Ruize-rijmen

Part 14

Chapter 143,622 wordsPublic domain

Bezing mij, Muze, thans den eersten grooten man, Waarop zich ons aloud geslacht verheffen kan! Wien Neêrlandsch bloed door d’ aadren vloeit, van vreemde smetten, En andr’ infecties vrij, en die gedwee ’s lands wetten, Al zijn ze soms wat mal, gehoorzaamt; hij, wiens borst (Zijn onbeklemde) gloeit voor Vaderland en Vorst — Die eere hem, die van den grooten kamp de ziel is; Het hoofd der Batavieren, _Claudius Civilis_. Van afkomst Batavier — Romein naar burgerrecht, Zag hij met afschuw hoe de landzaat werd geknecht. Want daartoe was het al in _Nero’s_ tijd gekomen; Gestadig was de onderdrukking toegenomen, De bondschap was ontaard in bitt’re slavernij...... Toen trad Civilis op. De redding was nabij. Maar, volgens ’t bijgeloof van die (en deze) dagen, Zocht hij de Vroede Vrouw, om haar advies te vragen. De zieneres _Velleda_ woonde op de hei, Waar zij planeten las, en werkte met het ei. Daar zien wij dan den held haar plaghut binnentreden, Wen zij verzonken zat in heidensche gebeden, Te midden van haar ganschen attributen-schat: De koffie en de kous, de kaarten en de kat. Maar nauwlijks zag zij den bezoeker binnenkomen, Of zij begon met radde tong hardop te droomen: „Gij krijgt een blonde vrouw; en kindren zonder tal; U wacht een verre reis; een zwarte vogel zal......” „Pardon, juffrouw,” viel Claudius haar in de rede, „Och, deelt u dat maar aan uw andre klanten mede. Het zal wel waar zijn, maar daar kom ik nu niet voor.” Toen fluisterde hij snel Velleda iets in ’t oor: Het was zijn eigen plan! Hij knipoogde veelzeggend, Toen zei ze ’t hardop na — kwansuis de kaarten leggend. Nu kon hij ’t volk verzeekren, met een schijn van recht: „Dat heeft de zieneres Velleda mij gezegd.” Zoo doe _ik_ met mijn arts, en ’k kan ’t u aanbevelen, Om met uw dokter ook dat spelletje te spelen: Eerst doe ik hem een lang en intressant verhaal Van de symptomen van mijn (ingebeelde) kwaal; Dan zeg ik zoo terloops, half in gedachten quasi, Bij voorbeeld: „’k Hou van runderlappen met spinazie......” Nu krabt mijn eskulaap zich even achter ’t oor, En schrijft mij runderlappen met spinazie voor.

DERDE ZANG.

BRINIO. — DE VOLKSVERGADERING IN HET HEILIGE WOUD. — DE INNEMING VAN CASTRA VETERA.

Geen mes of schaar, die ’t hoofd mij raakt, Eer ’t Vaderland is vrij gemaakt.

_Van Lennep._

Het plan van Claudius, waarin ik daar bleef steken, Zal ’k nu, met je verlof, beknoptelijk bespreken. Hij had in Rome deze wijsheid opgedaan, Dat eerlijkheid en oorlog kwalijk samengaan. Zoo kwam hij op ’t idee, zijn plannen te verdoezelen, Om met den vijand wat te kunnen blijven smoezelen; Aan Rome bleef hij trouw — dat is, hij hield zich zoo, En koos zich hier een strooman, zeekren _Brinio_, Den populairen leider der Kaninefaten, Een vurig patriot, gemaklijk om te praten. Vol moed op goed succes besteeg de held zijn ruin, En reed naar des konijnenvangers hut in ’t duin. Dan, nauwlijks is ’t gewichtig tweegesprek begonnen, Of Brinio is voor het stoute plan gewonnen. Geen wonder, dat ze ’t spoedig eens geworden zijn: Hij was _niet_, wat je noemt, een vurig pro-Romein! Het kwam er nu op aan, geen tijd meer te verliezen; En Brinio met spoed tot hoofd te laten kiezen. Een samenkomst van ’t volk werd ijlings voorbereid, In ’t woud, dat aan den dienst van Wodan was gewijd.

