Romeo en Julia

Part 7

Chapter 74,037 wordsPublic domain

Hoe vaak speelt niet een glimlach om den mond Van stervenden! Hun wakers noemen dat Een flikk'ring vóór den dood; o, zoo mag ik Dit flikk'ring heeten! Mijn geliefde vrouw! De dood zoog 't honigzoet uws adems in, Maar heeft op uwe schoonheid niets vermocht. Nog zijt gij niet verwonnen; schoonheids vaan Dekt purperrood uw lippen nog en wang, Daar werd geen vale doodsvlag nog ontrold!-- Ligt gij daar, Tybalt, in uw bloedig kleed? Hoe bied ik beter zoen u aan, dan dat De hand, die ùw jeugd afsneed, ook de jeugd Van hèm doorkliev', die eens uw vijand was? Vergeef mij, neef!--Ach, dierb're Julia, Waaròm zijt gij nu nog zoo schoon? Moet ik Gelooven, dat de lichaamlooze dood Verliefd is, en het dor, verafschuwd monster U hier in 't duister houdt als zijn boelin? Ik vrees 't, en daarom blijf ik bij u wijlen, Om nooit uit dit paleis der donkre nacht Weêr heen te gaan; hier wil ik blijven, hier, Bij wormen, uwe kameniers; ja, hier Spreid ik mij 't bed der eeuw'ge rust en schud Ik 't juk, door booze sterren me opgelegd, Van 't afgesloofde lijf.--Uw laatsten blik, Gij oogen! uwe laatste omhelzing, armen! En, ademspoorten, lippen, zeeg'le uw kus Den eeuwigen bond met de' alverzwelger, Dood!--

(Hij kust haar en haalt een fleschje te voorschijn.)

Kom, wreede leidsman, kom, afschuwlijk gids! Zet, raad'loos stuurman, 't afgesolde schip In eens nu op de brijzelende klip! Dit, liefste, aan u! (Hij drinkt.)--Braaf man! 't was waarheid dus; Uw drank is snel;--zoo sterf ik met een kus.

(Hij sterft.)

(Lorenzo verschijnt aan het andere einde van het kerkhof, met lantaren, koevoet en spade.)

LORENZO. Wees, Sint Franciscus, mij nabij! Hoe vaak Stiet ik mijn oude voeten aan een graf!-- Wie daar?

BALTHAZAR. Een vriend, en een die goed u kent.

LORENZO. God zegen' u! En zeg mij, goede vriend, Wat is dat voor een toorts, die licht verspilt Aan wormen en aan oogenlooze schedels? Zie 'k wel, dan brandt ze in 't graf der Capulets.

BALTHAZAR. Zoo is het, heilig man; daar is mijn meester; Gij hebt hem lief.

LORENZO. Wien meent gij?

BALTHAZAR. Romeo.

LORENZO. Sinds hoe lang is hij daar?

BALTHAZAR. Ruim een half uur.

LORENZO. Ga met mij naar 't gewelf.

BALTHAZAR. Ik durf niet, Heer, Mijn meester weet niet anders, of ik ging; En dreigde mij met meer dan éénen dood, Als ik vertoefde en naging wat hij deed.

LORENZO. Blijf dan, ik ga alleen.--Vrees slaat me om 't hart; Ik ducht, er is een ongeluk geschied.

BALTHAZAR. Ik droomde, toen ik hier was ingeslapen, Dat ginds mijn meester met een ander vocht, En dat hij de' ander doodde.

LORENZO (het graf naderend). Romeo! O wee mij, wee mij, wat voor bloed bevlekt Den steenen drempel van dit grafgewelf? Wat zijn 't voor zwaarden, die bevlekt en heerloos Wankleurig liggen op deez' plaats van vreê?

(Hij treedt het grafgewelf binnen.)

Romeo! Doodsbleek! Wie meer?--Wat! Paris ook? En in zijn bloed?--Onzaal'ge, wreede stonde, Die zooveel, zooveel jammer hebt gebaard!-- De jonkvrouw, zij ontwaakt!

(Julia ontwaakt.)

