Ruize-rijmen

Part 1

Chapter 12,706 wordsPublic domain

Produced by J.H.Berends and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net

RUIZE-RIJMEN

RUIZE-RIJMEN

DOOR

CHARIVARIUS

HAARLEM — H. D. TJEENK WILLINK & ZOON — 1922.

Deze verzameling bevat den inhoud der vijf vroegere bundels en de Rijmen, die verder in de beide Groenen en elders verschenen zijn, herzien, geschikt, geschift. Vele Rijmen heb ik geschrapt — te weinig, zal menigeen misschien zeggen. ’t Is mogelijk; het geheele hoofdstuk „Oorlogsrijmen” b.v. is niet actueel meer, en ik was ook eerst van plan dit weg te laten, maar ik vond ten slotte, dat ik de gedachten in dien over-belangrijken tijd gerezen, wel mocht doen herleven.

Teleurgesteld wordt, wie in dit boek slechts grapjes zoekt. Dit is niet bedoeld als amusementslectuur. Er zijn onder deze versjes eenige, die niets anders beoogen dan amusement, dat geef ik toe, b.v. de Iersche Gijn, maar ze geven het karakter van mijn werk niet aan. Als sommige Rijmen misschien een min of meer komisch effect hebben, is dat, om zoo te zeggen, bij ongeluk. Mijn bedoeling is meestal niet, grappig te zijn, maar de dingen die ik te zeggen had, in een eenigszins aannemelijken vorm op te disschen; de gewone vorm is het hoofdartikel of het ingezonden stuk, maar die worden niet gelezen, of wel gelezen en vergeten. De bladen, die mij de moeite waard mochten achten mij te bespreken, mogen de recensie dan ook niet opdragen aan den redacteur voor de rubriek „Onze Lachhoek”. Daar protesteer ik bij voorbaat tegen. Als ik mijn boekje doorblader vind ik er betrekkelijk weinig opgewekts of opwekkende in. Is ’t =mijn= schuld...?

Teleurgesteld wordt, wie in dit boek diepe gedachten zoekt. Ik berijmde de eenvoudige gedachten van ieder, die bewust leeft, en niet slaapwandelt. Van sportoverdrijving tot bidden om de overwinning — ’t ligt alles dicht bij de oppervlakte. Voor wijsgeer wil ik me niet uitgeven.

Teleurgesteld wordt wie in dit boek een richtsnoer zoekt. Ik ben meer plattegrond dan gids. Wil men mij een thermometer noemen, mij wel — een kachel ben ik zeker niet.

Teleurgesteld wordt, wie in dit boek poëzie zoekt. Ernstige gedachten berijmd vormen nog geen gedicht. Poëzie ligt buiten mijn gebied. Poëzie geeft meer gevoel dan gedachte, en ik geef meer gedachte dan gevoel. Rijmer ben ik, en als Rijmer zal ik sterven. Indien de lezer mijn Rijmen in dit licht beschouwt, zal ik er misschien mee bereiken wat ik er mee beoog; in elk geval zal men mijn werk dan den juisten maatstaf aanleggen bij het beoordeelen.

CHARIVARIUS.

September, 1922.

LEEN-RIJM.

_Aangeboden aan alle schrijvers. Zij mogen dit Rijm over laten drukken, vóór in hun boeken._

Lieve lezer, ik, het boekje, Vraag een oogenblik het woord; Dat een boek spreekt, is geen wonder — J’ hebt dat wel eens meer gehoord.

Lezer, _koop_ je wel eens boeken? — Niemand zegt natuurlijk neen — Of, wanneer j’ er een wilt lezen, Vraag je dan zoo’n boek te leen?

Ik verdenk je van het laatste, Dat is zoo het oude lied: Van het schrijfsel profiteert men — Aan den schrijver denkt men niet.

Is het niet een beetje treurig, — ’t Best is, dat je ’t maar erkent — Dat ’t zoo zelden bij je opkomt, Dat j’ ook _hem_ iets schuldig bent?

Want de schrijver staat zijn werk af, Levert je zijn geestelijk goed; Is ’t niet fair, dat jij van jou kant Hem zijn rekening voldoet?

Als dit beter werd begrepen, Zou ’t den schrijvers beter gaan; Is er, vraag ik, één auteur, die Van zijn werken kan bestaan?

