Romeo en Julia

Part 6

Chapter 64,066 wordsPublic domain

JULIA. Waar 'k leerde door berouw de schuld te boeten, Dat ik halsstarrig weerstand bood aan u En uw gebod; en waar de heil'ge man Mij heeft gelast, geknield, heer, u vergiff'nis Te vragen.--Schenk vergeving, smeek ik u; Voortaan vindt gij mij steeds een volgzaam kind.

CAPULET. Een boodschap naar den graaf! bericht hem dit; En morgen vroeg zij nu de knoop gelegd.

JULIA. Den jongen graaf ontmoette ik bij Lorenzo, En heb hem zooveel minzaamheid getoond, Als met de zedigheid bestaanbaar is.

CAPULET. Dat hoor ik gaarne; nu 't is goed; sta op; Zoo moet het zijn!--Ik wil den graaf nu spreken; Kom, ga dan, zeg ik, ga toch, haal hem hier.-- Bij God, die eerbiedwaarde, heil'ge vader Heeft heel de stad ten zeerste aan zich verplicht.

JULIA. Kom, voedster, ga nu mede, naar mijn kamer, En help mij bij de keuze van den tooi, Dien gij op morgen 't beste voor mij acht.

GRAVIN CAPULET. Neen, Donderdag is 't eerst, er is geen haast.

CAPULET. Ga, voedster, mee; 't is morgen; dan ter kerk.

(Julia en de Voedster af.)

GRAVIN CAPULET. 't Is veel te kort om alles te beschikken, Zie, de avond valt!

CAPULET. Stil, laat mij maar begaan; 't Zal alles klaar zijn, vrouw, ik sta u borg. Ga gij naar Julia, help haar aan haar kleeding. 'k Ga niet naar bed van nacht; laat mij begaan, 'k Wil nu ook eens voor huisvrouw spelen.--Hé!-- Wat! allen weg!--Dan zal ikzelf graaf Paris Gaan zeggen, dat hij zorg' gereed te zijn Op morgen vroeg.--Het is me een steen van 't hart, Nu zoo dat koppig ding tot inkeer kwam.

(Beiden af.)

DERDE TOONEEL.

Julia's kamer.

Julia en de Voedster komen op.

JULIA. Ja, dit kleed is het best; maar, lieve min, Laat, bid ik u, mij deze nacht alleen; Want ik behoef wel meen'ge bede, opdat De hemel vriendlijk op mijn toestand blikk', Die, als ge weet, verkeerd is en vol zonde.

(Gravin Capulet komt op.)

GRAVIN CAPULET. Hoe, zoo bedrijvig nog? kan ik u helpen?

JULIA. Neen, moeder, alles is gereed gelegd, Wat voor mijn kerkgang morgen wordt vereischt; Wees slechts zoo goed en laat mij nu alleen, En laat deez' nacht de voedster met u waken, Want gij hebt zeker wel uw handen vol Bij zulk een haastig huw'lijk.

GRAVIN CAPULET. Goede nacht! Ga gij te bed, neem rust; dat hebt ge noodig.

(Gravin Capulet en de Voedster af.)

JULIA. Vaarwel!--God weet, wanneer we elkander weêrzien.-- Door de aad'ren rilt me een matte, killende angst, Die 's levens warmte schier bevriezen doet; Ik roep haar weer tot stilling van mijn vrees. Hé, voedster!--Maar waartoe? Mijn schrikb're taak moet ik alleen voleinden.-- Kom, fleschje!-- Maar hoe, als deze drank geen werking had? Moet ik volstrekt dan morgenochtend huwen? Neen; gij belet dit, gij; lig daar gereed.

(Zij legt een dolk bij zich neêr.)

