Romeo en Julia

Part 4

Chapter 43,841 wordsPublic domain

EERSTE TOONEEL.

Een marktplein.

Mercutio, Benvolio, een Page en Dienaars komen op.

BENVOLIO. Ik bid u, vriend Mercutio, laat ons gaan; 't Is heet vandaag, de Capulets zijn uit, En treffen wij die aan, dan komt er twist, Want bij deez' hitte woelt het dolle bloed.

MERCUTIO. Gij lijkt er wel een, die, als hij de gelagkamer van een wijnhuis binnenkomt, met zijn zwaard op de tafel slaat en zegt: "God geve, dat ik u niet noodig hebbe"; en die dan, als de tweede roemer zijn werking doet, het trekt op den tapper, als dit toch werkelijk niet noodig is.

BENVOLIO. Ben ik zoo iemand?

MERCUTIO. Ja, ja; gij zijt zoo'n opstuivende kerel in je drift, als er één in Italië loopt, en even zoo kitteloorig om driftig, en even zoo driftig om kitteloorig te worden.

BENVOLIO. Wat meer?

MERCUTIO. Waarachtig, als er meer zoo waren, dan zou er in korten tijd geen een meer over wezen, want de een zou den ander doodslaan. Gij, waarachtig, gij krijgt met iemand twist, omdat hij een haar meer of een haar minder in zijn baard heeft, dan gij hebt. Gij krijgt met iemand twist, als hij een kastanje schilt, alleen omdat gij kastanje-bruine oogen hebt. Wat oog ter wereld, dan zulk een oog, zou zulk een twist kunnen opsporen? Uw hoofd is van twist zoo vol als een ei, en toch is uw hoofd zoo leeg geslagen als een windei, door uw twistzoeken. Gij hebt twist gezocht met een man, die op straat kuchte, omdat hij uw hond wakker maakte, die in de zon lag te slapen. Zijt gij niet uitgevaren tegen een kleermaker, omdat hij zijn nieuw kamizool aantrok vóór Paschen? en tegen een ander, omdat hij zijn nieuwe schoenen met oude linten opbond? en wilt gij mij de les lezen over twistzoeken?

BENVOLIO. Nu, als ik zoo twistziek was als gij zijt, zou niemand, zelfs voor geen vijf kwartier, een weddingschap op mijn hoofd willen aangaan.

MERCUTIO. Uw hoofd! o dwaashoofd!

BENVOLIO. Bij mijn ziel, daar komen de Capulets.

MERCUTIO. Bij mijn zolen, ik geef er niet om.

(Tybalt en eenige Anderen komen op.)

TYBALT. Volg me op den voet, ik heb met hen te spreken.-- Goên dag, een woord met een van u, mijn heeren!

MERCUTIO. En niets dan één woord met een van ons? Voeg er wat bij, maak er een woord en een slag van.

TYBALT. Gij zult er mij bereid genoeg toe vinden, heer, als gij er mij maar aanleiding toe wilt geven.

MERCUTIO. Kunt ge geen aanleiding vinden, al geef ik u die niet?

TYBALT. Mercutio, gij harmonieert met Romeo,--

MERCUTIO. Harmonieeren! Wat! wilt ge ons tot muzikanten maken? Als gij muzikanten van ons maakt, reken er dan op niets dan snijdende tonen te hooren; hier is mijn strijkstok, die u wel zal laten dansen. Duivels! harmonieeren!

BENVOLIO. 't Is hier een plein, door menschen druk bezocht; Kiest voor uw twist een afgelegen plek; Of wel, bespreekt te zamen kalm uw grieven; Of gaat uiteen;--hier staart ons ieder aan.

MERCUTIO. Daar heeft een mensch zijn oogen voor, hij staar'! Ik wijk van hier om niemands wil een haar.

(Romeo komt op.)

TYBALT. 'k Laat u met vrede hier; daar komt mijn man.

MERCUTIO. Een strop voor mij, als hij uw dienstpak draagt; Maar ja, ga hem vooruit naar 't veld, hij volgt u; In dien zin, heerschap, blijkt hij wis uw man.

