Part 2
VOEDSTER. Niet minder, neen, eer neemt gij door hem toe.
GRAVIN CAPULET. Spreek, hebt ge zin aan Paris' zij te leven?
JULIA. 'k Heb zin te zien, of 't zien mij zin kan geven. Doch dieper zendt mijn oog geen liefdeschicht, Dan naar de klem, waarmede uw wil ze richt.
(Een Bediende komt op.)
BEDIENDE. Mevrouw, de gasten zijn er, het maal wordt opgedischt, uw edelheid wordt geroepen, de jonkvrouw in de zaal gewenscht, de voedster in de keuken verwenscht, en alles is op het tipje. Ik moet oogenblikkelijk heen om te gaan bedienen. Ik bid u, kom dadelijk.
(Bediende af.)
GRAVIN CAPULET. Wij komen.--Julia, laat den graaf niet wachten.
VOEDSTER. Ja, voeg bij schoone dagen schoone nachten.
(Allen af.)
VIERDE TOONEEL.
Een straat.
Romeo, Mercutio, Benvolio met 5 of 6 Maskers, Toortsdragers en Anderen komen op.
ROMEO. Verschoonen we onze stoutheid met deze aanspraak, Wat denkt ge er van? of gaan we zoo naar binnen?
BENVOLIO. De tijd is uit van zulke omslachtigheid; Geen liefdegod, die ons naar binnen brengt, Geblinddoekt en als een Tataar gewapend, Met een geverfde lat voor boog, die als Een vogelschrik de dames weg doet vluchten! Geen toespraak hij onze intreê, half geleerd, En opgedreund, terwijl een ander voorzegt! Neen, nemen zij het op zooals zij willen, Wij nemen 't luchtig op en dansen meê.
ROMEO. Geef mij een toorts, ik houd niet van dat springen, 'k Ben zwaar te moê en draag dus liefst het licht.
MERCUTIO. Neen, dansen moet gij, beste Romeo.
ROMEO. Ik niet, geloof me toch. Gij, zieltjes zonder zorg, Hebt lichte zooltjes voor den dans; mijn ziel, Zij is bezwaard, gedrukt; met looden zool Gaat dansen niet; ik kwam niet van den grond.
MERCUTIO. Gij zijt verliefd, leen dus Cupido's wieken, En vlieg er hooger mee dan een, die springt.
ROMEO. Zijn pijl vloog mij te zwaar in 't hart, om met Zijn luchte wiek te vliegen, en ik kan Niet springen over 't wee, dat voor mij ligt; De zware last der liefde drukt mij neer.
MERCUTIO. Veeleer moest gij uw liefde nederdrukken, Schoon gij een teeder ding dan zwaar belast.
ROMEO. Is liefde een teeder ding? Ze is veel te ruw, Te scherp, te onstuimig, en als doornen steekt ze.
MERCUTIO. Is liefde ruw met u, wees ruw met haar; Steek weder, als zij steekt, en gij blijft boven.-- Geef mij nu zoo'n foed'raal voor mijn gezicht.
(Hij doet een masker voor.)
Een mom nog voor een mom! Wat scheelt het mij, Wat scherpziend oog mijn leelijkheid hier monstert? Dit puilend voorhoofd bloze nu voor mij.
BENVOLIO. Kom, klopt nu aan; naar binnen! zijn wij daar, Dan geve een elk zijn beenen flink te doen.
ROMEO. Voor mij een toorts; dat dart'len, licht van hart, 't Gevoelloos strooibies kitt'len met de voeten; Voor mij, ik houd me aan 't oude en ware woord: "Wie 't licht te dragen heeft, zie rustig toe;" Hoe mooi het spel moog' wezen, ik ben 't moe.
MERCUTIO. Ja, dat zegt elk, die in de modder spartelt. Zijt gij 't nu moe, wij brengen koord en trekken U uit dat minneslijk, waarin ge steekt Tot over de ooren toe.--Wij branden licht bij dag.
ROMEO. 't Is ver van dag.
MERCUTIO. Verzuimen wij het feest, Ons licht ware, als bij dag, voor niet geweest. Kom mee, wij meenen 't goed, stel dit op prijs, Veel meer dan onzen geest, dan doet gij wijs.
ROMEO. 't Zij goed van mij, met u naar 't feest te gaan, 't Is toch niet vroed.
MERCUTIO. Hoe moet ik dit verstaan?