Doch, als het eens vergift was, dat de monnik Arglistig had bereid, opdat ik sterve, En hij door dezen echt niet worde onteerd, Wijl hij mij eerst met Romeo verbond? Ik vrees het; en toch, dunkt mij, 't kan niet zijn; Hij is beproefd, bleek steeds een heilig man.-- Maar hoe, wanneer ik, in het graf gelegd, Ontwake vóór den tijd, dat Romeo Mij komt bevrijden? welk ontzettend lot! Zal ik dan niet versmoren in 't gewelf, Welks giftmond nimmer zuivre lucht doorstroomt, Den stikdood sterven, eer mijn Romeo komt? Of, leef ik al, is 't niet waarschijnlijk, dat Het huivringwekkend beeld van dood en nacht, Vereend met al de afgrijslijkheid der plaats,-- Dat grafgewelf, dat oud verblijf des doods, Waar, al zoo menig honderd jaar, 't gebeent' Van heel mijn voorgeslacht is opgehoopt; Waar Tybalt, bloedig, pas aan de aard vertrouwd, In zijne wâ vergaat; waar, zoo men zegt, Des nachts op sommige uren geesten waren;-- Wee, wee mij, is het niet waarschijnlijk, dat Ik, vroeg ontwakend, in die pestlucht, bij Gekrijsch als van alruinen, de aard ontscheurd, Dat levenden, die 't hooren, zinloos maakt,-- O, zal 'k, ontwakend, niet verbijsterd zijn, Omringd van al die aak'ligheid en schrik, En zinloos spelen met eens grootvaârs rif, En Tybalts lichaam plukken uit zijn wâ; En mij, zoo razend, met eens voorzaats knook, Als met een knots, 't arm brein te pletter slaan? O, zie! daar is 't me, als zie ik Tybalts geest! Hij zoekt mijn Romeo, die met een zwaard Hem heeft gespietst!--Sta, Tybalt! weg! ik gruw!-- Romeo, ik kom! Deez' dronk wijd ik aan u.

(Zij werpt zich op haar bed.)

VIERDE TOONEEL.

Een zaal in Capulet's huis.

Gravin Capulet en de Voedster komen op.

GRAVIN CAPULET. Hier, neem de sleutels, haal nog specerijen.

VOEDSTER. Voor de pasteien zijn nog dadels noodig, En kweeën ook.

(Capulet komt op.)

CAPULET. Kom, vlug, vlug! vlug! daar is Het tweede haangekraai al. Hoor, daar luidt Het morgenklokje reeds. Het is drie uur. Angelica, kijk gij naar de pasteien; Geen geld gespaard!

VOEDSTER. Kom, keukenklauwer, ga! Ga liever slapen; morgen zijt gij ziek Van 't waken van deez' nacht.

CAPULET. Neen, neen, geen nood; 'k Heb vroeger vaak een heele nacht gewaakt, Als 't minder noodig was; en 't deed mij niets.

GRAVIN CAPULET. Ja, ja, ge hieldt wel van een maanschijnjacht; Maar 'k waak wel, dat ge thans zoo niet meer waakt.

(Gravin Capulet en de Voedster af.)

CAPULET. Jaloersch, waarachtig nog jaloersch?

(Bedienden met braadspitten, houtblokken en manden komen op.)

Hé knaap! Wat hebt ge daar?

EERSTE BEDIENDE. 't Is voor den kok, heer, maar ik weet niet wat.

CAPULET. Maak voort, maak voort!

(Eerste Bediende af.)

Gij knaap, haal droger blokken; Laat Peter u maar wijzen, waar ze zijn.

TWEEDE BEDIENDE. 'k Ben, heer, wel slim genoeg om zelf de blokken Te vinden, en 'k laat Peter maar met rust.

(Bediende af.)

CAPULET. Nu, bij mijn ziel, wilt gij zoo'n slimmerd zijn, Dan maak ik u tot blokkersbaas!--'t Is dag; Zoo daadlijk komt de graaf hier met muziek; Zoo, zei hij, was zijn plan.--

(Muziek buiten.)

Ik hoor hem al.-- Hé, minne! vrouw! kom hier! hé, minne, kom!

(De Voedster komt op.)

Ga Julia roepen, tooi haar op als bruid. Ik ga wat keuvlen met graaf Paris.--Vlug! Maak spoed, maak spoed! De bruîgom is er al; Maak spoed, zeg ik.

(Beiden af.)

VIJFDE TOONEEL.

Julia's kamer. Julia op haar bed.

De Voedster komt op.

VOEDSTER. Hé jonkvrouw!--jonkvrouw!--Julia!--Nu, die slaapt! Mijn duif je!--kom toch, jonkvrouw!--Foei, gij slaapster!-- Mijn hartje!--Hoor toch, jonkvrouw!--Kom toch, bruidje!-- Hoe is 't? Geen woord?--Wel, wel, ge slaapt vooruit Wel voor een week;--nu, nu, de nacht, die komt, Zet wis graaf Paris wel zijn rust op 't spel, Dat gij uw rust niet hebt.--Wel, God vergeev' me! Waarachtig; zie eens! nu, die slaapt gezond! Maar wakker moet ze.--Jonkvrouw, jonkvrouw, jonkvrouw! Zoo straks verrast de graaf u nog in bed; Dan springt gij op met schrik.--Hoe is 't, nog niet?--

(Zij slaat de gordijnen open.)