TYBALT. Romeo, mijn vriendschap laat niet toe, dat ik Iets anders zeg dan dit: gij zijt een schurk!

ROMEO. Tybalt, de grond, dien 'k heb, uw vriend te zijn, Ontschuldig', dat ik niet zoo toornig word, Als past op zulk een groete;--ik ben geen schurk: Daarom, vaarwel! ik zie, gij kent mij niet.

TYBALT. Knaap, dit is geen voldoening voor den hoon, Dien gij mij aandeedt; keer dus om, en trek.

ROMEO. En ik betuig, dat ik u nimmer hoonde, Maar meer uw vriend ben, dan gij gissen kunt, Aleer gij weet, wàt mij uw vriend doet zijn.-- Hoor, Capulet, ik stel uw naam zoo hoog Als van mijzelven;--daarom, wees bevredigd.

MERCUTIO. O makke en laffe en eerlooze onderwerping! Alla stoccata, dat is beter taal.--

(Hij trekt zijn zwaard.)

Tybalt, gij rattenvanger, durft gij? zeg!

TYBALT. Maar wat wilt gij dan toch van mij?

MERCUTIO. Niets anders, waarde kattenkoning, dan een van uw negen levens; dat zal ik zoo vrij zijn u te ontnemen, en de andere acht wil ik voor later gebruik droogkloppen. Wees zoo goed uw degen bij de ooren uit zijn huis te halen, en wat schielijk ook, of de mijne fluit u om de ooren, eer de uwe er uit is.

TYBALT (het zwaard trekkend). 'k Ben tot uw dienst.

ROMEO. Mercutio, vriend, steek op uw zwaard!

MERCUTIO. Kom, heer, uw passado.

(Mercutio en Tybalt vechten.)

ROMEO. Benvolio, trek en sla hun wapens neer!-- Schaamt u, mijn heeren! staakt dit vechten!-- Tybalt, Mercutio! pas verbood de vorst Met klem dit vechten in Verona's straten. Tybalt, houd op!--Mercutio!

(Hij komt tusschenbeide: Mercutio wordt onder zijn arm door gewond; Tybalt en zijn Volgers af.)

MERCUTIO. 'k Ben gewond!-- De pest haal' beide uw huizen!--'t Is gedaan;-- Ontkwam hij?--ongedeerd?

BENVOLIO. Gij zijt gewond?

MERCUTIO. Ja, ja, een prik, een prik; maar 't is genoeg.-- Waar is mijn page? Vlegel, haal een wondarts.

(Page af.)

ROMEO. Moed, vriend, het kan zoo erg niet zijn.

MERCUTIO. Neen, 't is niet zoo diep als een put en niet zoo wijd als een kerkdeur, maar 't is genoeg; ik kan 't er mee doen: laat morgen maar naar me vragen, ik zal doodbedaard zijn. Ik heb mijn bekomst, dat verzeker ik je, voor dit leventje.--De pest hale beide uw huizen!--Duivels! een hond, een rat, een muis, een kat, dat die een mensch kan krabben, dat hij het besterft! een pochhans, een schurk, een schoelje, die vecht naar de regels van de rekenkunst!--Wat duivel kwam je tusschenbeide? Ik kreeg den steek onder uw arm door.

ROMEO. Ik deed het al om bestwil.

MERCUTIO. Help me in een huis, Benvolio, of ik zwijm Op straat hier neer.--De pest haal' beide uw huizen!-- Die hebben wormenaas van mij gemaakt; 't Was raak, en goed ook;--beide uw huizen!

(Mercutio en Benvolio af.)

ROMEO. Deze edelman, den hertog na verwant, Mijn trouwe vriend, werd dood'lijk daar gewond Om mijnentwil, mijn goede naam bevlekt Door Tybalts hoon, door Tybalt, sinds een uur Mijn bloedverwant!--O, dierbre Julia! Uw lieflijk schoon heeft mij verwijfd gemaakt, En 't staal der dapperheid in mij verweekt.

(Benvolio komt terug.)

BENVOLIO. O, Romeo, Romeo, onze vriend is dood; Ten hemel is die wakk're geest gezweefd, Die al te ontijdig de aarde heeft versmaad.