JULIA. O trouwe trooster! O, waar is mijn gade? 'k Herinner mij, waar ik ontwaken moest; Daar ben ik nu.--Waar is mijn Romeo?

(Men hoort gedruisch.)

LORENZO. Ik hoor gedruisch.--Kom, jonkvrouw, uit deez' groeve Van dood en pest, dit schrikk'lijk slaapvertrek; Een hoog're macht, en die geen weerspraak duldt, Heeft onzen raad verijdeld. Kom, van hier! Uw gade ligt hier aan uw zijde dood, En Paris ook. Kom mede, ik zoek voor u Een veil'ge toevlucht in een klooster. Spil Geen tijd met vragen; hoor, daar komt de wacht!

(Het gedruisch komt naderbij.)

Kom, lieve Julia!--'k Durf niet langer toeven.

JULIA. Ga, spoed u dan; ik wijk hier niet van daan.

(Lorenzo af.)

Mijn gade! Hoe! gij houdt een fleschje omklemd?-- Verkortte gift dan 't leven, u bestemd?-- O, vrek, dronkt ge alles, liet gij mij geen drup. Om u te volgen?--'k wil uw lippen kussen; Misschien kleeft nog wat gif er aan, genoeg, Om als een laafnis mij den dood te brengen.

(Zij kust hem.)

Warm zijn uw lippen!

EERSTE WACHTER (achter het tooneel). Knaap, wijs ons den weg!

JULIA. Gedruisch?--Dan niet gedraald! Ha, welkom, dolk!

(Zij grijpt Romeo's dolk en doorsteekt zich.)

Dit zij uw scheê; roest daar, en laat mij sterven.

(Zij sterft.)

(De Wacht komt op, met den Page van Paris.)

PAGE. Dit is de plaats, dáár, waar de fakkel brandt.

EERSTE WACHTER. De grond is hier met bloed; doorzoekt het kerkhof; Gijlieden, gaat, vat ieder, dien gij vindt.

(Eenige Wachters af.)

O, schriktooneel! Hier ligt de graaf vermoord;-- En Julia bloedend, warm, gestorven pas, Die voor twee dagen reeds begraven was.-- Ga, zeg 't den vorst;--ijl tot de Capulets,-- Wek op de Montagues;--gij and'ren zoekt;--

(Andere Wachters af.)

Wij zien den grond, die dezen jammer draagt, Maar des rampzaal'gen jammers waren grond Kan slechts nauwkeurig onderzoek ontdekken.

(Eenige Wachters komen op met Balthazar.)

TWEEDE WACHTER. Wij vonden Romeo's dienaar hier op 't kerkhof.

EERSTE WACHTER. Bewaakt hem goed, totdat de vorst verschijnt.

(Andere Wachters komen op met broeder Lorenzo.)

DERDE WACHTER. Deez' monnik beeft en zucht en weent; wij namen Dien koevoet en die spade van hem af, Toen hij aan deze zij van 't kerkhof kwam.

EERSTE WACHTER. Dat is verdacht; ook hij zij goed bewaard.

(De Vorst en zijn Gevolg komt op.)

VORST. Wat onheil is zoo vroeg reeds op de been, En roept van onze morgenrust ons op?

(Capulet, GravinCapulet en Anderen komen op.)

CAPULET. Wat kan het zijn, dat elk zoo roept en jammert?

GRAVIN CAPULET. Het volk roept op de straten: Romeo! Dan weder: Julia! en dan weer: Paris! En spoedt met luid geschreeuw zich naar ons graf.

VORST. Wat schrik is dit, die zoo ons oor verscheurt?

EERSTE WACHTER. Mijn vorst, hier ligt graaf Paris, pas verslagen, En Romeo dood; en Julia, lang gestorven, Nog warm en pas gedood!--

VORST. Spoort na, vorscht uit, wie 't schendig stuk bedreef!

EERSTE WACHTER. Hier zijn een monnik, heer, en Romeo's dienaar; Zij hadden spade en koevoet om 't verblijf Van dooden te oop'nen.

CAPULET. O God! Zie, vrouw, hoe onze dochter bloedt! Die dolk, ach! is verdwaald, want zie, zijn huis Rust ledig op den rug van Montague,-- Zijn dwaalscheede is de boezem mijner dochter.

