Part 16
Zoo zitten wij hier weer tezamen. ’t Is niet voor een broodje met kaas! Neen, menschen met dubbele namen Die eten niet minder dan haas.
Voorheen zat men hier bij de gratie Van Willem, in ’t jagen een baas! _Hij_ voerde ons (in combinatie Met ’n nette affaire in haas).
Nu zijn we met koophaas tevreden; ’t Is niet zoo poëtisch, helaas! Hij is in het huwlijk getreden, Maar wij hebben niettemin haas.
Ja, er zijn er, die vielen — en trouwden! Zij werden — of worden — Papa’s, Maar dat heeft hen goddank niet weerhouden Van het heilige Feest van den Haas.
In streng vegetarische kringen Beschouwt men dit eten als „aas”, Wij zijn niet als zij, en wij zingen Met geestdrift den lof van den haas.
Wij zijn geen diep-droomende dichters, Die het leven bezien door een waas, We eten gewoonlijk wat lichters, Maar eens in het jaar is het: haas!
Wat geeft er in tijden van smarte Weer levensmoed, steun en soelaas? Dat is — niet zoo’n boutj’ „á la carte,” Maar ’n deeglijke maaltijd van haas.
Met vettige visch en pasteien, Met puddingen, taarten of vla’s — Laat andren zich daarmee vermeien, ’t Is ons hier te doen om den haas.
Het beest van de wijde terreinen, Die soms prikkeldraad afsloot, of gaas, Moet in onze magen verdwijnen — Dat is eenmaal ’t lot van den haas.
Ja, met moeite bedwingen wij kreten Van vreugde, en luide hoera’s, Wanneer wij zoo zitten te eten Van Brinkmann’s voortreflijken haas.
Dat ’t varken de mesthoop bewerke, Dat het rund vrij het weiland begraz’ Dat de kip zich met wurmen versterke — Wij, mannen, wij eten den haas!
Wat het bijbelwoord is voor den Christen, Voor de vrouwen de bloem in de vaas, Dat is voor ons, epicuristen Zoo’n heerelijk ruggetje haas.
Natuurlijk, wanneer we niets dronken, Dan waren we allemaal dwaas, Maar _als_ er hier iets wordt gedronken, Dan is het ter eer van den haas.
En niemand verlaagt of verkleint zich Door dollemanstaal of gedaas: De smaak van ’t gesprek zelfs verfijnt zich Door den nobelen smaak van den haas.
Men knoeit met de menschlijke namen, Bv. Françoise wordt „Zwaas!” Maar iedere man zou zich schamen, Om een haas niet te noemen, een _haas_.
Hoe gaarne ik straks mijn Havanna Tot geurige wolken verblaas, ’k Verkies boven nevelen manna, En manna voor ons is — de haas!
Men spreekt en men dicht en men schrijft steeds Van ’t vaderlandsch feest Sint Niklaas, Maar _ons_ vaderlandsch feestje, dat blijft steeds: Het jarelijksch Feest van den Haas!
Ach, Haarlem ligt maar aan het Spaarne, En Rotterdam ligt aan de Maas, Maar _daar_ heeft men — ’k erken het, en gaarne, Toch nooit _zulke_ feesten van haas.
Zoo zitten wij hier weer als vrinden, Onder feestlijk geruisch en geraas; Wij weten elkander te vinden, En — ’t is niet alleen om den haas!
12. MENSCH, ERGER JE NIET!
Raad aan getrouwden, celibatairs, predikanten, middenstanders, scribenten, dilettanten, kunstminnaars, forensen en anderen.