ROMEO. Veel zwarte dagen spelt deez' dag van moord; Hij bracht ons wee, en andre zetten 't voort.

(Tybalt komt weder op.)

BENVOLIO. Hoe! Tybalt, die daar razend wederkeert!

ROMEO. Hij levend, juichend! en Mercutio dood! Vaar op ten hemel, zachtheid, die ontziet! U volg ik, woede, gij, die vlammen schiet!-- Thans, Tybalt, geef ik u dat "schurk!" terug, Dat gij mij voor de voeten wierpt; thans zweeft Kort boven ons Mercutio's ziel, en wacht Op uwe ziel, dat die haar begeleid'; Of gij, of ik, of beiden gaan met hem.

TYBALT. Ellend'ling, gij, die staâg zijn makker waart, Zult met hem gaan.

ROMEO. Dit worde aldus beslist!

(Zij vechten; Tybalt valt.)

BENVOLIO. Weg, Romeo, snel! van hier! Het volk is op de been, en Tybalt viel;-- Wat suft ge, voort!--de vorst doemt u ter dood, Als men u grijpt;--van hier!--van hier, en vlied!

ROMEO. 'k Ben speelbal der Fortuin!

BENVOLIO. IJl! sammel niet!

(Romeo af.--Burgers enz. treden op.)

EERSTE BURGER. Waar vlood de moord'naar van Mercutio heen? Waar vlood hij heen, die Tybalt, die het deed?

BENVOLIO. Hier ligt die Tybalt.

EERSTE BURGER. Heer, sta op! en weet, Ik spreek in 's vorsten naam, gij gaat met mij.

(De Vorst komt op, met Gevolg; Montague en Capulet, met hun Echtgenooten, en Anderen.)

VORST. Wie wekte deez' verfoeibre muiterij?

BENVOLIO. Mijn eedle vorst, ik was getuige, en deel U alles mee van dit vloekwaard krakeel. Hij, die daar ligt, geveld door Romeo's hand, Versloeg Mercutio, uw bloedverwant.

GRAVIN CAPULET. Tybalt, mijn neef! O gij, mijns broeders kind! O vorst! mijn neef!--Mijn gâ! men heeft ontzind Zijn bloed geplengd!--O hoor ons, Heer, geef toe, Stort, voor ons bloed, nu bloed van Montague! Mijns broeders zoon, mijn neef!

VORST. Door wien, Benvolio, is deez' strijd ontbrand?

BENVOLIO. Door Tybalt, hier geveld door Romeo's hand. Eerst sprak hem Romeo vriendlijk toe en wees Hem op de nietige oorzaak van den twist En op uw streng verbod;--maar of hij ook Met zachte stem en kalmen blik, ja, smeekend, Het fel gemoed van Tybalt wou bezweren,-- Die dolkop luistert naar geen vrede en richt Zijn vlijmend wapen op Mercutio's borst, Die, even vurig, nu de degens kruist En, als een fier soldaat, met de' eersten slag Den dood terugslaat, met den tweeden dien Naar Tybalt zendt, die vlug van oog en hand Den stoot weer afweert.--Thans roept Romeo luid: Houdt op, mijn vrienden, vrede! en vlugger nog Dan 't woord, is de arm; hij slaat hun moordstaal neer En werpt zich tusschenbeide; een valsche stoot Van Tybalt trof toen onder Romeo's arm Mercutio's moedig leven; Tybalt vlood; Maar dra keert hij terug tot Romeo, Die na deez' moord door wraakzucht wordt bezield; En snel als 't weerlicht volgt hun strijd; want eer Ik 't staal ontbloot om hen te scheiden, ligt De forsche Tybalt reeds ter neer geveld; En nauwlijks zonk hij neer, of Romeo vlood; Zoo droeg 't zich toe, of ik verdien den dood.

GRAVIN CAPULET. O vorst, hij is den Montagues verwant, Hij spreekt daar leugens, is op hunne hand. Wel twintig van die schelmen vielen aan, En hun geweld kon één man niet weerstaan. Ik smeek om recht: doem Romeo ter dood; Hij is 't geweest, die Tybalts bloed vergoot.

