Part 2
De nonsenstermen zijn nu afgeschaft op d’enveloppen, We doen niet meer aan _Edel_, _Streng_, of dergelijke moppen, Den _Waarden Weleer Zeer Geleerden Hooggeboren_ Heer — Geen lieve lezer van de Ruize-Rijmen schrijft dat meer. Maar wees nu consequent, en pas hetzelfde stelsel toe Op _Waarde_, _Beste_, _Zeer Geacht’_ en al dat mal gedoe; _Hoogachtend_, _Met de meeste Achting_, _’k Blijf geheel de Uwe_, _Uw dienaar_, _dienstwillig_, _dienstvaardig_... is ’t niet om te gruwe’? En meen’geen gaf ’t in wanhoop op, en schreef maar niet, ten leste, Omdat hij maar geen keus kon doen uit _Lieve_, _Waarde_ of _Beste_! Is het zoo moeilijk, zou het niet met een’ge oef’ning lukken, Dienstvaardigheid en achting in den brief zelf uit te drukken? En zuiver zaken-brieven, als: „Is u van middag vrij?” Moet daar die achting en dienstwilligheid nu ook al bij? Zeg, hebt gij zelf nog nooit zoo iets geschreven als dit, lezer: „In antwoord op Uw Zeer Geëerde van den vierden dezer Heb ik de Eer U mede te deelen, Zeer Geachte Heer, Dat onze kat gejongd heeft, dat’s nu voor de tiende keer, En al de beestjes leven nog; ’t is boven mijn verwachting. ’k Verblijve Uw dienstwil’ge dienaar, met de meeste Achting”? Die dwaze wartaal weg te laten strijdt met je fatsoen, Maar sta je, als je _spreekt_ met iemand, ook zoo gek te doen? Bv. zeg je: „Zeer Geleerde, Hoog Geachte Heer! Ik heb de Eer U mee te deelen: ’t is vandaag mooi weer?” — Wie doet er mee, en breekt met dit gedachteloos geteem, En schrijft — zooveel als ’t mooglijk is — naar ’t volgende systeem: Laat slechts den datum op uw brief, den naam er onder prijken, En laat uw achting, liefde en geest uit stijl en woordkeus blijken!
6. EEN KAARTJE!
Wie stuurt er me-n-’n kaartje, Een kaartje met Nieuwjaar? Die kaartenstroom, die kaartenvloed Die doet me ieder jaar zoo ’n goed! Mag ik ’r op reek’nen dat je ’t doet? Och, stuur me maar een kaartje, Een kaartje met Nieuw Jaar!
Wie stuurt er me-n-’n kaartje, Een kaartje met Nieuw Jaar? Je doet m’ ’r zoo’n genoegen mee, En ’t is zoo’n aardig, nieuw idee, Zoo met „p.f.” of met „m.g.”, Ik _snak_ zoo naar je kaartje, Je kaartje, met Nieuw Jaar.
O, stuur me toch je kaartje, Je kaartje met Nieuw Jaar! Dan heeft de Post wat bezigheid, December is de slappe tijd, Zoodat je ook de _Post_ verblijdt, Begrijp je? met je kaartje, Je kaartje met Nieuw Jaar.
Zoo’n kaartje, dat bespaart je Een langen brief, niet waar? ’t Is dan niet noodig, dat je dicht Een mooien wensch aan Oom of Nicht, Voor ’t jaar, „dat weder vóór ons ligt,” Je stuurt ze maar een kaartje, Je bent veel gauwer klaar.
Dus krijg ik _vast_ je kaartje, Je kaartje met Nieuw Jaar? ’k Behandel ’t heusch niet achteloos, ’k Bewaar het netjes in een doos, En stuur je na een korte poos, Uit dankbaarheid mijn kaartje, Voor ’t kaartje van Nieuw Jaar.
Zoo gaat het jaar op jaartje, Zoo foppen wij mekaar. De wereld is een poppenkast! We doen elkander overlast, Maar ’t _hoort_, dus doen we ’t; dàt staat vast... Och, stuur me maar geen kaartje, Nee, dank je. Laat het maar.