Wat! aangekleed! en zoo gekleed gaan liggen! Ik moet u wekken. Jonkvrouw, jonkvrouw, jonkvrouw! O God! wat is dat? help, help, help! ze is dood! O dag van ramp! o ware ik nooit geboren!-- Een hartversterking, ach!--O graaf! gravin!

(Gravin Capulet komt op.)

GRAVIN CAPULET. Wat is dat hier?

VOEDSTER. O jammervolle dag!

GRAVIN CAPULET. Wat is er dan?

VOEDSTER. Zie, zie! O, dag van ramp!

GRAVIN CAPULET. Wee mij! wee mij! Mijn kind, mijn eenig leven! Herleef! zie op, of ik, ik sterf met u! Hulp, hulp! Roep hulp!

(Capulet komt op.)

CAPULET. Wel foei! Breng Julia toch! haar man is daar.

VOEDSTER. Ze is dood, gestorven, dood; o dag van wee!

GRAVIN CAPULET. O dag van wee, ze is dood, ze is dood, ze is dood!

CAPULET. Wat! Laat mij zien! Helaas, 't is uit! ze is koud! Haar bloed staat stil, haar leden zijn verstijfd, Dien lippen is het leven lang ontvloden! De dood ligt op haar, als een booze nachtvorst Op 't schoonste, geurigst bloempje van het veld.

VOEDSTER. O jammervolle dag!

GRAVIN CAPULET. O tijd van wee!

CAPULET. De dood, die haar geroofd heeft tot mijn jammer, Verstijft mijn tong en laat geen klacht mij toe.

(Broeder Lorenzo en Paris komen op, door muzikanten vergezeld.)

LORENZO. Komt, is de bruid gereed ter kerk te gaan?

CAPULET. Gereed tot gaan, om nimmer weer te keeren.-- O zoon, de nacht voor uwen huwlijksdag Nam haar de dood tot gade. Zie, daar ligt zij; Een schoone bloem, ontbladerd door den dood. Mijn schoonzoon is de dood; de dood beërft mij, Als man van mijne dochter. Sterven wil ik; Mijn lijf, mijn have en goedren erv' de dood.

PARIS. Hoopte ik zoo lang dit morgenrood te zien, En geeft het zulk een jammer mij te aanschouwen?

GRAVIN CAPULET. O vloekdag, rampvol, aaklig, zwart, verfoeilijk! Onzaligst, bitterst uur, dat ooit de tijd Aanschouwd heeft op zijn langen pelgrimstocht! Slechts één, één arm, één arm, beminnend kind, Één enkel wezen voor mijn vreugde en troost, En dat heeft mij de wreede dood ontrukt!

VOEDSTER. O jammer-, jammer-, jammervolle dag! O dag van jammer, dag van 't diepste wee, Zooals ik nimmer, nimmer heb gezien! O dag, o dag, o dag, o vloekb're dag! Nooit werd een dag, zoo zwart als deze, aanschouwd; O dag van wee, o dag van wee!

PARIS. Misleid, beroofd, gehoond, gekrenkt, vernietigd! Vloekwaarde, booze dood, door u misleid; Door u zoo wreed, zoo wreed ter neer geveld! O liefde, o leven!--Neen, geen leven meer, Slechts liefde nog, den dood gewijd!

CAPULET. Veracht, Gehaat, tot smaad gedoemd, gemarteld, dood! Onzaal'ge dag, waarom verreest ge alleen Om 't plechtig feest te niet, te niet te doen?-- O kind, o kind!--Mijn ziel, en niet mijn kind!-- Dood zijt ge, dood!--Helaas, mijn kind is dood! Mijn vreugd zinkt mèt haar in der aarde schoot!

