Ruize-rijmen

Part 11

Chapter 113,707 wordsPublic domain

’t Tooneel was in één grooten bloementuin herschapen, Toen ’t doek weer opging. Ja, daar stond de groote man. Eerst trad Co Dit, Cor Dat, Jan Zoo-of-zoo naar voren, En las met luider stem de wenschen-op-papier, De telegrammen, voor — heel prettig om te hooren, Heel geestig soms, vooral het versje van Van Lier. Toen sprak de President van „’t Nut van ’t Algemeen”, as Vertegenwoordiger van ’t plaatselijk intellect. Toen Jhr. Mr. X van Y tot Z — Maecenas, Hij torst’ een ruizekrans; zijn woordje was correct. En daarna — aangedaan, ze sprak maar niet heel veel dus — Kwam Truusj’ of Guusj’ en zei: „Ja, Koos, of Juul, of Rienk, Ik eer je, als artiest!” en gaf hem de tooneelkus, Het klapte dat het klonk, maar ’t smaakte wat naar schmink. En eindlijk d’ envelop. Hoeveel? Dat moet nog blijken, En ’t is voor menig jubelaar een toer geweest, Om te berekenen, _hoe_ dankbaar hij moest kijken — Want ’t valt soms lang niet mee, na d’ afloop van het feest. ’t Is fijn, maar als men ’t wat eenvoudiger gedaan had, Zoo denkt de man misschien, te midden van ’t festijn, En als de tuin wat minder in den bloei gestaan had, Dan had de envelop wat zwaarder kunnen zijn...... Enfin, hij krijgt het woord. Hij stamelt, in ontroering. Het is _te_ veel, te veel. En juist in _deze_ stad Heeft hij — hij raakt in meen’ge plaats zoo in vervoering — Zijn heerlijkst’ oogenblikken voor zijn Kunst gehad. En is ’t een jublarès, dan wordt het wel héél knus, want Dan is de stemming zacht en teeder, en ’t publiek, Dat altijd „lief” is, krijgt tot slot de tooneel-kushand, En tranen biglen langs het rouge-électrique......

Ik weet wat om den jubileum-stroom te stoppen: Zorgt, dat de kunstenaar beloond wordt zoo als ’t hoort, Dan worden we bevrijd van bloemen, enveloppen, Van de tooneelkus en ’t collegiale woord.

9. DE CRITICUS.

„De heer X zong deze keer slecht. Mej. Y, die voor ’t eerst optrad, kunnen wij niet gelukwenschen met haar debuut. Van hem kunnen wij zeggen: hij kon wel, maar hij wou niet, van haar: zij wou wel, maar ze kon niet.” — Uit een recensie.

De criticus is lomp en plat, aanmatigend en wreed. Hij is de man, die alles kent en kan, en alles weet. Hij is als Goliath zoo groot, als Davidje zoo dapper, En is een kunstenaar nóg zoo knap, hij ’s altijd één graad knapper. Alleen den twijfel kent hij niet. Hij schrijdt met vasten tred, En zwaait zijn lof, zijn blaam — vertrapt, of steekt de loftrompet. Zijn machtig woord kan beurtelings verstooten of beschermen; Zijn woordenboek bevat niet zulke weifelende termen Als „’k vind,” „ik meen,” „het schijnt me toe,” „als ik me niet vergis,” Hij kent alleen: „het is,” „=het is=,” „_het is_,” „HET IS”, „HET IS!” Hij hoont je, hij beleedigt je, verminkt je, of vermoordt je, Ter wille van een jeu de mots, of van een grappig woordje. Rap is zijn hand, gedwee zijn pen, gewillig het papier; Hij schrijft zijn vonnis in ’t café, zoo onder ’n glaasje bier. Soms is zijn naam bekend, omstraald door onverdienden luister, Soms is hij „men”. Dat ’s veiliger — dan steekt hij uit het duister.