VORST. Boet Romeo aldus voor Tybalts bloed, Door wien wordt dan Mercutio's dood geboet?

MONTAGUE. Door Romeo niet; die was Mercutio's vriend; Den dood had Tybalt naar de wet verdiend: Hij kwam de wet slechts voor.

VORST. En voor die daad Verban ik hem onmidd'lijk uit den staat. Ikzelf blijf van uw woeden niet bevrijd, Ook mijn bloed vloot door uwen fellen strijd. Maar zulk een boete valle u thans te beurt, Dat ge allen dit verlies van mij betreurt. Op voorspraak, noch verschooning wil ik achten, Mijn vonnis zal geween noch beê verzachten; Beproef dus niets; 't is goed, dat Romeo vlood, Want keert hij, 't eigen uur brengt hem den dood. Voert weg dit lijk, en overweegt mijn woord! Genâ voor moord'naars is zoo goed als moord.

(Allen af.)

TWEEDE TOONEEL.

Een kamer in Capulet's huis.

Julia komt op.

JULIA. Jaag voort, jaag voort, gij vlammenspattend span, Naar Phebus' woning! Zulk een wagenaar Als Phaëton, hij zweepte u voort naar 't west, En bracht ons onverwijld de omwolkte nacht.-- Breid uit uw floers, gij nacht, die liefde kroont, Luik ieder zwervend oog, dat Romeo Onzichtbaar, heimlijk, in deze armen snell'!-- Voor minnenden straalt eigen schoon genoeg Bij 't feest der min, of is de liefde blind, Dan past de nacht er bij.--Kom, eerb're nacht, In stemmig zwart gehuld, en leer mij thans, Hoe, winnend, te verliezen bij een spel, Welks inzet zijn twee reine maagdebloemen; Huif met uw zwarten mantel 't angstig bloed, Dat in mijn wangen klept, tot schuwe liefde Stoutmoedig wordt, en 't doen der echte min Voor niets dan zedigheid en onschuld acht. Kom, nacht! kom Romeo! gij, dag bij nacht, Die op de vleug'len van de nacht zult schitt'ren, Meer dan ooit sneeuw op veed'ren van den raaf!-- Kom, lieve nacht, kom, donkre liefdenacht, Geef mijnen Romeo mij; en sterft hij eens, Herneem, en deel hem dan in kleine sterren; Dan schenkt hij 's hemels aanschijn zulk een glans, Dat heel de wereld op de nacht verlieft, En niemand meer den pronk der zonne huldigt.-- O, 'k heb een liefdewoning mij gekocht, Maar niet betrokken; zelf ben ik verkocht, Maar steeds nog niet aanvaard. O, deze dag Duurt mij zoolang, als de avond voor een feestdag Aan 't hunk'rend kind, dat nieuwe kleed'ren heeft En nog niet aan mag trekken.--O! daar komt Mijn voedster; zij brengt nieuws; en elk, wiens tong Mijn Romeo slechts noemt, spreekt hemeltaal.--

(De Voedster komt op met een ladderkoord.)

Nu zeg, wat is 't? wat hebt ge daar? het koord, Dat Romeo u halen liet?

VOEDSTER. Ja, 't koord.

(Zij werpt het op den grond en wringt de handen.)

JULIA. Wee mij, wat is 't? Wat is dat handenwringen?

VOEDSTER. O hemel, hij is dood, is dood, is dood! Wij zijn verloren, jonkvrouw, zijn verloren! O, welk een dag! hij is gedood, vermoord!

JULIA. Gij, hemel, zoo verbolgen?

VOEDSTER. Romeo is 't; De hemel is het niet.--O Romeo, Romeo-- Wie had dit kunnen denken?--Romeo--

JULIA. Wat booze geest zijt gij, die zoo mij martelt? Deez' kreet waar' goed bij foltring in de hel. Heeft Romeo zich gedood? Is 't antwoord "ja", Dan is die klank, dat "ja" een scherper gift, Dan 't doodlijk blikken van den basilisk, Dan ben 'k vernietigd door dat enkle woord, En 't sluiten van zijn oog sluit ook het mijn. Is hij gedood, zeg "ja", zoo niet, zeg "neen", Mijn wel of wee hangt aan dien klank alleen.

