Ruize-rijmen

Part 17

Chapter 173,706 wordsPublic domain

Zóó wordt dan werklijkheid wat ’k schier onmooglijk waande, Door Gods genâ! ’k Verzoek u dus beleefd: antwoord per ommegaande, En antwoord...... JA!! Zóó wordt tot ingang van een wereldsch paradijsje Het bruidsaltaar, Waar gij uw hart en hand schenkt aan uw smachtend meisje Van vijftig jaar!

17. WAAR WERD OPREGHTER TROU......

„Wed. met groote zaak, niet in staat deze alleen te besturen, zoekt in kennis te komen met flink persoon, 40-50 jaar, liefst _vakkundig in Glas- en Aardewerk_, om na goedvinden te huwen. Brieven met portret, enz.” — Adv. _N. v. d. D._

De weduwe ontving een brief-met-portret, die haar aanstond, dacht aan Vondel’s rei:

Waar werd opreghter trou Dan tusschen man en vrou Ter weereld oyt gevonden? Twee sielen, gloend aan een gesmeed Of vast geschakelt en verbonden In lief en leed.

Zoo sterck verbind de band Van ’t paer, door hand aan hand Verknocht, om niet te scheyden, Na datse jaeren lang gepaert Een kuysch en vreedsaem leven leyden, Gelijck van aerd.

Daar zoo de liefde viel, Smolt liefde siel met siel, En hart met hart te gader. De liefde is stercker dan de dood, Geen liefde koomt Gods liefde nader, Noch is zoo groot.

Geen water bluscht dit vuur, Het edelst, dat natuur Ter weereld heeft ontsteecken. Dit is het krachtighste ciment, Dat harten bind, als muuren breecken Tot puyn in ’t end.

Door dese liefde treurt De tortelduyf, gescheurt Van haer beminden tortel. Sij jammert op de dorre ranck Van eenen boom, verdrooght van wortel, Haer leven langk......

greep naar de pen, en antwoordde in ontroering:

Waar zou opreghter trou Dan tusschen mijn en jou Op aerd gevonden worden? Twee sielen, vastgelymt, geperst, Als goed gerepareerde borden: Je siet geen berst.

Zoo sterck verbind de band Van ’t paer, dat door de krant Elckander heeft gevonden. Na datse jaeren lang gespaert, Bezuinigt hadden, waer ze konden, Gelijck van aerd.

Ick doe — ick ben niet sterck — In _Glas en Aerdewerck_. Ay! streef met mij te gader! Mijn liefde, stercker dan de dood, Maakt jou misschien nog eens tot vader! De kans is groot.

Geen water bluscht dit vuur, Het edelst, dat natuur Ter weereld heeft ontsteecken. En als j’ ook goed _vakkundig_ bent, Dan blijf ’k je trou, als glazen breecken Tot gruys in ’t end.

Door dese liefde treurt De tortelduyf, gescheurt Van haer beminden tortel. Maar wij beminnen, wang aan wang Te midden van schael, glas en bord el- kaer — levenslang......

18. EXAMEN-RIJM.

Opgedragen aan de H. B. S.-ers.

Eindexamen, eindexamen, O, verschrikkelijke tijd! Tijd van feiten, cijfers, namen. Wanneer raken we je kwijt?

’k Wijd dit vers aan ied’ren jongen, (Meisje) van de H. B. S., Volgepropt en volgedrongen, Als een groote inmaakflesch.

In een stuk of twintig vakken Is zoo’n knaap geweldig knap, Diep doorkneed, en bruin gebakken, Krakend van de wetenschap.

Dapper weet hij door te draven, Met de wijsheid uit zijn boek, Over homogene staven, Bolsegment en hellingshoek.

Stikstofoxydule ken-d-ie, Barytwater, carbonaat, Millimol, status nascendi, Kaliumpermanganaat.

Onze jonge Muzenzoon is Thuis in goniometrie, En hij zegt, of ’t heel gewoon is: Sin. α tan. π.

