Romeo en Julia

Part 5

Chapter 54,177 wordsPublic domain

LORENZO. Weerhoû die dolle hand! Zijt gij een man? Uw uiterlijk roept "ja"; Gij weent, gelijk een vrouw; uw woest gedrag Is als het reed'loos woeden van een dier. Onschoone vrouw, in 't schijnschoon van een man; Wanschapen dier, dat beider schijn vereent! Ik sta verbaasd; ja, bij mijn heilige orde, Ik achtte uw geest meer tegen 't leed gestaald. Versloegt ge Tybalt? Wilt ge uzelf verslaan? En wilt ge uw gâ, die in uw leven leeft, Door uw vloekwaarden zelfhaat doen vergaan? Wat smaalt gij op uw stam, op aarde en hemel? Schoon stam en aarde en hemel, die ge saam Wegwerpen wilt, in u vereenigd zijn. Gij smaadt uw leest, uw liefde en uwen geest! Een woekeraar gelijk, hebt ge overvloed Van goeds, maar maakt van niets het recht gebruik, Dat eere schenkt aan leest en liefde en geest; Een wassen beeld slechts is uw lichaamsschoon, Verzaakt gij zoo de kloekheid van een man; Een ijdle meineed is uw liefdeseed, Doodt gij die liefde, aan wie gij liefde zwoert; Uw geest, die leest en liefde u sieren moest, Te uitzinnig om deez' twee tot gids te zijn, Vat vuur door eigen onverstand, gelijk 't Kruit in de flesch eens onbedreven krijgers; Wat u beschermen moest, brengt u verderf. Verman u, Romeo! uw Julia leeft, Om wie ge als dood zoo even nederlaagt; Ziedaar reeds heil! u wilde Tybalt dooden, En gij hebt hèm gedood; alweder heil! 't Recht, dat met dood u dreigde, wordt uw vriend, En dood wordt ballingschap; ook dit is heil! Een last van zegen daalt u op de schoudren; 't Geluk in pronkgewaad vleit om uw gunst, Maar, als een eigenzinnig, geem'lijk meisje, Pruilt gij bij al uw liefde en uw geluk. Hoed, hoed u; schriklijk sterft wie zóó misdoet!-- IJl tot uw gâ, zooals besloten was; Beklim haar kamer, ga en breng haar troost; Maar toef er niet, totdat men wachten stelt, Die u den weg naar Mantua versperren. Dáár woont gij, tot gelegen tijd uw echt Bekend make, en uw vrienden weer verzoen', En vorstlijke genade u herwaarts roep', Met twintig honderd duizendmaal meer vreugd, Dan gij met jammer thans van hier vertrekt.-- Ga, goede vrouw, breng uw meestres mijn groet, En zeg haar zorg te dragen, dat een elk Van 't huisgezin zich vroeg ter rust begeev';-- De droefnis zoekt van zelve reeds de rust;-- En meld haar: Romeo komt.

VOEDSTER. O Heere God; Hoe gaarne bleef ik luistren, heel de nacht, Naar zooveel goeds. Wat is geleerdheid schoon!-- Ik meld, heer, mijn meesteresse, dat gij komt.

ROMEO. Ga, zeg ook, dat ik haar verwijten wacht.

VOEDSTER. Hier is een ring, heer, dien 'k u geven moet. Maar spoed u, haast u, want reeds wordt het laat.

(De Voedster af.)

ROMEO. O, hoe is nu de moed in mij herleefd!

LORENZO. Ga nu, vaarwel! Denk, waar uw lot aan hangt: Ga 't zij aleer de wacht is uitgezet, 't Zij met den daag'raad, maar vermomd, van hier. Verblijf in Mantua; ik zoek uw dienaar, En zend van tijd tot tijd door hem bericht, Als iets gebeurt, dat gunstig voor u is. Reik mij de hand, 't is laat; vaarwel, vaarwel!