VOEDSTER. Ik zag de wond, zag die met eigen oog,-- God help' mij!--hier, vlak in die forsche borst; Een aak'lig lijk, een bloedig, aak'lig lijk, Grauw, grauw als asch, geheel met bloed bevlekt,-- Geronnen bloed;--ik zwijmde, toen ik 't zag.

JULIA. O, breek mijn hart!--arm bankroetier, o breek! Ter gijz'ling, oogen, kent geen vrijheid meer; Laag stof, keer weer tot stof! leg 't leven af! En u en Romeo berge 'tzelfde graf!

VOEDSTER. O Tybalt, Tybalt! gij, mijn beste vriend! Beleefde Tybalt, wakk're en eed'le heer! Dat ik 't beleven moest, u dood te zien!

JULIA. Wat storm is dit, die van twee kanten loeit? Is Romeo vermoord, en Tybalt dood? Mijn liefste neef, en eindloos liever gâ?-- Dan, schrikbazuin, blaas dan den jongsten dag! Want wie, wie leeft, zijn deze twee niet meer?

VOEDSTER. Tybalt is dood, en Romeo verbannen; Romeo, die hem gedood heeft, is verbannen.

JULIA. O God!--heeft Romeo Tybalts bloed gestort?

VOEDSTER. Ja, ja, o jammerdag! hij deed het, ja!

JULIA. O slangenhart, bij bloemzoet aangezicht! Woonde ooit een draak in zulk een schoone grot? Verleid'lijk woest'ling! duivel in een lichtkleed! Gij raaf in duivedos! wolfsch-vratig lam! Verfoeibre kern, door 't godd'lijkst schoon omhuld! Boos tegendeel van 't goede, dat gij schijnt! Vloekwaarde heilige! eerbiedwaarde schurk!-- Natuur, waartoe ter helle neergedaald Om zulk een euv'len geest, dien gij deedt wonen In zulk een vleeschgeworden paradijs?-- Wie gaf een boek van zulk een snooden inhoud Ooit zulk een schoonen band? O, dat bedrog Zulk prachtpaleis bewonen mag!

VOEDSTER. Er is Geen trouw, geen braafheid meer in mannen; allen Zijn trouwloos, valsch, meineedig, allen huichlaars.-- Waar is mijn dienaar? Geef mij iets versterkends;-- Die kommer, zorg en droefheid maakt mij oud. Smaad, schande op Romeo!

JULIA. Uw tong verstijv' Om zulk een wensch! hem werd nooit smaad bestemd; Smaad is beschaamd te zeet'len op zijn voorhoofd; Dat is een troon, waar, als beheerscheres Der gansche wereld, de eere zij gekroond! O, 'k was geen mensch, toen ik hem daar beschimpte!

VOEDSTER. Wilt gij den moord'naar prijzen van uw neef?

JULIA. Zou ik mijn heer dan smaden, mijn gemaal? Wiens tong zal, arme, uw naam in eere houden, Nu ik, drie uur uw vrouw, hem heb gesmaald Maar, booze man, wat dooddet gij mijn neef? Die booze neef doodde anders mijn gemaal. Terug, gij dwaze tranen, naar uw bron; Aan weedom komt die droppelplenging toe Vloeit niet, verdwaasd, om wat verblijdend is. Mijn gade leeft, dien Tybalt wou verslaan; Dood is die Tybalt, die mijn gâ wou dooden. Troost is dit alles; waarom ween ik dan? Er was een erger woord dan Tybalts dood, Dat mij versloeg. Waar' 't uit mijn ziel gewischt! Maar o! het klemt zich vast in mijn geheugen Als zware schuld in 't zondige gemoed, "Tybalt is dood en Romeo--gebannen!" "Gebannen!" O, dat ééne woord "gebannen" Verslaat tien duizend Tybalts. Tybalts dood Waar' wee genoeg, volgde ook geen verder wee; Of,--zoekt het leed zich steeds een metgezel En sleept het altijd andre smarten mee,-- Waarom volgde op dat "dood is Tybalt" niet "Uw vader" of "uw moeder", ja, of beiden, Die passend rouwbeklag betreuren mocht? Maar door wat nakwam achter Tybalts dood, Dat "Romeo is gebannen", door dat woord Zijn vader, moeder, Tybalt, Romeo, allen, En ook ikzelf, verslagen en gevallen; Ja eind- en grens- en maatloos is de dood Van 't eene woord; onpeilbaar is mijn nood.-- Waar zijn mijn vader en mijn moeder? waar?