Zonder aarz’len schrijft hij neder Met een glans op zijn gelaat, D’ inhoud van een octaeder: √10 π r².

Ook zijn hem kathodestralen Brekingsindex, welbekend, Kryophoren, transversalen, Uitzettingscoëfficient.

Hij berekent je de manen, Volle, halve — door mekaar, En hij teekent je de banen Der kometen kant en klaar.

Bollen, knollen en cyclamen, Hij beschrijft ze, blij te môe, En hij kent Latijnsche namen Voor _kanarie_, _kip_ en _koe_.

Zelfbestuur en abolitie, Toetsingsrecht en vormverzuim, Comptabiliteit, justitie, Kent hij keurig op zijn duim.

Communisme, Socialisme, Waardeleer, muntpariteit, Teekengeld, bimetalisme — ’t Is voor hem een kleinigheid.

Heel d’ onmeetlijke historie Kent de knappert uit z’n kop, Nooit begeeft hem zijn memorie, Dertien Dirken dreunt hij op.

Schratten, klammen, leemt en lava, Hij verklaart ze je precies, En hij weet van ’t eiland Java Iederen berg en al de tji’s.

Met een zeekre nonchalance Spreekt hij over cheques, coupons, Conto, meta, koers, usance, Tarra, traites en talons.

Veler talen letterkunde Draait hij af, en praat hij na, En het smaakt als een verdunde, Slappe waterchocola.

Afgeknotte pyramides Teekent hij in stippellijn, Schaduw-schetsen maakt hij, die dus Artistiek en „stijlvol” zijn.

Al zijn wijsheid lucht hij zóó maar, Zelden zegt hij iets verkeerd, Maar wat logisch denken — ho maar! Want dàt heeft hij afgeleerd.

19. AUTO-RIJM.

Wat Charivarius tot het bezigen van ruwe taal brengt.

Ik ben geen man van zaken, Ik ben geen man van geld, ’k Ben kalm in mijn vermaken, En op mijn rust gesteld. Ik houd er van te dwalen Langs heuvelen en dalen, Wanneer de laatste stralen Belichten bosch en veld.

Ik heb, dat spreekt, geen auto — ’k Verlang niet eens zoo iets; Ja, was ik rijk getrouwd, o Dan kreeg ’k zoo’n ding voor niets. Nu is ’t mijn lot te loopen, En hoogstens mag ik hopen Nog eens te kunnen koopen En tweedehandsche fiets.

Ik min het lieflijk kweelen, In ’t stille avond-uur, Der zoete filomeelen, Bij ’t zwijgen der natuur. En ’t „Boeh!” van d’ auto-hoorn, Kan mij wel niet bekoren, Maar wekt toch niet mijn toorn — Dat went wel op den duur.

Maar dat valsch-gierend gillen, Zoo plots — nu schor, dan schel, Waarvan je staat te rillen, Je huid in kippenvel, Dat krijschend jammerjanken, In d’ infernaalste klanken, Dat ’s erger dan de stank en Dat haat ik als de hel.

En als het monster krijtend, Met krassend huil-geblaat, De trommelvliezen splijtend, Aan ’t snaatrend schetteren slaat, En ’t schril gekners verscherpend, En snorkend, snijdend, snerpend, En braakgeluid uitwerpend, Mij vult met blinde haat,

Dan — ’t ware zeker wenschlijk, Dat ik me nooit vergat, Maar ik ben ook maar menschlijk, Wie is er meer dan dat? — Dan wordt het me waarachtig Soms wel wat al te machtig, Dan komt er, kort en krachtig...... Enfin, je weet wel wat.