Wanneer je kachel niet goed trekt, Wanneer je vulpenhouder lekt, Wanneer geen klok in huis goed loopt, Wanneer zich ’t stof op hoopen hoopt, Mensch, erger je niet. Wanneer je buurman je verveelt, Die als-maar dronkemans dreunen speelt, Als je de meid d’r vrijer snapt, Die stiekum je sigaren gapt, Mensch, erger je niet. Als de barbier je keept en snijdt, Je schoen te nauw is of te wijd, Wanneer je eksteroog je steekt, Op ’t laatst moment je veter breekt, Mensch, erger je niet. Wanneer ’t lawaai op straat je kwelt, De tram piept, loeit, onnoodig belt, De bakkersknecht den deksel kwakt, Je dischgenoot bij ’t eten smakt, Mensch, erger je niet. Wanneer men weg blijft uit je kerk, Geen mensch belang stelt in je werk, Word je verwaarloosd door je vriend, Of door den kellner slecht bediend, Mensch, erger je niet. Als ’t antwoord achterwege bleef, Wanneer j’ om spoedig antwoord schreef, Als iemand ter vergadering Een grofheid tegen je beging, Mensch, erger je niet. Wanneer je bij de veertig bent, En, bij je vriend’s engagement, Steeds ieder om je ooren zeurt, Zoo met zoo’n grijns: „Nou is ’t _jou_ beurt!” Mensch, erger je niet. Wanneer een deftig man van stand Je groet — zoo even — nonchalant, Als vrouwlief, goed, maar welbespraakt, Je ooren aan het tuiten maakt, Mensch, erger je niet. Of, sukkel je aan slechte taal, Aan beelden, barstig of banaal, Aan bombast of mooidoenerij — En ben j’ er in de _Groene_ „bij”, Mensch, erger je niet. Als, op de tea, ’t gesprek wat hokt, En jij, door ’t vleiend woord verlokt, Lang aangezocht, wat spelen gaat, En dat het sein is voor ’t gepraat, Mensch, erger je niet. En gij, beklagenswaardig mensch, Rampzalige! Amsterdamsch forens, Als ’s Maandags morgens in den trein De lui al humoristisch zijn, Mensch, erger je niet. Ja. Als de week weer voor je ligt, De „blijde dagtaak” en de plicht, Wanneer je kleine oogjes zet, En weer terug verlangt naar bed, Wanneer — het scheren ging wat gauw — Je kin nog pijnlijk is, en rauw, Je handen koud, je haren nat, Wanneer je dan je ochtendblad Heel hoog, krampachtig om je houdt, Om vrij te zijn van morgenkout...... Als dàn je buurman zaagt, en zaagt, Je niet met rust laat, en je vraagt, Van „heb je _die_ nog niet gehoord?” En onverstoorbaar, onverstoord, De „nieuwsten” van de Beurs vertelt, Je dwingt te luistren, met geweld, Totdat je niet meer grijnzen kan, Maar zucht — en zucht — zelfs dan, zelfs dàn... Mensch, erger je niet!
13. OWEEERSWEE OF HET EET-EXAMEN.
In de groote restaurants van Amsterdam en Rotterdam worden tegenwoordig eetlessen gegeven onder leiding van een bekwaam oberkellner, die mede aanzit.
_De afgewezen candidaat spreekt:_
I.
Gij staart er in vrees en in beven, Kaptein van het Engelsche schip, Gij rilt voor uw vracht en uw leven, Ontzet, en met trillende lip, Bij ’t zien van den Duitsch’ onderzeeër, Die zich al verheugt in de vangst...... Ik, laag-auto-nummer-oweeër, Ik ken nog een heviger angst. Ik weet het nu, wat het beteekent, Het lijden en wee van den schrik! Mijn kracht is er niet op berekend, d’ Emotie is sterker dan ik. Ik zal dan maar alles verhalen, In dit mijn weemoedig gedicht, Het moge mijn zenuwen stalen, Misschien dat de biecht mij verlicht.
II.