VOEDSTER. Weeklagend, weenend staan ze aan Tybalts baar; Zal ik u bij hen brengen?

JULIA. Wasschen zij Zijn wonden met hun tranen, o, die zijn Reeds lang gedroogd, dan vloeien nog de mijn' Om Romeo's ballingschap. Uw toekomst, koord, Is, als de mijn', door dezen doem verstoord; Door u waar' hij ten top van heil verheven, Ik eindig vroeg mijn maagdlijk weduwleven. Breng 't koord mij na, waar 't bruidsbed is gespreid; De dood, niet Romeo, neem' mijn maagdlijkheid!

VOEDSTER. Ga naar uw kamer; Romeo zal ik halen Om u te troosten; 'k weet wel, waar hij is. Geloof mij, Romeo komt nog deze nacht; Hij is verborgen in Lorenzo's cel.

JULIA. O! breng deez' ring en zeg hem: ik verwacht Van mijn getrouwen gade 't laatst vaarwel.

(Beiden af.)

DERDE TOONEEL.

De cel van broeder Lorenzo.

Broeder Lorenzo en Romeo komen op.

LORENZO. Kom, Romeo, voor den dag, gij man van vrees; Bekomm'ring klemt verliefd zich aan u vast, Ellende is u een levensgezellin.

ROMEO. Vader, hoe is 't? wat vonnis sloeg de vorst? Wat rampspoed is 't, die thans de hand mij grijpt, En dien ik nog niet ken?

LORENZO. Te veel, mijn zoon, Zoekt gij den omgang van zoo droeve vrienden; Ik breng bericht van 't vonnis van den vorst.

ROMEO. Is 't minder, vader, dan het laatst gericht?

LORENZO. Een zachter vonnis vloot hem van de lippen, Het brengt geen dood, het brengt u ballingschap.

ROMEO. Ha, ballingschap?--Erbarming! zeg mij--"dood"! Verbanning is verschrikk'lijker van aanblik, Veel meer dan dood!--o, zeg niet--"ballingschap".

LORENZO. Hier van Verona slechts zijt gij verbannen; Wees kalm, de wereld toch is ruim en wijd.

ROMEO. De wereld is slechts in Verona's wallen, Daarbuiten folt'ring, vagevuur, de hel. Verbannen is verbannen van de wereld; Die ballingschap is dood;--dus is "verbanning" De dood, misnoemd. Noemt gij den dood--"verbanning", Gij houwt mij 't hoofd af met een gouden bijl, En glimlacht bij den slag, die mij vermoordt.

LORENZO. O zware zonde, o, zwarte ondankbaarheid! De wet eischt uwen dood; de goede vorst Erbarmt zich uwer, stoot de wet ter zij, Verkeert dat woord "ter dood" in "ballingschap"; Dat is genade, en gij erkent het niet.

ROMEO. 't Is mart'ling, geen genâ; hier is de hemel, Waar Julia woont, en ied're kat en hond En kleine muis, ja 't laagste schepsel, leeft Hier in den hemel, want het mag haar zien, Slechts Romeo niet.--Meer waarde, hoog'ren stand, Meer recht tot liefdediensten heeft een vlieg Dan Romeo; dat wonderblank der hand Der dierbre Julia roert zij vrij aan, En steelt zich hemelwellust van haar lippen, Die rein en met Vestaalsche zedigheid Steeds blozen, alsof kussen zonde waar'; Doch Romeo mag het niet; hij is verbannen; Wat vliegen mogen doen, moet ik ontvliên; Zij leven vrij, maar ik, ik ben verbannen; En zegt gij nog, "verbanning is geen dood"? Hadt gij geen gift, geen scherp geslepen mes, Geen spoedig werkend middel, hoe veracht, Dan--"ballingschap"--om mij te dooden? "Ballingschap"! O, vader, spreken in de hel verdoemden Dit woord, dan volgt gehuil; hoe hebt gij 't hart, Gij godsman, geestelijke vader, gij, Ontheffer van de zonde, uw dierbren zoon Te brijz'len met dat woord van "ballingschap?"

