Part 18
Ik rijmel voor reclame, Ik dicht voor wie maar dokt; ’t Heeft menig heer en dame Geërgerd en geschokt: De ruize-ridder rolt van ’t ros, door grof gewin gelokt!
Mijn grommen en mijn grapjes Verkoop ik à contant. Wanneer je met je flapjes Maar zwaait met vlotte hand; Ik juich, of jammer — wat je wilt — voor vorst en vaderland.
’k Erken, ’t is allerdunst; maar Wat is er aan te doen? En — ook zoo menig kunst’naar Vergooit zoo zijn fatsoen, En teekent, tokkelt, bouwt en bikt door dik en dun — voor poen.
Ook Poot zelfs liet zich lijmen — Hem dwong het lot daartoe — Om op bestel te rijmen, Precies als ik het doe; „Want nood is bitter kruid,” zegt Poot: „In noodtijd bulkt de koe.”
En Röntgen volgt ons voorbeeld: Hij daalt naar ’t filmwerk af! Wanneer hij wordt veroordeeld, Is ’t zijn verdiende straf, Want Bach — ik ben d’r zeker van — die draait zich in zijn graf.
Mijn vaerzen vlijen vloeiend, — Ten minste volgens mij — En beelden, boud en boeiend Die lever ik er bij; Ik meng ze door mijn Rijmen heen als boter door de brij.
En dan d’ alliteratie! Zoo ook in dit gedicht: Let op, met hoeveel gratie De letter-lijning ligt, Hoe zacht ze zoemt zoo’n zomerzang, als zucht van zeis en zicht.
Wie dus fortuin wil maken, Bestelt bij mij een lied. ’k Berijm haast alle zaken, Op velerlei gebied, Maar ’t menschenmoordend motor-tuig — Neen. Dat berijm ik niet.
Overigens minzaam aanbevelend,
CHARIVARIUS.
31. HET ERGSTE.
’t Is niet de krijg, die d’ aard verwoest, met ongekende kracht, Wijl ’t menschelijk geweten zwijgt, en rede wijk voor macht, ’t Is niet het eindloos leed en kwaad, door d’ oorlogspest gesticht, Noch ’s werelds organisme door des krijgsgod’s wig ontwricht, ’t Is niet de leugen-lasterpers, die ’t menschdom voedt met haat, Noch Wolff en Reuter, die elkaar bevechten met den draad, ’t Zijn niet fabrieken stopgezet, noch handel lamgekwakt, Noch bloeiende bedrijven diep in schuldenpoel verzakt, ’t Is niet mobilisatie-wee, militie-plicht-ellend, Noch werkloosheid, noch achterstand, ’t is niet faillissement, ’t Is niet der bladen jammertaal, noch, Lijs! uw laffe geest, Noch ’t meisje op ’t verkeerde pad, noch d’ oudste zoon gesjeesd, ’t Is niet — al is ’t ook voor den braven bierbuik bar beroerd — Dat Pilsner Urquell’ niet geregeld meer wordt ingevoerd, ’t Is, jongling! niet de blauwe scheen niet, maagd! ’t gebroken hart, Noch ook, mevrouw! dienstboden-plaag, niet, knaap! examen-smart, ’t Is niet ’t verlies van maag of vriend, noch van ons dierbaarst pand, Noch ’t donker dreigende gevaar voor ’t vrije vaderland...... Neen. ’t Is bij mijn gehoorig huis, met dunne een-steens-muur, Dat wicht, die duizendpoot, de trap-hit van mijn naasten buur. — Gott strafe ’t kind! — dat mij tot wanhoop brengt en razernij, Dat als-maar-door van „Santfoort” blèrt van „Santfoort bai de sei”!
32. PLAATSELIJKE KEUZE.
Wàt een aardig vrouwtje, hoor! Met een hoed met een pleureuse, Kwam mij vragen: Is U ’r vóór, Voor de Plaatselijke Keuze?
„Wie niet van een borrel houdt”, Zei ik, „niet van wijn, chartreuse, Punch of whisky, warm of koud — Is voor Plaatselijke Keuze.
Dwingen van de minderheid Is het; reuze-humbug, reuze — ! Met ’n begrip van recht in strijd, Dàt is Plaatselijke Keuze.
Braaf zijn _zal_ je! is ’t parool, Dwingt ze om in te gaan! de leuze. Self-help is maar apenkool; Zweert bij Plaatselijke Keuze!
