Ruize-rijmen

Part 12

Chapter 123,075 wordsPublic domain

Een oud heertje hoorde ’t leven, Keek hem medelijdend aan, Gaf hem geld, en vroeg nog even: „Waar is ’t beest aan doodgegaan?”

„Ach,” zei Pat, nog schor en heezig, Schoon zijn smarte was verzacht, „_’t Varken werd zoo vet en vleezig,_ _Da’ ’k het beest maar heb geslacht._”

11.

Pat zou van zijn grootje erven; Dat kwam Patrik goed te pas, Hij kreeg alles bij d’r sterven, „Als hij vriendlijk voor ze was.”

Eens zat grootje voor de ruiten, Peinzend over dood en graf; Pat passeert toevallig buiten, Kijkt, maar neemt zijn hoed niet af.

„Man, daar zal je nog voor boeten!” Zei een vriend. Maar Pat zei: „_Zot!_ _Waarom zou ik grootje groeten,_ _Die zoo doof is als een pot?_”

12.

Pat, die waren wou verkoopen, Ook een doodshoofd, groezlig geel, Riep tot ’t volk, dat aan kwam loopen: „_Dit is Cromwell’s bekkeneel!_”

„Lieg toch niet zoo valsch, hou op, man!” Zei een boer, die slim wou zijn, „Cromwell had een grooten kop, man, En dit bekkeneel is klein.”

Patrik riep, van woede groen: „Die Praatjes komen niet te pas! _Dit is Cromwell’s schedel, toen die_ _Nog een kleine jongen was!_”

13.

Door een vracht, die veel te zwaar was, Lag de schuit van Mike zóó diep, Dat de man in groot gevaar was, Als het water overliep.

Pat stond aan den kant te kijken, En — wat meer gevonden wordt — Hij wou graag eens laten blijken Wat hij wist van watersport.

Daarom riep hij — en je staat er Even stil bij, als je ’t leest — „_’t Is gelukkig geen hoog water,_ _Anders was je weg geweest._”

14.

Mike was, door gebrek aan schijven, Bij een boer in dienst gegaan; Maar, om goed gezond te blijven, Deed hij alles kalmpjes aan.

Telkens kwam de boer hem zoeken, Als hij even rustig zat, En dan werd het schelden, vloeken: Potverdit en potverdat!

„’k Ben al vlugger dan een kogel! _Denk je_,” protesteerde Mike, „_Dat ik zijn kan, als een vogel,_ _Op twee plaatsen tegelijk?_”

15.

Patrik liep eens door de straten Van Tralee, een Iersche stad, Hardop in zich zelf te praten Over Joost-mag-weten-wat.

Een kwajongen lag te kijken Ergens uit een bovenraam; Die liet luid zijn blijdschap blijken, En deed hoogst onaangenaam.

Patrik was zóó ontevreden, Dat hij dit ten antwoord gaf: „_Was jij, vlegel, hier beneden,_ _’k Gooide j’ alle trappen af!_”

16.

Mike liep Zondag te flaneeren Met zijn hooge zijden op. Patrik wou zijn buks probeeren, En hij schoot naar Mike z’n kop.

Patrik schoot niet heel bizonder, Meestal mikte hij niet goed, En de kogel — ’t was een wonder — Ging door Mike z’n hoogen hoed.

Mike, die gauw ’t geval gevat had, Zei, van schrik nog wat bedeesd: „_Als ’k me dophoed op gehad had,_ _Was ik zeker dood geweest._”

17.

Mijn moeder had een groote kom Met goudvisschen — een keurcollectie, En zei tot ’t hitje, goed maar dom: „Maak dat ik nooit op ’t glas een vlek zie, Hou ’t water altijd versch en rein, De visschen schoon — verzorg de dieren, Zoodat zij blijven wat zij zijn: De bloemen, die mijn home versieren.”

„Jawel!” zei Mary. Maar, o neen! De stomme dieren gingen kwijnen, De schub-laag brak, en een voor een Zag men ze sterven en verdwijnen. Maar wie schetst moeder’s ergernis, Toen z’ eens bemerkte — ach, te spade! Hoe Mary vlijtig visch voor visch, Aan ’t poetsen was met poetspomade?

18.

