringers, in de krant vereend, Vin j’, om de tien annonces, wellicht soms eens één, die ’t meent. _En gij, die ’t meent...!_ hebt gij met uw verdriet te koop te loopen Voor jan-en-all’man, die de krant voor tien cent wenscht te koopen? Is „innig” niet _intiem_, en _stil_? Is alle innigheid Niet met dat grove _adverteeren_ in flagranten strijd? _O gij, die ’t meent...!_ moet gij met uw geklaag de kranten vullen? Wat hebt g’ uw teere liefde en leed ter markte uit te brullen? Gevoelt gij niet, dat gij den doode en u zelf onteert? Dat gij met uw banaal gezwets uw smart... _prostitueert_? Uw liefd’ en levensleed vlak naast de schitterendste reclames: „Artikelen voor heeren,” en die pillen... hm! voor dames! Te midden van vermaaklijkheden, zwendel en bedrog, Naast Bioskopen, en Revues... „Hoera, we leven nog!” En waar je droeve klacht ten slotte, na een, twee, drie dagen Belandt! Daar moet je eigenlijk maar liever niet naar vragen! Kom. Laat ons eind’gen met ’t doen schallen van dat valsch geluid, En schrijven: „Heden overleed...” (de naam) — en daarmee uit.
(Stel het vast voor jezelf. Beschrijf het. Laten je nabestaanden het vinden. _Do it now!_)
21. MIJN BEGRAFENIS.
Ach, menschen, als het mooglijk is, bespaart me zooveel doenlijk Een brave-man’s begrafenis: begraaft me niet fatsoenlijk. Ik heb zoo gruwelijk ’t land aan al ’t gemaakte, ’t opgeschroefde Van zoo’n partij van heele, halve, kwart- en niet-bedroefde’. Ik zie ’t al voor me, hoe het gaat: mijn kamer half in ’t duister, De vriendenkring in zacht gepraat, gemompel en gefluister. De ramen zijn natuurlijk dicht, en dicht zijn de gordijnen, Want op gelegenheidsgezichten moet de zon niet schijnen. De vrienden van den doode zijn gekleed in lange jassen, Die vrijwel uit de mode zijn, en die niet goed meer passen. En daar bij zoo’n gelegenheid ’t gezelschap meest wat flauw is, Wordt port gediend door Mie, de meid, die ook al in de rouw is. En trots je smart geniet je kalm van alle goede zaken: Zoo’n broodje met gerookte zalm, dat laat zich nog wel smaken. ’k Weet zeker, dat ’k mijn doode oor te luisteren zal leggen, En ’t is m’ alsof ik nu al hoor, wat of ze van me zeggen: „Hij was een _vriend_, in d’ echten zin, een man, waar je op kon _bouwen_, Een hart van goud, vol menschenmin — je kon die man _vertrouwen_!” „Ja, wel heel _schielijk_ ging hij heen!” hoor ’k mij in d’ooren klinken, (’t Woord „schielijk” zeggen z’ ook alleen bij doodgaan — en bij drinken.) „Nu _was_ hij in de laatste tijd toch _niet_ meer zoo de oude.” — „Dat hoestje — ’k heb ’t zoo vaak gezeid, dat ik het niet vertrouwde!” — „Zóó ben je levend,” zegt mijn nicht, „zóó overvalt de dood je!” — En met een diepbedroefd gezicht hapt z’ in haar vierde broodje. Je mag niet over ’t lot van Duitschland of van Frankrijk praten, ’t Gesprek bestaat dan enkel uit bêtises — en hiaten. Bedenk j’ iets geks bij ongeluk, laat dat vooral niet blijken, Je moet maar aldoor, aan-één-stuk, strak-somber blijven kijken. Nu spreek ik nog van ’t kerkhof niet, waar menschen zich verspreken, Waar je — hoe graag je ’t anders liet — „onmooglijk kunt ontbreken.” Waar heeren bij de „laatste groet” de hooge zijden houden Zoo even boven ’t hoofd — dat moet: je wordt zoo licht verkouden... Och, vrienden, als het mooglijk is, bespaart mij zooveel doenlijk Een brave-man’s begrafenis, begraaft me niet fatsoenlijk! ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... Daar gaat mijn stoet, de paarden stappen met gebogen koppen...... En in het laatste rijtuig tappen d’ heeren vuile moppen.
