Romeo en Julia

Part 1

Chapter 14,124 wordsPublic domain

ROMEO EN JULIA.

PERSONEN:

Escalus, vorst van Verona. Paris, een jong edelman, bloedverwant van den vorst. Hoofden van twee vijandelijke huizen. Montague, Capulet. Een Oom van Capulet. Romeo, zoon van Montague. Mercutio, bloedverwant van den vorst, vriend van Romeo. Benvolio, neef van Montague, vriend van Romeo. Tybalt, neef van gravin Capulet. Broeder Lorenzo, een Franciscaner. Broeder Johannes, van dezelfde orde. Balthazar, dienaar van Romeo. Dienaars van Capulet. Samson, Gregorio, Peter. Abraham, dienaar van Montague. Een Apotheker. Drie Muzikanten. Chorus. Een Page van Paris. Een Burger van Verona.

Gravin Montague. Gravin Capulet. Julia, dochter van Capulet. De Voedster van Julia.

Burgers van Verona; mannelijke en vrouwelijke Verwanten van beide huizen; Gasten van Capulet; een Page van Mercutio; Gemaskerden, Wachters, Bedienden van Capulet en verder Gevolg.

Het tooneel is in Verona, alleen in het begin van het vijfde bedrijf te Mantua.

PROLOOG.

CHORUS. Bij twee geslachten, even groot in macht, In 't schoon Verona, waar we thans u brengen, Barst de oude haat weer uit met nieuwe kracht, En doet den burger 't bloed van burgers plengen. Uit dezer haters lend'nen is gesproten Een minnend paar, ten ondergang gewijd; Het noodlot heeft hun vroegen dood besloten, En in hun groeve rust der vaad'ren strijd. Het hoogste heil van 't paar, hun bitt'ren nood, Der oud'ren wrok en 't al te laat berouwen, Door niets gewekt dan door der kind'ren dood, Zult ge in een tweetal uren nu aanschouwen. Wat ook ontbreek', verleent ons toch uw gunst; Die schenkt ons moed en betert onze kunst.

EERSTE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

Verona.--Een marktplein.

Samson en Gregorio komen op, met zwaard en schild gewapend.

SAMSON. Op mijn woord, Gregoor, wij moeten niets langs onzen kant laten gaan.

GREGORIO. Zeker niet, want dan krijgen wij er langs.

SAMSON. Neen, maar dan zal ik mijn kantje wel keeren en van leer trekken.

GREGORIO. Neen, vriend, je houdt je leêren kolder wel aan, daar ken ik je voor.

SAMSON. Pas op, als ik eens aan den gang kom, gaat het er op los, alsof ik den kolder in den kop had.

GREGORIO. Zoo? maar je komt niet gauw aan den gang.

SAMSON. Een hond van het huis Montague kan me al aan den gang brengen.

GREGORIO. Aan den gang gaan is te gaan loopen, en een kerel, die een hart in 't lijf heeft, houdt stand; dus, als je aan den gang gaat, loop je weg.

SAMSON. Een hond van dat huis beweegt mij om stand te houden; laat komen wie wil, dienstman of dienstmaagd van Montague, ik houd hen aan.

GREGORIO. Dat doet je alweer als een zwakken bloed kennen; want de zwakste houdt zich aan alles vast.

SAMSON. 't Is waar, en daarom moeten vrouwen, die de zwakste vaten zijn, aan het vasthouden gelooven;--daarom wil ik de dienstmannen van Montague aanpakken en wegjagen, en zijn dienstmaagden aanpakken en vasthouden.

GREGORIO. De twist is tusschen onze meesters en ons, hun dienstmannen.

SAMSON. Dat doet er niet toe, ik wil mij een tyran toonen; als ik de mannen heb afgemaakt, wil ik wreed zijn en aan de dienstmaagden beginnen.

GREGORIO. Wilt gij die ook afmaken?

SAMSON. Ja, ik wil ze afmaken of maagd-af maken; neem het op, zooals gij wilt.

GREGORIO. Ik wil er niets van hebben; laten zij het opnemen, die het moeten voelen.

SAMSON. Mij zullen zij voelen, zoolang ik een kerel van stavast ben; en 't is bekend, dat ik nog al een stevig stuk vleesch ben.

GREGORIO. Gelukkig, dat je geen visch bent, want dan was je al lang gebeukte leng.--Trek nu maar je stuk ijzer, want daar komen er van het huis van Montague.