’k Heb mijn vrijheid veel te lief, In mij stroomt het bloed der Geuze’; _Dwang_, dàt is mijn grootste grief Tegen Plaatselijke Keuze.
D’ aard van den gemeenteraad (’k Ben nog ’s even na gaan neuze’ Hoe het in de grondwet staat), Duldt geen Plaatselijke Keuze.
Daarbij moet U rekenen: Slechts savantes en bas bleus (ze Drinken nooit!) _die_ teekenen Voor de Plaatselijke Keuze.
Aan de meid en aan de knecht, Aan de naaister, de coupeuse Worden lijsten voorgelegd Van de Plaatselijke Keuze......”
’t Is alles zeer correct gezegd, en juist geredeneerd, ’t Zal èn mensch èn jurist dan ook geheel voldoening schenken, Maar als je over al het droeve drankwee prakkiseert — Dan ga je toch van zelf wel weer eens even, even denken......
33. DE BLAREN EN DE BLADEN.
De bollen zijn weer uitgebloeid, De fijne blaadjes uitgegroeid, Een buitje heeft den grond besproeid, Weer botten knop en sprietje; De lieve lente is weer daar, Zoo volgen eeuwig, ieder jaar De jaargetijden op elkaar — ’t Is altijd ’t oude liedje.
’t Is altijd weer dezelfde geur, Dezelfde vorm, dezelfde kleur, Natuur-zelf volgt den ouden sleur Bij bloemen en bij planten...... Zoo is ’t ook steeds dezelfde taal, Gedachtelooze woorden-praal Van beeldspraak, kreupel en banaal, In onze mooie kranten.
Het eene blad „staat op de bres”, En dadelijk, een stuk of zes, Jaloersch van ’t litterair succes, Die nemen ’t termpje over. Oorspronkelijk zijn? Onnoodig is ’t, Dat heeft ’t publiek allang beslist, Neen, ben j’ ’n handig journalist, Dan steel je als een roover.
Je bouwt maar na van „pal te staan,” Van ’t „scharen onder iemands vaan,” Van „ergens niet op in te gaan,” Van „wij staan in het teeken,” Van „’t spreekt boekdeelen,” „’t dierbaarst pand,” Of van „de Hoop van ’t vaderland,” Van „’t eer’saluut” en van „de hand In eigen boezem steken.”
„Schouder aan schouder” trek je op, Zet „d’ argumenten op hun kop,” „Schuift in de schoenen,” „zet iets stop;” Ook moet je niet vergeten: „De heeren van de overzij,” Kom ook eens iemand „in ’t gevlij,” Noem „kopstukken van de partij,” Of gooi weer „roet in ’t eten.”
Of doe zoowat met Kuyper mee, Spreek altijd van „de zwakke stee,” Zeg „niet alsof,” vervang gedwee „In plaats van” door „in stee van!” Zeg „ingeperkt,” en „metterdaad,” Zorg dat je niet van kiesrecht praat, „d’ Electorale questie” staat Veel mooier!...... ’k word er wee van!
Zoo is het steeds dezelfde taal, Gedachtenlooze woorden-praal Van beeldspraak, kreupel en banaal In onze mooie kranten...... Ook is het steeds dezelfde geur, Dezelfde vorm, dezelfde kleur, Natuur-zelf volgt den ouden sleur, Bij bloemen en bij planten.
Maar wat ik daarvan zeggen wil Is dit: het kardinaal verschil Verzwijg ik — die zoo graag bedil — Verzwijg ik, noch verheel ik. Der boomen groene zomertooi, In Holland, Gelderland of Gooi, De _blaren_, blijven altijd mooi, De _bladen_ — altijd leelijk!
34. DE NIET-ONBEVOEGDE ZIJDE.
De Nieuwe Rotterdamsche krant Weet ’t deftig deel van ’t vaderland Met eerbied te vervullen Door hare ach-tens-waar-dig-heid, En door haar eigenaardigheid Om zich met groote vaardigheid In nevelen te hullen.
Geen enkel mensch van vleesch en bloed Schrijft in dat blad. En ’t klinkt wel goed, Dat wil ik graag erkennen: „Men schrijft ons dit,” „Men seint ons dat,” En ’k heb geteld, in ’t city-blad Daar schrijven bij mekaar zoowat Een stuk of twintig Mennen!