ROMEO. Zoo vreugde boven vreugd mij niet verbeidde, Het waar' mij leed, dat ik zoo haastig scheide. Vaarwel!

(Beiden af.)

VIERDE TOONEEL.

Een kamer in Capulet's huis.

Capulet, Gravin Capulet en Paris komen op.

CAPULET. Het liep hier alles tegen, vriend; er was Geen tijd om bij mijn dochter aan te dringen; Ziet gij, zij was aan Tybalt zeer gehecht; Ik ook;--maar sterven is ons aller lot.-- 't Is laat, zij komt van avond niet beneden; En 'k moet ook zeggen, zonder uw bezoek Ware ik al voor een uur ter rust gegaan.

PARIS. Deez' tijd van rouw is wis geen tijd van trouw;-- Dus goede nacht, gravin; ik bid u, spreek Een woord te mijnen gunste bij uw dochter.

GRAVIN CAPULET. 'k Zal morgen peilen, hoe ze er over denkt. Deze' avond sloot ze met haar smart zich op.

CAPULET. Graaf, 'k waag 't voor Julia's jawoord in te staan; Ik denk, ze doet in alles naar mijn wensch, Ja meer, ik twijfel zelfs geen oogenblik. Ga tot haar, vrouw, eer ge u ter rust begeeft, Bericht haar, hoe zoon Paris haar bemint, En zeg haar, dat, let wel, aanstaanden Woensdag,-- Maar stil, wat is 't vandaag?

PARIS. 't Is Maandag, heer.

CAPULET. Maandag, o ja. Neen, Woensdag is te kort; Maar Donderdag,--ja, zeg haar, Donderdag Treedt zij in 't huwlijk met deze' eed'len graaf.-- Zijt gij bereid? en is die haast u welkom? Wij vieren 't onder ons;--een vriend of twee;-- Want, ziet ge, Tybalt is zoo pas vermoord, En vierden wij 't met praal, licht zou men denken, Dat onze neef ons onverschillig was. Wij vragen dus een zes of zeven vrienden, En daarmeê uit.--Is Donderdag u goed?

PARIS. O 'k wenschte, morgen ware 't Donderdag.

CAPULET. Goed, afgesproken;--'t blijft dus Donderdag.-- Ga, vrouw, naar Julia, voor gij slapen gaat; Bereid haar op den huwlijksfeestdag voor.-- Vaarwel dus!--Hé, brengt licht in mijn vertrek!-- O foei, 't is meer dan laat; het is bijna Weer vroeg te noemen. Nogmaals, goede nacht.

(Allen af.)

VIJFDE TOONEEL.

De kamer van Julia.

Romeo en Julia komen op.

JULIA. Wilt gij reeds gaan? Het is nog lang geen dag; Het was de nachtegaal, de leeuwrik niet, Wiens schelle stem in 't angstig oor u drong; Op dien granaatboom zingt hij elke nacht. Geloof me, lieve, 't was de nachtegaal.

ROMEO. Het was de leeuwrik, 's daag'raads bode, en niet De nachtegaal; zie, lieve, daar in 't oost, Wat booze strepen 't scheurend zwerk omzoomen; De nacht heeft lang haar kaarsen opgebrand, En vroolijk gluurt, hoog op de teenen staand, De dag daar van der bergen neveltoppen; Ik moet nu gaan en leef, of blijf en sterf.

JULIA. Dat is geen daglicht daar, ik weet het, ik; 't Is een verheev'ling, uit de zon gevloeid, Die u deez' nacht tot fakkeldrager zij, En voorlichte op uw weg naar Mantua; O toef dus nog; uw heengaan heeft nog tijd.