In ’t eeuwenoude Bosch, geweldig om t’ aanschouwen, Stroomt man en macht te saam, bij ’t schijnsel der flambouwen. De dierenhuid om ’t lijf, geschut door schild en speer, Zit men, in spanning, op de zodenbanken neer. De eeredienst begint. De stemming wordt onrustig. Het outer is gereed. De vlammen laaien lustig. In ’t wit gekleede priesters voeren geiten aan, En ’t offer wordt gebracht ter eere van de Maan. De rook trekt langzaam weg door ’t bladerdak der boomen, Maar nog is ’t oogenblik van spreken niet gekomen. Luid hoorngeschal verkondt een nieuwe plechtigheid: Een wit en smetloos kleed wordt op den grond gespreid; Een grijze wichlaar werpt de rijsjes, handig, kunstig...... Hij legt het teeken uit. Het blijkt, toevallig, gunstig. Nu vangt de maaltijd aan. Men vult de hoorns met bier, En ’t pleit der plechtigheid maakt plaats voor het plezier. Toen nam Civilis ’t woord voor zijn beroemde rede. Ik deel u, op verzoek, ’t voornaamste daaruit mede.

„O, mannen-broeders,” sprak hij, „luistert naar mijn woord! Bewaart het in uw ziel, en zegt het verder voort. Het zal er thans om gaan, een leider te verkiezen, Die u den kampstrijd kan doen winnen of verliezen. Hoort dus aandachtig toe, neemt straks een wijs besluit, En wie de orde stoort, die gaat er tusschen uit. Waar dat het hier om gaat, behoef ik niet te zeggen; Dat hoopt u Brinio zoo aanstonds uit te leggen: Het gaat er heden om, als één man pal te staan, En u, met Wodan’s hulp, te scharen om de vaan. Verscheidenheid van volk bewoont de lage landen, Maar, volgens Wodan’s wil, verknocht door hechte banden Aan de gewijde plek, waar onze wieg op stond, Waar eens ons graf zal staan — den vaderlandschen grond, Die thans bedreigd wordt door een volk met stalen helmen, Een Wodanloochnend ras van Thorvergeten schelmen! Het gaat, gelijk gezegd, om een vitaal belang, Het gaat om recht of macht, om vrijheid of om dwang. Kiest Brinio. Kiest hem. Nu stemme niemand tegen! Hij zal u redden, onder Thor’s onmisbren zegen. Een kerel uit één stuk. Geen werk is hem te zwaar; Hij knapt het voor u op; hij bokst het vóór-mekaar. Vergeet niet: ik geloof nog vast in de mirakelen, En ’k acht het niet toelaatbaar Wodan uit te schakelen; Vandaar dat ik mij tot een slaapster heb gewend: Velleda, en die is _premier_, gelijk bekend. „Zet alle twisten stop; strijdt schouder,” sprak z’ „aan schouder!” Kiest Brinio dan, want _ik_ word al een dagje ouder. Maar ’k zweer u, dat ik snor en baard zal laten staan, Totdat het ons gelukt den vijand te verslaan. Verkiest dus Brinio, er kome van, wat kome, En blijft getrouw aan uw parool: Thor straffe Rome!”

Hij zweeg. Een zilte traan ontweld’ aan menig oog. Toen stond de massa van haar zetels op, en toog Ter stem-urn, als één man. De stroom was niet te stremmen; En Brinio verkreeg op één na alle stemmen. Nu klom de nieuwe leider op een zodenbank, En sprak een enkel woord van welgemeenden dank. „Ik dank jelui beleefd,” sprak hij, „Kaninefaten, En andren, die mij koost uit al die kandidaten. Ik reken op u allen, dat gij pal zult staan; Ik hoop, dat gij begrijpt, waar om het thans zal gaan. Als wij, om Wodan’s wil, den reuzen strijd aanvaarden, Dan gaat het om de hoogste cultureele waarden; Dan gaat het niet om goed, dan gaat het niet om geld, Dan gaat het om te strijden tegen bruut geweld. Wij staan in ’t teeken van verpletterende tijden, Laat ons de handen dan in-een slaan om te strijden! Wat Claudius daar straks naar voren heeft gebracht, Dáár gaat het heden om; de vrijheid wordt verkracht, De zonen van hoogstaande, vooraanstaande mannen, Die worden momenteel gekneveld en verbannen, De dochters worden van de moeders losgescheurd, Haar waardevolste goed, haar reinheid, wordt besmeurd...... ’t Is onaanvechtbaar waar. Wie wenscht zich dan te passen Aan zoo’n mentaliteit? Maar — laat het water wassen, Het daghet in den Oosten, ’t leed heeft welhaast uit; Daar komt een nieuwe lente en een nieuw geluid! d’ Ontvoogdingsdrang begint beslist al door te dringen. Vanaf de laagste tot de allerhoogste kringen, Totdat, door het gevoel van die saamhoorigheid, d’Omvorming zich voltrekt, in ’t raam van onzen tijd. Het gaat hier om......” toen werd hij op een schild geheven, En van dien tijd dateert de term: „Lang zal die leven!” Toen werd er door de plakkers nog wat nagepraat, Wat eindigde met mot, zooals dat meestal gaat.