ROMEO. Ik had van nacht een droom.
MERCUTIO. Ik ook.
ROMEO. En wat?
MERCUTIO. Dat droomen leugens zijn.
ROMEO. Geloof me, ik had Er een, zóó waar, dat ik niet twijflen mocht.
MERCUTIO. O zoo, ik zie, fee Mab heeft u bezocht. Ze is de elfenkoningin, die droomen brengt; Zij komt, niet grooter dan het beeldje op De' agaatsteen in den ring eens aldermans, En rijdt, met een gespan van zonnestofjes, Over den neus van menschen in hun slaap. De raderspeeken zijn van spinnebeenen, Van fijne sprinkhaanvleugels is de kap, Van 't web der kleinste spinnen zijn de teugels, Van maanschijnstralen is het tuig; de zweep Is van een krekelscheen en biezepluis; Haar voerman is een mug, in 't grijs gekleed, Niet half zoo groot als 't ronde wormpje, dat In 't vingertopje huist van luie meisjes; Haar rijtuig is een holle hazelnoot, Gemaakt door meester Eekhoorn of baas Wurm, Van oudsher reeds der elfen wagenmakers. En met dit span bezoekt ze nacht op nacht Het brein van minnaars, die alsdan van liefde, De knie van hoov'lingen, die dan van buigen, De hand van procureurs, die dan van kosten, Den mond van meisjes, die van kussen droomen; Maar deze straft vaak Mab in toorn met puistjes, Wijl snoeperij haar adem heeft vervalscht. Soms galoppeert zij op den neus eens hoov'lings, Die speurt dan droomend nieuwe gunstbewijzen. Soms neemt zij 't staartje van een bigge en kittelt Een zielenherder in zijn slaap den neus, Dan droomt hij daad'lijk van een vetter kerspel. Soms draaft zij op den hals van een soldaat, Die meen'gen vijand dan den hals doorklieft, Van bressen, hinderlagen, Spaansche klingen, Van drinken uit een reuzenpokel droomt; Dan hoort hij vlak aan 't oor een trom, springt op, Ontwaakt, en vloekt een schietgebed of twee, En slaapt weer in. Dit is dezelfde Mab, Die 's nachts de manen van de paarden vlecht, En slordig haar dooreenwart tot een vilt, Waarvan de ontwarring tal van rampen spelt; Dit is dezelfde heks, die meisjes drukt, Als ze op den rug gaan liggen, en haar zoo Aan 't dragen went, waardoor zij vrouwen worden Van veel gewicht; 't is--
ROMEO. Stil, Mercutio, stil! Gij praat van iets, dat niets is.
MERCUTIO. Ja van droomen, En die zijn kindren van een spelend brein, Verwekt door niets dan ijle fantaisie, Die lucht van wezen is gelijk de lucht, En wisselzieker dan de wind, die nù Zijn heil zoekt aan de ijskoude borst van 't noord, En dan, verbolgen, heensnelt met een storm, 't Gelaat gekeerd naar 't zoel, dauwdropp'lend zuid.
BENVOLIO. Met al dien wind blaast gij ons af van 't doel; 't Maal is voorbij; zoo komen wij te laat.
ROMEO. Ik vrees te vroeg; ik heb een voorgevoel: Een onheil, dat nog in de sterren zweeft, Is op het punt verschrikk'lijk los te breken In deze feestnacht, en van 't haatlijk leven, In deze borst besloten, mij te ontslaan Door 't laag vergrijp van een te vroegen dood. Maar Hij, die op mijn vaart de roerpen houdt, Richt' mij mijn zeil!--Vooruit, met lust, mijn vrienden!
BENVOLIO. Kom aan! de trom!
(Allen af.)
VIJFDE TOONEEL.
Een zaal in Capulet's huis.
Muzikanten staan gereed. Bedienden komen op.
EERSTE BEDIENDE. Waar is Braadpan, dat hij niet helpt afnemen? Hei! bordenwiss'laar! hei! bordenschraap!
TWEEDE BEDIENDE. Als het voor de netheid aankomt op een paar menschenhanden, en die zijn bovendien ongewasschen, dan ziet het er treurig uit.
EERSTE BEDIENDE. Weg met de vouwstoelen, op zij met die aanrechttafel, let op het zilvergoed!--Zeg, vriend, bewaar een stuk marsepein voor mij, en als je mij een pleizier wilt doen, zeg dan aan den portier, dat hij Suze Slijpsteen en Leentje binnenlaat.--Hei! Teunis en Braadpan!