Ik volgde geregeld de lessen, In „Etica” — heette het vak — Van vijven tot kwart over zessen, Gekleed in mijn Zondagsche pak. Ik oefende lichaam en geest er, Ik heb er met vlijt gestudeerd, Ik ging goed vooruit, zei de meester, Ik heb er een massa geleerd. U kunt me gerust al eens vragen, Verlegen dat ben ik niet meer, Ik zal me heel netjes gedragen, Precies als een _echte_ meneer. Neen, heusch, als ik nu eens bij ú kom, Dan slurp ik niet, smak niet, noch snork, Ik doop niet mijn duim in de sju-kom, Ik kam niet mijn snor met mijn vork. U kunt er gerust op vertrouwen, Dat ’k niet met een volle mond praat, Ik houd ’m potdicht bij het kauwen, Je hoeft niet te zien hoe het gaat. ’k Zit niet in mijn ooren te poken, ’k Zorg, dat ik bij ’t schenken niet stort, ’k Hang niet in mekander gedoken, Mijn elleboog haaksch voor mijn bord. ’k Onthoud mij van schreeuwen en kwebben, Ik maak geen onnoodig kabaal, En wil ik een aardappel hebben, Dan prik ik ’m niet uit de schaal. De taal geeft geen moeilijkheden: Je spreekt maar precies als je schrijft: ’k Zeg niet meer „motór” en „omreden,” Of „nee, dame, dank u belijfd.” Mijn haast maakt me niet aan het hikken, Ik spoel niet mijn mond met mijn drank, Ik schokschouder niet bij het slikken, Mijn tanden zijn min of meer blank. Mijn jas — geen confectie! — zit netjes, Mijn broek is volmaakt in de vouw, Mijn front vrij van kreukjes of spetjes, Mijn nagels zijn niet in de rouw. Mijn boordje — niets netters of reiners Zag j’ ooit aan den hals van een heer, Voor doperwten of capucijners Gebruik ik mijn lepel niet meer. Ik weet nu al weg met mijn handen, Als was ’k een dineur van beroep, Ik peuter niet tusschen mijn tanden, Ik slobber niet meer met mijn soep. ’k Begin niet met alles te snijden, Ik neem niet zooveel als ik kan, Ik houd de gerechten gescheiden, Ik maak er geen papje meer van. De sperges, die ’k uit heb gezogen, Die gooi ik niet meer op den grond, ’k Wijs niet met mijn mes naar mijn oogen En ’k steek het niet meer in mijn mond. ’k Omklem het ook niet meer krampachtig, Als iemand, die zint op een moord; Zelfs douw ’k mijn servet — ’t is waarachtig! — Niet meer met de punt in mijn boord. Ik zorg dat me wangen niet blinken Bij ’t kluiven aan vettige kip; Besmeur ik me snor bij het drinken, Dan zuig ’k ’m niet droog met me lip. ’k Maak da’ ’k met de menschen geen mot krijg, Ik kijk bij geen schotel verbaasd, En als ’k bij de kippen kompot krijg, Dan leg ’k het op ’t bordje daarnaast. ’k Zit niet met mijn beenen te trillen, Ik kneed niet mijn broodje tot deeg, De druiv’ eet ik niet met de schillen, Mijn vingerkom drink ik niet leeg. „Wat denkt u nu van mijn examen?” Zoo heb ik mijn meester gevraagd, „Ik kan je niet verder bekwamen,” Wat ’t antwoord. „’t Staat vast dat je slaagt.” „Dus hebt u nu niets meer vergeten, En loop ik geen risico meer?” — — „Neen. Iedereen, die je ziet eten, Die houdt je beslist voor een heer.” —
III.