Zoo was ’t begin. Doch van den verdren gang van zaken Ben ik van plan me maar een beetje af te maken. Ik zwijg dus over Bonn, Maastricht, et cetera, En schets u slechts den val van _Castra Vetera_, Een machtig vestingwerk, beschut aan alle kanten Door wallen, meters dik. ’t Heet tegenwoordig _Xanten_. Civilis sloot het in, en eerst na langen tijd Verloren de Romeinen dezen heeten strijd: De honger noopte hen het eindlijk op te geven. Civilis stond hun toe om, met behoud van ’t leven, De vesting uit te gaan. Hij gaf zijn eerewoord, En toen zij buiten kwamen, werden zij vermoord. Zij smeekten: „Claudius!” Civilis stak geen hand uit; Hij was Oost-Indisch doof, en keek een andren kant uit. Toen klom de groote Leider boven op zijn paard, En draafde spoorslags naar zijn huiselijken haard. Maar vóóraleer zich tot de zijnen te begeven, Bezocht hij zijn barbier, en kwam terug clean-shaven.

VIERDE ZANG.

HET FRANKISCHE RIJK. — DE PREDIKING VAN HET CHRISTENDOM. — DE VERWANTSCHAP VAN HET ENGELSCH MET HET HOLLANDSCH. — KAREL DE GROOTE. — DE NOORMANNEN.

Een kikker zag een os, die rustig liep te grazen, Hij dacht: als ik het wil, dan word ik net zoo groot! En dad’lijk ving hij aan zijn lichaam op te blazen, Hij blaast en blaast — en barst, en vindt een vroegen dood.

_Aesopus._

Na ’t geen ik in het vorig hoofdstuk heb verhaald, Is de Romeinsche zon zoo-zoetjes-aan gedaald. Het trotsche volk verging door innerlijke voosheid, Door wufte weeldezin, door zond’ en zedeloosheid. Dan — ook een onverzadigbare dorst naar macht Heeft dit (en nog een ander!) rijk ten val gebracht. Zooals w’ in onze jeugd al bij Aesopus lazen: De kikker barst, die tot een os zich op wil blazen. — Ter plaatse waar ’t Romeinsch Paleis in d’ assche ligt, Wordt thans een nieuw gebouw door _Clovis_ opgericht: Het _Rijk der Franken_. Al de midden-volken kwamen, Als kiekens, onder deze groote kloekhen samen. Ook de Bataven gingen in dat rijk te loor; De Friezen niet. Die waren daar te koppig voor. Voorts woonden _Saksen_ hier. Aan Saksen, Friezen, Franken Heeft dus ons volk voornamelijk zijn bestaan te danken.