Vriend Patrik holde hijgend Het hek in van den hoef. „Een schop, gauw!” klonk het klagend, en zijn oogen stonden droef. „Broer Mike zit in de modder, Tot aan zijn enkels; Gauw!!” „Die redt zichzelf wel,” zei de boer, „Ik heb geen schop voor jou.” Een oogenblikje stilte. Toen, plotseling, zei Pat: — Er schoot hem iets te binnen, dat hij schoon vergeten had —

„’k Vergat er bij te zeggen, Door schrik en droefenis, Dat Mike er met zijn hoofd voorover in gevallen is!”

19.

De arme Mike stond eens terecht Voor ’t stelen van een haan. „Foei, neen!” zei Mike. „’k Ben niet zoo slecht! Ik heb het _niet_ gedaan.”

De rechter sprak: „Beken ’t nu maar. Misschien vergeef ik ’t wel. Maar, denk er om: de leugenaar Gaat rechtstreeks naar de hel!”

En toen zei Mike, diep aangedaan Door ’t rechterlijk sermoen: „Ik ben er heusch onschuldig aan, En ’k zal het nooit meer doen.”

20.

„Als j’ een aardig raadsel weet,” Zei een Ier, „zal ik trakteeren.” Patrik was direkt gereed: „_’t Blaft — en ’t is bedekt met veeren._”

„Kip!” riep Pat, toen niemand ’t ried. „Mis!” zei d’ ander zonder dralen, „Kippen, Paddy, blaffen niet; Jij mag zelf je bier betalen.”

Pat keek op zijn neus, en scheen In verlegenheid te raken. „Ja maar,” sprak hij, „’k zei ’t alleen Om ’t wat moeilijker te maken.”

21.

Een jonkman, zeer verliefd en blond, Schreef in ’t café aan zijn vriendinnetje, En Patrik, die er achter stond, Bleek ’t na te neuzen, zin voor zinnetje.

„_Hier breek ik af_,” zoo schreef de knaap, „_Hoewel dit slot wat vreemd mag lijken,_ _Maar een vervloekte lompe aap_ _Staat stiekum alles af te kijken._”

En Pat zei — want hij schrok er van — „Ik kan je de verzekering geven, Dat ik geen woord gezien heb, man, Van wat je daar hebt neergeschreven.”

22.

„Wel, Pat,” zei ’k, „is dit huis van jou?” „Ja,” zei Pat, „door me werk en me sparen!’” „Al lang?” — „Meneer, ik woon hier nou Al over de zeventig jaren. Ik ben hier uit dit huis getrouwd, Ik heb er me vrouw in verloren, Me vader heeft het zelf gebouwd, En me grootvader is er geboren.”

23.

Twee Ieren stonden, voor ’t duel, Elk met zijn vriend, Maar d’ een riep, net voor d’ aanvang, snel: „Ik ben bijziend!” — „Dus ’t is niet fair als ’t zóó moet gaan,” Vervolgde hij, „’k Moet tien voet dichter bij hem staan, Dan hij bij mij.”

VIII. OVIDIUS’ HERSCHEPPINGEN.

1. DEUCALION EN PYRRHA.

Diep was het menschlijk geslacht in den poel van de zonde verzonken. Zeus, op bestraffing bedacht, voelt het vuur van zijn tooren ontvonken. IJlings ontbiedt hij zijn Raad. Langs het pad, nog de _Melkweg_ geheeten, komen zij saam. Zijn gelaat spelt niets goeds; en als elk is gezeten, kondigt hij aan zijn besluit om het menschelijk geslacht te verdelgen. „’k Zweer bij de Styx,” roept hij uit, „dat het water het land zal verzwelgen! D’ aarde, met alles er op, zal vergaan in de barnende baren, zinken in ’t ziedende sop, door geen hemelsche macht te bedaren!” Plotseling barst nu met kracht van den Hoogen een hevige regen; stortend bij dag en bij nacht, overstroomt hij de velden en wegen. Droef ziet de landman zijn oogst hem ontgaan en zijn nijveren lieden. Nog is de nood niet het hoogst, want het gruwzame gaat nog geschieden. Nu krijgt Neptunus tot taak van Saturnius, schriklijk verbolgen, zinnend op wreedere wraak, om het werk des verderfs te vervolgen. Fel woedt de god van de zee, met zijn drietand orkanen verwekkend; ’t Water stijgt boven de reê, stroomt het land in, de beemden bedekkend. Donderend stort zich de vloed, die de menschen verdelgt, en gebouwen krakende tuimelen doet, op de lieflijke loover-landauwen. Daar, waar de geit had gegraasd, zwemmen zeemonsters thans, en dolphijnen. De Nereïden, verbaasd, zweven rond tusschen beuken en pijnen. Alles wordt zee, zonder grens, vale vlakte van vocht zonder leven. Zoo was het eind van den Mensch, van zijn werken en hopen en streven.