(Abraham en Balthazar komen op.)

SAMSON. Ik heb al getrokken; maak nu maar twist, ik zal je den rug dekken.

GREGORIO. Wat, mij den rug keeren en wegloopen?

SAMSON. Wees maar niet bang.

GREGORIO. Ik bang voor jou? nu nog mooier!

SAMSON. Laat ons het recht aan onze zij houden, laten zij beginnen!

GREGORIO. Ik zal een boos gezicht zetten, als ik langs hen ga, dan kunnen ze dat opnemen zooals zij willen.

SAMSON. Neen, zooals ze durven. Ik zal op mijn duimnagel tegen ze bijten; 't is een eeuwige schande voor ze, als ze 't verdragen.

ABRAHAM. Bijt je tegen ons op je duim, kerel?

SAMSON. Ik bijt op me duim, kerel.

ABRAHAM. Bijt je op je duim tegen ons, kerel?

SAMSON (tot Gregorio). Hebben we 't recht aan onzen kant, als ik ja zeg?

GREGORIO. Neen.

SAMSON. Neen, kerel, ik bijt op me duim niet tegen jou; maar ik bijt op me duim, kerel.

GREGORIO. Zoek je ruzie, kerel?

ABRAHAM. Ruzie, kerel? Neen, kerel.

SAMSON. Zoo je anders ruzie zoekt, dan ben ik je man, ik dien een even goeden heer als jij.

ABRAHAM. Geen beet'ren, zeker.

SAMSON. Wat meen je?

(Benvolio komt onopgemerkt op; Tybalt in het verschiet, door Gregorio en Samson ontwaard.)

GREGORIO. Zeg maar gerust, een beet'ren; daar komt een neef aan van onzen heer.

SAMSON. Ja wel, een beet'ren.

ABRAHAM. Dat is gelogen.

SAMSON. Trek, als je 't hart hebt.--Gregoor, denk aan dien fameuzen uitval van je.

(Zij vechten.)

BENVOLIO. Gij dwazen, uit elkaar! Steekt op uw zwaard; gij weet niet wat gij doet.

(Hij slaat hun zwaarden neder.)

(Tybalt komt op.)

TYBALT. Wat! handgemeen met hazen zonder hart? Benvolio, hier! en zie uw dood in 't oog.

BENVOLIO. Ik noop hen tot den vreê; steek op uw zwaard; Zoo niet, gebruik 't met mij, om deez' te scheiden.

TYBALT. Het zwaard ontbloot en vrede! 'k gruw van 't woord, Als van de hel, van uw geslacht en u. Hier, lafaard, hier!

(Zij vechten; van verschillende zijden komen Dienaars en Aanhangers van de beide huizen toeschieten en nemen deel aan den strijd; dan komen Burgers en Gerechtsdienaars met knuppels en hellebaarden, die zich tusschen de strijdenden werpen.)

EERSTE BURGER. De hellebaarden voor! steekt, houwt ze neer! Weg met die Capulets en Montagues!

(De oude Capulet komt op, in huisgewaad, gevolgd door Gravin Capulet.)

CAPULET. Wat is dat voor rumoer?--Geef mij mijn zwaard!

GRAVIN CAPULET. Wat roept gij om uw zwaard? roep om uw kruk!

CAPULET. Mijn zwaard! Daar is die oude Montague, En dreigt mij sarrend met de ontbloote kling!

(Montague komt van de andere zijde op, door zijn Vrouw gevolgd.)

MONTAGUE. Laat los, laat los!--Vervloekte Capulet!

GRAVIN MONTAGUE. Neen, 'k duld niet, dat ge een voetstap verder zet!

(De Vorst komt op, met Gevolg.)

VORST. Oproerige onderdanen, vredehaters! Die 't staal bevlekt, ontwijdt door 's buurmans bloed,-- Wat! hoort men niet?--Gij mannen, wilde dieren, Die weer 't verterend vuur van uwe woede Met purperstroomen uit uw aad'ren bluscht,-- Op folterstraf, werpt uit de onzaal'ge handen Die waap'nen neêr, tot euveldaad gestaald! Gij hebt uw vorst gekrenkt! geeft acht op 't vonnis! Driemaal heeft oproer, door een vluchtig woord Verwekt van u, bejaarde Capulet En Montague, de rust der stad verstoord, Zoodat Verona's oudste burgers, zich Van 't statig kleed van hunnen rang ontdoend, Met oude handen oude zwaarden zwaaiden, Van vredes roest doorknaagd, om u te scheiden, Wien lange haat de harten heeft doorknaagd. Stoort ge ooit de rust op nieuw, uw beider leven Is dan verbeurd door 't breken van den vreê.-- Gij andren, gaat, voor ditmaal, uwes weegs; Gij volgt mij, Capulet; u, Montague, Verwacht ik na den middag op mijn slot, Om daar mijn wil te hooren en gebod.-- Nog eens, op straf des doods, een ieder ga!