Ik ga. Bij de eerste gerechten, Ofschoon soms mijn hand nog wat beeft, Win ik met gemak de gevechten Met oesters, met boutjes en kreeft. Zoo’n maal zonder fout — ’t is een héél ding! Gelukkig één schotel nog maar; ’k Zie in mijn verhitte verbeelding ’t Diploma — _cum laude!_ — al klaar. Daar krijg ’k ’n groen, stekelig monster, Het lijkt wel ’n struik, op mijn bord! Mijn harte dat klopt er en bonst er...... Mijn polsslag wordt koortsig en kort...... Ik zit op ’t mysterie te staren...... Een klein plasje saus ligt er naast...... En hemelwaarts stijgen mijn haren, Mijn blik is verstard en verglaasd...... Ik kan haast geen adem meer krijgen...... Met moeite weerhoud ik een kreet...... Ik zit als een karhond te hijgen...... Mijn voorhoofd staat blank van het zweet...... De kellner, een man van het vak dus, Die ziet, hoe ’t gedrocht me benauwt, Zegt zachtjes: „Meneer, ’t is ’n cactus, Die eet je met peper en zout!” Een onheilverkondend gefluister...... d’ Examencommissie pleegt raad...... Mijn examinator kijkt duister, En boekdeelen spreekt zijn gelaat...... — — — — — — — — — Van oesters ben ’k niet meer geschrokken, Ik toonde me ’n held in gehakt, Maar op die vervloekt’ _artisjokken_ Ben ik, diep-rampzalige, gezakt!
14. DE OWEEËRS KRIJGEN LES.
Monoloog.
„Heer van goeden huize biedt zich aan tot het geven van onderricht in goede manieren en beschaafde uitdrukkingen.” — _Adv. Hbl._
_Personen_: DRIEKUS BOKKUM, Oweeër. BET BOKKUM-AUGURK, zijne echtgenoote. JHR. VAN HOOGENHUIJZE TOT LAGERWAL, leeraar.
(_Kamer. Links haard, waarvoor tafeltje met theegoed, en stoelen. Deur links voor. Kamerschut in hoek rechts achter. De leeraar neemt achtereenvolgens een schaal met taartjes en trommeltje met koekjes, en een luxedoos met bonbons uit een kast rechts, en zegt onder ’t loopen:_)
Ik krijg straks oweeërs hier, dames en heeren; Die komen bij mij om manieren te leeren. (_Zet neer_) Ziezoo. Hier de koekjes — de taartschotel daar. (_Schuift fauteuil naar haard_) Hier deze fauteuil is voor hem; die voor haar. En deze bonbons (_bekijkt ze goed_)...... dat’s zulk moeilijk eten, Dat ’t stelletje daar wel geen raad mee zal weten! Enfin, das juist goed: dan heb _ik_ wat te doen. Ja (_bedenkelijk knikkend_) doornig en steil is het pad naar ’t fatsoen!
(_Kijkt nog even of alles in orde is, en zegt dan, nadenkend, hand aan kin:_)
Maar...... ze zijn zoo verlegen, natuurlijk, als kindren...... Dus al dat publiek daar...... dat zal ze wel hindren...... (_Voetstappen buiten_) O, wacht... ik geloof, dat ik daar al iets hoor! (_Vlug_) ik weet wat: ik zet er dat kamerschut voor!
(_Zet vlug ’t schut zoo, dat hij alléén zichtbaar blijft, en spreekt verder staande, profiel; loopt eerst naar de deur:_)