20. GEMAKKELIJKE BIJVERDIENSTE.

Nu flitse ’t vuur mij uit de pen, En vlamme fel in ’t duister! ’k Bezweer je, dat ik giftig ben, Dus hou je vast, en luister. — U treft de banvloek van mijn vaers, — Jood, atheïst of Christen! — U, vloekbaar ras van moordenaars, U, automobilisten! — Dat rijdt en rent en race’t en raast, Als ten Walpurgisfeeste; Die dwazen hebben altijd haast, Wie ’t minst te doen heeft, ’t meeste! Zij letten op geen zonneschijn, Of ’t groen van beemd en dreven, Om ’t gauwst in ’t volgend dorp te zijn, Dat is hun eenig streven. — De stille burger, wandlend, kalm, Langs ’t veld, waar d’aren golven, Wordt plots bedwelmd door weeën walm, En onder stof bedolven. — Vrij zijn zij in hun dol bedrijf, Dat spot met alle regels; Weg, wandlaar! Berg u ’t veege lijf Voor tierend’ auto-vlegels! — Wat deert hun ’t lot van d’evenmensch? Wat duizend’ ongelukken? Hard, hard! te gaan, dat is hun wensch, Waar ’t menschdom voor moet bukken. Geen enkle tak van arbeid bloeit In nuttigere zaken; Ons kapitaal wordt stom verknoeid Om tuf-spul van te maken. De wegen-toestand wordt barbaarsch, O, bende booze geesten! De weg is voor de wandelaars, En niet voor wilde beesten! — Neen, strenge rechter, ’k vrees u niet, Gevangenis, ik tart je...... En elk, die op een auto schiet, Die krijgt van mij een kwartje!

21. HET EENE MERKWAARDIGE.

Ik merk tegenwoordig — ik weet niet hoe ’t komt — Dat ik m’ over haast niets meer verwonder; Ik denk dat mijn voelhorens af zijn gestompt, Ik vind bijna niets meer bijzonder.

Inventies, bijvoorbeeld, op ieder gebied, Die elkaar met een vaartje verdringen, Ik lees er wel van, maar ze boeien me niet, En ik kan er geen geeuw bij bedwingen.

Het achturenarbeidsdagswetsphenomeen — Zelfs dàt kan mijn aandacht niet trekken, Geen interpellatie, geen voorstel — niet één Vermag m’ uit mijn stupor te wekken.

Ik kijk van geen stuk zonder stijlfouten op, Of zonder gemeenplaats, dat is me Geen oorzaak van schrik; noch een geestige mop, Of een brief zonder één germanisme.

Een eenvoudig geschreven verhaal in een boek, Een liefdedicht zonder verdwazing, Een leesbaar verslag van een vorstenbezoek, Vervult me niet meer met verbazing.

Geen Duitsche onthullingen schokken me meer...... Van Erzberger...... of zijn trawanten...... Prins Max...... of hoe heeten die kerels ook weer...... Ik k.k.knikkebol...... over....... m’n kranten.

Het sensationeele dat trekt mij niet aan Van een tocht naar het front van den Yser; Ik gaap als ik lees dat er weer een wil gaan Als „zitredacteur” voor den keizer.

De vliegersverhalen, hóé vreemd, hóé geducht, Ik wil ze graag all’maal gelooven, Maar hoor ik het motorgeronk in de lucht, Dan kijk ik niet eens meer naar boven.

Neen, ’k weet maar één wonder. Dat wonder is dit: — Daar zou zelfs mijn sloomheid voor wijken — Een auto, waar ’n =heer= of ’n =dame= in zit, Ik zweer je, dáár kom ’k ’s naar kijken!

22. IDYLLE.

Van ’t einde van de lindelaan, In ’t landelijk gehuchtje, Daar kwam een rustige auto aan, Haast zonder suis of zuchtje.

De wagen gleed met kalme vaart; Ze waren met z’n beiden; Hij stuurde, stevig en bedaard, En toeterde bescheiden.

Ze keken telkens om zich heen, Ik zag hen de oogen richten In stille extase, naar het scheen, Op fraaye vergezichten.

Ik schrijf dit „fraaye” met y, Want, schoon ’t tooneel modern was, ’t Scheen of ’t geval, al klinkt het gek, Klassiek haast in de kern was.

Een handig zwenken en een draai, Met licht geknor — heel even — Deed de karos met zachten zwaai Naar ’t zomerzitje zweven.

Hij nam een biertje, of een kwast, Zij, na wat overleggen, Koffie, of zoo — of thee — wat was ’t? ’k Zou ’t niet meer kunnen zeggen.