LORENZO. Stil, schaamt u! stil! Dit heilloos jamm'ren schenkt Geen troost in 't leed. Gij deeldet met den hemel Deze engel; nam de hemel haar geheel, Het heerlijkst lot viel aan uw kind ten deel. Gij kondt ùw deel niet veil'gen voor den dood, De hemel schenkt zijn deel onsterflijkheid. Haar te verheffen was uw hoogste doel; Uw hemel was 't, verheven haar te zien, En weent gij, nu gij haar verheven ziet, Hoog boven wolken, ja ten hemel zelf? Verkeerde liefde wijdt ge uw kind; uw leed Is redeloos, nu gij haar zalig weet! Een lange trouw is niet de beste trouw; Die vroeg den hemel trouwt, heeft nooit berouw. Wischt dan uw tranen! siert dit schoone lijk Met rosmarijn, en brengt haar naar 's lands wijs In 't schoonste feestgewaad ter kerke heen; Want dwing' natuur in 't leed ons tranen af, De rede noemt die plenging dwaas, ja, laf.

CAPULET. Ach, al wat tot het feest was voorbereid, Wordt thans de tolk van onze treurigheid; 't Blij snarenspel wordt romm'lend klokgebrom, De bruiloftsdisch een droevig doodmaal nu, De jubellied'ren sombre grafgezangen, De bruidskrans dient tot tooiing van een lijk, En alles is in 't tegendeel verkeerd.

LORENZO. Heer, thans van hier;--en volg gij, eedle vrouw!-- Ook gij, graaf Paris;--maak' zich elk gereed, Deez' schoone doode naar het graf te volgen. De hemel straft hier wis een booze daad; Tergt hem niet meer en eert zijn hoogen raad.

(Capulet, Gravin Capulet, Paris en Lorenzo af.)

EERSTE MUZIKANT. Op mijn woord, wij kunnen onze instrumenten wel inpakken, en aftrekken.

VOEDSTER. Ja, goede lieden, pakt maar in, pakt in; Gij ziet het zelf, 't is treurig met dit huis.

(De Voedster af.)

EERSTE MUZIKANT (op het foedraal van zijn instrument wijzende). 't Wordt tijd voorwaar, dit huis weer op te lappen.

(Peter komt op.)

PETER. Muzikanten, o muzikanten; speelt toch eens: "Schep vreugde in 't leven!" O! als ge wilt, dat ik 't leven heb, speelt dan: "schep vreugde in 't leven!"

EERSTE MUZIKANT. Waarom "Schep vreugde in 't leven?"

PETER. Ach muzikanten, omdat mijn hart zelf speelt: "Breek, breek mijn hart, van 't wee!" O speelt mij eens een vroolijke weeklacht om mij wat op te beuren.

EERSTE MUZIKANT. Niets van weeklacht, 't is nu geen tijd van spelen.

PETER. Ge wilt dus niet?

MUZIKANTEN. Neen.

PETER. Daar zult ge voor hebben!

EERSTE MUZIKANT. Wat wilt ge geven?

PETER. Geen geld voorwaar, maar een naam: ik noem je stomme muzikanten.

EERSTE MUZIKANT. En wij jou een stomme' knecht.

PETER (zijn koksmes trekkend). En dan bespeel ik je met dezen strijkstok, tot je geluid geeft; je zult wel merken, ik heb wel noten op mijn zang, ik zal je mifasollen, heele maat!

EERSTE MUZIKANT. Als je met ons sollen wilt, dan staat hier je maat!

TWEEDE MUZIKANT. Kom, pak dat scherp stuk ijzer maar weer in, en wat geest uit.

PETER. Past dan maar op voor mijn geest. Ik zal je steken met mijn scherpen geest en mijn stuk ijzer weer opsteken. Geeft mij nu antwoord als mannen:

"Is 't hart van zware zorgen krank, En droef en dof 't gemoed, Muziek maakt met haar zilverklank"-- Waarom "muziek met haar zilverklank?"-- Wat zeg jij, Simon Kattesnaar?

EERSTE MUZIKANT. Wel, man, omdat zilver een liefelijken klank heeft.

PETER. Lorrepraat!--Wat zeg jij, Hans Strijkstok?

TWEEDE MUZIKANT. Ik zeg "zilverklank", omdat muzikanten voor zilver spelen.

PETER. Al even mooi.--Wat zeg jij, Kobus Windkast?

DERDE MUZIKANT. Och, ik weet waarachtig niet, wat ik zeggen zal.

PETER. 't Is waar ook, jij bent de zanger van 't gezelschap, en daarom zal ik voor je spreken. Het is "muziek met haar zilverklank," omdat muzikanten geen goud kunnen laten klinken;

"Muziek maakt met haar zilverklank Met spoed weer alles goed."