TWEEDE BEDIENDE. Ja zeker, kerel; in orde.
EERSTE BEDIENDE. Er wordt naar je uitgekeken, naar je geroepen, naar je gevraagd, naar je gezocht, in de groote zaal.
TWEEDE BEDIENDE. We kunnen toch niet te gelijk hier wezen en daar.--Met lust, jongens, vlug wat; de langstlevende krijgt alles.
(De Bedienden af.)
(Capulet komt op, met zijn Echtgenoote en Dochter, een Oom en andere Gasten; evenzoo de Maskers.)
CAPULET. Weest welkom, heeren! ziet, wie van de dames Geen likdoorns heeft, doet gaarne een dans met u.-- Wel, schoone dames! spreekt! wie van u allen Zou nu niet willen dansen? 'k Zweer, wie hier Zich nuffig toont, heeft zeker eksteroogen. Nietwaar, ik heb 't getroffen?--Welkom, heeren, O, 't heugt me, dat ook ik een masker droeg En menig streelend woord mijn schoone in 't oor Gefluisterd heb; dat is voorbij, voorbij! Weest welkom, heeren!--Kom, muziek, muziek! Ruim baan, ruim baan! Komt, meisjes, rept den voet!
(Muziek en dans.)
(Tot de Bedienden.) Meer licht, gij droomers! klept de tafels op! Weg met het vuur, 't is hier al veel te warm!-- Waarachtig, die verrassing komt van pas! Oom Capulet, laat ons er bij gaan zitten; Voor u en mij is 't dansen wel voorbij;-- Hoe lang zou 't zijn, dat gij en ik voor 't laatst Een masker droegen?
OOM CAPULET. Vast wel dertig jaar.
CAPULET. Kom, man, zoo lang is 't niet, zoo lang is 't niet. 't Was op de bruiloft van Lucentio; Als Pinksteren weer in 't land is, laat het dan Een vijf en twintig jaar zijn, meer toch niet.
OOM CAPULET. 't Is meer, 't is meer; zijn zoon is ouder; ja, Die is wel dertig.
CAPULET. Wat vertelt ge daar? Kom, kom, voor twee jaar was hij nog vervoogd.
ROMEO (tot een Bediende). Wie is die schoone jonkvrouw, die de hand Van gindschen ridder siert?
BEDIENDE. Ik weet niet, heer.
ROMEO. O, zij eerst leent den toortsen gloed en pracht! Het is als rustte ze op de wang der nacht, Gelijk in 't oor eens moors een rijk juweel; 't Is schoonheid, voor deze aard te rijk en te eêl! Een duif, sneeuwwit, bij 't kraaienvolk verdwaald, Straalt zooals zij bij haar genooten straalt. Ik nader haar na dezen dans; de druk Dier hand schenke aan de mijne 't zoetst geluk. Beminde ik ooit? Mijn oog zegg' neen! want, ziet! Wat ik ooit zag, was de echte schoonheid niet.
TYBALT. Dat moet een Montague zijn, naar zijn stem. Haal mij mijn degen, knaap!--Hoe waagt die schurk Hierheen te komen, met een grijns bedekt, Om schimp en hoon te werpen op ons feest? Nu, bij den roem en luister van mijn stam, 't Waar' goed gedaan, als ik hem 't leven nam.
CAPULET. Wat hebt ge, neef? Wat dolle razernij?
TYBALT. Een vijand, oom, een Montague is hij, Een schurk, die, achter 't masker, onbevreesd Hier komt, ons hoont, beschimpt op 't plechtig feest.
CAPULET. 't Is jonge Romeo?
TYBALT. 't Is Romeo, die schurk.
CAPULET. Bedaar, mijn waarde neef, laat hem met vreê; Hij toont zich steeds een wakker edelman; En, waar is waar, Verona boogt op hem, Wijl hij een braaf, bescheiden jong'ling is. 'k Zou voor de schatten onzer stad niet willen, Dat hier in huis hem hoon wierd aangedaan; Verdraag hem dus, bemoei u niet met hem. Ik wil dit zoo; hebt ge eerbied voor mijn wil, Wees vriendlijk; neen! toon op 't gelaat geen wrevel, Want dat is iets, wat op een feest niet past.