Ook werkt geregeld, naar men weet, ’t Geslacht mee, dat _Van Zijde_, heet, Geleerd, en toch bescheide’, „Wel-ingelicht,” of „Zeer-geacht,” En — ’t nieuwste, gisteren pas bedacht — (Pas op, hoor, dat j’ er niet om lacht!) „_Niet-onbevoegde Zijde!!!_”
Maar de — courant is g’excuseerd, Een voorbeeld heeft het blad geleerd: Het voorbeeld der regeering! Want wat die laat of wat die doet, ’t Zal wel verstandig zijn en goed, Maar ’t wordt zoo maar _gegist_, _vermoed_...... Die strekte ’t blad tot leering!
Een nevelachtig persbureau Doet ons het nieuwste nieuws cadeau In sfinxerige woorden. „Men,” „Zijde,” „Bron,” „Verluidt” of „Kant,” Orakeltaalt tot ’t Vaderland, Zoo onlangs weer, uit d’ eerste hand, We schrokken, toen we ’t hoorden.
Er wordt gebrond, er wordt gemend, Door een verluidt, dien niemand kent, Die zelf niet voor den draad komt. Dan krijgen w’ eindelijk een bericht, Dat de gemoederen wat verlicht, Maar ’t kwaad is dan al lang gesticht, Omdat het veel te laat komt.
Laat u verbidden in dit vers, O, Hooge Oomes! en o, Pers, Gij sluier-vage Dame! Spreekt niet „betrouwbaar,” „officieel,” Noch „officieus,” zeer, half, of heel, Spreekt klaar en vlug — ’k vraag niet te veel — En noemt uw bron, met name!
Maar wacht eens even — ik erken: Ik zelf ben eiglijk ook een Men, En ’k hoop ’t nog lang te blijven! Dus, Nieuwe Rotterdammer krant, Wij zijn elkander nauw verwant, Zoo reik mij dan de broederhand — Ik zal niet boos meer schrijven.
35. HET PLAATSELIJKE BLAADJE.
Ik ben emeritus; gepensioneerd. Nu komt er maandlijks niet veel meer in ’t laadje; Ik heb me daarom maar geabonneerd Op ’t plaatselijke blaadje.
Mijn groote kranten heb ik opgezegd, Ik lees nu ’t Staatsblad van mijn kleine Staatje; Het is ’n beetje laat, maar lang niet slecht, Mijn plaatselijke blaadje.
’k Lees van een brand, een ongeluk in een put, „’t Gemengde Nieuws” — een soort huzarenslaatje — Het weer, de oogst, de lezing van het Nut In ’t plaatselijke blaadje.
Waarom de boom gerooid is op de brink, Het voorstel tot verbreeding van een straatje, ’t Vertrek van boot en trem — dat alles vin’k In ’t plaatselijke blaadje.
Ik grasduin zoo genoeglijk en zoo knus In „Onze lachhoek,” ’t „Zondagmorgenpraatje,” In ’t „Buurtnieuws” en in „Onze Vragenbus” Van ’t plaatselijke blaadje.
Er is nog meer — o, nog ’n hééle hoop: Een feuilleton uit ’t Duitsch, soms zelfs een plaatje, En de advertenties van de bioscoop, In ’t plaatselijke blaadje.
Ook „Brieven uit de Hoofdstad,” en ’t verslag, Van beide Kamers en ons eigen Raadje, En nog een Levensdruppel iederen dag Geeft ’t plaatselijke blaadje.
Ze krijgen ten bureele ’t nieuws goedkoop: Men tapt er dapper uit eens ander’s vaatje; En laat den tijdingstroom zijn vrijen loop Naar ’t plaatselijke blaadje.
De schooljeugd, op het pleintje, houdt een race, Speelt krijgertje, verstoppertje of soldaatje; En ik zit stil voor ’t venster, en ik’ lees Mijn plaatselijke blaadje.
Ik voel niets meer van ’s levens angst en leed. Ja; alle hartstocht, iedere drift verlaat je, Wanneer je eens ’t genot te smaken weet Van ’t plaatselijke blaadje.
En ’k hoop dat over mij — ben ’k weggekwijnd, Gezakt naar ’t einde van mijn levenspaadje — Een vriendelijk artikeltje verschijnt In ’t plaatselijke blaadje.
Dan wordt mijn zielloos lichaam gecremeerd, En dan — zóó is mijn wensch (enfin dat raad je!) Dan brande mee in ’t vuur, dat mij verteert Het plaatselijke blaadje.