GRAVIN CAPULET. Wee mij, dit doodsgezicht is als een klok, Die mij vermaant en oproept tot het graf.

(Montague en Anderen komen op.)

VORST. Kom, Montague! verreest gij vroeg, nog vroeger Ligt hier uw zoon en erfgenaam geveld.

MONTAGUE. Ach, edel vorst, mijn vrouw bezweek deez' nacht Van kommer om de ballingschap mijns zoons. Welk meerder wee belaagt mijn ouden dag?

VORST. Kom, en aanschouw het hier!

MONTAGUE. O, onbescheiden kind! betaamt het u, Voorbij uw vader naar een graf te dringen?

VORST. Weerhoudt uw bitt're klachten nog, totdat Wij licht in 't duister brengen, en de bronaâr, Den waren oorsprong dezer rampen kennen; Dan wil ik veldheer van uw weeklacht zijn, Al voert die ook ten doode. Zwijgt intusschen, En zij de weedom slaaf nu van 't geduld.-- Stelt hèn thans voor ons, op wie argwaan rust.

LORENZO. Schoon 't minst in staat tot boosheid, ben ik 't meest-- Wijl tijd en plaats zich tegen mij verbonden,-- Verdacht van aandeel in deez' gruwbren moord. Als klager en gedaagde sta ik hier; 'k Beschuldig en ontschuldig hier mijzelf.

VORST. Zeg ons in 't kort, al wat gij hiervan weet.

LORENZO. Kort zal ik zijn, want de adem, die mij rest, Reikt voor een lang verhalen niet meer toe. Hij, Romeo, die daar ligt, was Julia's man; Zij, die daar ligt, was Romeo's trouwe gade. Ik trouwde ze in 't geheim; hun huw'lijksdag Was Tybalts doodsdag; diens ontijdig sterven Verwees den jongen man in ballingschap. Om hem, om Tybalt niet, was Julia's smart. Om uit den greep van 't wee haar los te maken, Hebt gij aan Paris haar verloofd en zoudt Tot de' echt haar dwingen;--nu komt zij tot mij, En eischt, met wilden blik, van mij een middel Om van dien tweeden echt haar te bevrijden, Of in mijn cel zou zij zichzelve dooden. Toen gaf ik haar,--mijn wetenschap vond baat,-- Een slaapdrank, die naar eisch zijn werking deed, Want hij omgaf haar met den schijn des doods. Onmidd'lijk schreef ik ook aan Romeo, Hierheen te komen in deez' gruwbre nacht, Om haar te ontrukken aan 't geborgde graf; Dan was de werking van den drank gedaan. 't Noodlottig toeval wilde, dat de broeder Johannes, die mijn brief had, niet kon gaan; Hij bracht dien gist'ren mij terug. Alleen Ging ik dus tegen 't uur van haar ontwaken Haar halen uit het graf van haar geslacht, Van plan haar te verbergen in mijn cel, Tot ik aan Romeo tijding zenden kon; Maar toen ik kort voor haar ontwaken kwam, Vond ik den eed'len Paris hier geveld, En nevens haar den trouwen Romeo dood. Ze ontwaakt; ik bad haar dringend mij te volgen En in Gods wil gelaten te berusten. Gedruisch dreef uit het grafgewelf mij heen, En zij wilde in haar wanhoop mij niet volgen, Maar sloeg, als blijkt, de hand toen aan zichzelf. Ziedaar al wat ik weet; van haren echt Weet ook de voedster. Valt nu van de ramp Iets van de schuld op mij, neem 't kleine deel, Dat van mijn wankel leven mij nog rest, En offer 't aan den strengsten eisch der wet.

VORST. Steeds hebben we u als heilig man gekend.-- Waar is nu Romeo's dienaar? Die treê voor!

BALTHAZAR. Ik bracht mijn heer 't bericht van Julia's dood; Hij ijlde spoorslags toen van Mantua Naar deze plaats en naar dit grafgewelf. Deez' brief hier moest ik aan zijn vader brengen; Hij ging in 't graf en dreigde met den dood, Als ik niet ging en hem daar achterliet.