TYBALT. Het past, dringt zulk een schurk zich in als gast; Ik duld hem niet.
CAPULET. Ik wil, dat gij hem duldt;-- Wat, jonge heer!--Ik zeg, het moet!--kom aan! Ben ik hier baas of gij?--Ik zeg 't, kom aan; Gij duldt hem niet?--Wel, bij mijn zaligheid, Zoudt gij hier tweedracht stoken? Wil uw haan Hier koning kraaien? Gij de man hier zijn?
TYBALT. Maar oom, 't is schande!
CAPULET. Wel, komaan, komaan! Gij ingebeelde knaap, gij zegt, 't is schande? Ik peper 't u wel in; ik zal 't onthouden. Gij mij weerstreven? Nu voorwaar, 't is fraai!-- Goed zoo, mijn vrienden!--Hoor, waanwijze knaap, Pas op, of ik....!--Meer licht, meer licht!--Ik zal 't U wel verleeren!--Goed zoo, goed, mijn vrienden!
TYBALT. Gedwongen dulden en verwoede spijt, Zij doen mij trillen door hun fellen strijd! Ik ga; maar 'k zweer, het zoet, dat hem dit bal Verschafte, wordt hem bitterder dan gal!
(Tybalt af.)
ROMEO (tot Julia). Ontwijdt deez' hand vermetel dit altaar, 't Zij zonde, ja, maar wil 't vergeeflijk achten; Mijn mond wil met een blozend pelgrimpaar Door teed'ren kus dien ruwen druk verzachten.
JULIA. O goede pelgrim, smaad uw hand niet langer; Wèlpassend eerbetoon bewijst ge aldus; Een heil'ge gunt zijn hand den beêvaartganger, En hand in hand is vrome pelgrimskus.
ROMEO. Maar hebben heil'gen niet ook lippen?
JULIA. Ja, Als pelgrims, voor het murm'len van gebeden.
ROMEO. Dan doen, wat handen deden, lippen na; Zij smeeken, spaar mij wanhoop, hoor mijn eeden!
JULIA. Stil staat een heil'ge, al staat hij beden toe.
ROMEO. O sta dan stil, nu 'k dus mijn bede doe.
(Hij kust haar.)
Zoo is mijn mond door uwen mond ontzondigd.
JULIA. Zoo heeft mijn mond dus zonde voor zijn gunst?
ROMEO. Van mij een zonde? O misdrijf, zoet verkondigd! Geef mij mijn zonde weer!
JULIA. Gij kent de kunst.
VOEDSTER. Jonkvrouw, uw moeder vraagt, waar gij toch blijft.
ROMEO. Wie is de moeder van de jonkvrouw?
VOEDSTER. Haar moeder is de vrouw des huizes, jonker! En ze is een goede en wijze en vrome vrouw, En ik, ik was de minne van haar dochter, Met wie gij spraakt; en 'k zeg u, die haar krijgt, Die krijgt nog wel een aardig duitje er bij.
ROMEO. Een Capulet! Wat pandbrief! Ja, mijn leven Heb ik als schuld mijn vijand prijs gegeven.
BENVOLIO. Komt, laat ons gaan, genoten is de lust.
ROMEO. En 'k vrees, voor goed vervloten mijne rust.
CAPULET. Komt, heeren, gaat nog niet, er staat voor u Wat vruchten, wijn, zoo'n kleinigheid gereed.-- Is niets er aan te doen?--Dan dank ik u; Ik dank u zeer, mijn' heeren; goede nacht!-- De toortsen bij de hand!--Kom dan, naar bed; 't Is wèl geweest, voorwaar, het is al laat, En ik verlang naar rust.
(Allen af, behalve Julia en de Voedster.)
JULIA. Kom, minne, hier.--Wie is die heer daar ginds?
VOEDSTER. Tiberio's een'ge zoon en erfgenaam.
JULIA. En hij, die daar nu juist de zaal verlaat?
VOEDSTER. Dat is Petruccio, zoover ik zie.
JULIA. En die nu volgt, en die niet dansen wou?
VOEDSTER. Dien ken ik niet.
JULIA. Ga 't even vragen.
(De Voedster gaat naar den uitgang.)
Is zijn hand niet vrij, Dat dan het graf mijn huwlijkssponde zij!
VOEDSTER (terugkeerend). Zijn naam is Romeo; 't is een Montague, En van uw grooten vijand de een'ge zoon.