II. POLITIEKE RIJMEN.
1. WAT MOET MIJN ZOON WORDEN?
Leiddraad bij de keuze van een ambt of betrekking.
De liberale zoon spreekt:
„De schoonste vinding van den tijd is — niet ’t blanco artikel, Noch d’auto, noch d’electrisch’, in ’t geheel zelfs geen vehikel, Noch vliegmachine, of bioscoop-met-grammophoon-er-bij, Die vinding is... de Christelijk-historische partij. ’t Zit zoo. Wanneer ik een of ander baantje in ’t verschiet zie, Dan denk ik dad’lijk aan d’ onmisb’ren steun der coalitie. Ik word niet Roomsch. Dat gaat me wel een beetje àl te ver. En ’k word ook niet, dat snap je, antirevolutionair. Dat is zoo boersch, zoo „witte dasch”. Dan kan ik niet meer meegaan, Wanneer mijn vrienden naar de Schouwburg, Flora, of Carré gaan, Dan mag ik ’s Zondags niet meer voetbal, bridge of hockey spelen, Dan moet ik tweemaal in de kerk me zitten te vervelen. Neen. ’k Leen een bijbel van een vriend; die lees ’k zoo wat cursorisch, ’k Ga eens per maand ter kerk. Dan ben ik Christelijk-historisch. Ik ben niet fel, ik kom niet in de hitte des gevechts, Ik zorg dat ’k niemand aanstoot geef: ik word „gematigd rechts.” Ik mag dan alles blijven doen, wat ’k deed in het verleden. Mijn vrienden lachen mij niet uit. Ik blijf me netjes kleeden, En ’t is zoo erg niet, als ’k ’s een ondeugend mopje tap. Ik houd niet van muziek, en daarom steun ’k door lidmaatschap: (Ik was nu lid van Toonkunst, waar ik toch nooit hene ging) De Christelijke-Oratorium-Vereeniging. ’k Behoef niet door afwezigheid op ’t voetbalveld te schitteren, Ik mag naar bals gaan, ’s Zondags tenn’sen, bridgen zelfs, en bitteren. En ’k ben vol hoop op goed succes. De toekomst lacht mij tegen: Nu kan ’k weer soll-citeeren met gegronde hoop op zegen! „Wat moet mijn jongen worden?” vraagt een vader, categorisch, Het antwoord is eenvoudig, dunkt me: „Christelijk-historisch.”
2. DE BIJZONDERSTE VOORZIENIGHEID OP HET GEVALLEN BOEKSKE.
„Tijdens de groote spoorwegstaking, toen dr. Kuyper minister was, wist hij op een gegeven oogenblik niet wat hij doen moest. Als vreemdeling op dit terrein, zocht hij raad voor de te volgen gedragslijn, en hierbij nu zag hij, een heel ander boek uit zijn boekenkast zoekende, en er uit nemende, een klein, dun boekje op den grond vallen, dat hij niet wist dat hij had, en heel niet kende. In dit boekje vond hij de oplossing. Vandaar het succes. Dit is nu de „bijzondere Voorzienigheid.” — (_Heraut_).
’t Is staking. Leiden is in last. Het Licht staat voor zijn boekenkast. Hij zoekt een boek, om raad, en tast Met zorg in ieder hoekje; Daar valt een boekje op den grond, ’t Was heel toevallig dat hij ’t vond, Hij wist niet eens dat het bestond, Zoo’n dun, eenvoudig boekje.
O, die beroerde stakingstijd! De Leider is de kluts wat kwijt, Hij is in groote moeilijkheid, Welk pad moet hij bewandlen? Hij ’s vreemdeling op dit terrein Welnu, dit boekje, dun en klein, Zal Nederland ten zegen zijn, Dat zegt hem hoe te hand’len.
O, Boekske, wees gebenedijd! U zij mijn lof en dank gewijd! Bijzonderste Voorzienigheid! O, wondre, wondre zaken! Als ’t boekje niet gevallen was, Waarin het Licht zijn leiding las, Dan zat’ we nog in het moeras, Dan war’ ze nog aan ’t staken!
Dus niet door staatsmanskunst of kracht, Maar door een soort van „Domheidsmacht” Heeft Kuyper toen het werk volbracht, — Zijn blad zal wel niet jokken! — Hij, en de vromen aan zijn zij, (Er was een echte dom’nee bij!) Regeerden naar — een loterij, Wij noemen zoo iets: _gokken_!