„Dag mevrouw, dag meneer! Welkom hier. Komt u binnen. — Nee, nee, _mevrouw_ eerst — nog maar even beginnen. — Uw hoed af, meneer! — Nee, houdt _u_ ’m maar op. — Kalm loopen, en niet in zoo’n woesten galop. — Wàt zie ik? Een eindje sigaar? Nee, dat gaat niet; Kom, kom, dat u dat uit uzelf niet op straat liet! Gooi ’t nu maar zoo ongemerkt weg in den haard. — Gaat zitten. Hier knus in het hoekje geschaard. — Me lieve mevrouwtje! Kom, wees u nou wijzer: Dat voetje terug! Nee, nee — niet aan dat ijzer! Waarom dat niet buit’ aan de schrapper geschrapt? Maar kijk liever uit, dat u nergens in trapt! — Nee, nee, meneer, laat u z’ in godsnaam maar loopen, _Hier_ niet — u kunt’ straks wat insektpoeder koopen. Men zegt „transpireeren,” mevrouw — _als_ men ’t zegt! Want voor een gesprek leent zich ’t onderwerp slecht. — _Glim_lachen, mevrouw! Desnoods lachen — nóóit proesten! — Meneer!!!...... Dàn tenminste gelijk even hoesten! Neen, dat is een aschbakje — geen kwispeldoor, — Nee, mevrouw, daar gebruikt men zijn vingers niet voor, Nee, zelfs niet met ’t lepeltje...... al lijkt het u vitten, De suiker-rest moet u d’r in laten zitten. — ’t Is heet, maar ’k wou dat _u_ dat blazen wat liet. — Mevrouw, drink uit ’t _kopje_ — uit ’t schoteltje niet. Meneer, wees zoo goed, niet aan alles te ruiken. — Och mevrouw, wil u even uw zakdoek gebruiken? _U_ leert vlug, meneer: ’k zag, u deed het daar gauw, Maar denk in ’t vervolg d’r om: _niet_ met uw mouw. — ’t Is waar, ’t _is_ wat warm; ik zag ’t aan uw gezicht; Maar m’n beste mevrouw, uw japon moet weer dicht. — Eén stoel per persoon, meneer; weg met die beenen! — Ja zeker, mevrouw, u draagt prachtige steenen, En paarlen, robijnen — ja, allemaal echt, Maar had u er nou niet de prijs van gezegd! Pardon, waarde heer, heusch, hier wil toch niets groeien, U hoeft, als u niest, niet den grond te besproeien. — Mevrouw, hand ervoor; ’t best is, dat u ’t vermijdt; En zeker ’n duim of drie vier minder wijd! — Recht op, beiden! ’k Dacht dat u zóó wou gaan duiken! — Tabak, meneer, enkel voor _rooken_ gebruiken! Heel lekker, misschien, maar hij _moet_ uit uw mond. Maar afleeren, hoor! Nee, nu niet op den grond! Wel zonde, hè? ’t Was net zoo’n lekkere, versche — Nee, mevrouw, nee! zóó neemt m’ uit ’n ben ’n hand kerse’, Maar koekjes die neemt men maar één-tegelijk, En houd wat u beet hebt, zoo in uw bereik. — Die roomtaartjes schijnen u wel te bekoren, Maar niet met die room zoo tot over uw ooren! Voorzichtig zoo’n hap! Niet te gauw! Niet te gauw! Uw vingers _afvegen_ — niet likken, mevrouw! — Die melkkan, hoe vreemd het u ook moge klinken, Dient om uit te _schenken_ — niet om uit te drinken. — Niet _hier_ doen, uw nagels! — _Uw_ mond is te vol! — Hu! Meneer, hebt u wel eens gehoord van Odol?! — Fruits glacés, mevrouw, ja. Maar u doet me weer schrikken, Met ’t _vorkje_, hoor, niet met uw haarspeld uitprikken! — Och meneer, asjeblieft, laat die beeldjes zoo staan! — En al steekt u uw likdoorn — uw schoen moet weer aan! — Dat woord kunt u werkelijk niet zeggen, dat voelt u; „Dat is flauwe _nonsens_,” meneer, dat bedoelt u. — Ook dat niet, mevrouw, als men dàt zeggen kon, Dan liep het zoo vol niet bij Pygmalion. — Neen, ’k zal tot mijn spijt _weer_ uw mond moeten stoppen, Mevrouwtje; u meent: „Manlief, laat je niet _foppen_!” — Ziezoo. Nu is ’t tijd. Ja, ja, zooals u ziet, Manieren die leer je zoo makkelijk niet! Nu thuis nog maar ijverig door repeteeren, Dan zult u het allebei schitterend leeren. En binnen ’n jaar zingt u luide _mijn_ lof, Want dan wordt u t’ eten gevraagd aan het Hof!”
