Ruize-rijmen

Part 19

Chapter 193,749 wordsPublic domain

„Gare!” roept ook dat blozend meiske, Met een stemmetje als een sijske, „Gare!” al glijdend langs de baan, Op haar luge, in haar eentje, Kittig sturend met haar beentje, „Gare!” en stralend komt zij aan.

Ziet de slanke skiërs zweven, Vol van tintlend jeugdig leven, Op de golvend sneeuwen zee. Ziet z’ op zeev-mijlsschaatsen snellen, Dan weer deinend, zeilend hellen, In een sierlijk vol plané.

En de albediller, vitter, Charivarius, die zit er, En hij leest geen enkle krant. Als hij lummelt, lui en lustig, Heeft _U. D._ en _Standaard_ ’t rustig, d’ _N.R.C._ en ’t _Vaderland_.

„Bleef hij daar nog maar een beetje!” ’k Hoor ’t ze denken. — Een ideetje: — ’k Kreeg ’t bij ’t maken van dit vers — Breng bijéén, en stuur m’ een sommetje, ’k Blijf dan nog wat — wèl bekomme ’t je! Prosit! Vaderlandsche Pers!

Chesières, Januari 1914.

3. BOSCH-RIJM.

Ik lig in ’t bosch, Op ’t zachte mos, In ’t bosch van sparregeuren; De zonne daalt al, goud en ros, Ik voel me nu zoo vrij, zoo los, Van ’t elkendaagsch gebeuren.

’t Is mij zoo blij, ’k Ben nu zoo vrij Van kranten-fouten-schrijvers, Van heel de drukke maatschappij, Van heel de schetterende rij Van schreeuwers en van drijvers.

Mijn vinnigheid Die ben ik kwijt In ’t blijde bosch hier buiten; Ik zie den hemel, hoog en wijd, Ik voel het mulle mostapijt, Ik hoor de vogels fluiten.

Ik weet het wel: De zon kan fel En brandend zijn, en steken, De kleuren zijn soms hard en hel, Veel vogels zingen schril en schel, De bloem zelfs heeft gebreken.

En voor ’t gezicht Zijn scheef gericht Veel stammen, die daar groeien, En — ’t hoort wel niet in een gedicht — Maar ’t weet, dat er iets leelijks ligt Ook bij de mooiste koeien!

Maar wie het ziet — Ik zie het niet! ’k Lig veel te zoet te droomen; Critiek ligt buiten dit gebied, Ik luister nu naar ’t vooglenlied, En naar ’t geruisch der boomen......

4. STRAND-RIJM.

Wanneer heel Holland hijgende En heet is, zweetend zwijgende, En ’t kwik, steeds sterker stijgende, Tot dicht bij ’t kookpunt rijst, Dan ijlt half Holland naar het strand, Vlijt zich terneer in ’t mulle zand, En braadt zich bruin in zonnebrand: ’t Is Holland op zijn blijst!

Kijk, daar dat troepje, hollende, Dwars door de duinen dollende, In ’t zand, het rulle, rollende, In uitgelaten pret! Nu pootjebaaien! Wie doet mee? De rokken op, en ver in zee! Dan in de stoelen, twee aan twee In knussen kring gezet.

De fine fleur, flaneerende, De katjes koketteerende, De katertjes begeerende, Frivool vergulde jeugd! Toiletjes, been- en boezemboog Vertoonend aan het loerend oog, Van boven laag, van ondren hoog — Nog net in eer en deugd.

’t Kadee Kadetje, kozende, Zich vrijende verpoozende, Met ’t blonde bruidje, blozende, Wanneer de knaap haar kust; Zij liggen, ver van ’t volle strand, Hoog ergens aan den heuvelrand, Wang tegen wang, en hand in hand, In laaie liefdelust.

Die badstoel, breed beschuttende Den dommen dikkerd, duttende, Weer nieuwe krachten puttende Voor ’t volgend vette maal, Torst, krakend onder ’t zwaar gewicht, Den smulpaap met zijn bol gezicht, Die zalig zacht te snurken ligt, Gestadig en egaal.