Zij had geen Amsjterdamsch aksjint, Hij sprak niet als een schorum; Zij was gekleed in lichte tint, Vol fleur, maar met decorum.

Zij — geen juweel aan hals of haar, Een bijna ringloos handje, En hij — geen buik, en geen sigaar, Geen dure, met zoo’n bandje.

Zij — lief van lach, en zoet van vooys, Hij — rustig en bezonken, Ze spraken blij van al het moois, Dat ’t tochtje hun had geschonken.

Er werd niet over geld gepraat, Of over dure spullen; De pracht van pleintje en kerk en straat, Die scheen hen te vervullen.

’t Is of ’k dat sympathieke paar Nog op dien stillen brink zie, Zoo rustig koutend met mekaar, Een toonbeeld van distinctie.

’k Dacht: „Geen oweeërs deze keer!” — Een zucht van vreugde slaakte ik — „En echte dame en een heer, Goddank!” — en toen ontwaakte ik.

23. LENTELIED.

Lieve lente, kom ons troosten! Smachtend zien wij naar u uit; Zie, het daghet in den Oosten: Nieuwe lente, nieuw geluid.

(Dit is uit de Mei van Gorter, ’k Heb dien term al meer gehoord; Maar wat zegt het mooier, korter Dan dit afgezaagde woord?)

’k Loop al iedren dag te droomen, Hoe ik weer genieten zal, Van de wegen en de boomen, Vliet en weiland, duin en dal!

De Riviera gaat vervelen, Met die dooie, blauwe zee; Mij ku’ j’ ’t heele zaakje stelen, ’k Doe niet aan den lofzang mee.

Schmink en reukwerkwinkelwalmen — Vrouwen van verdacht allooi — Harde kleuren — namaak-palmen — Prentbriefkaart-oweeërs mooi!

Ik verkies mijn lage landje Met zijn tinten, teer en zacht — Als j’ er indenkt, watertand je Van de vreugde, die je wacht!

Lente, kom! Ik wil naar buiten, Waar ik stille Schoonheid vind, Waar de knoppen zich ontsluiten, Trots de frissche voorjaarswind.

Lieve lente, lach mij tegen, Ik wil van de stad vandaan! Ik wil dwalen langs de wegen, Door de dorpen wil ik gaan.

Weg is weer de winterkilte, Straten-herrie, achter mij! Op, naar buiten! Naar de stilte, Zoete rust en mijmerij!

Wee! Daar grijnst me ’n schrikbeeld tegen: — ’k Voel een schok, terwijl ik ’t zeg — ’t Stof-stank-brul-beest-van-de-wegen...... Lieve lente, blijf maar weg.

24. OP DE AUTO-TENTOONSTELLING.

Ik min u, mooi modern _gewrocht_, O, speciosum genus! (Dit is geen drukfout voor „gedrocht,” ’t Is deze keer eens meenus.)

Gij, met uw giganteske kracht, Verborgen in uw bogen, Tot staal verstarde wondermacht Van ’s menschen denkvermogen!

Ja, in dit weidsch emporium Geschiedt een groot gebeuren: Er klinkt een oratorium Van vormen en van kleuren.

Hier staat de schouwer stil verrukt, Die zich een blik mag gunnen Op dit ontzachelijk produkt Van kennen en van kunnen.

Ik wandel monter langs de stands, ’k Weet ieder merk te vinden; Ik maak een praatje, en shake hands Met kennissen en vrinden.

Een beetje Amsterdamsch patois, Dat kan me niet veel schelen; Het klinkt niet liefelijk, maar — soit! Hier kan ’k het heel goed velen.

Zeg, heb je die Renault gezien? En daar, die Studebaker? Die Oakland, Freia, Earl en Bean? Die Cadillac toch zeker?

Het is een heele serie — O, Te veel om op te sommen! Minerva, Buick en Blériot Staan daar in dichte drommen.