(_Gordijn_)
15. LOFLIED OP DE VRIENDSCHAP.
Charivarius heeft bij zijn verblijf ten plattelande de overtuiging gekregen, dat er behoefte bestaat aan een Algemeen Vereenigingslied op de Vriendschap. De vereeniging die in de Uitspanning komt potverteren, neemt plaats aan de tafeltjes onder de boomen, en heft het clublied aan. Meestal is het slecht gerijmd, weinig vloeiend van klank en ondiep van gedachte. Ziehier een poging tot iets beters. Het lied is er op ingericht om voor alle soorten van vereenigingen te dienen.
Wijze: „_Wien Neerlandsch bloed_” — Tollens.
(_Allen, opgewekt, maar niet uitgelaten_)
Wij zitten blijde hier vereend, De Vriendschap bind ons saâm, Dien ’t Leven al zijn waarde leent, Gezegend zij zijn naam! Bij ’s levens Vreugd en ’s levens Pijn Houd onzen Eendracht stand, En wat er ook van d’ aard verdwijn’, Nooit onzen Vriendschapsband! (_bis_)
(_Solo, een getrouwde Dame van huiselijken aanleg_)
De moeder mint haar zuigeling, En doet haar eigen wascht, Zoo blijft ook onzen Vriendenkring Steeds proper en gepast. Wij eeren onze Koningin, Oranje, en Nederland, Wij zijn omstrengeld, één van zin, Door onze Vriendschapsband. (_bis_)
(_Duo, een Dame en een Heer, niet zonder nationale trots_)
Wel hebben wij ons Neerland lief, Ontwoekerd aan de zee, Met arbeid, zweet en ongerief, Van Texel tot Goeree, Maar veen en vaart en veld en vliet, En ’t Scheveningsche strand Zijn ons nog lang zoo dierbaar niet Als onzen Vriendschapsband! (_bis_)
(_Solo, het jongste Lid, onbedorven, met zin voor natuurschoon_)
De vogel vliegt in vrijheid rond, De visch hapt in den haak, En uit de reinen kindermond Hoort men de waarheid vaak. Een wonder is ’t hoe ’t luchtgewelf ’t Grotesk Heelal omspant, Maar hechter nog — al zeg ’k ’t zelf — Is onzen Vriendschapsband. (_bis_)
(_Solo, een goedgezind, maar zuinig landmeisje_)
Hij, die niet op mij tegen heeft, Die blijv’ niet achterbaks: De kip, die ’t ei gelegen heeft, Begroet zijn kuiken straks. Wanneer ik fijn verkeering krijg, Trakteer ik navenant, Als ’k ’t geld voor de vertering krijg Van onzen vriendschapsband. (_bis_)
(_Solo, een militair, flink, maar hartelijk_)
Het leger staat nog overend, En vreest niet voor den strijd: Ik draag den rok, gelijk bekend, Van Hare Majesteit; Al ben ik maar een korporaal, (Binnen kort misschien sergeant) Nog hooger dan een generaal Acht ik de Vriendschapsband! (_bis_)
(_Solo, een jonge Dame met een warm hart_)
Een mensch zijn leven is een kruis, Wanneer geen _Liefde_ ’t kroont, Hetzij hij op een bovenhuis, Of in een villa woont. Maar zelfs al was ’k ’n barones, Gekleed in zijde en kant — Ik sprong beslist steeds in de bres Voor onze Vriendschapsband! (_bis_)
(_Solo, een eenig Heer van ernstig karakter_)
En als één onzer scheiden moet, De groene zoô hem wenkt, En elk, in ’t zwart en hoogen hoed, De ziltste tranen plengt, Ook dàn staan voor de laatste keer De vrienden hand aan hand, En zingen luide ’t lied ter eer Van onzen Vriendschapsband. (_bis_)
(_Solo, de Redacteur van het plaatselijke blad_)
Een nieuwe lent’ — een nieuw geluid! Het gaat hier om de pret! Wij schakelen de tweedracht uit, De twist wordt stopgezet. Wat hier naar voren is gebracht, Komt morgen in de krant, Die sta in ’t teeken van de kracht Van onzen Vriendschapsband! (_bis_)