Hij heeft geen moeite met zijn oordeel; weet al hoe hij ’t vindt, Als hij maar half gekeken heeft. Hij komt, ziet, overwint. Hij is de schrik van elk artist, geen stervling is geduchter, En ik, onnoozle, vraag zoo wel eens, aarzelend en schuchter: Waaraan ontleent hij toch het recht om zich, met breed gebaar, Te stellen, hoog verheven, boven ieder kunstenaar, Of ’t Heyermans, of Noordewier, Piet van der Hem, of Musch is? ’t Is doodeenvoudig: hij ’s zoo knap...... _omdat_ hij criticus is! Hij hoeft het niet te toonen, te bewijzen door zijn werk, Hij zorgt juist, dat hij nooit iets doet. Dat maakt hem groot en sterk. Wel heeft hij dikwijls vroeger zelf getracht wat te presteeren, Maar lukte dat niet al te best, dan ging hij — critiseeren. In Holland — waar men voor „Bewaarschooljuf” examen doet — Is men onmidd’lijk „Criticus.” Daarvoor is ieder goed. Je hebt geen voorbereiding noodig, hoeft niet te studeeren, Je „schrijft je in,” en kunt direkt cum laude promoveeren. Terwijl de kunstnaar al zijn leven zoekt, en streeft, en kampt, Schenkt God de Heer den criticus de kennis met het ambt. Hij heeft het weer eens „goed gezegd”, voelt zich den kraan der kranen, En ergens in de eenzaamheid zit „hij” of „zij” — in tranen......

O criticus, ik hoop, dat gij u niet gekrenkt gevoelt; Bedenk, dat ik niet u, maar uw collega heb bedoeld.

VI. LETTEREN.

1. VAERS.

Een rijke oom, nog wars van ’t sterven, Een oud en zieklijk man, Bezat een schaar begeerige erven, (_Toekomstige_ erven, dan).

Hij had geen vrouw en ook geen kindren, En, onder ons gezegd, Opdat zijn geld niet zou vermindren, Had hij ’t secuur belegd.

Zijn neven, nichten, achterneven, En -nichten, enz. Behandelden hem allen even Eerbiedig. Zooals ’t hoort.

Zij waren soms haast al te vrindlijk, Ze liepe’ ’m achterna, Zelfs d’ allerkleinsten, nauwlijks zindlijk, Die lachte’ ’m toe: „Da-da!”

Wanneer ze hem ten eten vroegen, Of op een theepartij, Was ’t of z’ ’m op de handen droegen, Zoo hartlijk waren zij.

Hij kreeg de heerlijkste gerechten, En koffie toe, met room; En allen schenen ze te vechten Om d’ eereplaats: naast oom.

Wanneer hij iets stond te betoogen, Zeer met zichzelf voldaan, Dan hoorden ze ’m met stralende oogen En vol bewondring aan.

En als hij aardigheden tapte, Gewoonlijk lang bekend, Geen, die niet lachte, gierde en klapte, Al dikwijls vóór het end.

Hun angst was, dat hij nog zou trouwen, Zooiets gebeurt wel meer; Enfin, hij heeft zich goed gehouwen, Hij bleef een eenig heer.

Ten slotte is hij dan bezweken, Zijn erven weenden luid, Maar troostten zich met zijn kopeken. Nu is ’t verhaaltje uit. ........................................

Dit vaers bevat geen nieuwe dingen, Maar daarom niet geklaagd; Wat dichters van de Liefde zingen, Is net zoo afgezaagd.

2. SONNET.

Van Eeden gewaagt met lof van een sonnet van Adwaita, waarin deze dichter zijn virtuositeit in het rijmen toont, door slechts twee rijmklanken voor een geheel sonnet te gebruiken.

Ik zwicht voor de verleiding om ’t nog mooier te doen.

Zoo ’k ooit een zuiver klinkdicht heb geschreven, Nog nooit heb ’k zooveel rijms door ’t werk geweven; ’t Gedicht, dat ’k heden bied, breek’ bouder baan...... Ik zwicht, de muze maant — ai! laat mij gaan......

Vermooit het rijmen niet des menschen leven? ’t Ontdooit de lagen ijs, die ’t hart omgeven, ’t Verlicht den looden last van ons bestaan, En ’t sticht een schutse tegen ’s werelds waan.