De manslui, wenkend, wuivende, Dicht naar den zeekant schuivende, Genieten, grijnzend gnuivende Van ’t weelderig tafreel Der vrouwen, die aan ’t baden zijn, En ’t golven van haar lichaamslijn Onthullen, achteloos — in schijn — In dartelend gespeel.

Daar staan ze, kuiten kijkende, Voor weer noch water wijkende, Lascieve leeuwen lijkende, Liplikkend van plezier; Totdat ze, lam van ’t lange staan, Met loomen pas naar boven gaan, En daar hun drogen dorst verslaan Met borrels of met bier. — — — — — — — — — Daar ligt de zee, de levende, Zoo zwaar en toch zoo zwevende, Zich stuwend, strandwaart strevende, In stagen golvenval; Zie hoe zij pronkt met paarlenpracht, In kleurenwisselingen zacht, Van rose, vaal, azuur, smaragd, Met tinten zonder tal.

De zee! de pralend prachtige, De magistrale machtige, De koude, koene, krachtige, Die Leven brengt en Leed; In passielooze majesteit Haar ruischend reine wade spreidt, En, oud en jong — als d’ Eeuwigheid, — Van tijd noch tijden weet......

Van al die wufte, woelenden, Die juichenden en joelenden, Die vaag en vluchtig voelenden, Daar dwarrelend langs de ree — Van al die menschen, luid en druk, Als in een bont spektakelstuk, Die vreugd verwarren met geluk — Wie kijkt er naar de zee?

5. SNEEUW-DAG IN DE DUINEN.

Zijnde de berijmde overpeinzingen van een eenvoudig wandelaar in zijn eentje.

Der duinen zachtgebogen vormen Dekt nu de koele blanke laag; Een golvenzee, verstard na stormen, Gelijkt mijn duinenland vandaag.

Zoo zal mijn geest zich ook verstillen, Als alle vlammen zijn gebluscht Van veel verlangen, wenschen, willen, En vrede wederkeert, en rust.

Alleen het bruin der naakte boomen Verbreekt het witte winterdek, En bij de verre duinezoomen Nog hier en daar een blonde plek.

Ik houd den adem in, en luister; Hier wordt geen enkle klank gehoord, Geen voetstap dreunt, geen windje ruischt er, Geen stemme die de stilte stoort.

Geen kwekkend groepje stedelingen, Van sigarettenrook omwalmd, Die operette-deunen zingen, Van schorre kelen uitgegalmd.

Geen wijze maat, die m’ uit wil leggen, Wat hij van wind en weder weet, Geen gids, die mij precies kan zeggen, Hoe elke weg en duintop heet.

Geen makker, die mij van zijn zaken, Geen vriend, die van zijn vak verhaalt, Geen arts, die duidlijk tracht te maken, Hoe ’t wandelen de spieren staalt.

Natuur is een jaloersche Vrouwe, Die eischt, dat zij u gansch vervult, Die overgave vraagt en trouwe, En die geen ander naast u duldt.

Ik ben alleen. Dies ben ik blijde; Nu spreekt Natuur mij zwijgend toe, Wanneer ik als een ingewijde, Mijn biecht en mijn beloften doe.

Zij spreekt zoo steunend en zoo sterkend, Dat elke kleine klacht verstomt; Zij leert mij, hoe ik wakend, werkend, Zal streven, tot het Einde komt.

Zoo heb ik heel mijn ziel gegeven, In wijding, ootmoed en ontzag; Nu zal ik veilig verder leven, Getroost, en dankbaar voor den dag.

6. KACHEL-MIJMERIJ.

Goddank! ik heb ’m eindelijk teruggekregen, De ouderwetsche kachel van mijn prille jeugd; ’k Heb overal gezocht, op markten en in stegen: Daar staat ie nu, en vult mijn hart met stille vreugd.