’t Is dat leenen en dat leenen, Dat de boekenmarkt bederft; Het publiek gebruikt zijn werk, ter- wijl d’ auteur in armoe sterft.

Voor Carré, Centraal of Flora Kijk je om geen daalder scheel, Maar wanneer j’ een boek moet koopen, Is een kwartje je te veel.

Lezer, als j’ een boek wilt lezen, Dat je wat ontspanning biedt, Geef den schrijver wat hem toekomt; Koop het boek, en leen het niet.

Vorm een boekerij. Dat ’s billijk, En ’t is voor je eigen best, Want zoo’n geestelijk vermogen Geeft je daaglijks interest.

Wil j’ een vriend eens een pleizier doen, Of een hartelijkheid, of zoo, Laat _jouw_ exemplaar niet lezen, Maar geef hem er een cadeau.

Ja, een vriendschapsdienst, zoo heet het. Maar het is geen eerlijk spel! Want die vriendlijkheid van ’t leenen Kost jou niets — den schrijver wel!

Lieve lezer...... hm, ja, heb je Me _gekocht_, dan ben je „lief”, Maar wanneer je me _te leen_ hebt, En je leest me — ben je ’n dief!

Deze Rijmen mogen niet worden voorgedragen (ook niet in besloten kring — zie Auteurswet, art. 12) zonder toestemming van het Auteurs-bureau der Vereeniging van Letterkundigen, Jan Willem Brouwersplein 29, =Amsterdam=.

INHOUD.

I. ZEDE-RIJMEN.

Nr. Bldz.

1 Naampie 1 2 Broer, Zus en Mop 1 3 De Revanche-idee 2 4 Wij, dwazen! 3 5 Eer en hoogachting 3 6 Een kaartje 4 7 Dîner à prix fixe 5 8 St. Nicolaasklacht 7 9 De lieve Jeugd 8 10 Verjaarswensch 9 11 Celibatairswee 10 12 Beê aan Neêrlands Goôn 11 13 Ridderorden-rijm 12 14 De nette mensch spreekt 14 15 De séance 15 16 Impôt unique 17 17 Visite 20 18 De huwelijksreceptie 21 19 Het enkele woord 23 20 De diep-bedroefde aanbehuwdelingen 25 21 Mijn begrafenis 26

II. POLITIEKE RIJMEN.

Nr. Bldz.

1 Wat moet mijn zoon worden? 27 2 De bijzonderste Voorzienigheid of het gevallen boekske 28 3 De raad der bezadigden 29 4 Penelope 30 5 Aan Lieftinck, het tachtigjarig Kamerlid 31 6 Stem-rijm 32

III. OORLOGS-RIJMEN.

Nr. Bldz.

1 De bloedgebeden 34 2 Het schoonste 37 3 Dappere soldaten, bange diplomaten 39 4 Zes diplomaten 40 5 Aan Cort 41 6 Niederland! die Waffen nieder! 42 7 Moeder, wil U baby roepen? 43 8 The Hymn of Hate 44 9 Conspuez! 45 10 Olieverf-rijm 46 11 De tien 47 12 ’t Wordt weer aangevuld 49 13 In den gulden riddertijd 50 14 „Schimpt heuschelijck!” 51 15 Dietschland, Dietschland, ueber Alles! 53 16 O, gij, eens de zon van mijn leven 54 17 Ach, deden wij ook maar mee! 55 18 Dat is het! 56 19 Wanhopig besluit van een geslingerd krantenlezer 58 20 Die grosze Zeit 59 21 De groote toevlucht 59 22 Ik heb nu net een jaar gemoord 61 23 De Hochkultur en de Blooming Foreigner 62 24 Open brief 64 25 De Toekomst 66 26 Wat zij kunnen doen 67 27 O, die blinde, blinde, blinde... 67 28 De zwarte lijn 69 29 De melkknecht en de Duitsche Kultur 70 30 We wonen in een houten huis 72 31 Leuzen-rijm 72 32 Reik mij de hand, of... 74 33 Wij! 75 34 De snoevers 76 35 Divina Comoedia 77 36 Onze oude 78 37 De striktste bevelen 79 38 Quod licet Jovi non licet bovi 80 39 De gevallen ruiter 82 40 De toekomstige leiding der menschheid 82 41 Biologische Friedensrüstungen 83 42 Leugen-rijm 85 43 Roffel-rijm 87 44 Charivarius’ bekeering 88 45 Het Meilied der moeders 90 46 Majesteit of het koningschap volgens Tsaar en Keizer 91 47 Prinsen-rijm 92 48 Een neutraal lied van den oorlog en het Opperwezen 93 49 Aan Frans Bastiaanse, mijn concurrent-ruize-rijmer 96 50 Aan Charivarius 97 51 Vorstenschool 99 52 Karl en Zita of het bioskoopgevaar 101 53 Mies, Charivarius, de kanarie en de oorlog 102 54 O! O! O! 103 55 Een faillissement 105 56 Wij Duitschers, voorheen en thans 108 57 Hoog bezoek 109 58 De brief van den vader 111 59 Hoezee! 112