Het lijkt hier wel een toovertent, Een wellust voor den kijker, Zoo’n Lancia, zoo’n Overland, Zoo’n Ludi en zoo’n Spijker!

De fietsen zal ’k maar overslaan, Hoewel ’k er óók een boel zie, Maar kijk me daar die Daimler staan! Die Hotchkiss, en die Wolseley![4]

O, weeldrig wonder der techniek, Voor nut en vreugde beiden! Gij toont in grootsche symboliek Hoe zich Natuur laat leiden.

De gansche toekomst kent men niet, Die nog de motorcar beidt! Zoo peinst, wie deze telgen ziet Van Kapitaal en Arbeid.

Heb dan mijn hulde, lof en dank, Automobiel! — ik min u! Zoo zonder leven, stof en stank, En geen plebejers in u......

(Met mijn verontschuldiging aan de nette menschen, die ook wel eens in een auto zitten.)

[4] Dit is de uitspraak van dezen naam; in zuiver rijm: =Woelzie=.

25. VOETBAL-HYMNE.

O Spel, dat hoofd en hart der knapen vult, Die dagelijks ’t gedaas der krant verslinden, In hartstocht, die geen smaak voor ’t hoog’re duldt, Dat menschen beesten maakt, en zienden blinden —

Hoort, hoe het plebs uit rauwe kelen brult, Terwijl het aan ’t afzichtlijk schouwspel smult, Als daar een horde woestaards en ontzinden In ’t schunnig schop-werk vuile vreugde vinden......

Ziet, hoe des lichaams schoonste lijn zich kronkelt, De pees zich opbolt als een boos gezwel, Wijl ’t oog van een onheil’gen vuurgloed fonkelt......

Ja, duizendwerf vervloekt zij ’t voetbalspel, Waarbij bedrogen wordt, gewed, gekonkeld...... Voort! vuige voetbalbende — vaar ter hel!

26. HET EENE NOODIGE.

Mijn jonge, slanke, blonde knaap, vol jeugdige idealen, Ga nu in ’t heerlijk lenteweer langs veld en wegen dwalen, En droom, gij dichter, die gij zijt, en schrijf uw poëzie, Laat zich ontplooien uw talent, uw zin voor harmonie, Bezing der nachtegalen slag, ’t gezang der leeuwerikken! — _Nei, ik mot na de ruizemets, na de ruizekornekikken!_

Mijn jonge, slanke, blonde knaap, gij, die u kunt verheffen Op vleugelen van de muziek, gij, die ons weet te treffen, Te roeren door uw zachte kunst, aangrijpend door de macht Van uw gezang, uw snarenspel, met onweerstaanb’re kracht, Zoolang het tijd is, speel of zing om ’t harte te verkwikken! — _Nei, ik mot na de ruizemets, na de ruizekornekikken!_

Mijn jonge, slanke, blonde knaap, gij, die tooneel kunt spelen, Ontwikkel deze gave Gods, begunstigd boven velen. Gij voelt de vreugde van het spel, van ’t spel en van het woord. Wanneer de zaal u gade slaat, en naar uw klanken hoort, Wanneer ge nu eens zacht ontroert, en dan weer fel doet schrikken — _Nei, ik mot na de ruizemets, na de ruizekornekikken!_

Mijn jonge, slanke, blonde knaap, uw vader is verslagen Omdat gij nimmer werken wilt, en hij van dag tot dagen U aanspoort, vraagt, bedreigt, bezweert te werken, zooals hij, Om eens uw plaats u te verov’ren in de maatschappij, Doe wat hij zegt, en leer u naar zijn redelijk’ eischen schikken! _Nei, ik mot na de ruizemets, na de ruizekornekikken!_

Mijn jonge, slanke, blonde knaap, uw moeder ligt te sterven, Moet zij de laatste dagen droef uw zonnig aanschijn derven? Ga, troost de kranke, koel haar ’t hoofd, dat van den koortsgloed brandt, Zit aan haar sponde, spreek haar toe, streel haar de rimp’le hand, Vertroost de stervende, verlicht haar laatste oogenblikken...... _Nei, ik mot na de ruizemets, na de ruizekornekikken!_

27. LOF DER ZOTHEID. I.

Gerijmd na de Amsterdamsche uiting van biljartrazernij.