JULIA. Mijn een'ge liefde ontsproot mijn een'gen haat! 'k Zag onbewust te vroeg, ik wist te laat! O! had mij 't lot voor zulk een min behoed, Dat ik mijn ergsten vijand minnen moet!
VOEDSTER. Wat zegt ge daar?
JULIA. Een rijmpje, dat ik pas Daar van een danser leerde. (Achter het tooneel wordt geroepen:) Julia!
VOEDSTER. Kom, ieder is nu weg; wij komen;--ja.
Chorus treedt op.
CHORUS. Zoo ligt nu de oude hartstocht op de baar, En jonge liefde smacht, zijn schatten te erven; Bij Julia verbleekte 't schoon van haar, Die Romeo deed zuchten, schier deed sterven. Betoov'ring sloeg hun beider hart in boeien! Die liefde wekte, is zelve in liefde ontbrand; Zijn schijnb're vijandin doet hem ontgloeien, En zij plukt liefdes bloem aan de' afgrondsrand. Daar hij als vijand geldt, staat hem niet vrij, Haar met een eed van eeuw'ge min te groeten; Nog minder is, hoe echt haar liefde ook zij, Het haar vergund, dien minnaar ooit te ontmoeten. Maar min geeft kracht, en tijd gelegenheid;-- Zoo mengt zich met vertwijfling zaligheid.
TWEEDE BEDRIJF.
EERSTE TOONEEL.
Een open plaats bij Capulet's tuin.
Romeo komt op.
ROMEO. Hoe kan ik voortgaan, als mijn ziel hier blijft? Keer om, nietswaardig stof, en zoek uw ziel.
(Hij klimt over den muur en springt in den tuin.)
(Benvolio en Mercutio komen op.)
BENVOLIO. Hé, Romeo, Romeo, kom toch!
MERCUTIO. Hij doet wijs; Hij sloop naar huis, waarachtig, naar zijn bed.
BENVOLIO. Hij liep hierheen en sprong den tuinmuur over. Mercutio, roep hem!
MERCUTIO. Ja, 'k bezweer hem zelfs.-- Hé, Romeo! grillen, dolkop, hartstocht, minnaar! Vertoon u in gedaante van een zucht! Spreek slechts één rijm, dan laat ik u met vreê; Roep maar, "wee mij!" en zeg maar "liefde" en "griefde", Geef aan vrouw Venus een paar zoete woordjes, Een aardig spotnaampje aan haar blinden zoon, Aan 't jonkske, dat zoo treflijk schoot, toen koning Cophetua het beed'laarsmeisje minde!-- Hij hoort niet, roert zich niet, beweegt zich niet; Ons aapje is dood, maar 'k wek het.--Ik bezweer U bij den glans van Rosalinde's oog, Haar prachtig voorhoofd, haar kersroode lippen, Haar kleinen voet, slank been, en malsche heup, En bij 't gebied, dat verder hieraan grenst,-- Dat gij in uw gedaante aan ons verschijnt!
BENVOLIO. Gij ergert hem, als hij u hoort.
MERCUTIO. Dit kan Hem wis niet erg'ren. Erg'ren zou het hem, Deed ik een and'ren, vreemden geest verrijzen, Die in den tooverkring van zijn geliefde Te dringen wist, en wijken wou noch buigen, Aleer zij daartoe hem bezworen had. Dit waar' hem ergernis, maar mijn bezwering Is goed, betaamlijk; in haar lieven naam Bezweer ik hier hem-zelf, dat hij verrijz'.
BENVOLIO. Kom! hij heeft zich verborgen in 't geboomt'; Zijn gril is 't, in de kille nacht te rillen; Zijn liefde is blind; het duister past er bij.
MERCUTIO. Is liefde blind, dan kan zij 't doel niet treffen. Nu strekt hem wis een mispelboom tot dak, En wenscht hij, dat zijn liefje zulk een vrucht waar', Die tot hem riep, "kom, pluk me, pluk terstond!" O Romeo, waar' dit zoo! O waar' dit zoo! En viel zij maar van zelve u in den schoot!-- Nu, Romeo, goede nacht; 'k ga naar mijn mandje; Dit veldbed is voor 't slapen mij wat frisch. Kom, gaan we?
BENVOLIO. Ja, 't is toch vergeefs gezocht; Die zich niet vinden laat, wordt niet gevonden.