7. DÎNER À PRIX FIXE.
Opgedragen aan alle vriendelijke gastvrouwen, door een paying guest.
Laat mijn lustig lied bezingen Een van d’ allerdolste dingen, Die in onze nette kringen Tot den _goeden toon_ behooren, (Dus je weet al van te voren, Dat je weer wat moois zal hooren.) Wie bij vrienden gaat dineeren, Moet een pop — contant — spendeeren, Wie bij vrienden gaat logeeren, Waar hij „Logies met Ontbijt” krijgt, Dokt een gulden, die de meid krijgt — Dat wil zeggen, ’t heet, dat zij ’t krijgt, _Zij_ ontvangt het; goed — uitstekend, Maar je weet wat het beteekent: ’t Is bij ’t huren zóó berekend: „Zooveel zal je loon zijn, Keetje, Maar we geven, hm, ja, weet je, Nog al zoo eens een dineetje... Bovendien, wij inviteeren Dikwijls menschen te soupeeren, Of ze komen hier logeeren, — ’t Zal zoo eens per veertien daag zijn — Anders zou je loon wat laag zijn.” „Nu mevrouw, ik wil hier graag zijn,” Antwoordt heel tevreden Keetje. En na ieder dejeuneetje, Of dineetje of soupeetje, Voelt zij al haar handpalm jeuken... „Och, mevrouw, waar is de keuken?” Vraagt de gast. „Daar!” zegt ze leuk, en Ziet hoe Keetje, niets verlegen, Krijgt, wat zij — wat is er tegen? — Loons te weinig heeft gekregen. Ja, wie zich op stand laat „veur”-staan, Houdt van deftig doen en geurslaan, Die laat Mina bij de deur staan, Dat is nog te prefereeren, Want dan kan geen gast ’t probeeren, Om ’m stiekempjes te smeren... Och mevrouw, mag ik het wagen, U bescheidenlijk te vragen, Of u wellicht dezer dagen Eens bij mij wilt komen eten? Maar dan moet ik zeker weten, Dat g’ uw beursje zult vergeten: Komt u bij mij middagmalen, ’k Wil u gaarne goed onthalen — Maar u mag het niet betalen!
8. ST. NICOLAASKLACHT.
O, Sinterklaas, verschriklijk feest! o, jaarlijksche bezoeking! U treffe in dit klaaglied mijn verwensching en vervloeking! O avond van geheimpjes, van surprises en cadeaux, Van pakjes van de post en mandjes van v. Gend & Loos, Die ’k eerst een half uur stil laat staan, dan open met een zucht, Omdat ’k, geleerd door droeve ondervinding, d’ inhoud ducht; Het angstzweet breekt me uit en ’k sta op ’t punt om te bezwijken: Als ’t voorwerp nakend voor mij ligt — ik durf haast niet te kijken: Een kussen, dat ’k niet noodig heb, een inktpot, of zoo iets, Och kom, ik heb een vulpen, en zoo’n ding dat dient tot niets! Een nare dure, vaas — o jee, die moet j’ „een plaatsje geven!” En wat het leelijkste is, dat blijft gewoonlijk ’t langste leven; Ja, wààr je ’t zet, met stille hope op een ongeluk, Vlak bij een rand, of op een hoek, dat ding dat wil niet stuk! „Sämmtliche Werke” worden j’ ook soms op je hals geschoven, De druk te klein, ’t papier van stroo, verguld op snee (van boven). Of anders is ’t een „schilderij”, waar ’k niet naar heb verlangd, Dat is al héél erg, want ’t fatsoen eischt dat je ’t ergens hangt, (Ja, alles, waar een lijst omheen is, heet een „schilderij”) Natuurlijk moet je dankbaar zijn, je kijkt verrast en blij, En of je ’t mooi of leelijk vindt, je moet er, ten pleziere Van wie het je heeft aangedaan, je kamer mee versiere’. Dit door-en-door onzeedlijk feest, het leert het menschdom veinzen, Want hoe ’t ook in je binnenst’ ziedt, je moet blij-dankbaar grijnzen. Het is een tijd van klatergoud, van lorren en van prullen, Waaraan de Priesters van de Wansmaak likkebaardend smullen. Loop nu eens door de Kalverstraat, en zie eens om je heen, Wanneer je in de winkels kijkt, dan krimpt je ’t hart ineen. Je gruwt van al de druk beblomde loopertjes en kleeden, Die stapels van rood-pluche-met-vergulde aakligheden; Zoo’n beeldj’ op waglend voetstuk, heel goedkoop maar veel te duur, Een klok met coupes — monsterlijk — à zooveel „’t Garnituur”. Maar ’t ergste komt nog. ’t Is het zoeken naar den gullen gever. Je zegt, met een gezicht alsof je last hadt van je lever: „Het is toch niet van jou?” of: „zeg, weet jij hier soms iets van?” En zes of zeven maal verdenk je den verkeerden man. En altijd zijn ’t onschuldigen, die j’ aanklampt met je vragen, En telkens heb je allebei een gek figuur geslagen... ..... ..... ..... ..... ..... ..... ..... ..... ..... ..... ..... Maar denk je dat ’k het allemaal meen? Kom, lezer, ben je dwaas! Ik ken geen fijner kinderfeest, dan ’t feest van Sinterklaas!