(De Vorst en zijn Gevolg, Capulet, Gravin Capulet, Tybalt, Burgers en Dienaren af.)

MONTAGUE. Wie bracht die oude veete op nieuw ter bane? Spreek, waarde neef, waart gij ook bij 't begin?

BENVOLIO. De dienaars van uw weêrpartij en de uwe Vond ik hier reeds in fel gevecht, en trok Het zwaard, om hen te scheiden; daar verscheen De vuur'ge Tybalt, met ontbloote kling, En zwaaide, met verderf en dood mij dreigend, Ze boven 't hoofd en kliefde de ijle lucht, Die, hierdoor niet gedeerd, hem fluitend hoonde. Toen volgden meen'ge stoot en houw; daar kwamen Er meer en meer, en vochten met elkaar; Toen kwam de vorst en scheidde ons van elkaar.

GRAVIN MONTAGUE. O, waar is Romeo? zaagt gij hem?--Mij is 't Een groote vreugd,--hij was niet bij deez' twist.

BENVOLIO. Meer dan een uur, voordat de heil'ge zon In 't oosten door zijn gouden venster gluurde, Joeg de onrust van mijn geest mij in het veld, En, in de dreef van wilde vijgeboomen, Ginds westlijk van de stad, zag ik uw zoon Zoo vroeg reeds aan het dwalen. 'k Nam mijn weg Om hem te ontmoeten, maar hij merkte mij, En was weldra in 't dichte bosch verdwenen; Ik, die zijn wenschen afmat naar mijzelf, Die plekjes opzocht, waar ik niemand vond, Die voor mijzelf, vermoeid, reeds één te veel was, Volgde eigen luim en liet hem gaarne alleen, Die even gaarne mij te ontwijken scheen.

MONTAGUE. Reeds meen'gen morgen werd hij daar gezien, Nog tranen voegend bij den morgendauw, De wolken meerd'rend door zijn diepe zuchten; Maar nauw begint de zon, die 't al verheugt, In 't uiterst oosten van Aurora's koets Het schaduwig behangsel weg te schuiven, Of Romeo sluipt somber weg van 't licht, En sluit zich eenzaam in zijn kamer op, De luiken dicht, den blijden morgen buiten, En schept kunstmatig zich een donkre nacht. Die zwarte stemming moet noodlottig blijken, Zoo de oorzaak niet voor goeden raad wil wijken.

BENVOLIO. En, oom, weet gij volstrekt de reden niet?

MONTAGUE. Ze is me onbekend, hij wil mij niets ontdekken.

BENVOLIO. Gij drongt toch bij hem aan, om ze te weten?

MONTAGUE. Niet ik alleen, maar andre vrienden ook. Doch hij, die zelf zijn eigen neiging raad geeft, Is voor zichzelf,--ik zeg niet, hoe betrouwbaar,-- Maar zoo geheimnisvol en zoo gesloten, Zoo ver van zich te onthullen en te ontplooien, Als 't knopje, waar een booze worm aan knaagt, Eer 't in de lucht zijn geur'ge blaadjes spreiden, Of aan de zon zijn schoonheid wijden kan. O, wisten wij, van waar zijn leed ontstaat, Wij vonden door die wetenschap hem baat.

(Romeo komt op, in de verte.)

BENVOLIO. Hij komt!--Gaat heen; ik vraag hem naar zijn leed, En laat niet los, aleer ik de oorzaak weet.

MONTAGUE. O, kreegt ge door uw toeven dit gedaan, Dat hij u waarheid biechtte!--Kom, wij gaan.

(Montague en gravin Montague af.)

BENVOLIO. Mijn waarde, goeden morgen!

ROMEO. Wat! nog morgen?

BENVOLIO. 't Is negen uur.

ROMEO. Ach, tijd valt lang door zorgen.-- Was 't niet mijn vader, die met haast daar ging?