(Beiden af.)
TWEEDE TOONEEL.
De tuin van Capulet's huis.
Romeo komt op.
ROMEO. Wie nooit het schrijnen voelde, spot met wonden.
(Julia verschijnt aan het open venster, boven.)
Maar stil! wat licht breekt door het venster ginds? 't Is 't oosten daar, en Julia is de zon!-- Rijs, schoone zon! verdrijf de maangodin, Die bleek en ziek van afgunst is, dat gij, Haar dienares, veel schooner zijt dan zij. Verlaat haar dienst, nu zij afgunstig is! Haar maagden zijn in zieklijk bleek gehuld; Dat kleed, slechts dwazen dragen 't; werp het af!-- Zij is het, mijn gebiedster, mijne liefde; O wist zij, dat zij 't is!-- Zij spreekt, al zegt ze niets; maar niettemin, Haar oog spreekt duidlijk, ik wil antwoord geven.-- Neen, al te stout; ik ben 't niet, wien ze toespreekt; Een tweetal schoonste sterren aan den hemel, Naar elders afgezonden, smeekt haar oogen In hare plaats te schitt'ren, tot zij keeren. Maar waren ginds haar oogen, hier de sterren, Waar nu haar oogen stralen, o, de glans Dier wangen zou die sterren diep beschamen, Als 't licht des dags een lamp; en aan haar oogen Ontstraalde van den hemel dan een gloed, Door 't voog'lenkoor als morgenlicht begroet! Zie, hoe zij met de wang leunt op haar hand; O, ware ik slechts de handschoen aan die hand, En kuste ik zoo die wang!
JULIA. Helaas!
ROMEO. Zij spreekt!-- Spreek voort, gij schitt'rende engel! Ja, gij straalt Zoo heerlijk in de nacht hier boven mij, Als een gevleugeld hemelbode glanst Voor de in bewondring 't wit vertoonende oogen Der stervelingen, die, teruggezonken, Hem volgen, als hij op de wolken stijgt, En, door de lucht gedragen, statig zweeft.
JULIA. O Romeo, Romeo! waarom zijt gij Romeo? Verloochen uwen vader, uwen naam, Of, wilt ge dat niet, wees in liefde mijn, En 'k ben van stonden aan geen Capulet.
ROMEO. Moet ik nog verder luistren, of nu spreken?
JULIA. 't Is slechts uw naam, die vijand is;--gij zijt Uzelf geheel, geen Montague. Want wat Is Montague? dat is noch hand, noch voet, Noch arm, noch aangezicht, noch eenig deel, Dat van een man is. Wees een andre naam! Wat is een naam? Het ding, dat roos nu heet, Geurde, als 't een andren naam had, even lieflijk; Ook Romeo zou, waar' Romeo niet zijn naam, Zijn eigen, volle, dierbre waarde houden.-- O Romeo, werp af uw naam, en neem Voor uwen naam, die van uzelf geen deel is, Mijzelf geheel.
ROMEO. Ik houd u aan uw woord. Noem mij uw liefste, op nieuw laat ik mij doopen; Voortaan wil ik nooit Romeo meer zijn.
JULIA. Welk man zijt gij, die, dus in nacht gehuld, Hier mijn geheim beluistert?
ROMEO. Met een naam Weet ik u niet te zeggen, wie ik ben. Mijn naam, o schoone heil'ge, is voor mijzelf, Wijl hij uw vijand is, een haat'lijk woord; Had ik dat hier, geschreven, 'k scheurde 't stuk.
JULIA. Nog heeft geen honderd woorden van uw tong Mijn oor gedronken, toch, ik ken de stem; Zijt gij niet Romeo, en een Montague?
ROMEO. Neen, lieve, niets van dat, als 't u mishaagt.
JULIA. Hoe kwaamt gij hier? o zeg mij, en waarom? Hoog is de muur, en moeilijk te beklimmen; Denk wie ge zijt; gij waart een kind des doods, Als een van mijn verwanten u hier vond.
ROMEO. Op lichte liefdevleug'len overzweefde ik Deez' muur; geen steenen wal kan liefde keeren; Wat liefde kan, dat waagt ze ook te beproeven; En daarom ducht ik uw verwanten niet.
JULIA. 't Is uw verderf, als een van hen u ziet.
