Ruize-rijmen

Part 15

Chapter 153,305 wordsPublic domain

Daar liggen de stukken in dreigende stapels, Van Londen, Parijs, van Berlijn en van Napels, Papieren pilasters, zoo hoog als de zolder, Omvallend en rollend al holderdebolder, Mijn tafels bedekkend, bedrukkend, begravend! Daar zit ik weer, zweetend en zwoegend en slavend, En schuivend en schiftend en schikkend en zoekend; En razend en tierend, verwenschend en vloekend, Verscheur ’k d’ enveloppen, de gele, de blauwe, En ’k lees van ’t „gelieve te treffen in vouwe,” Al bevende breek ik de bloedige lakken, En ’k brand om de rommel het raam uit te kwakken, Want ’t ergst is de Hollandsche correspondentie, Zoo’n schrijver, die breek ik de nek, als ’k de vent zie! Die plat-duitsche wartaal, mijn vrede verdrijvend, Van handels-scribenten, „inmiddels verblijvend”, Van „spoedigst”, „op afroep”, „goedschrijvend”, „af Londen”, Goed schrijven! Godbetert! Ik wou dat z’ ’t konden! Die „eventueel” „en verzoeken wij”-zwetsers, „Inliggend” en „eer” en „na hoogachting”-kletsers, Die lummels, wier zinlooze vleitaal hun kracht is, Wier „vrijheid” „beleefd”, wijl _mijn_ „schrijven” „geacht” is, Die „goederen afgeven”, „billijk voorradig”, In leutertaal, Duitsch, lam, laf, likkend, langdradig; Die walglijke kost, naar en misselijk smakend, Die zit ik te kauwen, in wanhoop gerakend, En knorrend en morrend, En grommend en brommend, En persend en knersend, En krakend en blakend, En grijpend en knijpend, En blazend en razend, En steunend en kreunend, En wringend en springend, En kloppend en schoppend, En hoestend en proestend, En niezend en briezend en kniezend, En nokkend en wrokkend en schokkend, En stampend en kampend en dampend, En hijgend en zijgend en zwijgend, En draaiend en zwaaiend en laaiend, En speurend en sleurend en scheurend, En rijtend en smijtend en bijtend en krijtend, En hikkend en snikkend en schrikkend en stikkend, En sissend en grissend en visschend en missend, En snakkend en pakkend en smakkend en kwakkend, En kreukend en deukend en beukend en jeukend, En knoeiend en loeiend en broeiend en gloeiend, En duwend en stuwend en gruwend en spuwend, En tillend en trillend en rillend en gillend, En jagend en klagend en vragend versagend, Zóó zink ik in zwijmel, gekneusd en geknakt — Dàt is ’t, wat me daaglijks de morgenpost bakt..... ........................................ En zie! onlangs — o, welk een lust! Geen morgenpost om mij te kwellen...... Een bijna bovenaardsche rust, Als zich geen sterveling voor kan stellen!

O, Post! Wat ik je bidden mag, Je kunt me zoo gelukkig maken: Och, zou je, al was ’t maar voor één dag, Nog ééns een keertje willen staken?

3. NAPOLEON-RIJM.

De _Tel._ ontving een afschrift van den volgenden order, dezer dagen ter kennis gebracht van de cadetten der Kon. Militaire Academie te Breda:

Het is mij den laatsten tijd opgevallen, dat meerdere cadetten zich gearmd met jonge dames in het openbaar vertoonen.

1o. Als gevolg hiervan is meermalen de aandacht dier cadetten zoozeer in beslag genomen, dat ze verzuimen hun meerderen te groeten, blijkbaar _omdat zij die meerderen niet zien of herkennen_.

2o. Ook laat de militaire houding van cadetten, die gearmd loopen, meestentijds zeer veel te wenschen over, _althans is die houding geenszins zooals van aanstaande officieren verwacht mag worden_.

3o. Bovendien acht ik het ongewenscht, dat cadetten, die immers niet in het huwelijk mogen treden, door met een jonge dame gearmd over straat te loopen, _den schijn aannemen, als zouden zij verloofd zijn_, en derhalve voornemens zijn binnenkort een huwelijk te sluiten.