Al spoedig hebben, ter versterking van hun macht, De Franken-vorsten hier het Christendom gebracht. Dat ziet men tegenwoordig ook nog wel geschieden, Dat godsdienst wordt misbruikt door machtbeluste lieden. Vooral veel Anglen (_Wolfram_, _Bonifacius_) Getuigden hier; een soort „Salvation Army” dus. De Britten waren ’t steeds, die „vroom” en „goed” verwarden; Nog is in Engeland een Zondag niet te harden. Maar bij de Friezen vonden zij niet veel gehoor, Daar waren deze veel te linke jongens voor. De groote koning _Radboud_, een dier Friesche vorsten, Die allerminst naar des geloofs fonteinen dorstten, Was eindelijk bepraat door Wolfram, d’ Angelsaks, Een goed propagandist — dat zei ik al daar straks — Om in ’t gewijde water zich te laten doopen, En zoo den zegen van het Christendom te koopen. De koning stond ontkleed, de heeleboel was klaar, Toen stuitte men ineens op tweeërlei bezwaar: Vooreerst was, wat je wel begrijpen kunt, het bad koud, Maar dat was ’t ergste niet voor den geharden Radboud, Neen, ’t ergste was ’t bescheid, dat men den koning bood, Toen hij den priester vroeg: „Waar kom ik na mijn dood? Zal ’k bij mijn voorzaat zijn, die in Walhalla’s velden Vrij bier drinkt uit de schedels onzer doode helden?” — „Neen. Gij komt in den hemel. Zij zijn in de hel.” — „Dan zie ik er van af,” sprak Radboud, „dank je wel.” De doop ging dus niet door. En, ’k zeg ’t niet zonder blozen, Ik had in zijn plaats ook waarschijnlijk ’t bier verkozen. Een deel der Friezen ging, met Anglen, naar Brittanje. En namen ’t in bezit. Den Dietschen invloed kan je Nog merken, als je later vlijtig Engelsch leert. (De wisling is er nog, maar ’t gaat nu omgekeerd). Toen zijn er naamlijk woorden in die taal gekomen, Die zoo maar uit het Hollandsch over zijn genomen, Als _elf_ en _elk_ en _hem_, _die_, _toe_ en _doe_ en _deed_, En _redden_, _bulk_ en _veil_ en _punt_, _been_, _pink_ en _reed_, En _angel_, _made_, _mug_ en _gems_, _ruin_, _beer_, _big_, _ever_, En _brood_ en _room_ en _bier_ en _worst_ en _drop_ en _lever_, En _baker_, _dot_ en _kind_, en _baas_ en _vent_ en _rats_, En _last_ en _mud_ en _pond_ en _hoed_ en _pet_ en _pats_, En _stem_ en _rust_ en _rest_ en _nut_ en _beet_ en _gave_, En _bad_ en _arts_ en _links_ en _fat_ en _lap_ en _have_, En _dun_, _breed_, _stout_ en _slim_ en _rood_ en _glad_ en _vies_, Zoek zelf maar verder voort in WEBSTER en DE VRIES.

De grootste koning, uit ’t geslacht _Pepijn_ gesprote’, Was _Karel_, bijgenaamd — en zeer terecht — _de Groote_. Die slaagd’ er eindlijk in, de Friezen te verslaan; Toen dwong hij z’ — als geloovig Christen — in te gaan. De paus was zeer tevreden met den Christen-koning, En kroonde hem tot „Roomschen Keizer”, als belooning Tot viermaal toe is deze vorst getrouwd geweest; Je wrijft je oogen uit, wanneer je zooiets leest, Te meer, omdat hij verder uiterst matig leefde, Noch dobbelde, noch dronk, en steeds naar eenvoud streefde. De Roomsche Keizer heeft hier zeer veel goeds gewrocht. Veel scholen, die hij zelf van tijd tot tijd bezocht, Heeft Karel opgericht. Hij liet geleerden komen, Die werden in den hofkring gastvrij opgenomen. Zooiets gebeurt niet meer. Nu vindt men aan het Hof Slechts menschen _zonder_ aanleg voor het vak van prof. Hij leerd’ als grijsaard schrijven. Dat moet j’ in hem eeren; Ik ken scribenten, die het schrijven nimmer leeren. ’t _Leenstelsel_, dat al wel zoo ongeveer bestond, Gaf hij door strenge regelingen vaster grond. Dat stelsel heeft men nog — alleen in andren zin: Valt een minister soms een nieuw ideetje in, Dan vraagt hij niet (wat moest, naar mijn bescheiden meening) Is ’t ook misschien te duur? Och neen — hij sluit een leening. De Keizer kleedde zich eenvoudig, elegant, Maar lang zoo weeldrig niet als nu de burgerstand, Wanneer zijn staatswerk hem ’n beetje ging vervelen, Ging hij met _Elegast_ gezellig wat uit stelen. Dit vorstelijk vermaak heeft nog zeer lang bestaan, En vele heerschers hebben ’t Karel nagedaan.

Nu moet ik aan het slot in droeven klank bezingen De gruweldaden, die de _Noren_ hier begingen. Uit Scandinavië kwam deze woeste bent, Al plundrend, brandend, roovend, moordend, zonder end. Hun _Vikings_ leidden deze niets-ontziende krijgers, Zij teisterden ons land, bloeddorstiger dan tijgers. ’t Was ijslijk. En je denkt, wanneer je daarvan leest: Wat was dàt _schit’rend_ voor de bioskoop geweest. _Godfried de Noorman_, door den vorst tot graaf verheven, Bezorgde d’ armen Friezen een verschriklijk leven. Hij gaf hun, na een opstand, elk een eigen strop, Te dragen om den nek; toen pasten zij wel op! Want iedereen begreep, als hij maar even stout was, Dat hij er in een minimum van tijd om koud was. En nog loopt menig stervling, tot zijn staag verdriet, Met zulk een strop bekneld, ofschoon men ’t touw niet ziet. Bij _Leuven_ zijn de Noren eindelijk verslagen. Die stad zag nòg een keer zoo’n bende, in later dagen......