VORST. Geef mij den brief; ik neem er kennis van.-- Des graven page riep de wacht, waar is hij?-- Jong mensch, wat deed uw heer op deze plaats?

PAGE. Hij kwam om bloemen op haar graf te strooien, En gaf mij last terug te gaan; zoo deed ik; Toen kwam er een met licht, die 't graf wilde oop'nen, En weldra viel mijn meester op hem aan, En ik liep, om de wacht te roepen, heen.

VORST. Dit schrijven staaft de woorden van den monnik, Hun huwlijk en de tijding van haar dood; Hij schrijft ook, van een hongrige' apotheker Kocht hij vergift, om hier in Julia's graf Aan hare zij te sterven en te rusten.-- Waar zijn die haters? Ziet nu, Capulet En Montague, wat geesel striemde uw haat! Door liefde doodt de hemel al uw vreugd! Ook ik, te zacht bij uwen twist, verloor Een tweetal magen;--allen zijn gestraft.

CAPULET. O, broeder Montague, reik mij uw hand; Dit zij mijn dochters weduwgift, want meer Kan ik niet vord'ren.

MONTAGUE. Maar ik meer u geven; In zuiver goud doe ik haar beeld verrijzen; Zoolang Verona nog Verona heet, Koom' nooit in waarde een beeld dit beeld nabij, Dat ik aan uw getrouwe Julia wij.

CAPULET. En nevens haar zij zoo uw zoon herdacht! Rampzalige offers, onzen haat gebracht!

VORST. Een sombren vrede brengt ons deze morgen; Van wee omfloerst de zon haar aangezicht; Dit onderzoek eischt nog mijn droeve zorgen, Opdat ik streng, en toch genadig, richt. Nooit trof het noodlot twee gelieven zoo, Als 't Julia deed en haren Romeo.

(Allen af.)

AANTEEKENINGEN.

De eerste uitgave van Romeo en Julia verscheen in 1597, in quarto. Twee jaar later verscheen een verbeterde en vermeerderde uitgave in quarto, die in zeer vele opzichten van de eerste verschilt, in 1609 een derde, met de tweede grootelijks overeenstemmende; in de folio-uitgave der dramatische werken van Sh. in 1623 is Romeo en Julia waarschijnlijk naar de quarto-editie van 1609 afgedrukt.

De eerste uitgave wijkt zoozeer van de volgende af en is in zoovele opzichten onvolkomen, dat het stuk zeker nooit aldus is opgevoerd. Door een nauwkeurige vergelijking--zooals door Tycho Mommsen [1] volbracht is,--moet men wel tot het besluit komen, dat deze eerste quarto-uitgave,--onrechtmatig verkregen, zooals alle afzonderlijke uitgaven van Sh.'s tooneelwerken,--niet een eerste onvolkomen bewerking van het stuk door Sh. bevat, maar samengeflanst is uit echte gedeelten, misschien door afschriften der rollen van acteurs verkregen, uit aanteekeningen, gedurende de opvoering gemaakt, en uit onechte brokken, door den een of ander er bijgevoegd, om uit de materialen een geheel te maken. Toch is deze eerste uitgave een geenszins te versmaden hulpmiddel om drukfouten in de volgende te verbeteren en tot een juisten tekst te komen.

Evenals in vele andere gevallen heeft Sh. het onderwerp van zijn stuk aan anderen ontleend, maar toch een hoogst oorspronkelijk werk geleverd. Hij heeft getoond, dat er van lotgevallen als die van Pyramus en Thisbe heel wat anders te maken was, dan de handwerkslieden deden in den Midzomernachtdroom.--De Veronezers stellen de geschiedenis in 1303 en toonen aan bezoekers niet alleen het huis der Capulets, maar ook het graf der gelieven. In 1535 verscheen een novelle, La Giulietta getiteld, van Luigi da Porto, van Vicenza, geschreven naar aanleiding van een verhaal, door een oud krijger hem gedaan. In 1554 deelde Bandello in een Italiaansche novelle, de negende van zijn tweede verzameling, de lotgevallen van Romeo en Julia mede, en hieruit putte Pierre Boisteaux een Fransch verhaal. Uit het Fransch ging het in 1567 over in Painter's, door Sh. meermalen gebruikte, verzameling van verhalen, die den naam droeg van Palace of Pleasure, met den titel: The goodly history of the true and constant love betweene Rhomeo and Julietta, the one of whom died of poyson, and the other of sorrow, and hevinesse: wherein be comprysed many adventures of love and other devises touchinge the same. Reeds vroeger, in 1562, was er van Arthur Brooke een episch gedicht verschenen: The Tragicall Historye of Romeus and Juliet, written first in Italian by Bandell, and nowe in Englishe by Ar. Br.--Aan dit episch gedicht heeft Sh. zich nader aangesloten dan aan Painters verhaal.