Slechts de Parnassus, die hoog zich verhief, met de kruin in de wolken, was aan het uiteinde droog, onbereikt door de kokende kolken. Hier dreef Deucalion heen in een wankele boot, met zijn gade; Jupiter hoort hun geween en hun jammergeroep om genade. Kraai hadden beiden, noch kind; hij, de grijsaard, en Pyrrha, zijn ega, hadden de deugd steeds bemind, (een gevoel, waarin ik met ze mee ga). Jupiter spaarde die twee om hun deugd, deed ze landen — zij beiden worden gered, want de zee wijkt terug, van het land weer gescheiden. d’ Aarde herrijst. Veld en bosch, eerst met modder bedekt en ontoonbaar, prijken in vroegeren dos, en de wereld wordt weder bewoonbaar. Ach, maar het menschdom ontbrak, op die twee na, die overig waren, beiden gebrekkig en zwak, en gedrukt door den last van de jaren. „O, gij mijn zuster en vrouw,” zegt de grijze Deucalion teeder, blijde, maar nochtans in rouw, „Zie, den aardbodem vonden wij weder; wel is de hemel ontwolkt, maar, al zien wij de zonne weer schijnen, hoe wordt de wereld bevolkt? wee! met ons zal het menschdom verdwijnen!”

Door den nog drassigen grond gaan zij op naar den eenigen tempel. Themis gewijd, die daar stond ongerept op den berg. Bij den drempel knielen zij, mat en verbleekt, en daar klinkt het uit ’t heilig gesteente, — Themis is ’t zelve, die spreekt — „_Gaat van hier, werpt uw moeder’s gebeente_ _achter uw ruggen ter aard!_” en Deucalion, denkend, heeft spoedig ’t wondere raadsel verklaard. „_Onze moeder_,” zoo roept hij blijmoedig, „is deze aarde; en _been_ is het steen in den bodem verscholen!” Zonder verwijl gaan zij heen voor de daad door de godheid bevolen. ’t Tweetal werpt steenen, en ziet reeds de vormlooze hardheid vermindren... Thans is het wonder geschied, want de keien vergroeien tot kindren! ’t Heerlijke werk was volbracht van het paar door de godheid verkoren. Zoo is het menschlijk geslacht na den Vloed uit den bodem herboren. ........................................ ’k Meen het volstrekt niet vulgair, maar misschien (’t schiet me net zoo te binnen) maakt me dit Rijm populair. bij den „Bond voor de groote gezinnen.”

2. ECHO.

Echo, de praatzieke maagd, die maar eindeloos kleppert en babbelt, ook als geen mensch haar iets vraagt, als een beek, die langs rotsblokken kabbelt, diende god Jupiter vaak, als hij vree met de nymphen der wouden, want dan had Echo de taak om zijn vrouw op de praatstoel te houden. Juno, die ’t eerst niet doorzag, was er eindelijk achter gekomen; daarom heeft z’ eens op een dag haar de gave van ’t spreken ontnomen. Zij, zoo loslippig voorheen, nu de eigene woorden haar falen, Echo, kan nu nog alleen wat een ander haar voorzegt, herhalen.

Eens, toen zij dwaalde door ’t woud, in een onbestemd liefde-verlangen, heeft zij Narcissus aanschouwd, en werd aanstonds van hartstocht bevangen. Zielsverrukt nadert zij hem, en zij brandt hem haar min te verklaren... Ach! nu ontbreekt haar de stem, en zij wenkt hem met stomme gebaren. „Wie daar?” zoo roept hij, en vlucht, als bezeten, door velden en dreven; „_Wie daar!_” weerklinkt als een zucht, want geen antwoord vermag zij te geven. Voort ijlt hij, rusteloos voort, en „Ga weg!” hoort zij weder weerklinken; „_Weg!_” zoo herhaalt zij zijn woord, en dan voelt zij de kracht haar ontzinken. „Sterf!” roept de vluchtling, „Verga!” en „_Ga!_” jammert zij tot den beminde. Hijgende snelt zij hem na, als de honden de hollende hinde. Eindelijk, blakend van nijd, dat zij ’s jongelings liefde moet derven, zwijmt zij, verstikkend van spijt, om in spraaklooze wanhoop te sterven. ’t Lichaam verdroogt en vervaagt, en vermengt zich met ’t dorrende loover; weg is de minzieke maagd, slechts de klank van de Echo is over. ........................................ Meisjeslief, hoort naar mijn raad, — ik hoop niet, dat je hierdoor gegriefd wordt — zorgt, dat je niet te veel praat, en vooral, dat je niet te verliefd wordt.