VIJFDE ZANG.

HET GRAAFSCHAP HOLLAND. — DIRK I, DIRK II, DIRK III, ENZ. — DE KRUISTOCHTEN. — PETER DE HERMIET. — DE TOCHT NAAR DAMIATE.

’t Waren donkre, droeve dagen, Nimmer vrij van oorlogsplagen, ’t Was krakeelen keer op keer Tusschen Bisschop, Graaf en Heer.

_van Lennep._

Nu spreidt een droef tafreel zich voor mijn blikken uit, En klagelijke klanken klinken van mijn luit. Het was een tijd van twisten, ijverzucht en veeten, Waarin haast alle helden Dirk of Willem heetten, Vandaar de nationale plaag: het dirkenwee, Daar kwelt elk onderwijzer elken leerling mee, Want al die Dirken dient hij op te kunnen noemen Met zijn regeeringstijd, en wie zich kan beroemen, Ze allen, zonder in zijn boek te hoeven zien, Vlot op te kunnen dreunen, krijgt van meester _tien_. Zoo leert de jeugd al vroeg zijn schooltijd te verknoeien, En de Geschiedenis hartgrondig te verfoeien. Het Graafschap Holland dan, waarvan ik heden dicht, Schoon ’t door den koning van de Franken was gesticht, Werd spoedig Duitsch gebied — ik kan het niet ontkennen; Men zal aan dat idee een beetje moeten wennen, Wanneer men — dat komt voor! — de Duitsche heerschzucht haat, Iets waarvoor evenwel geen reden meer bestaat, Want Duitschland is veranderd in den loop der tijden; Nu is de Duitscher heel gematigd en bescheiden. En als men de Mémoires van d’ ex-Kroonprins leest, Dan ziet men, dat als hij maar Keizer was geweest, Hij wel iets op de moeilijkheden had verzonnen, En vast den oorlog had verhinderd en gewonnen. De eerste Dirk, door keizer Karel aangesteld, Was graaf — dat ’s alles wat de faam van hem vermeldt. Nog heden zijn er graven, die noch slecht, noch braaf zijn, Noch dom, noch slim, noch sloom, noch vlug — alleen maar graaf zijn. Een kroontje op hun kaartje zegt: Mijn bloed is blauw! Iets wat je zonder dat misschien niet merken zou. De tweede...... neen, niet alle breng ik hier te berde, Ik deel u slechts wat mee van één nog: Dirk de Derde, Hij hief, waar later Dordrecht werd gesticht, een tol, En stal, tot schâ des handels, zich den buidel vol. Ten slotte heeft hij, opdat God hem zou vergeven, Van zijn gestolen geld een bedevaart bedreven. Dat deed men toen wel meer; van godsdienstvuur ontbrand, Trok men, ten zoen voor zonde, naar het Heilig Land. Tot zoen der zonde! Ja, maar waarom ’t hier verzwegen? Kwam naderhand zoo’n held een aardig meisje tegen, Dan bleek het vrome middel dikwijls niet afdoend, En werd er weer opnieuw gezondigd en gezoend. Toen evenwel de Turken deze streek bezetten, Begonnen zij die bedevaarten te beletten, De pelgrims werden vrij hardhandig aangepakt, En, spartelden zij tegen, in de pan gehakt. Maar Peter de Hermiet, een kluizenaar uit Frankrijk, Verhief zijn sterke stem, hartstochtelijk en klankrijk, En wekte op ten strijd. Hij trok van stad tot stad, En predikte, terwijl hij op een ezel zat, Den oorlog aan den Turk. De Paus was hem genegen, En schonk den ijveraar zijn herderlijken zegen: De hoorige, die deelnam aan zoo’n tocht, werd vrij. De slaven waren er dus als de kippen bij, Want niet slechts na zijn dood zou men zijn heil bekomen, Maar dadelijk, dus dat was altijd meegenomen. De ridders stroomden toe op Peter’s vrome stem, Zij mochten wel zoo’n tochtje naar Jerusalem, Want dom en dapper zaten z’ op hun burcht te mokken, Verveelden zich er dood, en waren gek op knokken.