IV. TAAL.

Nr. Bldz.

1 Taal-rijm 113 2 Ed-dijm 115 3 Mevrouw 116 4 Beslist 117 5 Ruize! 117 6 Waar gaat het om? 118 7 Prachtbeweging 118 8 Zielige zaligheid 119 9 Federalisme 119 10 Het lied van Mooie Karel uit de Jordaan 121 11 Uitkomst-rijm 122 12 Spreek je moers taal! 122 13 The old Masters of Holland 124 14 The Chaos 125

V. KUNST.

Nr. Bldz.

1 Aan Speenhoff 130 2 De benauwde veste 131 3 Aan Tielens 132 4 D’r komen nette lui! 133 5 Preludium 134 6 Hollandsche humor 134 7 Hoe schrijf ik een tooneelstuk? 136 8 De bloementuin 137 9 De criticus 138

VI. LETTEREN.

Nr. Bldz.

1 Vaers 140 2 Sonnet 141 3 Het goudene raadsel van het wondere geluk 142 4 Een St. Nicolaascadeautje 142 5 Rid- en runders 144 6 Zak-drama 145 7 Rust-rijm 146 8 Rijm-rijm 148 9 Lof-rijm op de Prikkel-idyllen 151

Bldz.

VII. IERSCHE GIJN 152

VIII. OVIDIUS’ HERSCHEPPINGEN.

Nr. Bldz.

1 Deucalion en Pyrrha 161 2 Echo 163 3 Narcissus 164 4 Pygmalion 166 5 Arachne 168 6 Icarus 169 7 Pyramus en Thisbe 171 8 Philemon en Baucis 173 9 Phaëton 176

IX. GESCHIEDENIS DES VADERLANDS.

Bldz.

Eerste zang 178 Tweede zang 180 Derde zang 182 Vierde zang 185 Vijfde zang 188

X. ALLERLEI.

Nr. Bldz.

1 Mei-rijm 191 2 De Post-staking 192 3 Napoleon-rijm 194 4 Eerste liefde 197 5 Kwak-rijm 198 6 Het wonder 200 7 O, Telefoon! 201 8 Opgemerkt 203 9 Stemmings-rijm, van dood en leven 204 10 De treinen zijn op tijd 206 11 Hazen-rijm 207 12 Mensch, erger je niet! 210 13 Oweeërswee of het eet-examen 211 14 De Oweeërs krijgen les 215 15 Loflied op de vriendschap 217 16 Het antwoord van ’t meisje 219 17 Waar werd opreghter trou...... 222 18 Examen-rijm 223 19 Auto-rijm 225 20 Gemakkelijke bijverdienste 226 21 Het eene merkwaardige 227 22 Idylle 228 23 Lentelied 229 24 Op de auto-tentoonstelling 231 25 Voetbal-hymne 232 26 Het eene noodige 233 27 Lof der Zotheid, I 234 28 Lof der Zotheid, II 235 29 De Bloedneusproleet 236 30 Reclame-rijm 237 31 Het ergste 239 32 Plaatselijke Keuze 240 33 De blaren en de bladen 241 34 De niet-onbevoegde zijde 243 35 Het plaatselijke blaadje 244 36 Patricisch Proletariaat 246 37 Kerstliedje 247 38 Levenswijsheid 248

XI. VAN LEVEN EN STILTE.

Nr. Bldz.