Proloog. Chorus was de geijkte naam voor den woordvoerder van den Proloog.

Ald. reg. 6. Ten ondergang gewijd. Sh. bezigt hier de uitdrukking: A pair of star-cross'd lovers, door een boos gesternte tegengewerkt; een uitdrukking, die ik niet volkomen vermocht weder te geven, evenmin als regel 9: The fearful passage of their death-mark'd love. De zorgvuldigste vertaling kan niet altijd alles teruggeven zonder gewrongen, onwelluidend en ondichterlijk te worden, en zou alsdan juist door het streven naar woordelijke getrouwheid een geheel anderen indruk maken dan het origineel.

Ald. reg. 12. Een tweetal uren. Bij de tooneelvertooningen in Sh.'s tijd waren er geen tusschenpoozen na een bedrijf en geen veranderingen van tooneel, zoodat het spelen vlugger ging. Ook in den proloog van Koning Hendrik VIII wordt (reg. 13) een tijdsverloop van twee uren als de duur der vertooning aangegeven.

I. 1. 1. De woordspelingen in het gesprek der bedienden moesten natuurlijk in het Nederlandsch door andere vervangen worden; zoo staat hier in het Engelsch: we'll not carry coals, dat is: kolen dragen, smerigen arbeid verrichten, zich alles laten welgevallen, waarop dan de woordspeling met choler en collar volgt.--Hier zij tevens eens voor goed opgemerkt, dat de frivoliteiten, zooals die hier in dit gesprek der knechts voorkomen, en later in het stuk door de Voedster en den jongen edelman Mercutio geuit worden, bij Sh. steeds dienstig zijn om de personen te kenschetsen, zoodat deze daardoor te meer naar het leven geschilderd zijn; nooit om haarzelfs wil, nooit met het doel om door dergelijke aardigheden enkele toehoorders te behagen. Sh. is inderdaad een zeer gekuischt dichter: men vergelijke, om zich hiervan te overtuigen, Sh. met velen zijner tijdgenooten of ook met onze dichters uit zijn tijd of later, b.v. Brederoo en Huygens.

I. 1. 52. Ik zal op me duimnagel tegen ze bijten. Er staat: I will bite my thumb at them. Ook bij Sh.'s tijdgenooten wordt het in den mond steken van den duim, als men iemand ontmoet, onder de beleedigende handelwijzen vermeld. Het gebaar wordt aldus beschreven: to defy by putting the thumbe naile into the mouth and with a jerke from the upper teeth make it to knacke. Wij zouden spreken van "een neus zetten" of van "met duim en vinger knippen".

I. 1. 82. Mijn zwaard. In 't Engelsch staat my long sword, het groote zwaard, onderscheiden van het tot sieraad gedragen little sword. Dat Capulet in zijn huisgewaad, in his gown, komt, bewijst, dat hij plotseling in zijn rust gestoord wordt.

I. 1. 128. Wilde vijgeboomen of Sycomores komen ook elders bij Sh. voor als boomen, wier schaduw door droefgeestige verliefden gezocht werd.

I. 1. 130. De wolken meerd'rend. Sh. laat ook elders de zuchten wolken vormen.

I. 1. 205. Zeg me in ernst. Tell me in sadness. Sadness beteekent zoowel ernst als treurigheid. Daarom zegt in 't Engelsch Romeo in zijn antwoord alleen: What, shall I groan, and tell thee?