Getooid met lauw’ren, dool ’k door Tempe’s dreven; Bestrooid met bloemen, blij het hoofd geheven, Verricht ’k mijn taak, geleid door Phoebus’ vaan.

Gekooid, gekerkerd zij wie ’t durft weerstreven! Ontplooid en wapp’rend blijv’ mijn dundoek zweven......

(_Een zucht_)

Mijn plicht voor deze week is weer gedaan!

3. HET GOUDENE RAADSEL VAN HET WONDERE GELUK.

(De Oplossing.)

Het wond’re landschap blaakt in goud’ne zon, Wij doolden saam in wond’re goud-gedachten, Wen wond’re bloemen goud’ne vreugde lachten, Gedrenkt in ’t wond’re vocht van goud’ne bron.

Toen was ’t, dat ’t wond’re goud-geneucht begon, Haar wondre woorden goud’ne boodschap brachten Van ’t wondere geluk en ’t goud’ne smachten, Als ’t wond’re goud niet goud’ner glanzen kon.

Vanwaar dat goud in gansch ons wond’re wezen? Van goud’ne stemme ’t wondere geluid, Goud-klinkend boven wond’re stilten uit? Als ’t goud’ne dak op ’t wond’re huis verrezen? Die wond’re gloed uit liefde’s goud’ne vier?....

Zij was de dochter van een juwelier.

4. EEN ST. NICOLAASCADEAUTJE.

Raad van Charivarius aan Couperus-vereersters, die niet weten, wat ze hem met St. Nicolaas zullen sturen.

Koopt een aantal mooie dassen, Zacht van stof, van kleuren teer, Sokken, die er goed bij passen; Damessokken voor een heer, Vert malade, bleu turquoise, Cuiss’ de nymph’, vieil or, ardoise, Caca du dauphin, vieux rose, Fraise écrasée, en zoo meer.

Zoekt een fijn, exquis odeurtje, Van Piver of van Pineaud: Peau d’Espagne’s weezoet geurtje, Chrysanthème de Tokio, Héliotrope of Azuré-e. Kiss me quick, Brise embaumé-e, Chèvrefeuille, Giroflé-e, Jockey club, Duchesse, of zoo.

Jolimousse, Lait d’Amandes, Vélivole, Foin coupé, Espéris, Duvet, Lavande, Aubépine, Rose thé, Lariette, Floramye, Guy nouveau, Cuir de Russie, Chypre, Senteur des Prairies — Doet het hier voorloopig mee.

Koopt de rozigste robijnen, Diamanten, schitter-schel, Adular of cornalynen, Paarlen, jaspis of spinel, Amber, onyx, chrysolieten, Labradoren, oxinieten, Emerald of cordirieten, (Doet het maar — hij draagt ze wel!)

Koopt de kostbre kwartskarbonkel, De pyroop in purpren pracht, Of verkiest gij ’t fel gefonkel Van sapphieren — of smaragd? Amethyst, beryl, granaten, Bezoar, zirkoon, agaten...... (’k Ken geen steenen meer op _-aten_, Maar dat heb ’k te laat bedacht.)

Al die goede gaven pak je In een wollig watten-waas, Of een zeegroen zijden zakje, Geel-gevoerd met gulden gaas, Bindt het met satijnen linten, In die zachte rose tinten, Die Couperus zoo bemint, en Stuurt hem dàt met Sinterklaas!

5. RID- EN RUNDERS.

César Gezelle zingt:

„’k Zie schapen, witgewold, ’k Zie rid- en runders draven......”

Wij gaan voort:

’k Zie schapen witgewold, ’k Zie rid- en runders draven, ’k Zie vo- en vlegels zich Aan wa- en bitter laven. Al is de stad ook vol Van stu- en decadente’ Die speel- en alcohol Verkiezen boven lente, U, boe- en kippen-ren, U, lust- en korensc-hoven, U, var- en vlinderken, U stel ik ver daarboven! In ’t mooie voorjaarsweer, Gaan bloe- en ramen open, ’k Zie ieder met een bloem, Zelfs schoo- met anjers loopen. ’k Zie ei- en beuken staan, En dreu- en andre musschen, Wijl lij- (geen vrijsters!) slaan, ’k Zie kro- en meisjes kussen. En mensch en kunstenaars Zij dragen en zij eten Veel flam- en waterbaars, Bij ’t hij-, zij-, zwijgend zweeten. Geen pneu- slechts harmonie: De tweedracht wijkt voor vrede, De ru- voor poëzie, Juicht kin- en ouders mede! Want len- en warmte is daar, Mijn geest stijgt op, naar boven, ’k Wil nat- en morgenuur Met vul- en lippen loven!