O, menschen, wordt wijs! Komt tot inkeer! Houdt op! Bezint u! Niet verder, gij dwazen! Staat de wereld dan nog niet genoeg op z’n kop? Laat af van je tieren en razen! De Kunst telt maar weinig, de Wetenschap niets, Die kost is te zwaar voor de magen, De held van den dag is de ploert op de fiets — Lees de motorfietswedstrijd-verslagen! De god dezer eeuw is de schop-maniak, Van den nimbus der grootheid omgeven, Maar iedere schouwburg-affaire staat zwak, En rekt met een staatsfooi het leven. De hero des volks is de bloedneusproleet, Hoe zoo’n bruut van de Glorie omstraald wordt! Daar wordt een fortuin aan zoo’n beestmensch besteed, Maar vraagt niet, hoe een _schrijver_ betaald wordt! De schrijver, de schilder, de vorst van den Geest, Zij, die scheppen, voor vele geslachten, Het spook van ’t Gebrek houdt hen stadig bevreesd, En vervolgt hen in slaaplooze nachten. De bladen besteden een regel aan Kunst, Maar aan sport-gelal vele kolommen, Want anders verliest d’ onderneming de gunst Van de sport-overdrijvende stommen. Een kroegvlerk, die handig biljart heeft geleerd, Wordt bejuicht en bebruld door die gekken, Verheerlijkt, bekranst, als een koning vereerd, En het schuim staat het vee op d’r bekken! Ziehier nog een voorwerp voor ’t vaderlandsch vuur, Waar de vlammen der geestdrift in flikkeren, ’k Voorspel je, we krijgen hem nog op den duur; De Wereldkampioen in het Knikkeren! Krankzinnige huldigers-horde, houdt op! Juichers, kransers, fanfare-malloten! Al krijg ’k van die knokkers misschien op mijn kop, Ik verklaar je voor ras-idioten!

28. LOF DER ZOTHEID. II.

De _Revue der Sporten_ bevat een sportief gesteld artikel van „Bob” over mijn Rijm „Lof der Zotheid, I”, waarin Bob toont het niet in alle opzichten met mij eens te zijn. Belangrijk is alleen wat hij van Querido aanhaalt: „Natuurlijk zullen nathalzige of koelecynische spotters, op hun duim kluivend, wat zure scherts verbrassen, als ze lezen, dat biljartspel _lyrische aandoeningen_ kan suggereeren.”

=Voorheen=

Mijn Annie, dat beeldig bekoorlijke kind, De roos in de gaarde mijns levens, Die ’k jaren lang vurig en trouw heb bemind, Is zacht en gewillig, vergevensgezind, En, iets dat men zelden bij vrouwen meer vindt, Z’ is tamelijk degelijk tevens.

Ze poedert en verft zich een beetje, da’s waar, Maar zoo, dat je ’t haast niet kunt merken; Ze draagt ook wat vulling (niet veel) in het haar, En eenige tandjes, niet meer dan een paar, Die zijn van den tandarts — volstrekt geen bezwaar! Dat kan slechts haar schoonheid versterken.

Dus is ze naar geest en naar lichaam volmaakt? Neen. Aarzelend zeg ’k het, en schuchter, Haar ontbreekt — z’ is als ’t vuur dat wel smeult maar niet blaakt — Een gemoed, tot het lyrische leven ontwaakt, Ze is nog haast nooit eens in geestdrift geraakt, Ze is zoo prozaïsch, zóó nuchter!

Ik tracht haar te leiden zooveel als ik kan, Ik heb al van alles verzonnen, Maar mooie natuur, daar geniet ze niet van, En kunst? „Jazzus”, zegt ze, „wat heb je d’r an?” Ze denkt, tot verdriet van haar lyrischen man, Slechts aan smullen en mooie japonnen.