’t Is nog zoo’n echte oude kachel, met dat lofwerk, Een gat van boven, voor een keteltje bestemd, Wat bloemen, blaren, koppen, krullen, — alles grof werk — En binnenin een schuivend deurtje, dat wat klemt.

Wees welkom, zwarte vriend! Wij zullen samen praten. Gij zult mij spreken van den goeden, ouden tijd, Van ’t leven zooals ’t was, toen w’ om de kachel zaten, Van huiselijk geluk en van gezelligheid.

Vulkachel! denk maar niet, dat j’ ooit weer hier geduld wordt, Jij komt ’r niet meer in. Geëindigd is je rijk, Prozaïsch meubel! bak, die door de meid gevuld wordt! Trots al je warmte, koud, phosphoriseerend lijk!

Al heet zoo’n vulmachien: „egale warmte gevend,” Al brandt mijn kachel soms een beetje minder goed — _Jij_ bent geen dood stuk staal, mijn kachel, jij bent levend; Daar zit wat ziel in jou, wat geest, en wat gemoed.

Wat heb ik dikwijls, in mijn verre kinderjaren Den tijd verdroomend, als een kind — en mensch — dat doet, Door ’t reetj’ in ’t rosse, laaie lichthuis zitten staren, Mij wilde phantasieën toovrend uit den gloed!

Ik wist toen nog zoo niets van ’t wonderlijke leven, ’t Was één mysterie, warlend door mijn kinderbrein, Een moeilijk, lang verhaal, in vreemde spraak geschreven, Een mooi-vermoed tableau, daar achter ’t toe-gordijn

’k Zit peinzend met de pook in ’t kolenvuur te wiebelen, En menige herin’ring heb ’k weer opgepookt; Nu voel ik wel iets vochtigs in mijn ooghoek kriebelen Is ’t de Herin’ring, of is ’t dat de kachel rookt?

7. DE JONGE BLINDE.

(_Brief_)

„Dit gebouw is tot een tijdelijk tehuis voor blinden ingericht. Tal van jonge mannen, die nog voor eenige maanden blij en gezond door ’t leven gingen, nu voor altijd blind, vinden hier een onderkomen en werk. Er worden matten gevlochten, banken getimmerd, schoenen gemaakt. En vele brieven worden er gedicteerd, voor vrienden en verwanten, geschreven door vriendelijke en vertrouwde hand.” _Hbl._

Mijn lief, je moet mij niet meer wederzien; Je moet mij nu dit nieuwe leed besparen, Bedenk, ik moet mijn looden last misschien Nog jaren dragen — lange, lange jaren.

Ik wou zoo, dat mijn beeld nog voor je stond, Zoo als ik was — voordat het duister daalde, Toen jij mijn liefde in mijn blikken vondt, En uit mijn oogen heel mijn ziele straalde.

Nu ben ik oud, al ben ik twintig jaar, Ik heb geen enkle hoop meer, en geen wenschen, Mijn handen tasten en mijn tred is zwaar, Ik ga gebukt, en bang, als oude menschen.

Toen ook voor mij de blijde zonne scheen, En levenslust en kracht mij nog bezielden, Toen hebben wij elkaar eens, heel alleen, Bekend hoeveel wij van elkander hielden.

Wij wandelden, als kindren, hand in hand, Langs bonte velden en beboomde wegen, En als de zonne daalde op ’t droome-land, Dan keken wij elkander aan, en zwegen.

En als ’k je in je blauwe oogen zag, Heel innig, teeder naar je toe gebogen, Dan speeld’ er om je mond een englenlach, En tranen stonden in mijn jongensoogen.

Het is nu uit. Mijn leven is voorbij, Het jouwe gaat beginnen. Mijn verlangen Is nog alleen maar, dat ’t blijde zij, Een leven vol van bloemen, zon en zangen!

