Part 13
Daedalus, wereldberoemd, toen hij eenmaal den Doolhof gebouwd had, alom met eere genoemd door wie ’t kunstige wonder aanschouwd had, vlug en vernuftig van geest, de bekwaamste van Griekenland’s mannen, juist door zijn kunde gevreesd — was door Minos naar Creta verbannen, Droef zit de banneling, daar, van zijn vaderland verre, te zuchten, peinzend: hoe speel ik ’t klaar om dit straf-oord van Minos t’ ontvluchten! „_Hij_ heeft het water, het land, (hm! ik ook!)” zoo denkt Daedalus dikkels; „_Ik_ heb de lucht, en ’t verstand!” en zijn heimwee, die sterkste der prikkels, brengt hem een plan voor den geest. Door het onrecht nog hevig verbolgen, zint hij, beducht noch bevreesd, de natuur van de vogels te volgen. Nu komt zijn kunde te pas! hij vervaardigt van vederen vlerken, lijmt z’ aan de leden met was, en erlangt zoo het loon voor zijn werken. Zie, daar verheft hij zich al om zijn vlieg-apparaat te probeeren; (’t Is maar een proef, voor ’t geval dat er soms nog iets aan mocht mankeeren.) Icarus, Daedalus’ zoon, ziet hem gaan, en komt stralende nader. „O!” roept hij uit, „dat is schoon! maak mij ook van die vleugelen, vader!” Daedalus draalt in ’t begin, maar, (men weet het, zoo zijn eenmaal ouders) geeft hem ten slotte zijn zin, en dan smeert hij het was op zijn schouders, hecht er de vleugelen aan, maar vermaant hem voorzichtig te wezen. Steelsgewijs pinkt hij een traan, en dan denkt hij, met heimelijk vreezen: Deed ik wat plicht mij gebiedt, ’k gaf het heele plan op, en ik bleef hier...... Lang duurt de weifeling niet, en hij zeilt op de zucht van den zephir zalig in ’s Blaue hinein, en geen macht houdt den vliedende tegen! Icarus, dapper en klein, is al recht in de hoogte gestegen. ’t Boertje op ’t land aan de ploeg, die ze ziet, bij het spitten der zoden, mompelt: „Ik weet al genoeg; die twee vliegers daar ginder zijn goden!” Icarus, jeugdige dwaas! overmoedige, die geen gevaar schuwt, slaat er geen acht op, helaas! hoe de vader hem vliegende waarschuwt: „Icarus, Icarus, kom! Toe, niet hooger! Vlieg net even laag als ik het doe! Wees niet zoo dom! Daar gebeurt nog een ongeluk, waaghals!” Alles vergeefs. Wee! zijn zucht om steeds hooger en hooger te zweven, blij door de blauwende lucht, kost den jongen vermeetle het leven. Zwaar treft den strever de straf: zie, de zon smelt het was... Even later vallen de vleugelen af — en hij stort met een kreet in het water! Daedalus is al aan wal en hij kijkt er, ontzet, van de ree naar...... Zoo was dan Icarus’ val; daar heet nu nog d’ _Icarische zee_ naar. ........................................ d’ Aviatiek staat nog zwak, ook al vordert de kunst wonderbaarlijk: Kies maar een veiliger vak, want het vliegen blijft altijd gevaarlijk.
7. PYRAMUS EN THISBE.
Pyramus en Thisbe, zij, de lieflijkste onder de vrouwen, vurig en jong alle twee, spraken af met elkander te trouwen. Jammer genoeg voor het paar — of een „paar” mocht het dus nog niet heeten — maakten de ouders bezwaar, want die wilden van vrijen niet weten. Vruchtloos der kindren geween! en tot overmaat nog van hun lijden waren zij buren, alleen door een muur van elkander gescheiden. Dicht bij elkaar, en toch ver! In de muur was geen poort of geen deurtje, maar...... als een lichtende ster in den nacht scheen hun eenmaal een scheurtje, ergens verborgen in ’t groen, groot genoeg voor ’t verliefde gefluister, maar net te klein voor een zoen. Hier nu dweepten zij dikwijls in ’t duister. En om het blakende vuur hunner heimlijke liefde te blusschen, drukten zij elk op den muur bij het kiertje de klappendste kussen. O, dat gehate verbod! Is me dat een manier om te vrijen? ’t Is maar een matig genot dat gezoen op die ijskoude keien! Eindlijk verwint zij haar schroom; hoor de schalken het schema beramen: „Onder den moerbeienboom, vlak bij Ninus’ graf, komen wij samen!” „Goed!” — Zoo gezegd zoo gedaan. Zie nu Thisbe ontsnappen... daar gaat ze... Zacht, bij het schijnsel der maan, sluipt ze voort, en is tijdig ter plaatse. Alles rondom ligt in droom; geen gevaar is in ’t duister te duchten. Hier is de moerbeienboom; hagelblank zijn de volrijpe vruchten. Plotsling verbleekt haar gelaat: een leeuwin ziet zij dreigend genaken, vlak bij de plaats waar ze staat, met van runderbloed druipende kaken! Snel, voor haar leven beducht, is nu Thisbe een grot in gekropen, maar, in haar angstige vlucht daar ontslipt haar de sluier bij ’t loopen. Dezen verscheurt de leeuwin, en, teleurgesteld, langer niet wachtend, gaat zij de bosschen weer in, de nu bloedige flarden verachtend. Pyramus komt. — Ach! het rood van den sluier, en ’t poot-merk in d’ aarde zeggen hem: Thisbe is dood! — Heeft het leven voor hem nu nog waarde? Neen. Hij doorsteekt met het staal zich de borst in die droevigste stonde, rukt het weer uit, en een straal spuit omhoog uit de kokende wonde.