=Thans=

Thans is ze gekeerd als een blad van een boom. ’t Staat vast nu. Ik weet het empirisch. Z’ is lyrisch ontwaakt uit een lierloozen droom, Ze drijft op lyriek als een schuit op een stroom, Met moeite houdt Annie haar lierzucht in toom, „Hou me vast”, zegt ze, „of ik doe lyrisch!”

Hoe is er mijn liefste dat licht opgegaan, Dat zij zingt van haar vreugden en smarten Met kwijnend gekweel? Dat zij dweept met de maan? Van waar deze ommekeer in haar bestaan...? Dat heeft het systeem (zie hiernevens) gedaan: Ik heb Anneke leeren biljarten.

29. DE BLOEDNEUSPROLEET.

Onder dezen ironisch bedoelden titel citeert de _N. R. C._ Couperus, die in de _H. P._ een liefelijk beeld gaf van den bokser. Het citaat is een verwijt tot mij gericht: „Ik ben gewonnen. Het was ongeloofelijk. Het was heel bijzonder. Het was een fenomeen. Daar komt aan een fijne, gedistingeerde, jonge, blonde man, haar weggekamd naar achteren als de mode is. Hij draagt een grijs zijden kimono. Hij rilt in die kimono een beetje als een bedorven kind, en bromt: „Brrr! Brrrr! Froid! J’ai froid! Qu’il fait froid à Alger!” Dan slaat hij zijn kimono af en staat als een slank jong mensch van goede familie, die wel eens een beetje aan sport doet. Een aardige, fijne kop met telkens ontluikend lachje om witte tanden. De schouders wel vierkant en sterk maar geen zichtbare spier aan die fijne armen. Slanke beenen en enkels waar om een vrouwenarmband zou kunnen sluiten. En hij draagt een kleurig tricot en het driekleurig nationale kampioenslint om zijn middel. Even een boudeerend gezichtje over dat openluchtsche, koude stadion, enz.”

Ik ben door de _N. R. C._ bekeerd. Ik heb nu een andere voorstelling van het boksen gekregen, en kan me niet weerhouden het type bokser aldus te bezingen:

(Wijze: „_Klein, klein kleutertje,_ _Wat doe je in mijn hof?_”)

Beeldig boksertje, En heb je ’t dan zoo koud? Het is toch ook voor jou geen weer! Je bent zoo tenger en zoo teer, En zoo fragiel gebouwd.

Snoezig boksertje, Wat zijn je armpjes fijn! Wat zijn je bloote beentjes slank, Je lokjes blond, je tandjes blank, Wat zijn je voetjes klein!

Schattig boksertje, Mijn oogen vieren feest! Want je kimono is van zij, Je tricot kleurt er prachtig bij, En ’t lintje om je leest.

Boutig boksertje, Wel word ik zwaar bezocht! Ach, dat de zede ’t niet verbood, En ’k van je lipjes rozenrood Een zoentje stelen mocht!

Poetig boksertje, Waarom boudeer je nou? Stil maar. Ik heb wat meegebracht, Kijk hier: pralines, zalig zacht; Mondj’ open! Da’s voor jou!

Zielig boksertje, Ik ril terwijl ik rijm, Want als je strakjes heel misschien Een enkel drupje bloed mocht zien, Dan val je vast in zwijm!

Doddig boksertje, Mijn loflied loopt ten eind. Ziehier den zondaar dan bekeerd, Het boksen — ’k heb het nu geleerd — Verweeklijkt, en verfijnt.

Honnig boksertje, Reik mij je poez’le hand; Ik heb je onrecht aangedaan, En mijn bekeering dank ik aan...... De Rotterdammer krant!

30. RECLAME-RIJM.

„Toen zong ik slechts uit lust; nu dwingt het lot daartoe; Want nood is bitter kruid: in noodtijd bulkt de koe.” — _H. Poot Czn._

„Een Ruize-Rijm van liefde, vet en olie.” Advertentie-vers voor de Olie-fabrieken-Calvé, Delft, door Charivarius. Zie de _bladen_.

„Dát niet!” _Uitroep van afschuw._