Ik heb je, wat ik voelde, àl gezeid, Toen jij je blonde kopje placht te leggen Zacht op mijn schouder, in mijn zonne-tijd; Wat hebben wij elkander nog te zeggen?

Mijn hart is zonder wrok. Ik voel geen haat Voor hen, die over mij dit alles brachten; Ik ben als een, die ver van ’t leven staat, Mijn ziele zwijgt, en dood zijn mijn gedachten.

Ik zal geduldig wachten op het end, Maar mag ik, vóór de dood mij komt bevrijden, Nog hooren, kind, dat jij gelukkig bent, Dan zal ik blij zijn, blij zijn bij het scheiden,

8. BELLO, DE TREKHOND,

dien Charivarius, na wat afdingen, voor ƒ 7,50 kocht van een hondenbeul.

Bello, heb je zoo geleden? Arme kerel, kom eens hier. Zoo. Zoo. Ben je nou tevreden, Mager, afgejakkerd dier?

’k Heb je lekker laten wasschen Van de modder en de mest; Ja, je hield niet van dat plassen! Maar ’t was voor je eigen best.

O, je baas was wel venijnig, Treurig leven was je deel; Eten kreeg je veel te weinig, Schoppen kreeg je veel te veel.

Nou begint een ander leven, Zonder zorgen of verdriet; ’k Zal je goed te eten geven, Schoppen, kerel, krijg je niet!

Rijst, en velletjes van worstjes — Zeg, bevalt je dat menu? Aardappels en zoo, en korstjes, Goed gedrenkt in lekkere jus.

’k Zal je wel eens dikwijls fuiven, — Nee, niet likken! Dat vin’ ’k vies — Op verrukkelijke kluiven; Graten niet. Die zijn voor Mies.

’n Enkele keer een stukje lever Door je droge hondebrood — En je dankt den milden gever Met een extra-zware poot.

Uren zull’ we samen wandlen, Al maar keuvlen met mekaar, En van allerlei behandlen; Ik vertel. Jij luistert maar.

En dan gaan we naar de duinen, Waar de zilte zeewind speelt, Jij rent naar de hoogste kruinen — Plotsling...... stokstijf! Als een beeld!

Dan weer pijlsnel naar beneden, In een toomelooze vaart, Zaligheid der zaligheden! Tuimlend over kop en staart.

En, als ik eens uit geweest ben, Wordt je slaapje plots gestoord; Jij, omdat j’ een hartelijk beest ben, _Voelt_ mijn komst voordat je ’m hoort.

Op......! Je luistert...... ’t lijf naar voren, Trillend in een blij gebeef...... Recht gespitst je beide ooren...... En je kop zoo’n beetje scheef......

Kijk, je staart begint te wuiven, Flap! Daar sta je, vóór je ’t weet, Bij de deur, met lange snuiven, Zoo je snoet plat op de reet......

Hoor! De huisdeur wordt ontsloten...... Jij, verrukt van ’t slot-geraas, Staat te traplen op je pooten Hiep, hoera!! Daar is de baas!!

Zeg...... vanwaar die doffe blikken......? Strakjes keek je nog zoo goed; Bello! Beest, je laat me schrikken, Kom, kom, kom, ’n beetje moed!

Nou niet als-maar pooten geven! ’k Snap ’t: je zweert me eeuwig trouw; Top! Accoord!...... Hei, wacht nou even? Niet je snoet zoo in me mouw!

Moet ’k je kop nou weer eens strijken? Kijk, wat wordt ie glanzend glad! ’t Zou nog wel eens kunnen blijken, Dat ’k een koopje aan je had!

En, ’t is niet om je te vleien, Maar je hebt een mooi gebit! En je haar is zacht en zijen, Zwart, met plekjes van sneeuw-wit.

Ja, je pooten staan wat krom nou, Door dat tuig, dat zat zoo slecht...... Bello! Niet zoo’n zucht! Waarom nou? Wees gerust — dat komt terecht!