LORENZO. Gij dolle liefdedwaas, hoor toch een woord!

ROMEO. O weer een woord, gewis, van ballingschap.

LORENZO. 'k Geef u een harnas, waar dat woord op afstuit, De zoetste melk in 't leed: philosophie, Die u, al zijt gij balling, troosten zal.

ROMEO. Toch "ballingschap!"--Weg met philosophie! Indien philosophie geen Julia schept, Geen stad verzet, geen vorstenvonnis stuit, Dan baat zij niets, vermag niets; dan geen woord!

LORENZO. O, 'k zie te wel, krankzinnigen zijn doof!

ROMEO. Geen wonder, als de wijzen blinden zijn!

LORENZO. Kom, overleggen we eens, hoe 't met u staat.

ROMEO. Van wat gij niet gevoelt, kunt gij niet spreken. Waart gij zoo jong als ik, en Julia de uwe, Slechts voor een uur gehuwd, Tybalt vermoord, Verliefd als ik, verbannen zooals ik, Dan mocht ge spreken, woelen in uw haar, U storten op den grond, als ik nu doe, Om u een ongedolven graf te meten.

(Er wordt geklopt.)

LORENZO. Op Romeo, op! daar wordt geklopt; verberg u.

ROMEO. Ach neen; ik laat de zuchten van mijn ziel Mij als een mist voor 't vorschend oog omhullen.

(Er wordt weder geklopt.)

LORENZO. 't Geklop houdt aan!--Wie is daar?--Romeo, op! Men vat u zeker!--Op! (Geklop.) Een oogenblik geduld! IJl in mijn bidcel ginds!--Zoo daadlijk, ja!-- God, welk een dwaasheid!--Ja, ik kom, ik kom! (Geklop.) Wie klopt zoo luid? Wie zijt gij en wat wilt gij?

VOEDSTER. Laat mij toch binnen; 'k breng een boodschap over; Ik kom van jonkvrouw Julia.

LORENZO. Welkom dan.

(De Voedster treedt binnen.)

VOEDSTER. O heil'ge vader, zeg mij, heil'ge vader, Waar is haar man toch? waar is Romeo?

LORENZO. Daar op den grond, bedwelmd door eigen tranen.

VOEDSTER. O, hij is als mijn jonkvrouw, juist als zij. O, 'tzelfde wee, beklaagbre staat! Juist zoo Ligt zij en snikt en weent, en weent en snikt.-- Sta op, sta op! zijt gij een man, sta op! Om Julia's wil, om harentwil, rijs op! Waarom verzonken in zoo diep een wee?

ROMEO. Ach, goede vrouw!

VOEDSTER. Ach, heer, ach, heer!--De dood is aller lot.

ROMEO. Spraakt gij van Julia? spreek, hoe is 't met haar? Houdt zij mij niet voor moord'naar van nature, Nu ik met bloed, haar bloed zoo na verwant, De kindsheid onzer vreugde heb bespat? Waar is zij en hoe is 't haar? O hoe diep Is zij verstoord om ons verstoord geluk?

VOEDSTER. Zij spreekt geen enkel woord, maar weent en weent; Nu stort ze neer op 't bed, dan weer vliegt ze op, En "Tybalt!" roept ze, en schreit om Romeo En zijgt op nieuw ter neer.

ROMEO. Als bracht die naam, Uit doodelijke buks geschoten, haar Den dood, zooals de vloekhand van dien naam Haar bloedverwant den dood bracht!--Zeg mij, vader, Waar in deez' snooden stofklomp huist mijn naam? O zeg 't mij, zeg 't, opdat ik 't vloekbre huis Ten grond toe sloop'!

(Hij trekt zijn dolk.)