6. ZAK-DRAMA.

Flirt Zeurt. Vrouw Wou. Man Dan: „Graag?” — „Vraag Pa!” — „Ja”. Pa, Ma: „Ja”. Ha! Echt Slecht: Drie Kindren, Die Hindren. Tweel- ing: Heel Ding! Elk Melk: Dorst! Borst. Meer Kindren Rijk: Zeer Hinder- lijk. Dan Man Vroeg Kroeg.„ ’k Blijf Laat”. ’t Wijf Kwaad. ’t Wijf, ’t Kijft; Man Later: Kan Water Op Kop. Ziet Haar Boos, Vliedt Naar Soos. Hij Praat Zij Slaat, Bijt, Smijt, Mist Vaak; Is ’t Raak, Dan Hard, Man Smart. Zij Vloekt. Hij Zoekt (Laf!) Vond, Vlonder: Af- Grond Onder. Zegt: (Slecht!) „Ga Mee! Ja?” „Nee”. „Nou, Kom!” Vrouw (Dom!) „Goed”. Doet. „Ga Voor”. „Ja, Hoor” Gil...... Stort! Stil...... Vort...... ...... ...... ...... Hij Blij!

7. RUST-RIJM.

Charivarius mag zich niet vermoeien. Toen hij dezer dagen ter verpoozing _Gorter’s „Mei”_, weer eens doorbladerde, viel zijn oog op de volgende regels:

„...Van ijs in zee, een oud gebaard man, die Stond op, bokaal ter hand, en uit verschie...”

Het hier toegepaste systeem vereenvoudigt den zwaren arbeid van het rijmen aanmerkelijk; men heeft niet angstvallig te zoeken naar een woord dat in zijn geheel rijmt; licht vindt men er een waarvan een enkele letter past; de overige laat men weg, en het rijm is klaar. Dit is _het_ rijm-systeem voor rustbehoevenden. Naar deze methode vervaardigd, vloeide hem de volgende _Ballade_ als ’t ware van zelf uit de vulpen:

DE RIDDER VAN GRANADA.

(_Vrij naar Schiller_)

Er leefd’ in overouden tijd In ’t land van Granada, Zijn vorst in trouwen dienst gewijd, Een wakkre ridderkna.

De koning had den jonker lief, En jacht, en sport, en spel Werd bloot voor ’s gunstelinge gerief Ten Hove ingestel.

Zoo werd èn Hof èn landvolk vaak, Door bode en klokgelui, Genood tot ’t griezelig kijkvermaak Rondom den leeuwenkui.

Eens op een dag zijn maagd en borst, En ridders, rij aan rij, Verzameld bij den ouden vorst, In ’t lustpark van ’t palei;

Rondom den diepen leeuwenkuil, Die dreigend gaapt benee: _Hier_ ’t jolig juichen — _daar_ ’t gehuil Van tijger en van lee.

Men oogt ’t gestoei van ’t woest gebroed Met grage blikken na; En d’ oude vorst schertst welgemoed: „’t Is beter hier, dan da!”

De jonge ridder zit naast háár — De jonkvrouw, trotsch van zin, Maar ’t schoonste van de maagdenschaar, En fel van hem bemin.

Zij schenkt hem eerst niet veel gehoor; Hij schijnt wat schuw, wat bleu; Dan vat hij moed, en als-maar-door, Ruischt zijn verliefd gekeu.

Daar lispt de jonkvrouw aan zijn zij: „Mint gij mij waarlijk zoo? Welnu, mijn vriend, bewijs het mij!” Dan roept z’ op luiden too:

„Wie uwer mint mij sterk genoeg, Dat hij uit louter min Deez’ zijden handschoen, dien ik droeg, Mij weerbrengt van daargin?”