ROMEO. Men grijp' mij dan, en leide mij ter dood; 't Is ook mijn keuze, als gij het zoo verlangt. Neen, dat is niet het stralend oog des morgens, Maar bleeke weerglans van 't gelaat der maan; 't Is 't lied des leeuwriks niet, dat boven ons Hoog aan 't gewelf des hemels wordt weerkaatst; O zalig blijven! bitter is 't vaarwel;-- Wees welkom, dood! 't is Julia's bestel.-- Kom, liefste! een zoet gesprek! het daagt nog niet.

JULIA. Het daagt, het daagt! spoed, spoed u heen en vlied! 't Is wel de leeuwrik, die zoo snerpend valsch Met scherpe keel zijn schrille trillers gilt; Men zegt wel, dat de leeuwrik lieflijk zingt, Maar deze niet, die schettert ons vaneen; Men zegt, dat pad en leeuwrik de oogen ruilden; O! hadden zij van stem dan ook geruild, Daar toch die stem u uit mijn armen wringt, En als een jachtkreet u tot vluchten dringt!-- O, ga nu; licht en lichter wordt de morgen!

ROMEO. Licht, lichter! zwart en zwarter onze zorgen!

(De Voedster komt op.)

VOEDSTER. Jonkvrouw!

JULIA. Wat is er, minne?

VOEDSTER. Uw moeder is op weg naar dit vertrek; Wees op uw hoede; zie, de dag breekt aan.

(De Voedster af.)

JULIA. Laat, venster, 't licht dan binnen, 't leven gaan.

ROMEO. Vaarwel, vaarwel! één kus nog, ik moet heen!

(Hij daalt af.)

JULIA. Mijn vriend, mijn gâ, mijn ziel! ik blijf alleen; O, zend mij tijding iedren dag van 't uur, Want één minuut omsluit wel meen'gen dag; En naar die reek'ning ben ik hoogbejaard, Eer ik u wederzie, mijn Romeo.

ROMEO. Vaarwel! Zoodra 'k de mooglijkheid bevroed, En telkens, liefste, zend ik u mijn groet.

JULIA. O, zeg, gelooft gij aan ons wederzien?

ROMEO. O, 'k twijfel niet, en in de toekomst is 't Geleden wee ons stof tot zoet gesprek.

JULIA. O God! een voorgevoel beklemt mijn hart! Nu gij beneden staat, nu is 't me, als zag ik U dood, daar in de diepte van een graf; Bedriegt mijn oog mij niet, dan ziet gij bleek.

ROMEO. Zoo komt ook gij mij voor. Ja, zielsverdriet Drinkt, liefste, ons bloed. Vaarwel, vaarwel, en vlied!

(Romeo af.)

JULIA. Fortuin, fortuin! een ieder noemt u wuft! En zijt gij wuft, wat doet ge dan met hem, Die zich getrouw betoont? Wees wuft, Fortuin, Dan hoop ik, houdt gij hem niet lang, maar geeft Hem dra mij weer.

GRAVIN CAPULET (achter het tooneel). Hé, Julia, zijt gij op?

JULIA. Wie roept mij daar? is 't niet mijn moeders stem? Is zij nog niet ter rust, of zoo vroeg op? Wat ongewone reden voert haar hier?

(Gravin Capulet komt op.)

GRAVIN CAPULET. Wat is er, Julia?

JULIA. Moeder, 'k ben niet wel.

GRAVIN CAPULET. Beweent ge steeds den dood nog van uw neef? Al wiescht gij hem met tranen uit zijn graf, Toch riept ge hem in 't leven niet terug; Bedwing u dus; gepaste rouw toont liefde, Maar te veel rouw toont mangel aan verstand.

JULIA. O laat mij weenen om mijn grievend leed!

GRAVIN CAPULET. Te dieper grieft u 't leed, maar 't roept den vriend, Dien gij beweent, niet weer.

JULIA. Het grieft te diep; Ik kan niet anders dan den vriend beweenen.

GRAVIN CAPULET. 't Is minder, kind, zijn dood, dien gij beweent, Dan dat de schurk nog leeft, die hem versloeg.