BENVOLIO. Hij was 't.--Wat zorg maakt u den tijd zoo lang?

ROMEO. Dat ik niet heb, wat mij dien korten zou.

BENVOLIO. Verliefd?

ROMEO. Ach, verre--

BENVOLIO. Ver van verliefd?

ROMEO. Ver van de gunst der schoone, die ik min.

BENVOLIO. Ach, dat de Min, zoo lieflijk zacht in schijn, In waarheid zulk een wreed tyran kan zijn!

ROMEO. Ach, dat de Min, schoon hem een sluier blindt, Toch naar zijn doel zoo goed de paadjes vindt! Waar eten wij?--Wee mij!--Wat twist was hier?-- Neen, zeg 't maar niet; 'k heb alles reeds gehoord. Veel zorg baart hier de haat, maar liefde meer;-- Twistzieke liefde en liefdevolle haat! O, al wat is, geheel uit niets ontstaan! O zware luchtheid! ernstige ijdelheid! Misvormde chaos van recht schoone vormen! Loodveder, lichtsmook, ijsgloed, kranke welstand, Steeds wakk're slaap, die rust zoekt door gewoel, Zoo voel ik min, maar min niet wat ik voel! Nu lacht gij niet?

BENVOLIO. Neen, vriend, eer zou ik weenen.

ROMEO. Waarom, mijn vriend?

BENVOLIO. Dat zooveel wee u griefde.

ROMEO. Mijn waarde vriend, zoo grieft de pijl der liefde. Mijn eigen leed ligt mij reeds zwaar op 't hart, Uw leed om mij vermeerdert nog mijn smart; Gij toont, hoe gij een ware vriend wilt zijn, Maar voegt meer leed bij de overmaat van 't mijn. Liefde is een nevel, saamgevloeid uit zuchten; Zij straalt als vuur, wanneer die neev'len vluchten, In 't oog der minnenden; wordt zij te zeer, Te wreed verdrukt, dan wordt ze een tranenmeer. Wat is zij verder? Waanzin vol verstand, Verfrisschend koeltje en felle zonnebrand.-- Vaarwel, mijn vriend!

(Hij keert zich af, om heen te gaan.)

BENVOLIO. Neen, neen, ik ga met u; Miskenning is 't, toont ge u voor mij zoo schuw.

ROMEO. Mijzelven ben ik bijster; hier ben 'k niet; Neen, vriend, 't is Romeo niet, dien gij hier ziet.

BENVOLIO. Kom, zeg me in ernst, wie is 't, die gij bemint?

ROMEO. Het is een droevige ernst, verlangt gij tranen?

BENVOLIO. Neen, zeg 't in ernst, en niet in tranen.

ROMEO. Zeg Een zieke in ernst, zijn zaken te beschikken; 't Is kwade troost, den lijder te verschrikken!-- In ernst dan; 'k min een vrouw.

BENVOLIO. Dat heb ik wel Getroffen, vriend, toen 'k uw verliefd-zijn giste.

ROMEO. Voortreff'lijk schutter!--En ze is schoon, die 'k min.

BENVOLIO. Het schoonste wild is 't eerst in 's jagers macht.

ROMEO. Thans treft gij 't niet; zij tart Cupido's macht, Daar ze evenals Diaan zijn pijl belacht; Der kuischheid pantser maakt haar onbedwingbaar, 't Is voor zijn kinderschoten ondoordringbaar. Zij slaat den storm van liefdebeden af; Geen blik dringt in haar hart; geen schat op aard, Die heil'gen zelfs verleidde, kan haar winnen; O, zij is rijk in schoon, maar, als zij sterft, Is ze arm; haar schoon vergaat, en geen, die 't erft.

BENVOLIO. Zij zwoer, voor zich haar schoonheid te bewaren?

ROMEO. Ja, maar een groote spilzucht is dat sparen; Die strengheid doet haar schoon voor niet versmachten, En rooft dat schoon aan komende geslachten. Ze is te overschoon en wijs, dan dat ze denkt, Dat mijn ellende zaligheid haar schenkt; De liefde zwoer zij af; en door dien eed Ben 'k levend dood, slechts klaag ik nog mijn leed.

BENVOLIO. Hoor dan mijn raad; vergeet aan haar te denken.

ROMEO. O! leer mij dan, het denken te vergeten.

BENVOLIO. Geef aan uw blik de vrijheid weer en sla Ook andre schoonen gade.