9. DE LIEVE JEUGD.
De jeugd van tegenwoordig is gewend, van jongs af aan, Zich aan geen mensch te storen, en d’r eigen gang te gaan.
De smaak is grof, de geest is dood, de humor ligt in zwijm — O, jeugd! U wijd ik, met een zucht, mijn ruigste Ruize-Rijm.
Ja, ruig. Want waarom zoetigheid, en water in den wijn, Nu jongens voetjeballomaan, en meisjes jongens zijn?
Het meisje rookt een sigaret (dat wordt wel een sigaar!) Zit met de beenen kruislings, of een meter van mekaar.
Ze ziet er niets onvrouwelijks in, niets grofs en niets gemeens, Te hangen achter ’t motor-jong, de broek aan, en wijdbeens.
De knaap stelt slechts in voetbal, auto, bioscoop, belang, In pracht-revues en operettes van den derden rang.
Hij geeft „geen snars” om schilderen, tooneelkunst of muziek, Leest ijverig de kranten — maar alleen de Sportrubriek.
Hij smeert zijn sierlijk krullend haar met brillantine vol, Hij wenscht — omdat het Engelsch is — een glimmend vetten bol.
Diners met geestig knusse kout, die raken uit den tijd, De pauzen tusschen ’t eten worden aan gedans gewijd.
Waar zouden z’ over praten? Immers alle geest is weg: Ze zijn te _stom_ voor „table talk” — ’t is zonde da’ ’k ’t zeg.
De oudren blijven zitten aan een half-verlaten disch — De jongelui doen wat hunzelf het aangenaamste is.
’t Lawaai der dansmuziek verstomt der ouderen gesprek, Daar heeft de jonkheid maling aan; wie eerbied toont, is gek.
Ze dansen niet met kuische gratie, volgens ’t oud gebruik, Maar wennen zich in wee gewieg, begeerig, buik-aan-buik.
De jongelieden zwijgen niet, maar voeren ’t hoogste woord; Ze hebben ons niet noodig, want ze weten hoe het hoort.
Zooals ze tot hun ouders _zeggen_ „je” en „jou” en „jij,” Zoo _doen_ ze „je-en-jij-en-jou” met heel de maatschappij...
O, meisjes! Knapen! Vin je dat ’k wat àl te bitter brom, Schrijft dan op mij een Ruize-rijm: „De zure Ouderdom!”
10. VERJAARSWENSCH.
Proeve van een gezellig damesbriefje.