JULIA. Gij zegt, die schurk?

GRAVIN CAPULET. Ja, Romeo, die schurk.

JULIA (ter zijde). Een schurk en hij, wat hemelsbreed verschil!-- (Luid.) Vergeev' hem God! ik doe 't met heel mijn hart; En toch, geen man wondde ooit als hij mijn hart.

GRAVIN CAPULET. 't Is enkel, dat die schelmsche moorder leeft.

JULIA. En waar deze arm hem niet bereiken kan!-- O! wierd aan mij alleen de wraak vertrouwd!

GRAVIN CAPULET. De wraak zal ons geworden, wees getroost En ween niet langer zoo. Ik vind wel iemand In Mantua, waar de verworp'ling leeft, Die zulk een ongewonen dronk hem reikt, Dat hij weldra met Tybalt samenwoont; En dan is, hoop ik, uw gemoed voldaan.

JULIA. Voorwaar, dat blijft, wat Romeo betreft, Steeds onvoldaan, aanschouw ik hem niet--dood-- Doorboord is 't hart mij, om mijn nabestaande!-- Maar hadt gij iemand opgespoord, die hem Vergif wou reiken, zelf zou ik het mengen, En zóó, dat Romeo, 't gebruikend, ras In vrede sliep.--O, schrikk'lijk is 't, zijn naam Te hooren, en hem niet nabij te zijn, Om van mijn liefde voor mijn armen neef Me aan hem te kwijten, die hem heeft gedood.

GRAVIN CAPULET. Vind gij de midd'len;--ik vind wel den man.-- Maar hoor, ik breng u blijde tijding, kind!

JULIA. Bij zooveel druk moet blijdschap welkom zijn.-- Wat blijde tijding brengt mijn moeder mij?

GRAVIN CAPULET. Hoor dan, gij hebt een zorgend vader, kind! Een, die, om u te ontheffen van uw druk, Een dag van vreugd u plotsling heeft bereid, Dien gij niet wachttet, ik niet had voorzien.

JULIA. O zeg, wat is dat, moeder, voor een dag?

GRAVIN CAPULET. Begrijp, mijn kind, aanstaanden Donderdag Zal u een jong en wakker edelman, Graaf Paris, in Sint Petrus' dom reeds vroeg Naar 't altaar leiden, als zijn blijde bruid.

JULIA. Nu, bij Sint Peters dom en Petrus zelf, Daarheen leidt hij mij niet als blijde bruid. Wat wonderbare haast! een echt, aleer De man, dien 'k huwen zou, mijn liefde vroeg! Ik bid u, moeder, zeg mijn heer en vader, Dat ik nog niet wil huwen, en, ik zweer 't, Als ik het doe, nog eerder Romeo Zou nemen,--en gij weet, hoe ik hem haat!-- Dan Paris.--Nieuws, voorwaar, is 't wat gij meldt!

GRAVIN CAPULET. Daar komt uw vader; deel dit zelf hem mee, En hoor welk antwoord hij u geven zal.

(Capulet en de Voedster komen op.)

CAPULET. Bij 't ondergaan der zon drupt dauw op de aard; Bij 't ondergaan des zoons van mijnen broeder Is 't hier een stortbui.--Wat! nog immer weenend! Zijt ge een fonteinbeeld, meisje? En telkens weer Een nieuwe tranenvlaag! Uw nietig lichaam Speelt hier voor zee en wind en bark meteen; Uw oogen zijn een ware zee te noemen, Met tranenvloed en eb; uw lichaam is De boot, die 't zilte nat bezeilt; uw zuchten De stormwind, die, met uwe tranen worstlend, Als zij met hem, 't van storm geslingerd schip Zal brijz'len, als het weêr niet fluks bedaart.-- Hoe is 't? Hebt ge ons besluit haar meêgedeeld?

GRAVIN CAPULET. Ik deed het, maar ze wil niet, zegt u dank. O, waar' 't zottinnetje aan haar graf gehuwd!