ROMEO. Dan voorwaar Noem ik haar uitgelezen schoon het hoogst. 't Gelukkig mom, dat, zwart, een blank gelaat Mag kussen, stelt de blankheid meer in 't licht; De blindgeword'ne kan den dierb'ren schat Van 't licht, dat hij moet derven, nooit vergeten. Toon mij een vrouw, uitnemend schoon; wat is Haar schoonheid meer, dan een vermaan aan haar, Die de uitgelezenste overtreft? Vaarwel; Gij wilt mij doen vergeten; ijdel streven!

BENVOLIO. Ik doe 't, of blijf uw schuld'naar heel mijn leven.

(Beiden af.)

TWEEDE TOONEEL.

Een straat.

Capulet, Paris en een Dienaar komen op.

CAPULET. Maar Montague is met dezelfde boete Als ik bedreigd, en ons, die oud zijn, kan 't Zoo zwaar niet vallen vrede te bewaren.

PARIS. U beiden noemt een ieder eerbiedwaardig; 't Is te betreuren, dat deez' veete u scheidt.-- Maar, eedle graaf, wat antwoordt ge op mijn aanzoek?

CAPULET. Hetzelfde, wat ik vroeger heb gezegd: Mijn kind is nog een vreemd'ling in de wereld; Geen veertien lentes heeft zij nog aanschouwd; Een tweetal zomers prijk' nog en verdwijn', Eer ze als een bruid in vollen bloei verschijn'.

PARIS. Zelfs jong'ren smaken reeds de moedervreugd.

CAPULET. Die 't zoo vroeg doen, betreuren vroeg hun jeugd. Ze is de een'ge hoop, die de aard niet van mij eischte, De hoopvolle erfgenaam van al mijn goed. Maar, jonge vriend, beproef, of gij haar wint; Mijn wil is met den haren eensgezind; Als gij haar hart, haar woord verwerven kunt, Dan is volgaarne ook mijn stem u gegund. Deze' avond is te mijnent feest, een bal, Zooals ik jaarlijks geef; ik noodde een tal Van lieve gasten; gij behoort er bij; Hoogst welkom is 't mij, schaart ge u in hun rij. Mijn need'rig huis wordt heden door 't gewemel Van aardsche sterren tot een lichten hemel; Genot, zooals een blijde jongling smaakt, Wanneer April, in al zijn schoon ontwaakt, Den kreup'len winter voortdrijft, zulk een vreugd Wacht u bij mij, als gij de ontloken jeugd Der schoonste knoppen ziet; kom, zie en hoor, En dat alsdan de minn'lijkste u bekoor'! Ook mijn kind neem' daar, onder velen één, Een plaatsjen in, al tell' zij nog voor geen.-- Kom, ga met mij.--Hier, knaap, neem gij dit blad En draaf eens rond bij allen in de stad, Die hier geschreven staan, en zeg: zij zijn Te mijnent hartlijk welkom op 't festijn.

(Capulet en Paris af.)

DIENAAR. Gaan ronddraven bij die hier geschreven staan? Er staat geschreven, dat de schoenmaker zich bij zijn el moet houden, en de kleermaker bij zijn leest, de visscher bij zijn kwasten en de verver bij zijn netten; maar ik word rondgestuurd om de menschen te gaan vragen, wier namen hier geschreven staan; maar dat kan ik niet zonder te vragen, welke namen de schrijver hier geschreven heeft. Ik moet geleerde lui hebben.--Ha, dat treft goed!

(Romeo en Benvolio komen op.)

BENVOLIO. Kom, vriend, het eene vuur kan 't andre dooven, Een oude pijn neemt af door nieuwe smarten, Een tegendraai komt duiz'ligheid te boven, Een nieuwe hartwond heelt verwonde harten; Een nieuw vergif grijp' thans uw oogen aan, De kracht van 't oude is dan te niet gedaan.

ROMEO. Een weegbreeblad zal wel voldoende zijn.

BENVOLIO. Waarvoor dan, vriend?

ROMEO. Voor een geschaafde scheen.

BENVOLIO. Wat, Romeo, zijt ge dol?

ROMEO. Niet dol, maar als een dolleman in banden, Gekerkerd en door honger afgemat, Gestriemd, gemarteld;--goeden avond, vriend!

DIENAAR. Hetzelfde, heer.--Ik bid u, kunt gij lezen?

ROMEO. Ja, 'k lees mijn noodlot in mijn diepe ellend'.