ROMEO. Ach, meer gevaar dan twintig van hun zwaarden Dreigt mij uw oog; straal' dat mij vriendlijk toe, Hun vijandschap vindt mij gestaald.
JULIA. O, 'k wensch Voor heel de wereld niet, dat ze u hier zien.
ROMEO. Het kleed der nacht verbergt mij voor hun oog; Hebt gij mij lief, zoo laat hen vrij mij vinden; Maar liever, daadlijk sneven door hun haat, Dan kwijnend sterven zonder uwe liefde.
JULIA. Wie was 't, die naar deez' plaats den weg u wees?
ROMEO. De liefde, die mij aandreef u te zoeken; Die diende mij van raad, ik haar van oogen; Ik ben geen zeeman, maar, waart ge ook zoo ver Als de oever, door de verste zee bespoeld, Ik waagde toch de vaart voor zulk gewin.
JULIA. Gij weet, de nacht omsluiert mijn gelaat; Mijn wang bleek anders door een blos geverfd Om wat deez' nacht u daar verraden heeft. Liefst ware ik zedig; liefst, ja liefst, herriep ik, Wat ik daar sprak; maar, zedigheid, vaarwel! Bemint ge mij? Ik weet, gij antwoordt, "ja!" En ik vertrouw uw woord; doch als gij zweert, Kondt gij wel trouwloos blijken; Jupiter Lacht, zoo men zegt, om valsche minnaarseeden. O, dierbre Romeo, bemint gij mij, Zeg 't eerlijk, trouw, of, als ge denkt, dat ik Te snel mij winnen liet, wil ik verstoord En stuursch zien, "neen" u zeggen, als ge aldus Mij winnen wilt, maar anders, neen, om niets Ter wereld niet. Voorwaar, mijn Montague! Mijn liefde is al te machtig; zoo kon 't zijn, Dat gij mij in mijn doen lichtzinnig acht; Maar, o, geloof mij, ik zal trouwer blijken, Dan die de kunst verstaan, bedeesd te zijn. 'k Had me ook bedeesd getoond, ik wil 't erkennen, Hadt gij mij niet beluisterd, eer ik 't dacht, Toen 't innigst harte sprak; vergeef mij dus, En acht me om 't uiten dezer liefde, die De donkre nacht verried, niet licht van zin.
ROMEO. Geliefde, ik zweer u bij die heil'ge maan, Die aller boomen toppen daar verzilvert,--
JULIA. O zweer niet bij de maan; ze is ongestadig, En eeuwig wisselt ze in haar schijf; uw liefde Mocht onbestendig blijken, zooals zij.
ROMEO. En waarbij zweer ik dan?
JULIA. Zweer ganschlijk niet, Of, zoo gij wilt, zweer bij uzelf; gij zijt De god, dien ik vereer, en ik geloof u.
ROMEO. Wanneer de reine liefde van mijn hart--
JULIA. Neen, zweer toch niet; 'k begroet u blij, maar niet Dat wiss'len van geloften in deez' nacht; Dat is te snel, te plotsling, te onberaden, Te zeer als 't weerlicht, dat verdwijnt, nog eer Men zegt: "het licht!" Vaarwel! Deez' liefdeknop, Door 's zomers aâm gekoesterd, is misschien Een schoone bloem bij 't volgend wederzien. Vaarwel, vaarwel, geliefde! Dat deez' nacht Uw hart, als 't mijne, een zoete ruste wacht'!
ROMEO. O, laat ge mij zoo onbevredigd gaan?
JULIA. Wat wenscht gij dan? Wat laat u onvoldaan?
ROMEO. O, schenk me uw mingelofte voor de mijne.
JULIA. Ik gaf ze u reeds, en eer gij er om vroegt; Maar 'k wenschte, 't stond aan mij, ze nog te schenken.
ROMEO. Gij wenscht ze weer terug? waartoe, geliefde?
JULIA. Om mild te zijn, en ze u nog eens te schenken; En toch, ik wensch naar wat ik steeds bezit; Mijn mildheid is zoo grensloos als de zee, Mijn liefde is peilloos; deel ik meer u mee, Te meer blijft me over; beide zijn oneindig.
(De Voedster roept achter het tooneel.)
Ik hoor geroep; hoe gaarne ik toeven zou, Vaarwel!--Ik kom!--Wees, Montague, mij trouw!-- Toef nog een korte poos; ik kom terug.
(Julia af.)