CAPULET. Wacht, vrouw; spreek duid'lijker, spreek duid'lijker! Wat! wil zij niet? en zegt zij ons geen dank? Is zij niet trotsch op zulk een grooten zegen, Dat hare onwaardigheid zoo'n waardig man Als bruidegom ontvangt van onze hand?

JULIA. Niet trotsch, maar dankbaar voor uw goeden wil; Trotsch kan ik nimmer zijn op wat ik haat, Maar dankbaar, bij dien haat, voor 't liefdrijk doel.

CAPULET. Zie, wat spitsvondig nest! wat praat is dit? "Trotsch" en "ik dank u" en "ik dank u niet", En toch "niet trotsch";--hoor! preutsche, kleine heks, Geen dankjes mij gedankt, geen trots getrotst! Uw fijne voetjes dragen 't fijne popje Op Donderdag met Paris naar den dom, Of op een horde sleep ik u er heen. Dat blijft zoo; voort, gij bleekneus! voort, gij feeks! Gij wasgezicht!

GRAVIN CAPULET. Foei, foei, wat raast ge, man!

JULIA. Mijn goede vader, op mijn knieën smeek ik, Hoor slechts een enkel woord geduldig aan.

CAPULET. Ter helle, jonge feeks! weerspannig ding! Ik zeg u,--scheer u Donderdag ter kerke, Of kom mij nimmer weder onder 't oog. Geen woord, geen tegenspraak, geen antwoord meer! Mijn vingers jeuken.--Vrouw, wij dachten eens, Dat ons dit eenig kind ten zegen was; Nu blijkt, dit eenige is nog één te veel, En haar bezit is ons een vloek, een vloek! Verworp'ne, weg!

VOEDSTER. De Hemel zeeg'ne haar! Heer, 't is niet goed gedaan; vaar zoo niet uit!

CAPULET. Ei zoo, vrouw wijsheid? Wat! Bedwing uw tong; Bemoeial, snap met uw kornuiten! weg!

VOEDSTER. Ik zeg toch niets, dat kwaad is.

CAPULET. Ga met God!

VOEDSTER. Mag niemand dan iets zeggen?

CAPULET. Zwijg, oud vel! En kraam uw wijsheid uit bij uws gelijken; Hier komt ze niet te pas.

GRAVIN CAPULET. Gij zijt te fel.

CAPULET. Gods sacrament! het maakt me dol. Dag, nacht, Bij tijd en ontijd, spel en arbeid, immer, Alleen en in gezelschap, was 't mijn zorg Voor haar een man te vinden; en nu ik Een edelman van goeden stam, van midd'len, Heb opgespoord, nog jong, wel opgevoed, Om zoo te zeggen opgepropt met deugden, Een man, als ieder meisje wenschen zou, Nu komt me daar zoo'n voddig, grienend nest, Zoo'n nuf, nu zij 't geluk voor 't grijpen heeft, En antwoordt: "neen, ik trouw niet;"--"neen, ik kan Hem niet beminnen;"--"'k ben te jong;"--"vergeef me!" Wilt gij geen man, nu goed, mij is het wel; Graas waar gij wilt, gij huist bij mij niet meer; Let op; bedenk, dat ik geen scherts versta. De Donderdag klopt aan; weet wat gij kiest! Doet gij mijn wil, ik geef u aan mijn vriend;-- Zoo neen: ga, bedel, honger, sterf op straat; Zoo waar ik leef, verlooch'nen doe ik u, En niets van 't mijn', dat ooit ten deel u valt; Bedenk dus wel; en weet, ik staaf mijn eed.

(Capulet af.)

JULIA. Troont in de wolken geen erbarming meer, Die in de diepte blikt van mijn ellend?-- O, lieve moeder, ach, verstoot mij niet! Verschuif dit huwlijk nog een maand, een week; Of, wilt gij dit niet, spreid het bruidsbed mij In 't sombre grafgewelf, waar Tybalt ligt.