Het vorenstaande geeft mij aanleiding te bepalen, dat in art. 57 van de consignes, 2e en 3e alinea van boven wordt opgenomen:

„_Het is aan cadetten verboden zich gearmd in het openbaar te vertoonen._”

Ik reken op ieders medewerking om aan genoemde misstanden, die aan het uiterlijk aanzien der Koninklijk Militaire Akademie ontegenzeggelijk afbreuk doen, een einde te maken.

De cadetten staan geschaard op het plein van het gebouw der K. M. A. De kolonel spreekt hun toe:

Goeden morgen, jongelui. Ik heb je wat te zeggen. Ik voel me n.l. verplicht je nog eens duidelijk uit te leggen Wat de beteekenis is van het nieuwe consigne, Waarbij je strafbaar gesteld wordt indien je Je in ’t openbaar gearmd mocht vertoonen. Ik bedoel natuurlijk: met een der Bredasche schoonen. Al staat het er niet bij, de beteekenis is klaar, Want je doet het vanzelf niet alleen, of met mekaar, En je gearmd te vertoonen met je grootje, je zus, je tante, of je Ma, Daar verlangen jullie uit je zelf al niet na. Ik verzoek je nu allen terdege op te letten, En ik verwacht, dat je je niet tegen mijn wil zult verzetten. Want je staat hier even goed onder mijn hoede als onder je eigen petten, En de ondeugd spant, zooals je weet, overal haar netten, Zoowel voor de groote menschen als voor de cadetten, Dus voor je ’t weet kan de zonde je besmetten, Maar ’t is niet zoozeer dat, wat ik wil beletten, Want tegen de boosheid helpen eigenlijk geen wetten, Als wel, primo, de insubordinatie tegen je superieuren. Immers het kan zeer wel gebeuren, Dat je eens een luitenant of zoo zou ontmoeten, En dan zou je hem, als gearmd zijnde, niet eerbiedig kunnen groeten, Want, loop je met een warmbloedig meisje — tenminste zoo was ’t in mijn tijd — Dan raak je haar arm zoo ineens maar niet kwijt. Bovendien heb je haar waarschijnlijk zooveel leugens over de liefde verteld, En haar zooveel desbetreffende nonsens op de mouw gespeld, Dat je mouw allicht in die spelden blijft haken, En je zoodoende niet gauw een behoorlijk militair saluut kunt maken. Voorts is een gearmd cadet gewoonlijk zoo overmeesterd door zijn gevoel, Dat hij zijn meerdere niet ziet, of niet herkent — hm! je weet wat ik bedoel. Secundo loop je gearmd in een houding die ik niet kan gedoogen: Schommelig, schokkerig, kronkelig, je nek scheef, en je knie naar ’t meisje gebogen. En dit moge nu te dulden zijn bij de straatslijpende horden, ’t Is geenszins de houding zooals die van aanstaande officieren verwacht mag worden. Tertio, en dit is misschien het ergste nog, Ik beschouw dit als een soort van anticipatie-huwelijksbedrog. Immers je neemt den schijn aan van een engagement, Terwijl je integendeel, om zoo te zeggen, nog maagdelijk bent. Want je weet, en ik hoop dat je ’t goed zult onthouwen: Ik heb je verboden te spelen, te drinken en te trouwen. Ziezoo. Ik meen van jullie te mogen verwachten, Dat je geen van allen op slinksche wijs zult trachten Dit consigne te ontduiken, en toch met meisjes te loopen, Zij ’t dan ongearmd, bijv. zoo warmpjes tegen haar aangekropen, Zoo, je weet wel, de schouders tegen mekaar aanwrijvend, En dat wel zonder trouwbedoeling (in den handel heet zoo iets „vrij blijvend”). Of hand-in-hand, als kinderen, want dit is ’s winters wel prettig, Maar ’s zomers niet; dan voelt ’t min of meer vettig. Of — je bent allemaal wel eens in de bioskoop geweest — In bevallige pose met je arm om haar leest, Of je armen om mekaars hals, of, zooals bij ’t schaatsenrijden, Kruisling voor ’t lijf — dat alles zul je, hoop ik, vermijden. Ook verwacht ik, hoewel ik het in ’t consigne niet uitdrukkelijk verbood, Je nooit op een bankje aan te treffen met een meisje op je schoot. Ik heb gezegd. Alleen dit nog. Ik eer Bonaparte, Omdat hij koelbloedig de grootste gevaren tartte, Maar je moet me toegeven, dat hij nooit zoo’n consigne verzon, En in zoover win ik ’t, al zeg ik het zelf, van Napoleon!