Lieve Zus, een enkel woordje met je jaardag, beste kind, Hartelijk geluk en hoop ik gij U allen wel bevindt, Schrijf toch eens hoe gij het maakt, het nieuwe huis bevalt U dat, Wat een weer toch tegenwoordig, elke dag zoo akelig nat, Houden hier veel meer van droge kou, en gaan haast niet meer uit, En uw broer zoo naar Chicago, zeker wel een heel besluit, Hoe maakt Mies het op de kostschool, heeft je Pa het nog zoo druk, Ik draag thuis voetvrije rokken, want die lange trap je stuk, Onze meid haar broer gaat trouwen, dat schijnt allemaal maar te gaan, Maar je moet je soms verbazen, waar die menschen van bestaan, Zijn je weer eens bij je tante op de thee of zoo geweest, Zeker weer gezellig, schrijf eens of je Ma nog zooveel leest, Nare boeken anders tegenwoordig, en begrijp ik niet, Waar die treurigheid voor dient, er toch al genoeg verdriet, Vreeselijk die oorlog toch maar, kijken haast geen platen meer, Want de illustraties komen allemaal op hetzelfde neer, O, die Keizer, zeggen wij maar, die moest zelf maar dood, he, zeg, Weet je wat zoo goed voor kou is, warme kwast, de poes is weg, Gaan jelui wel eens naar Speenhoff, eenig vind ik hem, echt leuk, Morgen eten wij weer rolpens, zalig maar een erge reuk, ’k Geloof je Ma — of was het Tini — die daar ook zoo veel van hield, Weer een staking in de krant, he, wat die menschen toch bezielt, Hier blijft alles bij ’t oude, Noep heeft blaren aan haar voet, Hadden laatst een paar visietjes, Uk studeert, hij maakt het goed, Zitten Zondags meestal voor, dan wordt er achter niet gestookt, Stoken cokes of kolen, vinden altijd anthraciet zoo rookt, ’t Is wat met dat vrouwenkiesrecht, ja daar hoor je me wat van, Ik denk altijd maar, ik weet niet, maar een vrouw is toch geen man, Zit je dikwijls voor de glazen, hier komt bijna niets voorbij, Zondags gaat het, laatst een dame met precies zoo’n hoed als jij, Nu ik eindig, lieve Zus, ik meen haast ik geroepen word, Groet je Ma, ’k heb nu geen tijd meer, schrijf wat langer binnenkort.
Een hartelijke zoen van je zoo liefhebbende
KIKI.
11. CELIBATAIRSWEE.
Beklaag uw ongetrouwden vriend Niet om zijn eenzaam leven, Vooreerst, hij heeft, wat hij verdient! En dan, bedenk eens even: Hij heeft het rustig, vrank en vrij, Hij kent geen aardsche zorgen, Zijn leven vliet bedaard voorbij, Hij denkt niet aan den morgen. Neen. Wat ik heel wat erger vind, Een last! Om te bezwijken! Is, als hij bij zijn besten vrind De baby moet bekijken. Daar staat de stakkerd. ’k Zie hem al, Te midden der vriendinnen. Hij weet niet wat hij zeggen zal — Hoe moet de hals beginnen? De dames kussen ’t kind om ’t langst, Hij weet niet hoe hij staan moet, Fixeert het wicht in doodlijk’ angst, Dat hij er ook nog aan moet. Hij kijkt, confuus, en ongerust, Naar ’t kind zijn natte lippies... Daar nadert tante Kee — zij kust Het op... zijn bloote bippies! Een oude nicht staat mal te doen, Ze blaast haar wangen bol op: „Mijn honkieponkie, nog een zoen! Ik ben er toch zoo dol op! Me bommekoppie, koekeloe, Dada, me dikkedijntje, Van kielekielekiekeboe, Trararietjes, trarijntje! M’n hikkepikkiesnuizepoes, M’n mollebollebokkie, M’n rikketikkierobbedoes, M’n kussemusse mokkie! Jou pruimepoetepietemis, Jou honneponnepippie, Jou krullebollekissebis, Jou poelekoelekippie! Waar issie dan, me pootepien?” — ’t Is of ze met ’r hond spreekt — Tot ze eensklaps ’t voetje — ’k heb ’t gezien! — Tot ’t enkeltje in d’r mond steekt! Nu komt het vreeslijkst oogenblik... Hij heeft het aan zien komen! Hij heeft er van gedroomd, met schrik, In vele, bange droomen: _Hij krijgt het kind op schoot!!_ Jawel! Hij durft niet nee te zeggen, Ik zal er — zoo bedenkt hij snel — Wat kranten onder leggen... ...... ...... ...... ...... ...... ...... ...... ...... ...... ...... Te laat!! Hij roept de baker, wenkt... Hij weet niet wat hij ’t meest is, Boos, of beschaamd, als hij bedenkt Dat _hij_ ook zoo geweest is! Ach, mag een schuchter woord misschien Het eind van dit betoog zijn...? Ik wil graag al je kind’ren zien, Maar niet — voordat ze droog zijn!