GRAVIN CAPULET. Spreek niet tot mij, ik spreek geen enkel woord; Doe wat ge wilt, ik heb met u gedaan!

(Gravin Capulet af.)

JULIA. O God!--Spreek, voedster, hoe is dit te keeren? Mijn gade leeft op aard, mijn trouw bij God! Hoe keert die trouw naar de aard', tenzij die gâ Deze aard ontwijke en uit den hemel mij Mijn trouw terugzend'?--Geef mij troost, geef raad!-- Wee mij! hoe kan de hemel ooit een wezen, Zoo teer als ik, arglistig zoo belagen?-- Wat zegt gij, voedster? hebt ge niet één woord, Geen enkel, dat mij opbeurt en vertroost?

VOEDSTER. Voorzeker, hoor slechts: Romeo is verbannen; En, alles tegen niets, hij komt niet weer, En eischt u nimmer op;--of waagt hij dit, Dan is 't ter sluik. Zooals de zaken staan, Schijnt mij het best, dat gij den Graaf maar trouwt. 't Is een beminn'lijk man, en Romeo Is er een stoflap bij; een arend, jonkvrouw, Heeft zulk een schitt'rend, helder, wakker oog Als Paris niet. Ja, bij mijn zaligheid, Deez' tweede keus is uw geluk; ze is beter Dan de eerste was; en, zelfs al waar' 't zoo niet, Uw eerste man is dood,--zoo goed als dood, Al leeft hij nog, daar gij niets aan hem hebt.

JULIA. Meent gij dit met uw hart?

VOEDSTER. Met hart en ziel. God straff' me, als 't zoo niet is.

JULIA. Dan amen!

VOEDSTER. Wat?

JULIA. Voorwaar, gij hebt mij wonderbaar getroost.-- Ga, deel mijn moeder meê: ik ga ter biecht; Lorenzo wete, hoe 'k mijn vader griefde, En schenke mij vergiff'nis voor mijn schuld.

VOEDSTER. Ja daad'lijk, gaarne; zie, nu doet ge wijs.

(De Voedster af.)

JULIA. Vloekwaarde heks, verleidster, booze geest! Is 't grooter zonde, meineed aan te prijzen, Of mijn gemaal te smaden met die tong, Die menig duizendmaal als weêrgâloos Hem heeft geroemd?--Raadgeefster, weg! Voortaan Een klove tusschen ons!--Nu tot Lorenzo; Hij is 't alleen, van wien ik raad verwacht; En is er geen, dan heb ik stervenskracht.

(Julia af.)

VIERDE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

De cel van broeder Lorenzo.

Broeder Lorenzo en Paris komen op.

LORENZO. Op Donderdag? voorwaar, dat is kort dag.

PARIS. Zoo wil 't mijn vader Capulet, en ik Ben niet zoo koel, dat ik zijn spoed vertraag.

LORENZO. Gij weet niet, zegt ge, hoe de jonkvrouw denkt; De weg is ongebaand, 't bevalt mij niet.

PARIS. Ze weent onmatig over Tybalts dood, En daarom sprak ik weinig nog van liefde; Want Venus glimlacht niet in 't huis der tranen. Maar wijl haar vader er gevaar in ziet, Dat zij aldus haar droefheid heerschen laat, Verhaast hij in zijn wijsheid onzen echt, Om zoo dien tranenvloed te stuiten, die, Door 't eenzaam leven al te zeer gevoed, Gekeerd zal worden door gezelligheid;-- Nu weet gij de oorzaak van deez' haast.

LORENZO (ter zijde). Wist ik Den grond maar niet, die hier vertraging eischt! (Luid). Zie, graaf, daar treedt de jonkvrouw in mijn cel.

(Julia treedt binnen.)