’t Is hier nog wel uit te houen, Wel gezellig, hè, en warm! Koest nou! Koest nou! Niet zoo douwen, Met je kop zoo onder m’ arm!

Zoo. Laat ik je hier nou leggen; O, wat dankbaar kijk je m’ aan! Laat ons voortaan — wil je zeggen — Poot-in-hand door ’t leven gaan......

En zoo praatt’ ik boud en blijde...... Even strekt’ hij nog zijn poot...... Zachtkens zonk zijn kop op zijde...... ’n Zucht. En toen was Bello dood.

9. TREUR-RIJM.

Op Snap, mijn herdershond, overreden.

Snap, mijn goeie ouwe jongen, Toen je lag daar, op de grond, Met je leden scheef-verwrongen, Snap, mijn mooie trouwe hond, Toen ik bleek, bewogen beefde, Zwevend tusschen hoop en vrees, Of mijn vriendje soms nog leefde, Toen je brekend oog bewees, Dat je niet meer bij zou komen, Dat je mij verlaten had — Snap, toen heb ik dwaas staan droomen, Midden in de drukke stad...... Eindelijk heb ik j’ opgenome’, Half nog suffend nam ik j’ op, En je ooren hingen loome, Op mijn schouder lag je kop, Om mijn hals je koude pooten, Als een kind bij moeder ligt; ’k Heb je oogen maar gesloten, Want dat was zoo’n naar gezicht — ’t Was om ’t volk wat te vermijden Dat ’k een taxi roepen liet, ’k Zei: „Chauffeur, wat zachtjes rijden!” Waarom weet ik eig’lijk niet. ’k Heb mijn kamer afgesloten. ’k Legde j’ op je schapenvacht, Met je snoet zoo in je pooten, Als je wel te slapen placht. ’t Was zoo rustig; ver van ’t leven, Ver van ’t drukke stadsgewoel; Daarom ben ik toen maar even Stil gaan zitten in mijn stoel...... ’k Heb je peinzend vergeleken Met de menschen, goed en rein, Die Gods wetten nooit verbreken, Zedelijk en geloovig zijn; Altijd vol van s’ naasten zonden, Zelden vol van s’ naasten leed, Koude harten, hoofsche monden, Nette menschen, braaf en wreed, Die precies de vormen weten, Naar elkaars „At home”-pjes gaan, Geen verjaardag ooit vergeten, Geen receptie overslaan. Jij wist niets van „Reine zeden”, Huwlijkstrouw? — Dat vond je zot! Jij hebt nooit Het Woord beleden, Jij geloofde in geen God. Maar jouw heele honden-leven Heb je, Snap, mij elken dag, Al de hartelijkheid gegeven, Die in jouw karakter lag. Jij was nooit één dag humeurig, Zooals wij zijn — eens per week! — En wanneer ik soms wat treurig In mijn smeulend haardvuur keek, In één van die malle vlagen, Vlagen van melancholie, Dan kwam jij mij zwijgend vragen, Met je kop — zoo op mijn knie, Of ’t mij dan geen troost kon schenken, — ’k Zag ’t in j’ oogen, klaar als glas — Als ik even wou bedenken, Dat jij, Snap, er óók nog was?...... Och, jij zult er niets van weten, Zedeloos, goddeloos, vriendelijk beest, Maar ik zal je nooit vergeten, Want je bent mijn vriend geweest. — En als men m’ een plaats mocht geven, Na mijn dood, in ’t Hemelsch Oord, Wegens mijn fatsoenlijk leven Naar de reg’len van Het Woord, En men hield jou, Snap, er buiten, Snap, zoo goddeloos...... maar zóó trouw! Dan liep ik den Hemel uit, en Kwam ik in de Hel, bij jou!

10. TOE, JONGENS, WEEST NIET WREED!

„Het is verboden een wapen bij zich te hebben...”