Thisbe, verheugd, dat het lot haar den dood der verscheuring bespaarde, sluipt, nog bedeesd, uit den grot...... ziet den bloedigen jongling ter aarde... werpt zich op ’t lijk met een gil...... heft den dolk op, en rukt zich de tressen — „Boom!” krijt zij, „gij, die daar stil, overladen met sneeuwwitte bessen, staat, als getuige der smart, moog’ uw vrucht, als een blijk onzer pijnen, voortaan in ’t klaaglijke zwart van den rouw voor de menschheid verschijnen!” ’t Boezemblank bloedig bespet, zinkt zij neer, zich uit liefde vermoordend. Dat was haar laatste gebed — en genadige goden verhoorden ’t. ........................................ Als je knus moerbeien eet, zal je meestal wel ver van de smart zijn; toch is het goed dat je weet hoe het komt, dat die vruchten zoo zwart zijn.
8. PHILEMON EN BAUCIS.
Jupiter — alias Zeus — met god Hermes, vermomd als mortalen, zochten een veilig tehuis op een zwerftocht door Phrygië’s dalen. Iedere deur was op slot; zij beproefden aan honderden huizen — overal vingen zij bot, tot zij klopten aan ’t kleinste der kluizen. Daar, voor zijn jaren nog vlug, woont Philemon, de grijsaard, en Baucis, grauw, en gebogen van rug, dus je hoeft niet te vragen hoe oud z’ is! Teeder beminde hij haar; en van ouds, door de liefde verbonden, woont er het waardige paar, zonder geld, zonder goed — zonder zonden. Daar, in die schamele hut, met wat riet overdekt en wat zoden, zwak en bouwvallig gestut, wordt den zwervers gastvrijheid geboden. Snel zoekt Philemon een bank voor de gaste’ in een donkeren hoek op; knoestig en hard is de plank, maar de vrouw legt er dalijk een doek op. Zij blaast het smeulende vuur tot de vlammen al lekken en laaien, hij haalt het spek uit de schuur. en het bestje begint het te braaien. Spoedig is alles gereed, en als Baucis de tafel gaat dekken, — proper, maar oud is het kleed — kort Philemon den tijd met gesprekken. En, daar één poot van den disch, door den ouderdom wankel geworde’, korter dan d’ anderen is, maakt hij dat met een potscherf in orde. Baucis brengt wat ze bezit; in de kast mag geen kruimeltje blijven: eieren, goudgeel en wit, kaas en brood, en Minerva’s olijven. Knus in een mandje van riet ligt de noot bij de rijpe kornoelje — Weelde die vin je daar niet, maar het _hart_ is zoo goed. En dat voel je. Dan nog een appel, een peer, voor dessert een beschuitje met honing; aardbeien zijn er niet meer, maar wel druiven. Tot slot en bekroning komt er nog wijn. Maar o schrik! toen zij schonken, den gasten tot hulde, zag hun verstarrende blik dat de kan zich van zelve weer vulde! Biddende zijgen zij neer; ja, nu zien ze ’t de gasten zijn goden! „Straft ons, o goôn, niet te zeer voor het schamele maal dat wij boden!” stamelt Philemon, en thans gaat hij gauw in de gaarde daar achter ’t offerdier grijpen: een gans die zij hielden bij huis, als een wachter. Vlug vliegt de vogel bevreesd in de hut, en zoekt heul bij de goden; deze beschermen het beest en verbieden den man het te dooden. „Braven!” zoo zeggen de goôn, „onze gunst hebt gij weten te werven; spreekt! wat verlangt gij als loon? Uw nabuurschap zal smadelijk sterven!” „Dat g’ ons uw dienaren maakt,” zegt Philemon, „en ’t zij ons gegeven, dat, als het einde genaakt, wij malkanderen niet overleven!” Zoo is geschied. In een poel ligt de bodem der buren verzonken; d’ oudjes bereiken hun doel, want het priesterschap wordt hun geschonken. d’ Arme, bouwvallige kluis, riet-bedekt en met ranken omlooverd, wordt op een teeken van Zeus in een statigen tempel vertooverd. Jaren nog dienden zij daar als de priesters in Jupiter’s tempel.
