Robur de Veroveraar

Chapter 5

Chapter 53,837 wordsPublic domain

Ons drietal bevond zich eindelijk te midden van een groep hoog opgaande boomen, welker boventakken nog slechts door het zwakke maanlicht beschenen werden. Op de grens van die boomgroep was eene uitgestrekte vlakte, die een ovalen vorm had en een prachtige gelegenheid aanbood voor een wedstrijd van velocipedisten of van cricketspelers of voor een wedloop van renpaarden. Geen enkele terreinplooi zou menschen of paarden den minsten hinderpaal in den weg gelegd hebben. Geen enkele boom of struik zou den blik der toeschouwers over een oppervlakte van verscheidene mijlen begrensd hebben.

En toch, wanneer de aandacht van Uncle Prudent en van Phil Evans niet zoo door hun twisten in beslag genomen was, wanneer zij met eenige aandacht rond gekeken hadden, dan zou het hun niet ontgaan zijn, dat die vlakte haar gewoon uiterlijk niet meer had. Het was alsof daar inderdaad een gevaarte stond, waarboven schroefvormige windschepraderen, die evenwel thans stilstonden, in het halfduister scherp tegen de lucht afstaken.

Maar noch de voorzitter, noch de secretaris van Weldon-Institute merkte die vreemdsoortige verandering in het uiterlijk voorkomen dat het landschap van Fairmont-Park ondergaan had, op. Frycollin zag er ook niets van. Hij had alleen oog en ooren voor de gedaanten, die hij meende opgemerkt te hebben. Het scheen hem toe, dat die geheimzinnige wezens naderden, dat zij hun kring nauwer toesloten, alsof zij een misdadigen aanslag op het oog hadden. Hij kreeg bijna stuipen van angst; zijne ledematen waren schier verstijfd, terwijl zijne haren op zijn hoofd rechtop rezen. In één woord, de schrik was bij hem ten top gestegen.

Toch had hij, terwijl zijne knieën knikten, de geestkracht nog om met bezwijmende stem te roepen:

"Master Uncle!.... Master Uncle!"

Hij verkreeg evenwel geen gehoor. Uncle Prudent en Phil Evans twistten maar voort.

"Master Uncle!.... Master Uncle!...." kreet de rampzalige Frycollin voor de laatste maal.

"Maar, voor den duivel! wat is er dan toch?" vroeg Uncle Prudent ten hoogste ongeduldig.

Wellicht zoude hij en ook Phil Evans niet rouwig geweest zijn, hun toorn jegens elkander op de schouders van den rampzaligen Frycollin te ontlasten. Handen en vuisten waren reeds opgeheven. Het zou klappen en vuistslagen regenen. Gelukkig evenwel, dat er geen tijd was, voor de eene partij om die klappen uit te deelen, voor de andere om ze te ontvangen.

Een stoot, door een scherp fluitje teweeggebracht, werd in het bosch vernomen. En, alsof dat een sein ware, verscheen te midden van het open gedeelte van het park eene soort van electrische ster.

Wat dat te beduiden had? Onze beide nachtelijke wandelaars konden dat zelfs niet gissen. Instinctmatig evenwel begrepen zij dat dit gefluit en die verlichting het sein waren tot het plegen van de een of andere gewelddaad.

In minder tijd dan noodig was om den toestand te overzien, ja bliksemsnel, sprongen zes mannen uit het bosch, waarvan twee zich op Uncle Prudent wierpen, twee op Phil Evans en twee op den knecht Frycollin. Blijkbaar waren die twee laatste te veel; want de neger was buiten staat zich te verdedigen.

Hoewel de voorzitter en de secretaris van Weldon-Institute bij dien aanval geheel onvoorbereid overvallen waren, zoo poogden zij toch ten krachtigste weerstand te bieden. Zij hadden er echter noch den tijd, noch de kracht toe.

In minder tijd dan noodig is om dien overval te verhalen, was hun een prop in den mond gestoken, die hun belette om hulp te schreeuwen, had men hen de oogen geblinddoekt, en waren zij stevig gekneveld, zoodat zij onmogelijk zich verder verzetten konden. Toen zij zoo onschadelijk gemaakt waren, droeg men hen zoo snel mogelijk naar het open gedeelte van het park.

Wat viel er bij zoo'n overval anders te denken, dan dat zij met lieden te doen hadden, wier geweten zoo ruim en zoo rekbaar was, dat zij er niets misdadigs in zagen de lieden, die zich bij hunne wandelingen in het bosch waagden, uit te kleeden en te berooven.

Eigenaardig evenwel, men raakte niet aan hunne zakken, men betastte hen zelfs niet, hoewel Uncle Prudent, volgens zijne gewoonte, een duizend dollars in banknoten bij zich had.

Om kort te gaan, een minuut na de volbrenging van dien overval, waarbij geen woord tusschen de aanvallers gewisseld was geworden, voelden Uncle Prudent, Phil Evans en Frycollin dat men hen neerlegde, niet op de graszoden van het park, maar op een soort planken vloer, die eenigermate onder hun gewicht kraakte. Daar werden zij netjes naast elkander uitgestrekt. Zij hoorden eene deur achter zich dichtslaan, terwijl het schuiven van een grendelbout in het daarvoor bestemde ijzeren oog, hen vrij duidelijk aankondigde, dat zij gevangen waren.