Hoewel ’k mijn zang niet noodeloos verlengen wil, Sta ik bij één dier tochten toch nog even stil. Die amuseerde mij als kind al uitermate, Ik heb hier op het oog de tocht naar Damiate. Die stad lag aan den Nijl, en aan den overkant Bevond zich een kasteel, versterkt en goed bemand. Ook Damiate had een krachtige bezetting, En stad en burcht verbond een sterke stalen ketting. Graaf Willem trok vol moed naar Damiate heen, Om het t’ ontrukken aan den fellen Saraceen, Maar de belegerden verweerden zich hardnekkig, En ’t aanvalsmateriaal was blijkbaar te gebrekkig. Totdat het scherp vernuft van den belegeraar Twee mooie vondsten deed. Toen was het zaakje klaar. De eerste was een op twee schepen staande toren, De tweede een galjoen met groote zaag van voren; Zoo werd de vijand uit zijn hoog kasteel verjaagd, En tegelijkertijd de ketting doorgezaagd. Nog luidt men in de kerk te Haarlem „damiaatjes,” Naar ’t heet geroofd van daar. Maar wellicht zijn dat praatjes, Want in dit opzicht zijn de meeningen verdeeld, Maar niet op ’t punt, dat dat geklep vervloekt verveelt.

En opdat _gij_ u niet vervelen zult, al lezend, Leg ’k hier de vulpen neer, en eindig. Cet’ra desunt.

X. ALLERLEI.

1. MEI-RIJM.

„Im wunderschönen Monat Mai......”

Het hoort er zoo bij, Dat je dweept met de Mei, Als de blaadjes en bloemetjes botten; De vogeltjes blij, Leggen ijlings een ei, En de koetjes zijn vrij In de groenende wei, Waar de veulentjes vroolijk ravotten.

Het lammetje blaat, En de nachtegaal slaat, Terwijl zelfs de kooivink zich vrij waant; En ’s avonds nog laat Staat de meid met d’r maat In gezellig gepraat Op de hoek van de straat — Dat is alles ter eer van de Meimaand.

De habitués Zitten voor de cafés Te drinken, te leuteren, en te Bespreken vol vrees, Of vol hoop, match of race; En nu wijken diners Voor de tennisclub-thés — Dat is alles ter eer van de Lente.

De comedies zijn dicht: Het is veel te lang licht, En de menschen verlangen naar buiten; Zelfs de man van gewicht Zet een vroolijk gezicht, Als hij blijde zijn plicht En zijn dagtaak verricht, En ik heb zelfs een prof hooren fluiten!

Elk poëet in den dop Slaat de Mei in den kop, Nu kan zich geen dichter bedwingen, Want zijn vreugd stijgt ten top, En de pen neemt hij op, En de bloem in den knop, En de rups in de pop, En dat alles dat moet hij bezingen.

Maar _ik_ denk dan maar: ’k Ben geen dichter, niet waar? Gelukkig de man die het _niet_ is! — Ja, de Meimaand is daar, En de Lente staat klaar, Maar het weer doet zoo raar, En je keel loopt gevaar, En ’t is nu net de tijd voor bronchitis.

Ik zet nu geen voet Buitenshuis, als ’t niet moet, Zonder jas — neen, daar waag ’k het niet graag op! Want de Meimaand is zoet, Maar bedenk wat je doet, Want het weer is nu goed Voor je panamahoed, En je winterjas — dicht! — met de kraag op!

2. DE POST-STAKING.

Bede van een zakenman aan de Post.

Ik heb een flink en net kantoor, Waar ’k ijvrig werk, voor vrouw en kindren. Vermaak is goed — maar ’t werk gaat voor! dat ’s _mijn_ devies. En ’k leer ’t mijn mindren.

Ik doe mijn plicht, al zeg ’k het zelf, Ik ben geen enklen dag afwezig, Ik kom niet om een uur of elf — Om kwart voor negen ben ’k al bezig.

De zaken lopen reedlijk goed, Zoo alles door mekaar genomen; Hoewel ’k me wat bekrimpen moet, Ik kan er door-de-bank wel komen.

Mijn dagtaak zelf bevalt me zeer, En, hoor ’k de klok van twaalven klinken, Dan leg ’k voldaan mijn vulpen neer, En ga tevreden koffiedrinken.

Daar ’s maar één ding in mijn bestaan, Dat mij mijn sterven zal vervroegen; — O, mensch, wees met mijn lot begaan! — De _brievenberg_, dien ’k door moet zwoegen...