3. NARCISSUS.

Liriope had een zoon, en Narcissus — zoo heette de jongen — was zoo verwonderlijk schoon als geen dichter het ooit had bezongen. Eens, als de moeder zich wendt tot den god, om zijn leef-tijd te vragen, „Zoo hij zich zelven niet kent,” is ’t bescheid, „tot in lengte van dagen.” Dit was een duistere maar’! wat beteekent het: hopen of vreezen? Klinkt het al vreemd — het was waar, aan het eind van dit Rijm zal je ’t lezen. ’t Kind groeide op tot haar roem, en toen ’t zestiende jaarfeest gevierd werd, leek hij de lieflijkste bloem, waarmee immer een gaarde versierd werd. Iedere maagd die hem ziet staart hem aan. — Hij is blind voor die blikken; vrouwen bekoren hem niet en, wat hem betreft, kunnen ze — Liefde? Hij lacht er wat mee, neen, daar zal hij zijn hart niet aan wagen! Hij is volkomen tevree in zijn eentje, met visschen en jagen.

Diep in het woud was een plas, tusschen planten en struiken en boomen, ’t water was helder als glas, bonte bloemen ontwiessen de zoomen. Hier kwam Narcissus een keer, overmoe van jachtlievenden ijver. Afgemat zonk hij ter neer aan den kant van den blinkenden vijver. Dan, om zijn dorst te verslaan, houdt hij ’t hoofd naar het water gebogen... Plots grijpt ontroering hem aan, want wat schouwen zijn starende oogen? ’t Schitterend beeld van een knaap, waar de maagden in droom naar verlangen, ’t golvende blond aan den slaap en de teederste blos op de wangen. Star, met een koortsigen blik, blijft hij ’t overschoon schijnbeeld bestaren, beurtlings in blijdschap en schrik wenkt hij ’t toe met de wildste gebaren. Strekt hij de hand, dan verdwijnt, door het golven, het schijnsel daaronder — dan, na een oogwenk, verschijnt in de plas weer het beeldschoone wonder. „Wee mij!” zoo klaagt hij zijn smart, „hoe verdraag ik dit nameloos lijden? Vlak bij den vriend van mijn hart en toch vademen van hem gescheiden! Ik, die naar teederheid dorst, moet hier eenzaam in wanhoop verkwijnen!” En hij kastijdt zich de borst, zich berokkenend duldlooze pijnen Zoo stort hij jammerend neer, ’t gloeiend hoofd op de koelende zoden......

Nu lijdt Narcissus niet meer, want zijn geest is het lichaam ontvloden. En de Najaden, vol smart, snellen toe naar de plek... zij ontwaren niets dan een bloem, geel in ’t hart, met een kransje van sneeuwwitte blâren. ........................................ Mijdt dus den spiegel als ’t kan, want het kon je nog wel eens berouwen! Dit is ’t verhaal van een man, maar het geldt haast nog meer voor de vrouwen.

4. PYGMALION.

Zekere Pygmalion, in den tijd van het verre verleden, leefde zoo vrij als hij kon, ongetrouwd, dus volkomen tevreden. Kunst was zijn lust, in ’t gemeen, en het beeldhouwen in het bijzonder, en uit het levenloos steen schiep hij ’t beeld van een vrouw — ’t was een wonder. ’t Was van zoo zeldzame pracht, dat produkt van zijn vaardige handen, dat, met ontembare kracht, het zijn minnevuur fel deed ontbranden. ’t Was van een lijn en een bouw, die zóó schoon en zóó levensgetrouw scheen, dat het geen _beeld_ van een vrouw, maar een _vrouw_ (en een beeld van een vrouw!) scheen. Als hij het marmer betast, is zijn minnevlam niet meer te blusschen, en hij bedekt het albast van den mond met de vurigste kussen. Woordekens, zalig en zoet, meer gezucht dan gezegd of gefluisterd, luchten zijn dwepend gemoed, en hij beeldt het zich in, dat zij luistert. Dan brengt hij gaven in goud, dan de roos, dan de wuivende winde, reukwerk, en druiven bedauwd, als de minnaar de teeder beminde. Sieraden, kostbaar en mooi, die de zinnen der maagden bekoren, Hangt hij zijn lief om, ten tooi, diamanten aan hals en aan ooren.