Eens op een dag stond het paar voor den dienst op den heiligen drempel, toen zij bemerkten, dat plots aan hun lichamen takken ontsproten; dit was de gave des gods en het loon voor de goede genooten: Godes genadig bestel, dat hun einde gelijk zoude komen. Zwak klonk het tweemaal: „Vaarwel......!” Toen veranderden beiden in boomen. ........................................ Schriel zijn is slecht, maar ook dom; geef je gasten dus volop te eten. ’k Zeg het niet erregens om, maar enfin, hè, je kunt toch nooit weten...
9. PHAETON.
Phaëton, Clymene’s zoon, kreeg van Epaphus telkens te hooren, — mokkend verkroppend den hoon — dat hij niet uit een god was geboren. Clymene klaagt hij zijn leed, en hij smeekt haar: „Verklaar het mij nader, moeder, bewijs wat gij weet! Is het waar, is Apollo mijn vader?” „Ga naar het Zonnepaleis,” was het antwoord, „leg Sol zelf de vraag voor. ’t Is mij wat moeilijk, die reis, anders ging ’k met je mee, jongen — graag hoor!”
’t Prachtig paleis van den vorst prijkt in pralenden pronk in den hoogen; ’t dak van kolommen getorst, diamanten en goud aan de bogen. Mulciber zelf had de poort van het zuivere zilver gedreven: ’t zwerk, waar de zonne van gloort, en het land, van de zeeën omgeven.
Schuchter, met wankelen voet, nadert Phaëton — zal hij het wagen? Nauwelijks kan hij den gloed, de verblindende schitring verdragen. Daar, op den goudenen troon, zit de god van de laaiende lichten, stralende, schitterend schoon, om het voorhoofd de vurige schichten. Rondom hem heen staat zijn schaar satellieten, gecierd van festoenen: ’t Uur en de Dag en het Jaar; naast de Maand en de Eeuw, de Seizoenen.
„Phaëton!” zegt hij verbaasd, „wat verlangt ge? Wees welkom, treed nader!” Dalijk, in koortsigen haast, roept de knaap: „O, bewijs mij, mijn vader, dat ik uw zoon ben!” — „Ik zweer ’t!” antwoordt Phoebus, „en ’k geef — ten bewijze — Phaëton, wat ge begeert!” „O, zoo moog ik een enkele reize, mennen uw vurige span......” en de vader ten diepste verslagen, dat hij niet weigeren kan, brengt zijn telg naar den vlammenden wagen, balsemt hem lijf en gelaat, dat de gloed ze niet moge verbranden, en, na veel woorden van raad, legt de teugels den knaap in de handen.
Snel, op des Zonnegods woord, dat het wonder des dags ga geschieden, opent Aurora de poort, en de Starren verbleeken, en vlieden. Phaëton’s hand is onvast, en het vierspan, gehoefd en gevleugeld, vliegt met den veerlichten last door het zwerk, noch geleid, noch beteugeld. Voort! nu eens scheef, dan weer recht gaan de rossen, die nimmer vermoeid zijn, hooger, en laag — en men zegt, dat de Mooren er zwart door geschroeid zijn.
Heviger blakert de gloed, dien geen sterveling meer kan verdragen; vuur blaast het vierspan verwoed, en de vlammen slaan hoog uit den wagen. Eindelijk, hijgend en heet, stort de knaap, wien de teugels ontgleden, met een ontzettenden kreet, half verzengd en ontzield naar beneden. ’t Vlammende haar om het hoofd leek het licht van een vallende sterre, plots in de ruimte gedoofd — en hij viel, van zijn vaderland verre. ’t Lichaam, met roetstof bedekt, werd, met geurende bloemen beladen, zacht in de groeve gestrekt door de weenende Weste-Najaden. ........................................ Streng was des jongelings straf; en nu kun je van Phaëton leeren: ben j’ al van hooge komaf, daarom kun je maar zóó niet chauffeeren.