Mèt werpt zij fluks den handschoen af; Men mompelt: „Wee!” — „Wat nu?” — — „Wie waagt zich in dit levend graf?...” Het denkbeeld is afschu.

Zij ziet haar fellen minnaar aan Met hoonend killen lach: Kies — d’ arme heeft den blik verstaan — Mijn liefd’ — of mijn verach!

Daar ziet de schare, stom van schrik, Vervuld van ’t naadrend wee, Hoe hij met somber-strakken blik Zich naar den kuil begee.

Snel daalt hij in de diepte neer...... Loopt op de beesten toe...... En — brengt den handschoen veilig weer, Met gruwbre heldenmoe.

Nu groet den Ridder Onversaagd Een donderend hoera! Maar hij — hij werpt der snoode maagd Den handschoen...... _in ’t gela_!

„Aanvaard,” zoo spreekt hij, „slechte vrouw, Mijn declaratie zóó! Ik _was_ verliefd op je, maar nou — Wat mij betreft — val doo!”

8. RIJM-RIJM.

„Dat voor haar jagen moet, om onderdak en kost, De eerste bezitter van het woud en van de rots”.

(_Van Looy_ in de _Gids_)

„Naar torens op de kust, wanneer ze langs Hun boorden varend, den oranje glans.”

(_Gorter’s Mei_)

„Van licht in licht, lichtwenteling — ’t Is nachtdood, morgenkentering.”

(_Van Eeden, Ellen_)

„O, Moeder in den hemel! Wees Gij mijn liefs trouwe Hoedster steeds!”

(_Hofdijk_, Reynouts’ tocht.)

’t Is waar, er hapert iets aan deze rijmen. Maar werkelijke poëzie kijkt zoo nauw niet. Wellicht zal de oplettende lezer ook in de volgende _Ballade_ hier en daar een rijm aantreffen, dat niet volkomen correct is; maar wij wenschen ons in dit opzicht een zekere vrijheid voor te behouden.

BALLADE.

I.

De zomerzonne zonk ter kimme, Een rose diskos, goud-omstraald; Het was het uur der zoete minne, Waarin Natuur tot kozen maant.

De vogel staakt zijn blijde tonen, Het schuchter haasken, op zijn kalmst, Zit midden op den weg te droomen, De schuwe eekhoorn kent geen angst.

O, Mensch, geniet en zet u neder, Wisch van uw brauw de drupplen zweets, Hier vindt gij reine rust en vrede Voor moede ziel en matten geest.

Wat zoekt g’ in drukke stede-straten ’t Geluk — geslierd in ’s werelds ren? Ontvlied den maalstroom van vermaken, En luister naar der Stilte stem.

II.

Wie draaft daar door de lommerlanen, Langs lindengroen en beukenbruin, Als om een vlucht’ling t’ achterhalen, Zijn rennend ros besmeurd met schuim?

Het is de ridderknaap Renaldo. Hij toomt zijn klepper. Als verstard, Zoo staat zijn ros, op zijn commando. Renaldo springt ter aard, en wacht.

Hij wacht een wijl’, maar toeft niet lang daar; Plots hoort hij ’t kraken van ’t geblaart En voor hem staat — zijn lief, Amanda, Ster zijner droomen, struische maagd!

Een blik, een blos, een zucht, een snikken, Een liefdedronken minnezwijm.... „Geliefde!” lispelen 2 paar lippen, „Voor eeuwig mijn!” — „Voor eeuwig mijn!”

III.

Een brave blonde boerenjongen, Feiko, een vrome, vrije Fries, Had eens Amanda’s hart gewonnen, Amanda had haar Feiko lief.

De zaak kreeg vasten vorm, natuurlijk, Toen beider min bestendig bleek, En alles was al klaar voor ’t huw’lijk, Ja zelfs hun uitzet was gereed.

Toen kwam Renaldo. Zacht maar zeker, Lokt hij het lijsterk’ in zijn net; Geen kamerspin verstaat het beter De vlieg te vangen in zijn web.