I. 1. 222. Haar schoon vergaat enz. In verscheidene sonnetten, misschien omstreeks dezen tijd geschreven, wordt dit denkbeeld uitgewerkt.

I. 1. 236. 't Gelukkig mom. Toespeling op de zwarte maskers, die in Sh.'s tijd de dames bij het uitgaan plachten te dragen.

I. 2. 52. Een weegbreeblad. Dit wordt door Sh. ook elders als heelmiddel tegen een gewond scheenbeen genoemd. Romeo zegt hier, dat hij geen van Benvolio's tegengiften behoeft, maar zich met een weegbreeblad (Plantago) kan helpen.

I. 3. 13. Ach, tien te veel. In 't Engelsch staat: To my teen be it spoken,.... she is not fourteen. Een woordspeling met teen, kommer, verdriet, en teen in fourteen.--Een oogenblik later vat de voedster het odd days, eenige dagen, van Lady Capulet, op als een oneven aantal, en zegt even or odd, en spreekt van Lammas-eve ad night (1 Augustus), alsof de avond niet reeds door eve werd aangeduid.

I. 3. 23. De aardbeving, ja, is elf jaar nu geleên. Op 6 April 1580 deed zich in Engeland een vrij hevige aardbeving gevoelen, die zeker nog lang in het geheugen bleef. Men heeft wel vermoed, dat de dichter, met het oog op deze aardbeving, deze regels in 1591 zou geschreven hebben, doch dit vermoeden is ongetwijfeld zeer gewaagd, al behoort zeker dit stuk tot zijn vroege werken.

I. 3. 86. Het randschrift ter verklaring geeft zijn oog. Sh. spreekt hier van "the margent of his eyes," doelend op de aan den rand der boeken te vinden verklaringen.--Wat drie regels verder voorkomt "The fish lives in the sea" is vrij duister en wordt op meer dan ééne wijze verklaard. De hier gegeven vertaling levert ten minste een gezonden zin op.

I. 4. 10. Wij nemen 't luchtig op. Het oorspronkelijke heeft hier een woordspeling met measure, meten, beoordeelen, en measure, een afgemeten dans.--Ook het vervolg bevat allerlei woordspelingen.

I. 4. 36. 't Gevoelloos strooibies. De kamers werden bij feestelijke gelegenheden met biezen bestrooid.

I. 4. 39. Hoe mooi enz. Hier is het oorspronkelijke weder niet terug te geven. De woorden fair en done staan in Romeo's gezegde tegen elkander over. Mercutio vat het woord op als dun (donkerkleurig of bruin) en zegt, dat, volgens de nachtwacht, bij nacht alle katten grauw zijn; en denkt terstond daarop weer aan het boerenspel: Dun is in the mire, waarbij een blok hout, dat een bruin paard moest voorstellen, door 't gezelschap opgelicht en heen en weer getrokken werd. Even diep als dat paard in de modder, zat Romeo in het slijk, met verlof gezegd, der liefde.

I. 4. 47. Veel meer dan onzen geest. In het Engelsch wordt gesproken van de five wits. Daaronder werden verstaan: common wit, imagination, fancy, estimation, memory. In zijn antwoord geeft Romeo aan meaning en wit weder een andere beteekenis.--Een oogenblik later vat hij in Mercutio's zeggen: That dreamers often lie, het woord lie op als liggen en tevens als liegen. Trouwens deze woordspeling komt bij Sh. zeer dikwijls voor.--In reg. 94 heeft carriage twee beteekenissen: draagvermogen en gedrag.

I. 4. 54. Fee Mab. Queen Mab is de oude naam der Elfenkoningin. Volgens Mercutio is zij onder de andere elfen vooral de vroedvrouw (midwife), die het brein verlost van de droomen, waar het van zwanger gaat (voorbeelden volgen), en zoo ook bij Romeo in zijn slaap een droom heeft doen geboren worden.

I. 5. 95. Ontwijdt deez' hand enz. De eerste samenspraak van Romeo met Julia heeft geheel den in Engeland gebruikelijken vorm van een sonnet. Opmerkelijk is het, dat Sh. in dit treurspel gebruik heeft gemaakt van alle drie de vormen, waarin de erotische poëzie zich bij voorkeur uit: het sonnet, het bruiloftslied of den Hymenaeus, (III, 2.) bij het ontbreken van speelnooten door Julia zelf gesproken, en het dageraadslied (III, 5), waarin twee heimlijk saamgekomen gelieven het oneens zijn, of het morgen is of nog avond.