_Wapenwet._

Zeg, heb j’ er wel eens even over nagedacht, Dat woorden, lachjes, blikken, kunnen wonden — dooden? Geen wet heeft ’t dragen van dat wapentuig verboden, En ’t heeft toch al zoo heel veel wonden toegebracht, Want ’t wreede woord is van je lippen, vóór je ’t weet: Toe, jongens, weest niet wreed!

Je makkers noemen je zoo gauw een ruize-kei. Geen kunst, ze te vermaken met je grove grappen, Als ’t je niet deert den stumper op het hart te trappen; Zie, ieder juicht je toe, en lacht — behalve _hij_! Kijk naar zijn droeven blik, en zie wat je misdeed — Toe, jongens, weest niet wreed!

Jij, vluggert, die zoo makkelijk je lessen leert, Bedwing je, smoor dien harden hoonlach, jonge spotter, Als daar een zwakke broeder, in beangst gestotter, Blijft steken in zijn les, zoo moeizaam bestudeerd, Waarop hij heeft gezwoegd, met tranen en met zweet — Toe, jongens, weest niet wreed!

Jouw pak — _Papa_ betaalde ’t! — is volmaakt van snit. Maar moet je nu je buurman, d’ armen drommel, plagen, Omdat ie d’ oude plunje van zijn broer moet dragen? Doe net of je niet ziet, dat ’t ding hem leelijk zit; Hij ging heusch graag precies zoo fijn als jij gekleed! Toe, jongens, weest niet wreed!

Bespot hem niet, „die neus,” „die kromme,” of „die bult,” Dankt God, dat gij zoo welgemaakt zijt, slanke knapen; Weest er niet trotsch op! G’ hebt u zelf niet zoo geschapen! Dat hij niet mooier is, is niet zijn eigen schuld. Kom, maakt, dat hij het eens een oogenblik vergeet! Toe, jongens, weest niet wreed!

„Die katjang!” — O, ik weet, je meent het niet zoo kwaad, Maar stel je nu eens voor, dat _jij_ zoo was geboren, Zou jij daar dan graag elken, _elken_ dag van hooren? Denk hier eens aan, en — wedden, dat je ’t voortaan laat? Er zijn toch leuke jongensnamen bij de vleet! Toe, jongens, weest niet wreed!

„Die rooie” gaf wel graag een stukje van zijn pink, Om zijn pruik voor jouw blonden krullebol te ruilen, En eenzaam ligt hij ’s nachts misschien in bed te huilen; Hij hield zich overdag zoo kranig en zoo flink, Maar als hij ’s heel alleen is met zijn stille leed...... Toe, jongens, weest niet wreed!

Je bent nog jong. De zonne schijnt, de lente lacht, Je speelt een vroolijk spel in tien of twaalf bedrijven; Kom, laat dat stuk voor allemaal een _blijspel_ blijven! Wie weet wat jou, of d’ andren, in de wereld wacht? Daar ’s meen’ge droeve rol in ’t Spel, dat ’t Leven heet...... Toe, jongens, weest niet wreed!

11. DES EENLINGS MIJMERIJ.

Als ’s nachts de wind de boomen zwiept, Dat al de takken kraken, Den schoorsteen schokt, en snerpt en piept, En stormloopt langs de daken; Wanneer ’t daarbuiten briescht en gilt, En schrille stemmen gieren, De lucht-demonen dol en wild Hun woeste dansen zwieren — Dan lig ik in mijn sponde loom, En dankbaar voor het duister, Want door mijn wake doolt de droom...... Zoo lig ik lang, en luister.

Daar hoor ik plots een zachten tik, Ik heb niet hooren loopen, Ik mompel: binnen! zonder schrik; De deur gaat zachtkens open. En zie, daar in het duister staat, In gracelijke deining, Gehuld in transparant gewaad, Een lichte geestverschijning. Het is de geest der mijmerij, Een soort van elfenkoning; Ik wenk hem: kom wat naderbij, Wees welkom in mijn woning!