1 Levenslied 251 2 Charivarius in de Alpen (de Pers in de wolken) 252 3 Bosch-rijm 254 4 Strand-rijm 255 5 Sneeuw-dag in de duinen 257 6 Kachel-mijmerij 258 7 De jonge blinde 259 8 Bello, de trekhond 261 9 Treur-rijm 263 10 Toe, jongens, weest niet wreed! 265 11 Des eenlings mijmerij 267 12 Twee-eenheid 269

I. ZEDE-RIJMEN.

1. NAAMPIE.

De tijd van Klara, Bettekoo, van Annemie en Aagje Is lang voorbij. We volgen nu het voorbeeld van het Haagje. Zoo’n naampie op een y-tje klinkt zoo fijntjes, zoo coquetjes, Marie, Christien, Jacoba, Anna, Mina is niet netjes. We zeggen liever Mary, Tini, Cobi, Anni, Mini, En Kitty, Nelly, Wimmy, Elly, Florry, Lotty, Stini. En Jet is veel te burgerlijk, fatsoenlijker is Jetty, En Jenny, Molly, Henny, Dolly, Enny, Polly, Hetty, En Maggy, Tilly, Fanny, Lili, Lizzy, Carry, Corry, En Bini, Betty, Dini, Nettie, Suzie, Emmy, Dorry. Een jongen heet geen Hein, maar Harry. Jan is plat; zeg Johnny, En Willem — dat moet Willy zijn, en Toon natuurlijk Tonny, Dan noem’ we Wijnand Wijnie’ hoor; een ie-tje hebben _zal_-ie! Wat moet’ we dan met Albert doen? — Wel, noem den lummel Ally! Ook Eduard is veel te flink, en Frits en Ferdinand, Die worden dus tot Eddy, Freddy, Ferry-dear ontmand. En Gijs wordt Bertie, Bonnie staat voor... drommels ja hoe hiet _die_? Gelukkig nog dat Piet voorloopig Piet is en niet Pietie! Al wat uit Eng’land komt is chic. Ja juist, maar je vergeet, Dat daar de waschvrouw Mary, en het vischwijf Kitty heet!

2. BROER, ZUS EN MOP.

De kwestie van de namen is en blijft een lastig vraagstuk, Benoem je kinderen niet te dwaas, bedenk het is een waagstuk. Ik ken een deftig handelsman, gewichtig, stram en stoer, Hij groeit geweldig door zijn haar — maar heet nog altijd... Broer! Een donkere vrouw van veertig jaar, in statige gewaden, Schrijdt, vorstelijk neigend, door de zaal. Haar naam, zoo zou je raden, Is =Hilda=, =Nora=, =Adelheid=? — Helaas, ’t is niet aldus, De schitterende schoone luistert naar den naam van Zus! Haar oudre zuster voelt zich jong; dat blijkt, wanneer je weet, Dat zij — ze is nog ongetrouwd — (hoe snoezig!) Baby heet! =Marianne= klinkt te muzikaal, te mooi; daar weet’ w’ iets op: De arme stumperd wordt veroordeeld — levenslang — tot Mop! We willen Fransche namen, best! maar ’t Fransch is ons de baas, En daarom wordt Louise Wies, Françoise — schrik niet! — Zwaas! Een kindje, laat-in-’t-spreken, stottert, en wij stotteren ’t na, Zoo’n hik-snik wordt tot naam verheven door Papa en Ma. Zoo Hak en Tip en Hep en Toet en Iet en Noes en Biep, En Pip en Mans en Tot en Ans en Lei, Tee, Dig en Siep, En Ankie, Poetje, Robbie, Doetje, Tientje, Ponk en Poppie, En Mokkie, Pukkie, Apie, Kukkie, Seppie, Tut en Toppie, En Kiek en Uk en Noep en Tuk en Ies en Oot en Mik... Zoo zull’ de stakkers blijven heeten tot den jongsten snik. ’k Doe, slachtoffers, beroep op u. Gij allen, die moet lijden, Door ’t smakeloos en zot bedrijf, gij moet uzelf bevrijden. O Broer, o Zus, o Peuter, Poes, o Tik, o Fink, o Riet! Vecht voor je naam, en luistert naar die kokhalsklanken niet!

3. DE REVANCHE-IDEE.

Opgedragen aan Hak en Tip en Hep en Toet en Iet en Noes en Biep en Pip en Mans en Tet en Ans en Lei, Tee, Dig en Siep en Ankie, Poetje, Robbie, Doetje, Tientje, Snor en Poppie, en Mokkie, Pukkie, Apie, Kukkie, Seppie, Tut en Topie, en Kiek en Uk en Noep en Tot en Ies en Oot en Mik, en Broer en Zus en Peuter, Poes en Fink en Tik.