II. 1. 13. Aan 't jongske, dat zoo treflijk schoot. In 't oorspronkelijke staat Young Abraham Cupid, wat door Knight volgens de toen ter tijd gebruikelijke uitdrukking Abrahammen als "vagebond Cupido", door Dyce voor een verknoeiing van abron of abrene (auburn), kastanje-bruin, verklaard wordt. Waarschijnlijk echter moet, naar Uptons gissing, het woord Abraham in Adam veranderd worden en doelt dit dan op den beroemden, in balladen bezongen boogschutter Adam Bell, op wien Sh. ook in Veel Leven om niets (I. 1. 261.) zinspeelt.--Koning Cophetua was algemeen bekend uit een Engelsche ballade, die bewaard is gebleven: hij was een koning uit "Affrica", die eerst niets van vrouwen wilde weten, maar op een goeden dag, uit zijn venster liggende, een bedelmeisje zag, er terstond smoorlijk op verliefd werd en haar huwde. Penelophon,--zoo heette het meisje,--wist zich zeer goed als vorstin te gedragen, de koning leefde zeer gelukkig met haar en beiden werden bij hun sterven diep betreurd en in één graf begraven. De tweede strophe der ballade verhaalt, dat, toen de koning het meisje zag,

The blinded boy, that shootes so trim, From heaven downe did hie; He drew a dart and shot at him, In place where he did lie.

Dit couplet bewijst tevens, dat bij Sh. trim moet staan, zooals de eerste quarto heeft, en niet true, zooals de volgende quarto's en de folio te lezen geven.

II. 1. 36. Die tot hem riep enz. Het Engelsch was hier niet te vertalen: As maids call medlars etc. De triviale naam van den mispel is "open-arse" en hierop wordt gedoeld. Poprin pear is een soort van peer, benoemd naar Poperinghe in Fransch Vlaanderen.--Wat hier door mandje vertaald is, heet in 't Engelsch truckle-bed, een lage rustbank, die onder het groote bed, standing-bed, geborgen werd.

II. 2. 161. Afhanklijkheid is heesch. In 't Engelsch staat bondage, dat behalve afhankelijkheid ook gevangenschap beteekent.

II. 4. 19. Meer dan de vorst van het kattengeslacht. Tybalt, of liever Tybert, is de naam van den Kater in Reynaert de Vos.

II. 6. 16. Een tred, zóó licht, slijt nìmmer hard gesteente uit. Haar tred is zóó licht, dat hij zelfs dàt nimmer doet, wat waterdruppels vermogen. Men drukke op "zóó" en "nimmer", anders is de plaats onduidelijk. De bewerker van de eerste quarto heeft, misschien omdat de echte lezing hem niet duidelijk was: So light of foote nere hurts the troden flower.

III. 1. 59. Mijn man. Mercutio vat dit woord opzettelijk op als dienaar, zooals hij onmiddellijk daarna met het woord follower speelt.

III. 1. 77. Alla stoccata. Stoot met het rapier, vechtmeesters-uitdrukking.

III. 1. 102. Doodbedaard. In 't Engelsch a grave man, een ernstig man en een man van 't graf.

III. 2. 14. Huif met uw zwarten mantel enz. Het beeld is aan het temmen van den valk ontleend, die, zoolang hij nog niet aan den mensch gewoon (unmanned) is, met de vleugels slaat (to bate) en eerst, wanneer hem een huif op den kop gezet wordt (to hood), tot kalmte komt.

III. 2. 45. Is 't antwoord "ja". Hier is een herhaalde woordspeling tusschen I (ik), ay (ja, in de oude uitgaven eveneens I geschreven) en eye (oog).

III. 3. 132. Vat vuur enz. De soldaten droegen aan den gordel aan de eene zijde een brandende lont, aan de andere kruit in een flesch of bus. Onvoorzichtigheid bracht dus licht gevaar.