(Peter af.)

EERSTE MUZIKANT. Wat een giftige schavuit is dat!

TWEEDE MUZIKANT. De nikker haal' hem!-- Kom, laat ons hier binnengaan, en op de rouwklagers wachten, en zien, of er niets te smullen valt.

(Allen af.)

VIJFDE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

Mantua. Een straat.

Romeo komt op.

ROMEO. Wanneer de slaap niet, vleiend, mij bedriegt, Verkondt mijn droom, dat heuglijk nieuws mij nadert. Licht zit mijn liefde in mijne borst ten troon; Een ongewone moed heft heel den dag Mij boven de aard door streelende gedachten. Mijn gade, droomde ik, kwam en vond mij dood;-- Wat vreemde droom, die dooden denken laat!-- Mijn lippen kussend, blies zij me adem in, Zoodat ik weer herleefde en keizer was. Hoe heerlijk is 't bezit der liefde zelf, Als liefdes schaduw reeds zoo vreugdrijk is!

(Balthazar komt op.)

Nieuws van Verona! Balthazar, wat is er? Brengt gij geen brieven van den pater mee? Hoe is 't mijn gade? En is mijn vader wel? Hoe is 't mijn gâ, mijn Julia? vraag ik weêr; Want niets kan kwalijk zijn, is 't haar slechts wèl.

BALTHAZAR. Dan is 't haar wel, en niets kan kwalijk zijn; Haar lichaam slaapt in 't graf der Capulets, En haar onsterflijk deel leeft ginds bij de eng'len. Ik zag haar bij haar vaad'ren neêrgelegd, En ijlde spoorslags om u dit te melden. Vergeef mij deze slechte tijding, heer, Ik deed slechts naar 't bevel, dat gij mij gaaft.

ROMEO. Is 't zoo, is 't zoo?--Dan, sterren, tart ik u!-- Gij weet mijn huis; haal mij papier en inkt, En huur mij paarden, 'k wil deez' nacht van hier.

BALTHAZAR. O heer, ik bid, bezweer u, wees toch kalm! Gij ziet zoo bleek er uit, zoo woest; die blik Verkondigt onheil.

ROMEO. Neen, stel u gerust; Verlaat me, en doe, wat ik u daar beval. Gij brengt geen brief mij van den pater mee?

BALTHAZAR. Neen, beste heer.

ROMEO. Om 't even; ga nu heen En huur de paarden; spoedig kom ik na.

(Balthazar af.)

O Julia, deze nacht rust ik bij u. Welk middel kies ik?--Euveldaad! hoe snel Neemt gij de ziel van radeloozen in!-- 'k Herinner mij: er woont hier in de buurt Een apotheker; onlangs zag ik hem In haveloos gewaad; met somb'ren blik Verlas hij kruiden; de oogen stonden hol; 't Gebrek had hem doorknaagd tot op 't gebeent'; En in zijn schaam'len winkel hing een schildpad, Een krokodil en and're huiden van Wanschapen visschen; op de schappen stond Een armlijk boeltje van wat leêge doozen Groene aarden potjes, blazen, schimm'lig zaad, Met eindjes bindtouw, koekjes, uitgedroogd, Wat ver uiteen, voor 't maken van vertoon. Bij 't zien dier armoê zeide ik tot mijzelf: "De dood staat op 't verkoopen van vergift In Mantua, maar als één 't noodig had, Hier vond hij de' armen schelm, die 't hem verkocht." Dat was een voorgevoel van mijn behoefte, En deez' behoeftige verschaft het mij. Hier is zijn huis, zoo 'k wel heb; maar 't is feestdag, En daarom is des beed'laars winkel dicht. Hé, apotheker, hé!

(Een Apotheker komt naar buiten.)

APOTHEKER. Wie roept zoo luid?

ROMEO. Kom nader, man!--Ik zie wel, gij zijt arm, Neem, daar zijn veertig stuks dukaten; geef me Een slok vergift, een drank, die snel en krachtig Door de aad'ren zich verspreid, zoodat de man, Die levensmoê is, drinkt en nederstort; En dat zijn borst van de' adem zich ontlaadt Met zulk geweld, als 't haastig kruit ontvlamt En losbreekt uit moorddadig krijgsgeschut.

APOTHEKER. Ik heb zulk moordend gif, doch Mantua Straft met den dood een elk, die het verkoopt.