_Motto_: „Verongelijkten van alle ouders, vereenigt u!”

Neen, Uk en Poes, en Tut, verdraagt je schande niet geduldig, Neemt op je _ouders_ wreede wraak, want waarlijk _zij_ zijn schuldig! Zij leverden u over, Broer en Miep, aan hoon en smaad, Neemt wraak! en zet het hun betaald! Vergeldt dan kwaad met kwaad! Maar, luistert, want je moet het goed en vinnig, met verstand doen, Ik weet wat voor je. ’k Zal je eens wat aardigs aan de hand doen. Vooreerst, zegt altijd „Jou” en „Jij” — dat geeft zoo’n lekkere snauw: „Jij, Tut!” — „_Nee, jij mot, jij!_” — „’t Is ’t jouwe!” — „_Nee, van jou! van jou!_” Je noemt dat Fransch of Duitschen stijl — al is ’t ook geen van beiden, Want Franschen, Duitschers zeggen „jou” tot God, „u” tot de meiden! — En verder, zegt nooit „Moeder” meer, zoo hartelijk en zacht, Zoolang zij hikt van „Hak” en „Tip”, met misbruik van haar macht. Zegt „_Mamma_”, want daar ku’ j’ zoo’n doffen rommelklank in leggen, Of, wil je nog wat leelijkers, dan moet je „_Mam_” gaan zeggen. Je weet, dat _mamma_ „uier” is (een oud-latijnsche stam) En „Mam” klinkt zoo poëtisch! Net als _ham_, en _kam_ en _klam_. Nu heb ik nog iets voor je om je vader klein te krijgen: Je moet het mooie „vader”-woord zorgvuldiglijk verzwijgen, Je scheldt hem plat en duidelijk uit, ter eer van ’t vaderschap, Met woord voor ’t slijmerig kindervoêr, en noemt je vader... _Pap_!

_Allemaal_:

’t Weerklinke dus van Groningen, Maastricht tot Amsterdam Van: _Mam_ en _Pap_ en _Pap_ en _Mam_ en _Mam_ en _Pap_ en _Mam_!!

4. WIJ, DWAZEN!

„Ons land zij groot in al, waarin een klein land groot kan zijn,” Zoo luidde ’t vorstelijk woord, (te veel!) herhaald door groot en klein. En als er ooit geluisterd werd naar zulke wijze lessen, Dan hebben wij dat hier gedaan. Kijk maar eens naar d’ adressen; Die zijn, hoe klein ons land ook is, behoorlijk lang en groot, En daarbij goed bedacht — door een volslagen idioot. Wij, dwazen, schrijven elken dag die dolle nonsens neer: _WelEdele_, of, deftiger, _WelEd. Geboren Heer_, _Den Heer_, zoo sec, dat durv’ we niet; dat moeten we verlengen Tot _WelEerwaarden_, _ZeerGeleerden_, _WeledelGestrengen_, Den _HoogGeboren Heer_ of _Vrouwe_; en — je moet het hooren! — Die even minder deftig is, die is _HoogWelGeboren_! En ben j’ iets meer dan hooggeboorn, al is ’t verschil ook klein, Wat ben je dan? Medunkt, dan moet je _ZeerGeboren_ zijn! _HoogEdele_, _GrootAchtbare_, _Geleerde_, _ZeerEerwaarde_... Verbeeld je iemand, die den adel aan geleerdheid paarde, Zoo iemand werd _HoogWelgeborenEdelZeerGeleerd_! En was hij in de Rechten bovendien gepromoveerd, En wist hij het tot raadslid van Kwadijk of Liemt te brenge’ Hij werd _WelEdelAchtbaarHoogGeborenZeerGestrenge_! — O, _HoogGeborenWelEerwaardeZeerGrootAchtbare_ Heer, U is geleerd, maar is U ’t _Hoog_, of is U ’t nog maar _Zeer_? — Wij moesten eens bedenken, wij, grootachtbare eedle dwazen, Voor _wie_ wij toch zoo zeergeleerd op d’enveloppen razen, Voor wie ’t bestemd is, al die strenge edelachtbaarheid?... Ik zal ’t je zeggen: voor den postman en voor Mie, de meid.

5. EER EN HOOGACHTING!