(_Daverende toejuichingen_)

4. EERSTE LIEFDE.

Aan To.

’t Was een mooie Zomerdag, Dat ik, To, je ’t Eerste zag.

Bij het beekje Zag ’k je staan, En ik keek je Smachtend aan.

Ik was dalijk Smoor, maar jij Nam me kwalijk Dat ’k het zei.

Maar toch ein’lijk Gaf je toe; Hoogstwaarschijnlijk Werd je moe.

Even zweeg ik, To, en toen, Liefste, kreeg ik Plots een zoen.

Hoe begeerlijk Is de min! En hoe heerlijk Was ’t begin.

Ik bezat geen Rooie cent, En ik had geen Tractement.

Dus je vader Was verstoord; ’k Heb dat nader- hand gehoord.

En je moeder Stom verbaasd! ’k Weet nog hoe d’r Werd geraasd!

Ik kreeg klappen Voor me straf; Al de trappen Rolde ’k af.

Ach, daar lag ik In de laan! Jij was, — zag ik — Aangedaan.

Je stond onder ’t Lindegroen, Maar je kon d’r Niets aan doen.

En ik liep naar Huis, kapot Van dit diep naar- geestig slot.

Heel mijn leven Leek m’ één nacht... Jij was zeven, Ik was acht.

(Maar dit vrijen In ’t geheim Levert mij ’n Ruize-Rijm).

(_Naar het Engelsch._)

5. KWAK-RIJM.

Opgedragen aan de Redacteurs van bladen, die medewerken aan de verspreiding van kwakzalversmiddelen.

Zing mij, mijn Groene-muze, thans niet in gedweeë zuchten, Laat mij mijn verontwaardiging in forscher klanken luchten, Mijn woede over ’n zonde, erger dan wat slechten stijl: De zonde der omkoopbaarheid. Ja, onze Pers is veil. Ziet hoe ’t bedrog gedijt door de gekochte hulp der kranten, En hoe ’t u toegrijnst, ’t duizend-namig Kwaad, van alle kanten: Musol, Garsol, Chlorol, Sprutol, Lymphol, of Menathol, Riol, Flucol, of Kephaldol, Vixol, of Amonnol, Pastilles Poncelet, Urbanus-zalf, Zambuk, Melrose, Dragées Dupont, Kneipp’s pillen, Coza-poeder, Dermatose, Haarlemmer-olie, Pink-pillen, Pastilles Géraudel, Of Foster’s rugpijn-nierenpillen, Beechamp, Bilaudel, „Abdij”-siroopjes (suikerpap) van niet-bestaande kloosters, Of dikke-borsten-pillen voor demi-mondaines — „Oostersch!” — (Heel dikwijls wordt er een „abdij”, of „priester” bij gehaald, Een lokaas voor geloovigen — een truc, die zelden faalt) Gezondheidsketting, Voltakruis, Galvano-boedha-platen, Sanden’s electrisch gordelwerk, Adolph’s jicht-apparaten. Voorts middeltjes, die tot verhooging van de werkzaamheid, Heel vriendelijk voor den lijder, met vergiften zijn bereid: Bucine, phenolphtaleïne — andre ben ’k vergeten, O, ja, „Nibblett” (epilepsie): _strychnine_ — Smaaklijk eten! En dan ’t gemeenste soort nog, dat den lijder lokt — maar straft! Daar ’t juist wat hij verlangt, maar schuwen moet, — vermomd — verschaft: Als: anti-diabetes-middelen, met volop suiker. Een zeer verlokkend drankje voor den drinkebroer-gebruiker: Ziet, vroolijk schenkt hij van het medicijn zijn glaasje vol: Een anti-drankzucht-middel, mild gemengd met alcohol! Een nektar voor den morfinist — daar valt mee te verdiene’! — „Antimorfine” heet het goed, bestaande uit...... morfine! En dan de prijs nog, dien zoo’n waardeloos mengseltje je kost! Tien gulden voor wat suiker in wat water opgelost, Parlaghy (broom) voor 12 cent bij elk drogist te halen, Daar laat zoo’n schurk zich 25 gulden voor betalen! Is ’t wonder, dat dat kwakgespuis in vorsten-weelde leeft, Wanneer ’t zich in ’n jaar of wat schatrijk gestolen heeft? O, Redacteurs, ik klaag je aan, ik wil je niet beleedigen, Maar geeft het nu maar eerlijk toe — je kunt je niet verdedigen: ’t Slachtoffer dokt, en dokt, en des bedriegers buidel zwelt, De stomme stumper sterft — en jullie krijgt de helft van ’t geld. Je bent de steun en toeverlaat van heel een bende schoften, Die paaien met portretten, met attesten en beloften. En zelfs als ’t goedj’ onschaadlijk is, doe j’ onherstelbaar kwaad, Want dokter’s hulp wordt uitgesteld: hij komt — maar komt te laat. Effecten-zwendel wordt geweerd — daar zou je naam door lijden! — Kwak’s leugens ku’ j’ niet weigren, wel? Zorgvuldig zijn gescheiden Redactie en directie. O, je vindt het ijslijk naar, Dat liegen — maar de Directeur gebiedt — vooruit dan maar! En door je mooiste hoofdartikel, waar j’, in geestvervoering, Van plicht, en eer, en waarheid spreekt, in edele ontroering, Vlecht zich zoo’n pillen-leugen heen, die zoo verleidelijk leest, Als „Ingezonden mededeeling” — dat betaalt het meest! Je weet precies, wat je misdoet, je kunt je niet vergissen, Alleen — de onderneming kan de duiten nog niet missen Ja, schitterend is de winst, met zulk reclamewerk behaald...... En jullie tractement wordt met dat dievengeld betaald.