36. PATRICISCH PROLETARIAAT.
Het Volk meldt, dat de sociaal-democratische Kamerfractie dezer dagen het 25-jarige jubileum van Mr. P. J. Troelstra heeft gevierd. De heeren Schaper en Sannes spraken Troelstra toe, wien namens de fractie een gouden zegelring werd aangeboden.
Wijze: „Wien Neêrlandsch bloed.”
Het kenmerk van den gentleman, Getrouwd of ongetrouwd, Is — daar herken je ’m dalijk an — Een zegelring van goud. En dan niet met zoo’n gladde steen, Die ’t doel van ’t ding verbloemt, Zoo’n ring, welks drager algemeen „Lord Gladstone” wordt genoemd.
Ik twijfel er in ’t minst niet aan: Op Troelstra’s feest-cadeau Zal ’t fier familie-wapen staan, Patricisch, =comme il faut=. En ’k wed dat hij nog, naderhand, Als rust zijn werk beloont, Verheven in den adelstand, Op =Troelstra=-=State= troont.
De proletariërs-armée, Die zoo =commun= begon, Die wordt nu ook van lieverleê Geschikt voor den salon. Ze reizen eerste, eten goed, En knippen d’r coupons, Gedrenkt in ’s werkmans zweet en bloed — ’t Gaat net zooals bij ons.
Maar gaat dan ook niet zoo te keer, Wanneer het iemand geldt, Die zich te kleeden pleegt als heer, En prijs op weelde stelt. Dus voortaan niet zoo heftig zijn! =Voyons! mes chers amis=, Nu jullie net zoo deftig zijn Als wij, de boerzwazie.
’k Wou, dat die kleine zegelring U deze wijsheid bracht: Als alles naar den regel ging, Dien gij den juisten acht, Dus als de Lichtstad werd gebouwd, En ingericht door u, Dan bleef de wereld, welbeschouwd, Precies zoo mal als nu.
37. KERSTLIEDJE.
LASTIGE KLAASJE
Vader, wat beteekent „Kerstmis?”
DE VADER
Zoon, dat is een Christlijk feest, Feest van Vreugd, dat Jezus Christus Op onze aarde is geweest.
LASTIGE KLAASJE
Waarom is dat dan zoo prettig?
DE VADER
Vóór Hem was het menschdom slecht; Hij heeft ons den weg gewezen Naar de Waarheid en het Recht.
LASTIGE KLAASJE
Waren eerst de menschen stouter?
DE VADER
Ja. Toen heerschte ’t heidendom: Zelfzucht, onrecht, wreedheid, oorlog, Leugen en bedrog, alom.
LASTIGE KLAASJE
Zijn ze dalijk zoet geworden?
DE VADER
Neen, zoo iets gaat langzaam aan...... Hm!...... zoowat ’n...... twintig eeuwen Hebben z’ over ’t werk gedaan.
LASTIGE KLAASJE
Vader, zijn we nou dus beter?
DE VADER
Zeker, jongen, zijn we dat, Want de Christelijke Godsdienst Houdt ons op het rechte pad.
LASTIGE KLAASJE
Mot dus Klaasje ook heel blij zijn?
DE VADER
Ja, God lovend, dag en nacht, Voor de rijke zegeningen, Die het Christendom ons bracht.
LASTIGE KLAASJE
Pa, als Jezus niet bestaan had......?
DE VADER
Dan waar’ w’ allemaal minder...... net...... Minder...... hypocriet...... ’k verspreek me...... Nou moet Klaasje naar zijn bed.
38. LEVENSWIJSHEID.
Opwekkend woord aan een knaap, die door zijn eindexamen is.