IX. GESCHIEDENIS DES VADERLANDS.
(_Fragment_)
EERSTE ZANG.
DE KOMST DER BATAVIEREN. — ZEDEN EN GEWOONTEN. — GODSDIENST.
Verzot op jacht en spel, maar wakker en rechtschapen, Aan woord en vriendschap trouw, geducht in ’t oorlogswapen, En Rome’s achting waard was Fries en Batavier. Met recht is ’t nageslacht op zulk een herkomst fier.
_Van Lennep._
O, jeugd van Nederland! Door burgerzin gedreven Heb ik dit heldendicht om uwentwil geschreven. Het fraaist geschenk, wellicht, dat u te bieden is: Een rijmenrijk relaas van ’s Lands Geschiedenis. Mocht soms een stille lach uw jonge lippen krullen, Mocht soms een enkle traan tersluik uw ooghoek vullen — Het zij zoo. ’t Zou me niet verbazen. Want ik weet: Niets treft ons dieper dan der Vaadren Lief en Leed. Voorzeker is dit vaers voor kinderen geschreven: ’t Verleden hoort aan hen, die in de Toekomst leven; Maar wellicht geeft het soms ook iets voor hart en hoofd Aan hem, die niet meer aan den ooievaar gelooft. Aanschouwt dan ’t bont tafreel, dat ik u voor zal leggen! En als het je verveelt, dan mag je ’t eerlijk zeggen.
In overoude tijden zag ons grondgebied Er anders uit dan nu. Zoo was er toen nog niet Die groote zilte plas, de _Zuiderzee_ geheeten; Daar was het _Flevo-meer_. Zooals je wel zult weten, Bestaat er kans dat deze toestand wordt hersteld; Een dure karrewei; enfin, de Staat heeft geld. In Duitschland, ver in Hessen, woonde ’t volk der _Katten_, Die, door den buur getergd, ’t wanhopig plan opvatten Te wijken voor de macht. Zij hollen boomen uit; Zoo maakt zich elk in haast een primitieve schuit, Om in zoo’n hollen stam den _Rijnstroom_ af te zakken. Zij hadden roer noch zeil; zij stuwden zich met takken. En wie niet mee mocht zakken in een hollen boom, Staat daar in wanhoop aan den oever van den stroom; Hij ziet zijn makkers gaan, en voelt een droef verlangen Om zich aan een niet-hollen boomstam op te hangen. Zoo zakken zij in holle boomen naar ons land. Hier woont de _Marezaat_, de _Fries_ en de _Tubant_, En ’t volk, dat geen konijn in ’t duin met rust kan laten, Dat blijkt wel uit hun naam — nietwaar? — „_Kaninefaten_.” De holleboomers zochten ’t centrum. Toen ontstond De naam van: _Batavier_ (_Bat ouwe_, „goede grond.”) ’t Is mijn gewoonte niet, adviezen op te dringen, Maar ik had ze genoemd: de _Holleboomelingen_. Het juiste jaartal is natuurlijk niet bekend; ’t Moet 100 Jaar v. C. zijn, of daaromtrent. Nu. Al die volken waren eigenlijk _Germanen_, (Wat heel wat anders is dan _Duitsche onderdanen_!) Hun haar was blond, hun oogen blauw, hun tanden wit, Want koekjes noch tabak bedierven hun gebit. De oudren hulden zich in wildebeesten-vellen, Wasch-echt en weinig sleetsch, gemaklijk te verstellen; Die werden aan den hals met doornen vastgehaakt; De jeugd liep, net als nu de dames dikwijls, naakt. Hun hutten bouwden zij op _woerden_ of op _terpen_. Hun sport — goddank geen voetbal — was het speren werpen. Veel heeft men heden nog, maar ’t ging toen minder grof; Zij reden niemand dood, en spreidden stank noch stof. Voorts had men ’t zwemvermaak, het worstlen en het rijden, Het klimmen in den boom, en ’s winters ’t baantje glijden. Zij leefden van de jacht en van de visscherij, En verder at men honig, fruit, en gerstebrij. Hun drank was _mede_ of bier. Ja, ons gebruik van bieren Dateert nog uit den tijd der oude Batavieren. Het was een moedig ras, zoo eerelijk als goud, Maar dol op dobbelen — een nog bestaande fout. Hun eens gegeven woord, daar kon je op vertrouwen. Ze gingen wel eens uit, maar nooit met rare vrouwen. De vaderlijke macht was onbeperkt. Maar, ja — ’k Vind _onze_ kinderen veel te vrij met hun papa. De Batavier was te beschaafd om zelf te werken; Wie werkte, was: de _slaaf_. En hieruit kun je merken, Hoe naam en daad veranderd zijn op dit gebied, Want _werkman_ heet hij nu, en _werken_ doet hij niet. De taak in huis werd door de vrouwen waargenomen — Daar moet je bij de dames _nu_ maar eens om komen! De dooden werden steeds op stapels hout verbrand: Aan wurmen voeren had de Batavier het land. Door al die volken werd het _Heidendom_ beleden; Toch was er net zooveel schijnheiligheid als heden. De oppergod was _Wodan_, sterk, maar zacht van zin, En verder _Donar_ (zoon), en _Freya_ (gemalin), Waarvan men _Donder-dag_ en _Vrij-dag_ af moet leien; Dus niet, zooals je dacht, van _donderen_ en van _vrijen_. _Walhalla_ heette ’t hemelrijk, waar ook de mensch Kwam leven na den dood. Hij had het daar naar wensch, Want daar zat men zich niet bij harpspel te vervelen, Maar dronk men lekker, ijskoud bier uit bekkeneelen.