PARIS. Wat schoone ontmoeting, mijn geliefde bruid!

JULIA. Schoon zal 't eerst zijn, begroet ik u als bruid!

PARIS. Zoo groeten wij toch Donderdag elkaâr.

JULIA. Wat moet zijn, zal zijn.

LORENZO. Dat is altijd waar.

PARIS. Komt gij ter biecht bij deez' eerwaarden man?

JULIA. Zeide ik U dit, ik kwam bij u ter biecht.

PARIS. Verzwijg het hem niet, dat gij mij bemint.

JULIA. Aan u belijde ik, dat ik hem bemin.

PARIS. En zeker hem ook, dat ge mij bemint.

JULIA. Als ik dit doe, stel 't zeer op prijs; ik spreek Dan achter uwen rug, niet in 't gezicht.

PARIS. Ach! uw gezicht heeft van geween geleden.

JULIA. Een kleine zege voor mijn tranen; 't was, Aleer zij zoo het schonden, niet veel waard.

PARIS. Die smaad is erger schennis, dan die tranen.

JULIA. De waarheid, graaf, kan nimmer schennis zijn; En 'k smaalde daar mijzelf in 't aangezicht.

PARIS. 't Gezicht, dat gij zoo smaadt, is mijn gezicht.

JULIA. 't Zou kunnen zijn, 't is van mijzelve niet.-- Kom ik u, heil'ge vader, thans gelegen, Of zal ik keeren tegen vespertijd?

LORENZO. 'k Heb thans wel tijd voor u, bezwaarde dochter.-- Ik bid u, eedle graaf, laat ons alleen.

PARIS. Verhoede God, dat ik uw vroomheid stoor! Ik wek u, Julia, Donderdag reeds vroeg; Zoolang vaarwel; en neem deez' heil'gen kus!

(Paris kust haar de hand en gaat heen.)

JULIA. O, sluit de deur, en dan, o ween dan met mij! 't Is alles uit, geen hulp, geen heil, geen hoop!

LORENZO. Ach Julia, 'k weet uw leed alreeds; het maakt Mijzelf verward, verbijsterd, radeloos; Ik hoor, gij moet,--en niets vertraagt dit meer,-- Op Donderdag gehuwd zijn met den graaf.

JULIA. Zeg, vader, niet, dat gij dit hebt gehoord. Of zeg mij ook, hoe ik 't verhoeden kan. En als uw wijsheid mij geen redding weet, Erken dan slechts, wat ik besloot, als wijs, En 'k help terstond mijzelve met dit staal. God voegde Romeo's hart en 't mijne saam, Gij onze handen; en eer deze hand, Die gij gezegeld hebt aan Romeo, Zich aan een ander echtverbond laat zeeg'len, Of mijn trouw hart verraad pleegt, van hem afvalt, Zich naar een ander keert, doodt dit die beide. Dus geef, uit uw veeljarige ondervinding, Mij snellen raad; of anders zij dit staal Scheidsrechter tusschen 't dreigend lot en mij; 't Beslechte, wat uw wijsheid en ervaring Niet tot een eervolle uitkomst brengen kan. Spreek bondig, snel; gewenscht is mij de dood, Brengt, wat gij spreekt, geen redding in mijn nood.

LORENZO. Hoû op, mijn dochter, 'k speur een zweem van hoop; Maar ze eischt een hand'ling zoo wanhopig, als De wanhoop is, die gij te ontkomen wenscht. Hebt gij de kracht van wil, dat ge eer uzelf Den doodsteek geeft, dan dat gij Paris huwt, Dan biedt ge ook wel den schijn des doods de hand, Keert gij daardoor deez' smaadheid van u af, Gij, die in de' arm des doods haar wilt ontgaan. Hebt gij dien moed, dan bied ik 't middel aan.