6. HET WONDER.

Het leven is zoo saai. Zoo altijd ’t zelfde. Wij varen lustloos door in ’t oude zog. Zooals zich ’t firmament sinds eeuwen welfde, Zoo staat de blauwe (grauwe) koepel nog.

De winden waaien — en de boomen groeien — De regens vallen — en de zonne schijnt — De vogels vliegen — en de bloemen bloeien — Zoo telkens weer opnieuw, en zonder eind......

De menschen minnen, haten, strijden, streven, ’t Is altijd ’t zelfde spel, en ’t oude lied; Het is al honderdduizend maal beschreven, Maar nieuwe dingen lees of zie ik niet.

Wij dwalen doelloos door de dichte drommen; Ter slinke noch ter rechte daagt de dag; Geen stervling heeft den Berg des Lichts beklommen, Dien slechts de dichter in zijn droomen zag.

O, schrik mij! schok mij! breng mij in ontroering! Tref, geesel, striem mij, smak mij! Kwak mij neer! Laat mij verstikken in mijn zielsvervoering — Maar laat mij niet in dorheid sterven, Heer!

Zoo peinzend liep ik loom langs ’s heeren straten, Als een, die niets van ’t leven meer verwacht, Verveeld, vermoeid, versuft, verdoofd, verlaten...... Toen is het Wonder plotseling volbracht.

Wat ’k zag, ik zal ’t mijn leven lang onthouden, Verstijfd van schrik, en van ontzetting strak Door wat mijn starend’ oogen daar aanschouwden: Een dienstmeid met een muts en met een jak.

7. O, TELEFOON!

O, telefoon, ik haat je! Ik haat je als de hel! _Rrrrring!!_ Jij, die mijn kamerrust verstoort met jouw vervloekt gebel! _Rrrrring!!_

Je staat daar in een hoekje, Maar eischt subiet gehoor, _Rrrrring!!_ Want, ren ’k niet dalijk op je toe, dan bel je nijdig door. _Rrrrring!!_

Ben ’k boven aan het scheren, Waar ’k kin en wangen krab, _Rrrrring!!_ Dan keep ik m’ in mijn tronie, en ik struikel op de trap. _Rrrrring!!_

„Verkeerd (weer!) aangesloten!” Dat ’s alles wat ik hoor; _Rrrrring!!_ Dan zeg _ik_...... nee, dat zeg ’k je niet — daar ben ’k te netjes voor. _Rrrrring!!_

Wie maar wat heeft te vragen, Valt ruw in elk gesprek, _Rrrrring!!_ En staat daar lomp, onaangediend in mijn intiem vertrek. _Rrrrring!!_

De kleverigste kletskous, d’ Onmogelijkste vlerk, _Rrrrring!!_ Die haalt je kalm per telefoon, floep! midden uit je werk. _Rrrrring!!_