DIENAAR. Dat hebt gij misschien zonder boek geleerd, maar ik bid u, kunt gij ook lezen, wat gij geschreven ziet?

ROMEO. Als ik de letters en de taal maar ken.

DIENAAR. Dat zegt gij wèl; ik groet u, heer.

ROMEO. Geef op maar, ik kan lezen, knaap.

(Hij leest.)

"Signor Martino, met zijn vrouw en dochters, Dan graaf Anselmo met zijn schoone zusters, Mevrouw de weduwe Vitruvio, Signor Piacenzo en zijn lieve nichten, Mercutio en zijn broeder Valentijn, En Capulet, mijn oom, met vrouw en dochters, En Rosalind, mijn schoone nicht, en Livia, Signor Valentio en Tybalt, zijn neef, En Lucia met de lieve Helena".-- Een schoon gezelschap, waar komt dit bijeen?

DIENAAR. Boven.

ROMEO. Waar zoo?

DIENAAR. Op 't avondfeest in ons huis.

ROMEO. In wiens huis?

DIENAAR. In 't huis van mijn meester.

ROMEO. Daar had ik maar het eerst naar moeten vragen.

DIENAAR. Nu, ik zal het u wel vertellen, zonder dat gij 't vraagt. Mijn meester is de groote, rijke Capulet, en als gij niet van het huis der Montagues zijt, kom er dan gerust een roemer wijn doodslaan.--Leef gezond!

(Dienaar af.)

BENVOLIO. Op dit festijn van Capulet verschijnt Met alle schoonen, die Verona roemt, Uw Rosalind; bezoek het, vergelijk Met held'ren blik eens haar gelaat met andre, Die ik u wijs; en met een ommezwaai Verklaart gijzelf uw zwaan dan voor een kraai.

ROMEO. Verloochnen zoo mijn oogen hun geloof, Mijn tranen mogen dan in vuur verkeeren, Dat aan die ketters 't levenslicht dan roov', Die vocht zoo vaak bedolf en nooit kon deren. Een schooner maagd! De zon, die alles ziet, Zag sinds de schepping haars gelijke niet.

BENVOLIO. Gij zaagt slechts haar alleen, en in uw oogen Werd ze enkel met haarzelve steeds gewogen; Maar weegt gij in die zelfde held're schalen Haar eens met and'ren, die ge op 't feest ziet stralen, En die 'k u wijzen wil, dan blijkt u ras, Dat zij, die 't best u scheen, slechts taam'lijk was.

ROMEO. 'k Ga mee,--maar weet, dat dit u nooit gelukt; Zij blijft mijn zon, wier luister mij verrukt.

(Beiden af.)

DERDE TOONEEL.

Een kamer in Capulets huis.

Gravin Capulet en de Voedster komen op.

GRAVIN CAPULET. Waar is mijn dochter, voedster? Roep haar eens.

VOEDSTER. Nu, bij mijn onschuld, toen ik twaalf jaar oud was, 'k Heb al geroepen.--Zeg, mijn lam, mijn poetje;-- Bewaar!--Waar zit ze toch?--Hé, Julia!

(Julia komt op.)

JULIA. Wie roept mij daar?

VOEDSTER. Uw moeder.

JULIA. Nu, hier ben ik, En tot uw dienst. Wat is uw wensch?

GRAVIN CAPULET. Ik zal 't u zeggen. Minne, ga eens heen; 'k Wil een geheim gesprek.--Wacht, minne, blijf; 'k Bedenk mij daar, gij moogt het mede hooren. Ge weet, mijn dochter krijgt nu haast de jaren.

VOEDSTER. 'k Weet op een uur precies hoe oud of ze is.

GRAVIN CAPULET. Geen veertien nog.

VOEDSTER. 'k Verwed wel veertien tanden,-- Ach, tien te veel, ik heb er nog maar vier;-- Dat zij geen veertien is. Hoe lang is 't nog Tot Pieters-banden?

GRAVIN CAPULET. Veertien dagen ruim.