’t Feest van de Lente breekt aan, dat de Cypriër vroom pleegt te vieren; ’t altaar, met gaven belaân, wacht het offer der sneeuwwitte stieren. Pygmalion komt, en vraagt Aphrodite gehoor voor zijn smeeken: „Geef mij mijn marmeren maagd tot mijn vrouw...” Neen, zoo durft hij niet spreken... en dan bedenkt hij een zin, half vertolkend ’t gevoel dat hem blaakte: „Gun mij een gade, godin, die _gelijkt_ op het beeld dat ik maakte!” Venus verhoort zijn gebed, en de vlam flikkert op tot een teeken.

Blijde, met luchtigen tred keert hij weer, want zijn angst is geweken. Honderdwerf kust hij het beeld. Nu betast hij het ijzige marmer...... Als hij het koozende streelt, schijnt het steen hem al zachter en warmer, en, naar zijn innigen wensch, gaat het hooge geluk tot hem naad’ren: ’t beeld wordt een levende Mensch, en het bloed kleurt haar levende aad’ren! Andermaal kust hij haar mond, en hij voelt zich verrukt, als verwinnaar — Blozende blikt zij in ’t rond, en dan schouwt zij in ’t oog van haar minnaar. ........................................ Kunstenaars, weet wat je doet! maakt maar nooit mooie beelden van vrouwen, want het begint soms zoo goed, en dan eindig je met ze te trouwen.

5. ARACHNE.

Laat mij bezingen de vrouw in het weven ervaren als geene, die in de kunst van ’t Getouw zich wou meten met Pallas Athene.

Arm was Arachne — maar fier op de gaaf, door den god haar gegeven; schoonheid stond in haar banier, hare Kunst was haar lust en haar leven. En daar verdreef zij den tijd van ’t begin tot het eind van den dag mee; iedereen prees haar om strijd, want geen mensch die ’t zoo kon als Arachnee. Arm was Arachne — maar trotsch! Ja, zij minachtte zelfs de godinnen: ’t stond bij haar vast als een rots, dat Minerva ’t niet van haar zou winnen. Pallas Athene, die ’t hoort, zelf de Eerste der Weefsters geheeten, nadert, verbaasd en verstoord, en stelt voor om zich met haar te meten. Blij gaat Arachne ten kamp; o, zij schijnt naar den wedstrijd te haken! Weinig vermoedt zij den ramp, die dit Rijm tot een drama zal maken...... Elk neemt haar plaats op haar stoel. Door de zucht naar de zege gedreven, vangen zij aan, en de spoel schijnt om schering en inslag te zweven. Spoedig is Pallas gereed, en zij monstert het werk van Arachnee, schoon ze voor zich al wel weet, dat het zwakjes zal wezen... Maar, ach nee! ’t Tegendeel is ’t, wat ze ziet: ’t is een meesterstuk — zonder gebreken! Neen, zij ontveinst het zich niet: de godin is de zwakste gebleken. Blakend van afgunst en haat, in een vlaag van ontembare woede, scheurt zij het weefsel tot draad, en dan grijpt zij vol gramschap de roede. Roepend: „Wat gij hebt volbracht is alleen aan de goden geoorloofd!” slaat zij tot driemaal met kracht de rivaal op het bloedige voorhoofd. Snel maakt Arachne een strop van de flarden die raaf’lig daar lagen; ziedende hangt zij zich op, want die hoon kon de trotsche niet dragen. Maar nu van meelij vervuld, zegt Minerva: „Ik schenk u het leven; echter, tot straf voor uw schuld, zult gij, levende, wevende... zweven!” Uit het noodlottige touw groeit een netwerk al fijner en fijner; ’t lijf der rampzalige vrouw krimpt gestadig. Al kleiner en kleiner wordt het een gruwzaam insect, bolgebuikt, van veel pooten omgeven. Zoo, op haar webbe gestrekt, blijft Arachne, de Spinnekop, weven. ........................................ Vrouwen zijn meestal charmant, en dan moeten wij, mannen, ze minnen; maar, zijn ze trotsch en pedant, dan veranderen vrouwen in spinnen.

6. ICARUS.