Hartelijk geluk, mijn jongen! ’t eindexamen is voorbij! En zoo treed je vol verwachting in de bonte maatschappij. Nu geef ik j’ in deze reeglen een kwartiertje „Levensles,” Volg mijn raad — dit Vademecum voert u verder naar ’t succes. Zorg de menschen nooit te hindren, zachtheid leer je nooit te vroeg, Want er is, geloof me, jongen, heusch al narigheid genoeg. Zeg geen mensch ooit cru de waarheid, ook al heeft hij het verdiend; Als ie ’r eens ’n keer niet bij is, ku’ j’ t’ eens „hebben over” ’n vriend. Dan begin je zóó b.v.: „’t Is ’n héél geschikte vent, Maar......” en dan ku’ j’ _alles_ zeggen, zonder dat j’ onhartlijk bent. Schrijf wat ieder graag wil lezen, zeg wat ieder hooren wil; Als je ’t harte dringt tot spreken, wees dan wijs, en houd je stil. Kom je op een ministerie, in het leger, op ’t kantoor, Wees beminnelijk voor je meerdren, daar zijn ze je meerdren voor. Tapt de kapitein een mopje, ook al hoorde je t’ al meer, Zet dan een gezicht als was het voor de allereerste keer. Is ’t niet aardig, — en je weet niet waar je eiglijk lachen moet, Dan begin je maar te schaatren als je ziet dat ’n ander ’t doet. Ga je in den handel, wees dan eerlijk; dat ’s, zooals je weet, Wat in ’t algemeen gesproken in den handel eerlijk heet. God krijgt nu weer wat te zeggen, ook op politiek gebied; Doe dus wat aan Godsdienst (Zondags — door de week dan hoeft het niet). Zorg ook dat je met „vooruitgang” en „sociale nooden” schwärmt, Maar je stemt (doe ’t maar wat stiekum) wie je duiten ’t best beschermt. Scheld geweldig op de Joden; dat strijdt niet met je fatsoen; Doe ze na, of zoo — dat ku’ j’ in ieder net gezelschap doen. Hoor je van ’n louche zaakje, zeg dan — dat klinkt altijd goed — Dat je vindt „dat ieder zoo iets voor zichzelf maar weten moet.” Heb je geld, wees dan liefdadig, dat maakt j’ algemeen bemind; Maar geef nimmer zooveel, dat je ’r zelf den last van ondervindt. Laat je kiezen in bestuurtjes op ’t gebied van Kunst of Staat; Veel hoef j’ er niet van te weten, als j’ er maar wat veel van praat. De gemeenplaats moet je eeren, streef niet naar oorspronkelijkheid; In je termen, in je beeldspraak, volg de mode van je tijd. Volg angstvallig _iedre_ mode, imiteer de „upper ten,” Doe wat „men doet,” zeg wat „men zegt,” buig het hoofd voor Koning MEN. Wor je humorist, bedenk dan, dat je duidlijk, „dik” moet zijn; Geef de menschen niet te denken, werk is werk, en gijn is gijn. Eer — met vrouwlief — reine zeden, spot thuis nooit met overspel, Breng haar, als ze er ’s om wil lachen, naar den schouwburg; daar mag ’t wèl. Wees niet maklijk in je oordeel, doe gerust wat aan kritiek, Als je maar bij ’t kritiseeren de kritiek volgt van ’t publiek. Doe niet wat je zelf het best vindt, daarin schuilt een groot gevaar; Wat de _menschen_ zullen zeggen, richt je daar uitsluitend naar. Wees een man van ’t juiste midden, dan wor j’ algemeen geacht, Menschen van karakter, jongen, hebben ’t nooit heel ver gebracht...... Zie, hier heb j’ ’n handvol lessen, leer ze en breng ze in praktijk, Eenmaal zal je — vrees ik — zeggen: Charivarius had gelijk.
XI. VAN LEVEN EN STILTE.
1. LEVENSLIED.
Motto: „What is life!”
Je bent zoo moe. Je snakt naar rust voor lichaam en voor geest; Je snakt naar rust en stilte — ja, naar stilte ’t allermeest. Je maalt niet meer om warmte of kou, om zwoelte of om kilte, Je droomt maar van één zaligheid: de Goddelijke Stilte. — Die daavrend-dondrend-drukke stad van leven en geweld, Wat wor j’ er van den ochtend tot den avond wreed gekweld! ’t Begint al ’s nachts, dat valsch, wanklankig klokkenspelgerinkel: Een wilde stier, die rondrent in een aarde- en glaswerkwinkel. Dan, vroeg — als compensatie dat de bakker niet goed bakt, De knecht, die _prima_ met de deksel van den wagen kwakt. Daarna weer klinkt je ’t bellen van de vuilniskarren tege’, Dat is van hoogerhand — das herrie van Gemeentewege! Nu ’n schreeuwer, die zijn waren vent met huilend schorre stem, En