Hij ’s veilig, dus waarom niet? En, krijgt ie ’t in z’n kop, _Rrrrring!!_ Dan belt ie op een goeien dag de Koningin eens op. _Rrrrring!!_

De telefoon verleert je Manieren en fatsoen, _Rrrrring!!_ Want op zoo’n grooten afstand hoef je niet beleefd te doen. _Rrrrring!!_

De zachtst-gezinde menschen, Zijn grof per telefoon, _Rrrrring!!_ Ze bijten bits hun woorden af, en vinnig klinkt hun toon. _Rrrrring!!_

Ik noem maar niet meer grieven — Vanwege plaatsgebrek, _Rrrrring!!_ Ik zwijg dus van het eeuwigdurend wachtwoord: „In gesprek!” _Rrrrring!!_

Ik zwijg ook van den toestand, Dien j’ elken dag doorleeft, _Rrrrring!!_ — Gott strafe ’t telefoongebroed! — dat juf geen aassem geeft. _Rrrrring!! Rrrrring!! Rrrrring!! Rrrrring!!_

Bah! — ’k Smijt den horen neder Op ’t toestel met een kwak...... Maar ’k hou mijn telefoon toch maar, want ’k _vin_ ’t een groot gemak.

8. OPGEMERKT.

Jubelrijm, met verzoek aan de Vaderlandsche sigarenfabrikanten.

„Vele kopstukken op elk gebied woonden de uitvoering van de leerlingen der Tooneelschool bij; onder de genoodigden merkten wij op —, —, —, —, —, —, —, en Charivarius.” _Tel._

Hiep, hiep, hoera! ’k ben „opgemerkt!” Ik ben tot „kei” verheven! Ik ben gesticht, gesteund, gesterkt, Als had ’k bij Kuyper-zelf gekerkt, Mijn vreugd is grensloos, onbeperkt, Ik voel mij opwaarts zweven, Als zonnevoog’len, goudgevlerkt, Naar witte wolkjes, blauw-omzwerkt...... En, lig ’k in ’t graf eens, zwaar-bezerkt, Dan heb ik niet voor niets gewerkt, Niet vrucht’loos was mijn leven!

Wat heb ik, arme, jaar en dag, Die glorie moeten derven! Waar ’k naamloos, — schoon ik zeggen mag; Van onberispelijk gedrag — (_Applaus van links; van rechts: =gelach=_) Door ’t leven rond moest zwerven. Wat zuchtte ik dikwijls wee en ach, In stille smart en zelf-beklag, Als ik mijn droevig lot voorzag, Om, zonder wimpel, zonder vlag, „Onopgemerkt” te sterven!

En thans......! Vertoon ’k me nu en dan In Flora, in Frascati, In Monico of in de Pan, In hoogen hoed en Astrakan,

Dan wijst ’t publiek mij steelswijs an, Zacht fluisterend: „Daar staat ie!” En slent’r ik, zonder doel of plan, Op straat — ik ben er zeker van, Dan kijkt men naar den grooten man, Die ruize-rijmen rijmen kan, En zegt: „Let op! Daar gaat ie!”

Ik ben nu bijna 50 jaar, Ik jaag niet meer naar baantjes; Geen maagd’lijn blank, en blond van haar Brengt d’ ouden man meer in gevaar Met lieven lach, met zoet gebaar, Met lonkjes of met traantjes; Nog één illuzie heb ik maar — O, fabrikant of handelaar, Wie maakt mijn heerlijk droombeeld waar? — _De geurige 10 cts. sigaar,_ _Merk: Charivariaantjes!_

9. STEMMINGSRIJM VAN DOOD EN LEVEN.

d’ Oude nicht is dan verscheiden. ’k Volgde in den stillen stoet. Met haar streven en haar strijden, Haar verdriet en haar verblijden, Haar beklagen, haar benijden, Is het nu gedaan. Voor goed.

Toen de menschen huistoe gingen, Heb ik nog eens nagedacht Over deze diepe dingen, Waar de Zieners zoo van zingen: — Zoete, zachte zegeningen! — Stervensmoed en Levenskracht.

Ik behoor niet tot de vromen — Twijfelmoedig is mijn aard; En ’t is, als ik liep te droomen, In de schaduw van de boomen, Dikwijls bij mij opgekomen: „Is het Leven ’t leven waard?”