ROMEO. Gij, gij, zoo naakt, zoo van ellend' bezocht, Vreest gij den dood? De honger groeft uw wang; Gebrek en kommer smachten in uw oog; Verguizing hangt in lompen om uw rug; De wereld noch haar wetten zijn uw vriend; De wereld heeft geen wet, die u verrijkt; Wees dan niet arm, neem dit, en breek de wet.

APOTHEKER. Alleen mijn armoê, niet mijn wil, stemt toe.

ROMEO. 'k Betaal alleen uw armoê, niet uw wil.

APOTHEKER. Giet dit in welke vloeistof gij maar wilt, En drink het op; al hadt gij ook de kracht Van twintig man, onmidd'lijk zijt ge een lijk.

ROMEO. Hier is uw goud, een erger zielsvergif Een boozer moorddrank in deez' booze wereld, Dan 't brouwsel, dat gij niet verkoopen moogt. Gij kocht vergift van mij, ik niet van u. Vaarwel, koopt eten, zet u eens in 't vleesch!-- Kom, laaf'nisdrank, geen gift! verzel mij nu Naar Julia's graf, want daar behoef ik u.

(Beiden af.)

TWEEDE TOONEEL.

Verona. Lorenzo's cel..

Broeder Johannes komt op.

JOHANNES. Eerwaarde Franciscaner! broeder, hé!

(Lorenzo komt op.)

LORENZO. De stem is 't van Johannes, onzen broeder.-- Welkom van Mantua! En welk bericht Van Romeo? Of schreef hij? Geef dan hier.

JOHANNES. Ik zocht mij tot geleide een barvoetsbroeder. Een van onze orde, die hier in de stad Zich aan 't bezoek van kranken heeft gewijd. Ik vond hem, maar de wacht der stad verdacht Zijn huis van door de pest besmet te zijn, Verzegelde de deur en sloot ons op; Onmooglijk werd mijn tocht naar Mantua.

LORENZO. Wie bracht mijn schrijven dan aan Romeo?

JOHANNES. Ik kon 't niet zenden;--hier is 't weer terug. Ik vond geen bode zelfs om 't u te brengen, Zoo angstig voor besmetting was een elk.

LORENZO. Onzalig noodlot! Bij mijn heilige orde, De brief was niet een beuz'ling, doch zwaarwichtig, Van 't hoogst belang,--en 't niet-bestellen brengt Licht groot gevaar. Broeder Johannes, ga, Haal mij een koevoet, breng mij dien terstond.

JOHANNES. Ik breng 't u daad'lijk, broeder.

(Broeder Johannes af).

LORENZO. Alleen moet ik naar 't graf nu. In drie uur Ontwaakt de schoone Julia. O, zij zal Bedroefd en boos zijn, dat ik Romeo Geen kennis gaf van wat er is gebeurd. Maar 'k schrijf nog eens naar Mantua; mijn cel Verberg' haar, tot de komst haars echtgenoots; Die arme, levend in 't verblijf des doods!

(Lorenzo af.)

DERDE TOONEEL.

Verona. Een kerkhof; daarop het familiegraf der Capulets.

Paris en zijn Page, met bloemen en een fakkel, komen op.

PARIS. Geef mij de fakkel, knaap; sta verder weg;-- Neen, doe haar uit; men moet mij hier niet zien. Ga, vlij u onder gindsche taxisboomen, En houd uw oor vlak op den hollen grond; Zoo kan geen voet het kerkhof hier betreên, Dat overal van 't graven is doorwoeld, Of gij verneemt het. Komt er iets, zoo fluit Als teeken, dat gij iemand naad'ren hoort. Geef mij die bloemen; ga, doe wat ik zeg.

PAGE (ter zijde). Ik ben beangst, zoo op het kerkhof hier Alleen te blijven, maar ik wil het wagen.

(Hij verwijdert zich.)

PARIS. 'k Strooi rozen op uw bruidsbed, rozeknop;-- Helaas, 't is overwelfd met stof en steen!-- En sprenkel 's nachts er geur'ge waat'ren op, Of, mis ik die, de tranen, die ik ween; Zoo zij met frisch gebloemte nacht op nacht, Mijn hulde en rouw u weenend toegebracht!

(De Page fluit.)

Daar geeft de knaap het sein, dat iemand komt. Wat vloekb're voet treedt 's nachts hier in en stoort Der liefde lijkdienst in dit heilig oord? Wat, met een toorts? Omhul mij, nacht, een poos.