meejankt in ’t Walpurgiskoor der stad — Gott strafe ook hem! De trams, die overbodig hard door ’s heeren straten zwieren, En bij de minste bocht der rails je-ziel-doorsnijdend gieren, De trambestuurder, die niet belt, wanneer hij bellen moet, Maar zóó maar ’s als tie zich verveelt of jeuk heeft aan zijn voet. Dan — hoe het te beschrijven, ach! had ik de pen van Zola! Die hel van orgel, fonograaf, piano, pianola...... Dat hou je zoo niet langer uit, geen week, geen dag, geen uur, Je moet naar buiten, naar de Rust — de Stilte der Natuur......! Nu doe je toch wel wijs j’ er niet _te_ veel van voor te stellen, Want wat die Stilte buiten is, dat zal ik je ’s vertellen. Stel voor, je komt aemechtig aan daar buiten, ’s avonds laat, Nou moet je eens goed luisteren, hoe het met die Stilte staat. Wanneer j’ al ’s nachts niet wordt gekweld door ’t piepen der muskieten, Dan is er toch nog tijd genoeg om ruimschoots te genieten. ’t Begint al vroeg, voor dag en dauw, zoo om een uur of vier, Want dan ontwaakt het vooglenheir, en schatert van plezier. Ze maken je een helsch lawaai — precies als stoute kindren, Alleen maar met het doel om moede menschen flink te hind’ren: Want als je eenmaal wakker bent, dan hebben ze d’r zin, En sluimeren heel hatelijk weer voor ’n uurtje in! Daar lig je dan, in flauwe hope nog zoo wat te slapen, Maar verder breng je ’t niet dan tot wat woelen en wat gapen. Ha, eind’lijk wor je dommelig, nou, denk je, zal ’t wel gaan...... Daar klinkt dat infernaalst lawaai, het kraaien van den haan! Dit allergruwelijkst geluid, aanmatigend en nijdig, Soms in een beurt-gekrijsch van twee, soms beiden gelijktijdig, Dit luidt den lieven morgen in, verkondend Godes eer, En dan ontwaakt het vooglenkoor voor goed — en jubelt _weer_! Nu staat het landvolk op. Nu fluit het nakroost van den pachter De straatdeun van de groote stad — een deun of drie ten achter. Je stapt naar buiten, waar de kip je met den nek aankijkt, En ’t kuiken ontevreden piept, en diep verongelijkt; En d’ eend’, in plaats van blij te zijn in ’t heerlijk frissche water, Hun booze stemming luchten door ’n eindeloos gesnater. En uit de stal klinkt weer een klank, droog schraperig en schor, Het varken, dat zijn boosheid uit in morrend dof geknor. Ik spreek maar niet van ’t hinneken der paarden; van de koeien, Die, bulderend als mistsignalen, „goeie morgen” loeien, Terwijl de ezel balkt, de hond, zijn ketting ram’lend, blaft — Je bent voor j’ onbekookte plan nog niet genoeg gestraft. Je ijlt naar ’t woud in hope op rust; maar kraaien, reigers, spreeuwen Bederven ’t mooi van ’t mooiste bosch met oorverdoovend schreeuwen, Waarna ’t gekwaak van ’t kikkerkoor je trommelvlies doorboort, En j’ avondstemming door ’t gepiep der krekels wordt verstoord. Dan ’t blaten van de schapen, van de geiten en de bokken, En in de verte alsmaardoor kapotte koekoek-klokken...... Ik eindig — zonder slot: er _is_ geen einde aan dit lied; Want weet, o mensch, de Stilte die gij zoekt — die is er niet! Wel is een juist-bedachte naam aan ons Bestaan gegeven: Vraag ’t maar aan d’ Echo (_schreeuwen_, hoor!), „WAT IS HET LEVEN?”.
LEVEN!!!
2. CHARIVARIUS IN DE ALPEN
(DE PERS IN DE WOLKEN).
d’ Eerste week van Januari Komt er eens geen Charivari: Charivarius is op reis; Hij ’s aan ’t rusten van zijn zorgen, Hij zit veilig opgeborgen In het land van sneeuw en ijs.
Zwitserland houdt hem gevangen, Waar besneeuwde takken hangen Over ’t bleeke berg-en-dal, Waar zich witte wegen kronklen, Waar in ’t blanke vloerkleed fonklen Diamanten zonder tal.
Waar de lichte lucht de longen Priklend vult — waar blij gezongen, Jolig, jong genoten wordt; ’t Rijk van truien, bonte kleeden, Arren, schaatsen, skis en sleden, ’t Rijk van Koning WINTERSPORT!
Ziet z’ in bobslee met hun vieren Langs fluweelen paden slieren, Rrroetsj!! Ze kennen geen gevaar, Als met autovaart zij glijde’, Neigend bij een bocht...... Op zijde!! Hoort gij niet hun schreeuwen: „Gare!!”