Hij zet zich op mijn sponde neer, En vat mijn hand gezellig; Zijn blik is vriendelijk en teer, Maar toch wel vast en stellig. Hij spreekt mij toe, zijn stem is zacht, En klinkt gedempt in d’ ooren, Maar met een innerlijke kracht — Heel prettig om te hooren. ’k Verbaas me dat ’k me niet verbaas, En alles zoo gewoon vind, En met dien gast in nevelwaas Direct den juisten toon vind.

Ik laat het meest het woord aan hem, En luister maar geduldig, Als hij vertelt, met zachte stem, Verhalen menigvuldig. Hij spreekt ontroerend mooi met mij, Van lang vervlogen dingen, En toovert mij de bontste rij Van schoone erinneringen. Hij blijkt veel beter nog dan ik Van al mijn doen te weten, Van menig heerlijk oogenblik, Dat ’k heelemaal was vergeten.

Hij spreekt mij van wat valsch, wat echt, Wat bitter, en wat zoet was; ’k Heb nooit geweten, dat ’k zóó slecht — En ook niet, dat ’k zoo goed was. Soms vangt een droeve sproke aan, Heel zachtjes toegefluisterd, Totdat op eens een enkle traan Mijn starend oog verduistert. Dan is ’t weer of zijn woord mij licht In zoete droome wiegelt, Terwijl mijn lach zich op ’t gezicht Van mijn gezel weerspiegelt.

Zoo blijven wij, wijl d’ ure vliedt, Intieme dingen fluistren; Het noodweer buiten hoor ik niet: ’k Lig naar mijn vriend te luistren. Dan — als hij ziet, dat nieuwe lust, En nieuwe moed in ’t leven Mij weer bezielt, dat hij mij rust En vrede heeft hergeven, Dan zegt hij zacht vaarwel, en gaat Zooals hij was gekomen; En ik, wat moe van al ’t gepraat, Verzink in diepe droomen......

O, eenling, die de stilte vreest, Gedoog, dat ik u rade; Spreek dikwijls met dien goeden Geest In wolken-witte wade. Gij moet dien Gids, en Godsgezant, Uw zielsvertrouwen schenken, Hij voert u door een wonderland, Langs wegen van ’t Herdenken. Alleen-zijn is geen eenzaamheid, Verdwaasden, die ’t verwenschen! Weet, dat gij enkel eenzaam zijt, Te midden van de menschen.

12. TWEE-EENHEID.

Zoo schijnt de zee den scheepling schuimend grijs, Of zonnig groen, naar ’t lichten van de luchten, Zoo als wij luide zingen — zachtkens zuchten, Naar wat de ziel zegt, — op dezelfde wijs.

Hoe angstig bij de teederste geruchten, Hoe onverstoord bij ’t scheurend schril gekrijsch Leven wij lustig! — toch in stil gepeis, En mat bij ’t hopen, moedig in het duchten.

Terwijl wij zoeken, glijdt ons vaartuig voort, Tot wij in blijden ernst en donkre vreugd De lijnen speuren van de verre kusten.

Daar naadren wij het Onbekende Oord, Met kalmte in ons — bijna zielsverheugd, Want ginder zullen wij dan eindlijk rusten.

L’ENVOI.

Mijn boekje, ga — en maak mij, als het kan, wat vrinden. De wereld is zoo wijd — de menschen zijn zoo klein, Het is zoo moeilijk soms, den verren vriend te vinden; Waar wonen zij, die onze geestverwanten zijn?

Mijn boekje, ga — en laat de Ruize-rijmen spreken. Als gij maar hier of daar wat kleur brengt of wat licht, Dan hebt gij, kleine bode, ondanks uw gebreken, Gehoorzaam aan mijn woord, naar wensch uw werk verricht.

Mijn boekje, ga — begin met moed uw zwerversleven, Verkondig wat ik voeld’ en dacht, met klaren klank...... Wie ik geërgerd heb, die mogen ’t mij vergeven, En wie tevreden zijn, don’t mention it! — geen dank.

Verbeteringen