(Hij gaat ter zijde.)

(Romeo en Balthazar komen op, met een toorts, een koevoet enz.)

ROMEO. Geef mij den koevoet hier, en het houweel. Hier, neem deez' brief; bezorg hem morgen vroeg, Gijzelf, in handen van mijn heer en vader. Geef mij de toorts, en, op verbeurt' van 't lijf, Wat gij ook hoort of ziet, blijf verre staan, En zorg mij niet te storen in mijn doen. Ik daal in deze woning van den dood, Deels om nog eens haar lief gelaat te zien, Maar toch vooral, om van haar dooden vinger Een kostb'ren ring te nemen, ja, een ring, Die tot gewichtig werk mij dienen moet. Daarom, ga heen;--maar drijft uw argwaan u Terug te keeren en te zien, wat ik Mij verder voorgenomen heb te doen, Bij God! in stukken rijt ik u en zaai Hier op dit vratig kerkhof uwe leden. De tijd en mijn gemoed zijn razend wild, Veel grimmiger, veel feller, min vermurwbaar, Dan holle tijgers, of de woeste zee.

BALTHAZAR. 'k Wil gaan, heer, en ik zorg u niet te storen.

ROMEO. Dan handelt ge als een vriend.-- Hier, neem gij dit; Vaarwel, en leef gelukkig, goede vriend!

BALTHAZAR (ter zijde). 'k Verschuil mij hier, wat hij mij ook verbied'; Ik ducht dien blik; zijn doel vertrouw ik niet.

(Hij gaat terug.)

ROMEO. Verfoeib're muil, gij ingewand des doods, Die 't kostelijkst gerecht der aard verslondt, Zoo breek ik uw verdervingskaken open,

(Hij breekt de deur van het grafgewelf open.)

En dwing, uws ondanks, u meer voedsel op!

PARIS. Wat, die verbannen, trotsche Montague, Die Julia's neef vermoordde, aan welke smart, Naar men vermoedt, dit lieflijk wezen stierf, Nu komt hij op deez' heil'ge plaats en wil Hier lijkeschennis plegen; 'k wil hem vatten.

(Hij treedt op Romeo toe.)

Staak, lage Montague, uw snood bestaan! Gaat dan de wraak nog verder dan het graf? Verbannen schurk! Gevangen neem ik u; Gehoorzaam en ga mee, want sterven moet gij!

ROMEO. Dat moet ik, ja; en daartoe kwam ik hier.-- Tart, edel jong'ling, niet een raad'loos man, Vlied en verlaat mij; denk aan deze dooden; Hun noodlot schrikke u af.--'k Bezweer u, jonkman, Hoop op mijn hoofd geen nieuwe zonde, en wek Mijn razernij niet op; ga, jongeling, ga! Bij God, 'k zorg meer voor u dan voor mijzelf, Want ik belaag gewapend hier mijzelf; Draal niet, maar ga; blijf leven, en zeg dan Ik week op de' aandrang van een razend man.

PARIS. 't Is al om niet; ik lach met uw bezwering, En vat u als een snood weerspanneling.

ROMEO. Gij wilt mij tarten, knaap? verweer u dan.

(Zij vechten.)

PAGE. O God, zij vechten daar; ik haal de wacht.

(De Page af.)

PARIS. O, 'k ben getroffen, dood'lijk! (Hij valt.) Hebt ge erbarmen, Zoo open 't graf, leg mij naast Julia.

(Hij sterft.)

ROMEO. Dat wil ik doen.--Dat ik 't gelaat eens zie; 't Is Paris, de eed'le graaf, Mercutio's neef! Wat zeide toch mijn dienaar, bij den rit, Waar mijn geschokte ziel geen acht op sloeg? Hij zeide, Paris zou met Julia huwen. Ik meen, dat hij dit zeide; of droomde ik dit? Of is 't mijn waanzin, die zoo denkt, wijl hij Daar zelf van Julia sprak! O! geef me uw hand, Gij, met me in 't boek des onspoeds opgeschreven! 'k Begraaf u in een zegepralend graf; Een graf? Een lichtgewelf, verslagen jongling; Want hier rust Julia; haar schoonheid maakt Deez' krocht tot feestlijk hel verlichte zaal. Rust, doode, hier, begraven door een doode.

(Hij legt Paris in het grafgewelf.)