16. HET ANTWOORD VAN ’T MEISJE.
„HUWELIJK. Heer, 50 j. zoekt kennismaking met een net, eenvoudig meisje. Leeftijd 40 à 50 jaar.” _Adv. N. v. d. D._
Geachte Heer, ik las daarnet uw advertentie: U zoekt een vrouw. ’k Meen dat ’k hier de vervulling van een dierbren wensch zie, Dus schrijf ’k maar gauw. Ik heet Giesbertha Klomp, maar och, zegt _u_ maar Gijsje, Zoo familiaar. Me dunkt, ik ben net iets voor u: ik ben een meisje Van vijftig jaar.
Hierbij gaat mijn portret — voor u alleen, mijn hartje, Inspres besteld! Bij Bosman in de Kalverstraat; drie voor een kwartje; Het is géén geld. Ik plak nu zelf van goudpapier een prachtig lijs’je, ’t Is bijna klaar; Dat stuur ’k u d’ andre week — voor ’t snoetje van uw meisje Van vijftig jaar.
Ik weeg tweehonderd pond (ik heb me laten wegen) Schoon aan de haak. ’k Heb net gelukkig mijn gebit terug gekregen: ’t Was in de maak. ’k Heb beeldig blonde haren — met ’n enkel grijsje, Zoo hier en daar, Ze zeggen, dat dat snoezig staat zoo in een meisje Van vijftig jaar.
’k Ben weeuw. ’k Heb van m’n eerste man een flinke jongen. Daar woon ’k bij in. Hij ’s ook getrouwd. Er wordt den ganschen dag gezongen In ons gezin. Zijn vrouwtje speelt: U houdt toch van een vroolijk wijsje In huis, nietwaar? Ik neurie heel lief mee, al ben ik al een meisje Van vijftig jaar.
De kindren zijn gezond en lief. Het zijn er zeven — Dat zeg ’k maar vast. Die brengen vroolijkheid in ons gezin, en leven, En heel geen last. Ja, Pietje krijgt van meester elken dag een prijsje, Dus — geen bezwaar! ’k Zou ’t ronduit zeggen, want ik ben een eerlijk meisje Van vijftig jaar.
Wij hebb’ ’n zieken hond, met zoo’n gezellig luchtje Van oude kaas; Hij is heel waaksch, en bromt, of blaft bij ’t minst geruchtje; Dat wil de baas. Dan nog drie poesen, een kanarie en een sijsje, Lief met mekaar, En allemaal zóó gehecht aan uw aanstaande meisje Van vijftig jaar!
’k Ben net als u; ’k houd niets van zoo’n aanstell’rig juffie — Da’s niks voor mijn! Zoo’n lekkerbekkig poppetje, zoo’n groozig nuffie, Verwend en fijn, Die zanikt om een kipj’, een duifje, of patrijsje, Of caviaar — Da’s niks gedaan voor u. U zoekt een _huislijk_ meisje Van vijftig jaar.
Bij ons is ’t heel eenvoudig, maar toch altijd volop: Gestampte pot, Of stokvisch of zoo iets, daar zijn we allemaal dol op, Gebakken bot, Of spek, of bloemkool met wat worst of een saucijsje, Goed vet en gaar, Da’s _mij_ genoeg — _ik_ ben toch zoo’n eenvoudig meisje Van vijftig jaar!
Een pasgestorven nicht vermaakte mij haar spullen: Een overvloed! Zoodat ’k mijn heele linnenkast heb kunnen vullen Met ondergoed. We maken in het binnenland ons huwlijksreisje; Het is wel naar, Maar ’t buitenland is nu niet veilig voor een meisje Van vijftig jaar.
We kijken ’s uit na ’n prijsvermindering of daling, Nietwaar, Mijnheer? Of koopen nog wat meubeltjes op afbetaling, Da doe ’k wel meer. Zoo maakt gij onze woning tot een klein paleisje, Gij, toovenaar! En...... koningin in dat paleis — dat wordt uw meisje Van vijftig jaar!