Renaldo schiet zijn scherpste pijlen, Dringt d’armen Feiko van zijn plaats, Hij weet Amanda te verleiden: Zijn lage list gelukt op ’t laatst......

IV.

Op dezen minnezwang’ren avend Keert Feiko huiswaarts door het bosch; ’t Gelaat van liefdevuurgloed stralend, Zingt hij van „haar”, uit volle borst.

Het dalend duister deert hem weinig, Hij heeft een goed pistool op zak, Want roovers maken ’t woud onveilig, En loeren langs ’t verlaten pad.

Wat hoort zijn oor? Wat zien zijn oogen? Een schijnbeeld, dat de schemer schiep? Hij luistert...... gluurt door ’t lichte loover...... Neen, goden! Hij vergist zich niet:

Hij hoort de sissekussen snerpen, De booswicht lispt _Amanda’s_ naam...... Daar staan ze, bij de blanke berken, In ’t schijnsel van de zilvren maan!

V.

Een oogwenk slaat hij ’t schouwspel gade, Hij staat verslagen en verstomd, Zijn adem stokt, zijn oogen stare’, Hij blijft genageld aan den grond.

Dan tast zijn hand naar ’t dood’lijk wapen, Hij drukt het aan de slaap, en zucht...... Wel wil hij ’t weeë leven laten, Maar deinst nog voor de daad terug......

„Amanda,” snikt hij, „was dàt edel? Amanda, had ik dàt verdiend......?” Hij wankelt, heft den blik ten hemel...... Een schot — hij ligt ter aard, ontzield. — — — — — — — — — ’t Is zeker treurig. Maar geen wonder. Leer dus uit Feiko’s levensloop: Richt op je voorhoofd geen revolver, Want als het afgaat, ben je dood.

9. LOFRIJM OP DE PRIKKEL-IDYLLEN.[3]

Nu zing ik de lof van de Prikkel-Idyllen, Hoewel ik gewoonlijk meer houd van bedillen, Een ieder zijn meug heeft, en smaken verschillen, Nu zing ik de lof van de Prikkel-Idyllen. En hun, die hun tijd en hun duiten verspillen Aan al die dolzinnige drama-paskwillen, Aan Holmessen, Carters en Buffalo-Billen, Die rillend genieten, genietende rillen, Niet ophouden kunnen, al zouden ze willen, Er stapels van koopen, te zwaar om te tillen, Hun roep ik het toe: leest de Prikkel-Idyllen! Of zijt ge soms een van die stiekeme stillen, Die leest in ’t geniep van het levendig villen, Van moorden, van branden, van snikken, van gillen, Van ’t rammelend rif, van het graf, van het kille, Van zuchten zoo zachte, van schreeuwen zoo schrille, Dat ieder, die ’t leest als een riet staat te trillen, Van oogen die puilen, van wonden die lillen, Van gruwzame ouders, die kinderen drillen In ’t listig vermommen met pruiken en brillen — Leest, leest, en geneest door de Prikkel-Idyllen! Zoo zeker als hoest door laurier of camillen, En alles geneest door de Holloway-pillen, Zoo vindt gij uw heil bij de Prikkel-Idyllen!

[3] „Prikkel-Idyllen” door Cornelis Veth. Uitg. C. A. J. van Dishoeck, Bussum.

VII. IERSCHE GIJN

(_Irish Bulls_)

An Irish bull is an unconscious and amusing blunder, often implying an evident contradiction in terms, generally attributed, though not confined, to Irishmen. — Enc.

1.

Patrik had zich niet gedragen Als den Ierschen held betaamt: Hij was op de vlucht geslagen! En daar stond hij nu, beschaamd.

Nou. Het regende verwijten Van de boeren uit de buurt; Patrik stond zich te verbijten: ’t Had nu lang genoeg geduurd!

Hij wou van de herrie af zijn, Waarom Pat aldus besloot: „_Liever vijf minuten laf zijn,_ _Dan je heele leven dood!_”

2.