Zie ze zwoegen; zie ze zweeten! Waarvoor maakt de mensch zich druk? Om te drinken? Om te eten? Moet Genot het einddoel heeten? Wordt het wijze woord vergeten: „Geld en goed is geen geluk?”

Wie zich schatten zoekt te gâren, Goud begeert en goud alleen, Goud in geld en goud in baren — Ach! hij zal het ras ervaren: Uren, dagen, maanden, jaren Vliegen als een schaduw heen!

Ach, wat baat ons al het vechten Voor het vrije Vaderland! Heeft ons ruige Ras zijn rechten? Of zal Macht het pleit beslechten? Knaap! zal knods of knoet ons knechten, Nu of nooit of naderhand?

„’k Zie de gele blâren vallen,” Zong ik al bij moeders schoot; En wij menschen storten allen Evenzoo, bij duizendtallen, Als de strijders op de wallen, Van het Leven in den Dood.

Toch — het weidsche wereldwonder Overstelpt mij keer op keer: — Mij, den dorren hypochonder! — ’s Avonds gaat de zon wel onder, Maar des morgens is de zon d’r, Wen de wolken wijken, weer.

Ja. Het Kwade en het Goede Blijven bij mekaar bestaan; Laat ons daarom blij te moede, Fier als prinsen van den bloede, Onder ’s hemels heilge hoede, Door de wondre Waereld gaan.

Niet te zuchten, niet te klagen, Maar te leven, onverveerd, Niet te zoeken, niet te vragen, Maar, het hoofd omhoog gedragen, Zóó den stoeren strijd te wagen — Dat heeft mij dit graf geleerd......

Weinig had mijn nicht geleden, — Stormloos was haar levenszee — Daarom, rustig en tevreden, Liep ik licht, met luchte schreden, En dan ook om deze reden: d’ Erfenis viel nog al mee.

10. DE TREINEN ZIJN OP TIJD.

Jubelzang, ter tijdelijke vervanging van het Volkslied.

„Een forens schrijft ons: De stroom van ingezonden stukken is gestremd, de golf van boosheid is gezakt. De treinen vertrekken weer op tijd. Ze komen weer op tijd aan.” — _Hbl._

Wien Neerlandsch bloed door d’ aadren vloeit, Van vreemde smetten vrij, Wie ’t eeuwige gezeur verfoeit Der Spoorwegmaatschappij, Hij stemm’, met mij vereend van zin, Vervuld van dankbaarheid, Geestdriftig dezen juichkreet in: De treinen zijn op tijd! (_bis_)

Geen ingezonden stukken meer, Sarcastisch, fel en bits, Wij hebben het vertrouwen weer In onzen spoorweggids. De cijfertjes, zij liegen niet, Maar geven zekerheid, Zoo klinke dan ons daavrend lied: De treinen zijn op tijd! (_bis_)

Wanneer de slaperige forens, Uit ’t zoele bed gejaagd, (Er is waarschijnlijk wel geen mensch, Die d’ arme niet beklaagt!) Niet langer uren op ’t station Moet wachten, bleek van nijd, Dan juicht hij, dansend op ’t perron: De treinen zijn op tijd! (_bis_)

En wie j’ ook met den trein verwacht, Wanneer j’ aan d’ „Uitgang” staat, Je vrouw, naar wie je hunkrend smacht, Je bruid, je broer, je maat, Je partner, je patroon, je klant, Je goedgezinde meid...... J’ hebt geen minuut te wachten, want De treinen zijn op tijd! (_bis_)

Het reizen wordt weer een genot, ’t Is niet meer als voorheen, Toen iedre „sneltrein” — bitt’re spot! — Een sloome boemel scheen. Wij komen aan op ’t juiste uur, Het treinwee zijn we kwijt, Hiep, hiep, hoera! voor ’t spoorbestuur, De treinen zijn op tijd! (_bis_)

11. HAZEN-RIJM.

Charivarius heeft elk jaar een hazendinertje. Deze keer droeg hij er ’t volgende Rijm voor. Misschien kan iemand dit vaers voor zoo’n gelegenheid, mutatis mutandis, gebruiken.

_Vergunt mij uw aandacht te vragen_ _Voor ’t volgend berijmde relaas,_ _Het is, wat ik voor heb gedragen_ _Op ’t jaarlijksch diner van den haas:_