TWEEDE ZANG.
DE ROMEINEN HIER TE LANDE. — HUN INVLOED OP ONZE TAAL EN BESCHAVING. — CLAUDIUS CIVILIS. — VELLEDA.
De grijze wichlares verstaat meer duistre dingen Dan d’allerkundigste der nuchtre stervelingen.
_Vermaes._
Zoo had ons voorgeslacht geruimen tijd geleefd, Als een gelukkig volk, dat geen historie heeft, Toen van het zoele Zuid een onweer van cohorten Zich over deze lage landen uit kwam storten. En leert nu uit den worstelstrijd met den Romein Hoe, naar ’t bekende woord, een klein volk groot kan zijn.
Laat ik u eerst wat van ’t Romeinsche volk verhalen. Zij vonden, met de Grieken, uit de doode talen. Een goede daad. Want hadden zij dit niet gedaan, Dan zou er hier geen één gymnasium bestaan. En d’ invloed van ’t Latijn, dien kan, mijn jonge vrinden, Wie niet goed oppast, aan den lijve ondervinden; Want wie de fout begaat van lazarus te zijn, En op zijn canis krijgt, die dankt dat aan ’t Latijn. ’t Latijn verschafte ons _musea’s_, _gladiolussen_, _Dilemna_ — neen, dat ’s Grieksch, maar _petroleum_, _bolussen_. Ook eigennamen: _Manus_, _Ita_, _Lex_, _Margo_, _Six_, _De Miranda_, _Nolens_, _Da_, _Mulier_, _Cato_. Voorts _ei_ en _flens_ en _mors_, en _nat_ en _net_ en _nare_, En _post_ en _das_ en _vult_ en _rem_ en _reus_ en _mare_, En _dans_, en _glans_, _patent_, en _de_, _die_, _dat_, en _sta_, En _kwibus_, _tot_, _voluit_, en _fluit_ en _opera_. Romeinen waren redenaars, strategen, dichters, En van de Rechtsgeleerdheid waren zij de stichters. Maar bovenal in krijgskunst toonden zij hun kracht, En onderwierpen vele volken aan hun macht. Doch _Caesar_, keizer, generaal en groot geleerde, Bedacht een plan, dat hem en onzen voorzaat eerde: Hij onderwierp hem niet, maar door een hecht verdrag Verkreeg hij hier, in naam der vriendschap, groot gezag. En zelfs in Caesar’s eigen lijfwacht opgenomen, Was Fries en Batavier als kind in huis te Rome. Maar Rome was een stad vol ongerechtigheid, Waar onze jeugd tot heel veel leelijks werd verleid, Maar als ’k dat in den breede wilde demonstreeren, Dan schreef ik boven dezen Zang „Alleen voor Heeren.” Het is mij liever, dat uw oordeel wordt verzacht, Dies wijs ’k op _’t goede_, dat ons Rome heeft gebracht. Zij bouwden vestingen, en maakten mooie wegen, Zoo hard als adamant, zelfs na den zwaarsten regen. Kanalen groeven zij, zoo als de _Drusus-gracht_, Die _Drusus_ maakte — dus de naam was goed bedacht. — Maar eindelijk begon de band toch wat te knellen; En wat er toen gebeurde, zal ik je vertellen. De Friezen gaven ’t sein; maar ’t is hun niet gelukt: Hun opstand is door _Corbulo_ snel onderdrukt. Edoch, het smeulend vuur blijft onder d’ assche gloeien; Wanneer het onweer wegtrekt, gaat de hooiberg broeien......