12. BEÊ AAN NEÊRLANDS GOÔN.
„Is life worth living?”
’t Zijn verschrikkelijke tijden, Die het Menschdom thans doorleeft, Fel geteisterd door een lijden, Als geen pen beschreven heeft, Nu de gansche wijde Waereld op zijn fundamenten beeft.
Vrij bleef nog ons goede Holland, Dierbaarst plekje van onz’ aard! Vrij! Terwijl Europa dol an ’t Rennen is, als ’t schichtig paard, Naar den afgrond van verderf en wee, in toomelooze vaart.
Maar ook wij hebb’ onz’ ellende, Op de Vaderlandsche kust: Circulaires — und kein Ende — Laten je geen dag met rust, En bederven je je stemming en je lieve levenslust.
Zit je ergens knus te babbelen, In een lunchroom of café, Op je krakeling te knabbelen, Bij je borrel of je thee, Dâlijk wor j’ omzwermd door kindren, en begint het „lijsten-wee.”
Nergens kun je rustig loopen, In dit dierbaarst oord van d’ aard, Nu eens moet j’ een bloempje koopen, Dan weer prikken in een kaart, En je teekent, koopt, prikt, zuchtend: „Is het Leven ’t Leven waard?”
Veel vernuftigs vond deze eeuw al Uit — tot Last van ’t Algemeen, Maar het mooiste is de „Sneeuwbal,” Fraaier vondst bestaat er geen: Daarmee hinder je _drie_ menschen tegelijk, inplaats van één!
Krijg ’k zoo’n brief, dien ’k af moet schrijven, Driemaal, meen ik haast zoowat, Dan probeer ik stil te blijven Zitten — net zoo als ik zat... En den term _niet_ uit te spreken... ’n enkele keer gelukt me dat. — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — Dankbaar, dat wij veilig bleven, Goôn! die ons genadig zijt! Zullen w’, u ter eere, geven, Blakend van liefdadigheid... Als _gij_ ons verlost van prik- en sneeuwbal-lammenadigheid!
13. RIDDERORDENRIJM.
„Brave landgenooten! Twee Koninginnedagen zonder lintjes!” (Tel.)
Ik ben een man van beteekenis, Me dunkt dat dat nu wel gebleken is, Want Christelijke bladen vallen mij aan, En mijn hoofd heeft in de Groene gestaan. Nu kan het mij toch zoo verschrikkelijk verdrieten, Dat er nooit nog een lintje op over kon schieten, Zoodat ik aan iedereen duidelijk kon toonen: Ik ben een van Neerland’s verdienstelijke zonen! Want niemand zal mij daar het recht toe betwisten, Al ben ik — uit eerbied voor Christus — geen Christen. Wanneer je 25 jaar niets heel ergs gedaan hebt, Of aan ’t hoofd van iets, of onder iemand gestaan hebt, Of je bent van een heeleboel anderen de oudste, Of van de ongetrouwden de ongetrouwdste, Of je bent bij een vaderlandslievendheidsfeest Secretaris van de voorbereidingscommissie geweest, In één woord, als je je door burgerschapszin onderscheidt, Dan krijg je van zelf, vóór je ’t weet, op je tijd Zoo’n verdienstelijkheidsstaatsburgerdeugden insigne, Zoo’n braafheids-diploma thuis — en dat verdien je. Dat hang je te pronk vlak vooraan op je borst, (Menigeen deed ’t ook aan zijn huisdeur, als hij maar dorst!) Ik kom tegenwoordig heel veel op de Witte, Daar zie ik dan tal van verdienstelijken zitte’, Die zwijgende zeggen, omdat ’k ze niet ken: „Je ziet, hoop ik, wel hoe verdienstelijk ik ben?” — Waarom kan ik ook tot zoo’n hoogte niet stijgen? O, mocht toch ook ik eens zoo’n deugdbewijs