Patrik Brown viel naar beneden, Toen hij werkte op het dak, Zoo, dat d’ arme baas, och heden! Allebei zijn beenen brak.

En de medicus, een hartlijk, En gemoedlijk’ oude heer, Zei: „Wel man, dat treft me smartlijk! Dee die val je dan zoo’n zeer?”

„Nee,” zei Pat, „ja, ’t is waarschijnlijk, Dat je ’t niet gelooven zal: _’t Vallen zelf dat was niet pijnlijk,_ _Maar het staken van den val._”

3.

Patrik was met Mike aan ’t baden In de mooie, blauwe zee, En zooals je wel kunt raden, Nam een vloedgolf beiden mee.

Mike zwom goed, en even later Stond hij veilig op het strand; Daarna ging hij weer te water, En bracht toen zijn vriend aan land.

„Wat was dat nu voor een grapje?” Klaagde Pat, en Mike zei toen: „_’k Moest mezelf eerst redden, snap je,_ _Anders kon ’k het jou niet doen._”

4.

Mike z’n zuster was bevallen Van een welgeschapen spruit, En zijn buren staken allen Voor hun vriend de vlaggen uit.

„Is ’t een meisje of een jongen?” Vroeg men, maar hij wist het niet, Daar werd steeds op aangedrongen, Telkens was ’t het oude lied.

Eindlijk werd het onzen man te Bar, en greep hij naar de pen: „_Schrijf me_,” schreef hij, „_of ik tante,_ _Of dat ’k oom geworden ben._”

5.

Een meneer, die had georven, Bouwd’ in Ierland eens een huis. Maar het uitzicht werd bedorven Door een stapel puin en gruis.

„Zeg, wat doe ik met dat puin, man?” Vroeg hij aan zijn baas een keer; „Graaf een kuil,” zei Pat, zijn tuinman, „En daar stop je ’t in, meneer.”

„Hoe dan d’ aarde kwijt te raken?” Vroeg hij. Waarop Pat verzon _Om den kuil zóó groot te maken,_ _Dat ’t er allebei in kon._

6.

Patrik was geen erge slimmert, Maar hij knokte gauw, en goed; En zijn vijand, beurs getimmerd, Lag te baden in zijn bloed.

Een agent bracht onzen vechter In de boeien naar de stad. „Wat voor wapen,” vroeg de rechter, „Heb je in je hand gehad?”

Patrik stond te klappertanden, En zei vlug, maar minder juist: „_Heusch, ik had niets in me handen,_ _Edelachtbre, dan me vuist._”

7.

Mike, die deed in oude kleeren, Woonde naast de school, alleen. Eens wou Mike zich laten scheren, Sloot zijn winkel, en ging heen.

En hij schreef op een papiertje, Dat hij vastbond aan de bel: „Klanten! Over een kwartiertje Ben ’k terug. Dus wacht je wel.”

Maar, om heel sekuur te wezen, Schreef hij onder, aan den voet: „_Voor ’t geval je niet kunt lezen,_ _Vraag of Meester ’t voor je doet._”

8.

Ieren schrijven ongezouten Wat ze meenen, in de krant, En aan boeken vol met fouten Heeft een Ier terecht het land.

Toen een boek was uitgegeven, Dat nog vol met fouten stond, Had een criticus geschreven, Dat hij ’t ding onleesbaar vond.

d’ Ier, die ’t uitgaf, heeft bewezen, Dat hij hoorde tot het ras: „_’t Handschrift had hij niet gelezen_ _Voor ’t in druk verschenen was._”

9.

Twee heel nette Iersche heeren Kregen ruzie over geld; Dat liep uit op duelleeren, Dag en uur werd vastgesteld.

d’ Een schreef d’ ander, daags te voren, — Hij moest komen met den trein — „’t Is onmooglijk, met die sporen, Net precies op tijd te zijn.”

Maar hij scheen geen strijd te schromen, Want hij had er bij gekrast: „_Mocht ik soms iets later komen,_ _Wacht dan niet. Begin maar vast._”

10.

Patrik zat in een der parken Op een bank in grooten nood, Jam’rend: „O, mijn éénig varken, Ach! me mooie big is dood!”