VOEDSTER. Nu, ruim of krap, maar op dien dag van 't jaar, Op Pieters-banden, 's avonds, is ze veertien. Mijn Suze en zij,--vrede allen Christenzielen!-- Ze waren even oud;--nu, Suze is lang bij God; Ze was te goed voor mij;--maar, als ik zeide, Op Pieters-banden, 's avonds, wordt ze veertien; Dat wordt zij, inderdaad, ik weet het goed. De aardbeving, ja, is elf jaar nu geleên; Ze werd toen juist gespeend,--'k vergeet het nooit,-- Ja, juist dien dag van 't jaar, dien eigen dag; Want ik had alsem op mijn borst gelegd, En zat in 't zonnetje aan de duiventil;-- De graaf en gij waart toen naar Mantua,-- Ja, òf 'k onthouden kan!--zooals ik zei, Toen 't kind den alsem aan mijn tepel proefde En bitter vond, wat was dat kleine ding Balsturig en hoe boos was ze op de borst! Krak, zei de duiventil, en 't was, geloof me, Niet noodig mij te zeggen: pak je weg! En ja, dat is elf jaren nu geleên; Ze stond toen goed alleen, ja, bij mijn ziel, Ze liep en dribbelde door 't huis, want, ja, Den dag te voren viel ze een buil aan 't voorhoofd; Ja, en toen nam mijn man,--God hebb' zijn ziel,-- Hij was een grappenmaker, 't kind op de' arm; "Wel", zei hij, "kind, wat! valt gij op 't gezicht? Gij valt wel achterover, als gij wijs wordt; Niet, Juultje?" En zoo waar ik leef, het kind Hield op met haar geschrei en zeide: "ja".-- En kijk, nu komt het uit, zooals hij 't zei; 'k Verzeker u, al word ik duizend jaar, 'k Vergeet het nooit; "niet, Juultje?" zei hij; en Het kleine nest werd stil en zeide: "ja".

GRAVIN CAPULET. Genoeg hiervan, ik bid u, minne, zwijg.

VOEDSTER. O, 'k zwijg, maar 'k moet toch lachen, als ik denk, Het kind hield op met schreien en zei: "ja". En toch, het schaap had op haar voorhoofd, links, Een buil, zoo groot wel als een duivenei, Een grooten bult, en 't huilde van geweld. "Wel", zei mijn man, "wel! valt gij op 't gezicht? Gij valt wel achterover, als gij groot zijt; Niet, Juultje?" En 't kind werd stil en zeide: "ja!"

JULIA. Wees gij ook stil nu, minne, zeg ik na.

VOEDSTER. O, 'k heb gedaan, dat God u gunstig zij! Gij waart het liefste zoogkind, dat ik had; Als ik 't beleefde u nog getrouwd te zien, Dan waar' mijn wensch vervuld.

GRAVIN CAPULET. In trouwe, trouwen is nu juist de zaak, Waarvan ik spreken woû. Mijn dochter Julia, Zeg mij, wat zoudt ge van een huwelijk denken?

JULIA. Ik heb van zulk een eer nog niet gedroomd.

VOEDSTER. Een eer! ware ik uw min niet, 'k zeide, dat Gij wijsheid met de melk hadt ingezogen.

GRAVIN CAPULET. Nu, denk dan thans aan 't huw'lijk. Jong'ren nog Dan gij zijn in Verona achtb're vrouwen, Ja, moeders zelfs; ik was te nauwernood Zoo oud als gij nu zijt, toen ik alreeds Uw moeder was. Genoeg, verneem in 't kort: De wakk're Paris wenscht u tot zijn vrouw.

VOEDSTER. Dat is een man, mejonkvrouw, dat 's een man, Er is ter wereld,--o, een man van was!

GRAVIN CAPULET. Verona's zomer heeft geen bloem als hij.

VOEDSTER. Een bloem! Gewis, hij is een ware bloem.

GRAVIN CAPULET. Wat zegt gij, kind? kunt gij den graaf beminnen? Gij ziet hem dezen avond op ons feest; Lees dan het boek van zijn gelaat, en zie Daar met de pen der schoonheid vreugd geschreven; Beschouw er iedren enklen trek en vind, Hoe de eene met de andre lieflijk zich verbindt. Waar 't schoone boek u duister blijven moog', Het randschrift ter verklaring geeft zijn oog. Dit kostlijk boek, waar liefde in is te lezen, Mist slechts een band, om waarlijk schoon te wezen; Hij leeft als 't vischje vrij; 't brengt luister aan, Zoo schoonheid slaagt het schoone in boei te slaan; En 't boek wint hooger waarde in veler oogen, Welks gouden kern op gouden slot mag bogen. Zoo hebt gij deel aan alles wat hij heeft, En wordt niet minder, schoon ge uzelf hem geeft.