krijgen, Dan zweer ik je dat je mijn eerelint Op elk exemplaar van mijn kleere’ vindt: Op rok, op smoking, op pandjes-jas, (Die nu, zoo als ik verlede’ las, Het rokcostuum overdag vervangt) ’k Zorg verder ook dat dat gevalletje hangt, Op mijn bruine, en op mijn blauwe colbert, Daar komt het op uit en het schittert van ver, Dan zul j’ ’m nog zien ook, de eeremedaille Op me kamerjapon, ja zeker, dat zal je, En ook op mijn grijsruiten zomercostuum, Ja zelfs op mijn tenniscolbertje ziet u ’m, Want ’k ben er toch eigenlijk wel op gesteld, Dat ook op het groenende tennisveld Die zwijgend’ maar duidelijke lintjes-stem De sportwereld toeroept met kracht en klem, In kleurengeluiden hard en schel: „Ik ben zoo verdienstelijk, dat zie je toch wel?” En ’t herfstweder zal mij niet kunnen weerhouden, Al ben ik betrekkelijk ook heel gauw verkouden, Om mijn overjas, als het maar eenigszins kan, Op straat voor den gaanden en komenden man Zoo open te dragen: dan hoort hij al dalijk Als ’t ware een stemme: „U neemt me niet kwalijk, Maar u dacht toch niet, dat ik niet verdienstelijk was? Je kijkt niet goed, lummel, hier onder mijn jas!” Ja, ga ik uit baden in ’t ziltige nat, Dan staan daar de dagjeslui uit de stad, In Zondagsch tenu, allerfijnst, allerchicst, Te kijken naar ’t ploeteren in zee, in ’t bain mixte. Die menschen nu dienen toch ook wel te weten, Hoe verdienstelijk ik ben, en ik zal niet vergeten, Mijn lintje op mijn zwembroek te spelden, op zij, Met een veiligheidsspeldje, schuinsch-links, bij mijn dij. ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... Ach, konden de lintjes zich uiten in woorden, Dan wed ik wat, dat we heel duidelijk hoorden: „Mijn baas is verdienstelijk, verkondigt het luid: Verdienstlijk, en tevens, — een ijdeltuit!”
14. DE NETTE MENSCH SPREEKT.
„Deze dame was jaren lang aangeslagen naar een vermogen van ƒ 25.000. Toen zij stierf liet zij een vermogen na van 8 millioen.” Belasting-discussies.
Ik ben een net mensch, en ik houd niet van liegen, Ik zie in onwaarheid, in draaien, bedriegen, Iets schandlijks, en soms iets gevaarlijks; Maar als ik moest liegen omtrent mijn vermogen, Dan heb ik mijn leven lang altijd bedrogen, Dan lieg en bedrieg ik nog jaarlijks.
Oprechtheid en eerlijkheid, waarheid is heilig! Bij mij zijn je geld en je goederen veilig, Bij mij vliegt er niemand „gemeen in;” Maar vragen douanen me naar mijn sigaren, Dan lieg ik met smaak om wat geld uit te sparen, Och nee, zeg, daar zie ik zoo geen been in.
Ik geef ook het voorbeeld aan vrouw en aan kindren, Ik houd het hun voor, en ik leer het mijn mindren, Dat waarheid mijn Leidstar, mijn Bruid is; Maar „Jaantje, meid, luister. Dit is mijn verlangen: Zeg nooit, als men komt: „meneer kan niet ontvangen,” Zeg altijd, Jaan, „dat meneer uit is.”
O, wees toch oprecht, mijn lief tienjarig zoontje, Kastanjebruin kind, met je blozende koontje, En een aartje (goddank!) naar je vaârtje! O, blikk’ uit uw oog slechts de waarheid ons tegen... Maar denk er om, Jan, in den trein ben je negen, Dat scheelt me de helft in je kaartje.