JULIA. O, zeg mij, liever dan den graaf te huwen, Een sprong te doen van gindschen torentrans; Zend mij, waar roovers loeren, slangen sissen, Of keten mij aan woeste beren vast; Of sluit mij op, 's nachts, in een knekelhuis, Rondom door ramm'lend doodsgebeent' bedolven, Door bruine schenkels, kakelooze schedels; Of doe mij in een pas gedolven graf, Mij hullen met een lijk in 'tzelfde kleed,-- Ja, al waarvan 't verhaal mij siddren deed, Ik zal het zonder vrees of weifling doen, Om de onbevlekte gâ mijns liefs te blijven.

LORENZO. Welaan, ga welgemoed naar huis, en stem In de' echt met Paris toe. 't Is morgen Woensdag; Draag zorg, de nacht, die volgt, alleen te zijn; Uw voedster slaap' dan niet in uw vertrek. Neem dan dit fleschje, als gij te bedde ligt, En drink dit vocht, van kruidensap bereid. Onmidd'lijk zal een kille slaap'righeid Door al uw aad'ren stroomen; iedre pols Verflauwt, staat stil; geen warmte of adem tuigt, Dat gij nog leeft; het rood van wang en lip Wordt grauw als asch; het luik der oogen valt, Als sloot de dood den dag des levens af. Elk lid, van buigingskracht beroofd, wordt stijf En strak en koud, als door de hand des doods. En zulk een schijnbeeld van den killen dood Verblijft gij twee en veertig uren lang; Dan zult ge ontwaken als uit zoeten slaap. Verschijnt des morgens dus uw bruidegom, En wekt hij u tot de' echt, dan zijt ge dood; En, naar 's lands wijze, wordt gij op de baar In uwe schoonste kleedren, onbedekt, Gedragen naar datzelfde aloud gewelf, Dat heel 't geslacht der Capulets omsluit. Omstreeks den tijd, dat gij ontwaken zult, Zal Romeo, wien 'k alles schrift'lijk meld, Hierheen zich spoeden; samen wachten wij 't Ontwaken af, en nog die eigen nacht Geleidt hij u van hier naar Mantua. Dit redt u van den smaad, die u bedreigt, Als niet door wankelheid of vrouwlijke angst Uw kloeke moed in 't handlen zelf bezwijkt.

JULIA. O, geef toch, geef; spreek niet tot mij van angst.

LORENZO. Neem 't dan, en ga. Volhard in uw besluit; Dan wacht u heil. Een kloosterbroeder brengt Terstond mijn brief naar uwen gade heen.

JULIA. Dat liefde kracht, en kracht mij hulp verleen! Vaarwel, eerwaarde vader!

(Beiden af.)

TWEEDE TOONEEL.

Een kamer in Capulet's huis.

Capulet, Gravin Capulet, de Voedster en twee Bedienden komen op.

CAPULET. Ga, neem deez' lijst en noodig al die gasten.

(Bediende af.)

Gij, huur me een twintigtal bekwame koks.

TWEEDE BEDIENDE. Ik zal zorgen, heer, dat er geen enkele slechte onder loopt, want ik zal zien, of ze hun vingers wel goed kunnen aflikken.

CAPULET. Waartoe moet die proef dienen?

TWEEDE BEDIENDE. Wel, heer, het zeggen is, dat het een slechte kok is, die zijn eigen vingers niet kan aflikken; daarom, die dit niet kan, daar wil ik niets van weten.

CAPULET. Ga, maak voort.

(Bediende af.)

De tijd is kort, wij komen nauw'lijks klaar.-- Zeg, is mijn dochter naar Lorenzo toe?

VOEDSTER. Ja zeker, heer.

CAPULET. Nu, 'k hoop dan maar, dat zijn vermaan wat helpt; Zij is een eigenzinnig, luimig ding.

(Julia komt op.)

VOEDSTER. Daar komt zij van de biecht en welgemoed.

CAPULET. Hoe is 't, mijn stijfkop? Waar hebt gij gezworven?