Op school was ik altijd een eerlijke jongen, Ik maakte wel eens, wat men noemt: kromme sprongen, Een jongen die doet wel eens méér raar! Maar niemand kon m’ ooit op een leugen betrappen, ’k Was eerlijk als goud hoor! — maar _als_ ’k ’t ’m kon lappen, Bedroog ik geregeld den leeraar.
We maakten er grappen op, soms om te gieren! We noemden het „smokkelen,” „spieken” of „spieren,” Ik placht mij er op te beroemen. Toen heb ik geleerd wat de menschen bedoelen Met „eerlijkheid”; dit (maar zoo iets moet je voelen): _Wat nette lui eerlijkheid noemen_.
Wanneer ik zoo lees in de krant, hoe ze stelen, En oplichten, knoeien, vervalschen en helen, Je snapt, hoe ik dankbaar en blij ben, Dat _ik_ niet zoo slecht ben, dat eerlijk mijn handel, Dat rein mijn geweten is, vlekloos mijn wandel... Goddank, dat ik niet zoo als zij ben!
15. DE SÉANCE.
Daar zitten de zielige stakkers, Verschillend in rang en stand, Ze voelen zich broeders en makkers, Vereend door een spookigen band.
’t Begint met het Largo van Händel, Dat maakt ze wat melig en mak Dan zijn ze goed gaar voor den zwendel, En steek je ze zóó in je zak.
Het medium neemt ze in ’t ootje; Eerst werkt hij wat op d’r gemoed, Dan schetst hij ’t gezicht van je grootje, Hij raadt het — en soms raadt hij goed.
Hij raadt uit een kam of een kaartje Of de doode dik, lang was, of kort, Uit een mes of de scheê van een schaartje, Of hij veel aan muziek deed, of sport.
„Ik voel zoo iets,” kreunt hij, „als _water_; Zwom de doode veel? — Komt dat niet uit?” „„Neen!”” roept men. — „Enfin,” zegt hij, „later Dan merk je wel wat het beduidt.”
„De neus van je nicht was gebogen.” „„Kaarsrecht!”” roept de neef, „„Ben je dwaas?”” „Best,” zegt hij, „dan hè ’k me bedrogen; Dat komt zóó: ik zag d’r _en face_.”
„Het kind, dat dit schoentj’ heeft gedragen... Wat babbelde ’t lief! Heel den dag!” „„Ons kind was doofstom,”” hoor ik klagen, Toen verging mij de lust tot een lach.
Dan, plotseling, doet hij je schrikken, „Een Geest!!!... ’k Kan ’m duidelijk zien!! Ik zie ’m — met mijn geestlijke blikken... Dáár!!! Stalles, rij 6, no. 10!!”
O, zie dat morbide verlangen, Dat hunkren naar griezel en schrik! Dien koortsigen blos op hun wangen, Dien glazigen glans in den blik!
Ze zweven naar hemelsche oorden Op vleuglen van klank en van taal, Van wondere, wazige woorden, Als „fluïdum”, „karma”, „astraal”.
Naar Liefde, naar Schoonheid te streven, Naar Kunst — alles is hun te laf — Ze zijn niet tevreê met het leven, ’t Bestaan, zooals God het hun gaf.
Zóó smacht naar de zonne de zieke, Hij haakt, en hij hoopt en gelooft — Zóó snakken zij naar het Mystieke, Dat de zinnen bedwelmt en verdooft.
Rubini — die wist ze te boeien! ’t Was phenomenaal wat hij deed; En hoe deed Tagore z’ ontgloeien, Zacht zingend, als Boeddha verkleed.
Ze hebben hun godsdienst verloren, Hun ziel is verslaafd aan den soes — Bij Peters, Rubini, Tagore Daar vinden ze rust in een roes.
16. IMPÔT UNIQUE.
STAATSRECHTELIJK-ECONOMISCH RIJM.
De Physiocraten verdedigden de leer van de „Impôt unique”: zij wilden alle belastingen vervangen door één enkele — Charivarius ook.
„Het binnentreden in eene woning tegen den wil van den bewoner is niet geoorloofd”. _Grondwet, art. 158._