Toen vernamen zij een soort van onafgebroken geritsel, dat wel met eene trilling kon vergeleken worden. Het was een eindelooze toon of beter een gevoel van frrrr of trrrr, dat hun geheele lichaam doortrilde, zonder dat eenig ander geluid in dien zoo kalmen nacht waarneembaar was.

Welke schrik heerschte er den volgenden ochtend in Philadelphia! Dat laat zich begrijpen.

Al zeer vroeg wist iedereen reeds, wat des avonds te voren in de vergaderíng van de leden van Weldon-Institute voorgevallen was. Men had vernomen,--hoe en door wien, dat kon niemand verklaren,--dat een geheimzinnig persoon, een zekere werktuigkundige, Robur genaamd,--Robur de Veroveraar!--verschenen was en dat hij een wedstrijd had willen aangaan met de ballonisten; maar dat hij toen op eene onverklaarbare wijze verdwenen was, zonder dat men er in had kunnen slagen, hem weer op te sporen. Dat alles had de bevolking ten zeerste verwonderd.

Maar de verwondering sloeg tot schrik over, toen de geheele stad vernam, dat de voorzitter en de secretaris van Weldon-Institute ook gedurende den nacht van den 13den Juni geheimzinnig verdwenen waren. Dat was inderdaad eene ontzettende gebeurtenis.

Het zou onmogelijk zijn, al de nasporingen mede te deelen, die zoowel in de stad zelve als in de omstreken gedaan werden. Zij waren evenwel totaal vruchteloos. De dagbladen van Philadelphia, daarna die van Pennsylvanië, en eindelijk die van geheel Amerika, namen die raadselachtige verdwijning onder hunne berichten op en wijdden geheele kolommen aan de bespreking daarvan, waarbij zij de toedracht op honderderlei verschillende wijzen verhaalden, zonder de waarheid ook maar nabij te komen.

Door middel van advertentiën en van aanplakbiljetten werden belangrijke sommen uitgeloofd, niet alleen aan hem, die de vermisten terugvond, maar ook aan een ieder, die de een of andere degelijke aanwijzing kon doen, geschikt om hen op het spoor te komen.

Niets evenwel hielp. Niets! Niets!

Als de bodem opengescheurd ware, om den voorzitter en den secretaris van Weldon-Institute te verzwelgen, dan zouden zij niet spoorloozer van de oppervlakte der aarde verdwenen kunnen zijn.

De dagbladen van de gouvernementspartij drongen er op aan, dat aan het personeel der politie op ruime schaal uitbreiding gegeven werd. Zij wezen ernstig op de noodzakelijkheid van dien maatregel, daar dergelijke aanslagen op een paar van de beste burgers van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika volvoerd konden worden. En daarin moest iedereen hun gelijk geven, niet waar?

Het is waar, dat de oppositiebladen de ontbinding der politiemacht eischten. Zij beweerden, dat die macht geheel nutteloos was, daar zulke aanslagen ongehinderd volvoerd konden worden, zonder dat de euveldaders gesnapt of ook maar bekend waren geworden.--En daarin moest iedereen ook dezen gelijk geven, niet waar?

De uitslag van dat twistgeschrijf was, dat de politie bleef hetgeen zij was en hetgeen zij steeds zijn zal op onze aarde, die, in weerwil dat zij niet volmaakt is en ook niet zijn kan, de beste aller werelden genoemd moet worden.

V.

WAARIN EEN SCHORSING VAN VIJANDELIJKHEDEN TUSSCHEN DEN VOORZITTER EN DEN SECRETARIS VAN WELDON-INSTITUTE INGEWILLIGD WORDT.

Het was een rare toestand, waarin Uncle Prudent, Phil Evans en de knecht Frycollin zich bevonden.

Zij hadden een band voor de oogen, en een prop in den mond. Vandaar dus eene totale onmogelijkheid, om te kunnen zien, om te kunnen hooren.

Hunne handen en voeten waren met stevige touwen gebonden. Vandaar dus eene totale onmogelijkheid, om van de plaats te kunnen komen of zichzelven te kunnen bevrijden.

Dat alles was niet geschikt om den toestand van ons drietal prettig of zelfs maar dragelijk te maken.

Daarenboven niet te weten, welke de uitvoerders van zoo'n oplichting waren; onbekend te zijn met de plaats, waarin zij gesmeten waren, alsof het ijlgoed in een goederenwagen van een sneltrein ware; geen denkbeeld te hebben noch van de plek op Gods lieve aarde, waar zij zich bevonden, noch van het lot, hetwelk hen beschoren kon zijn; dat alles was wel geschikt om zelfs wezens, tot het schapengeslacht behoorende, buiten hun humeur te brengen. En de lezers weten dat de leden van Weldon-Institute, wat het geduld betreft, nu niet precies voor schapen konden doorgaan.

Als men de heftigheid van karakter van Uncle Prudent in aanmerking neemt, dan valt licht te beseffen, wat er in diens ziel moest omgaan.

Maar wat er ook van aan zij, zooveel is zeker, dat hij en Phil Evans tot de overtuiging kwamen dat het moeielijk zou zijn, om den volgenden avond op de vergadering van de club tegenwoordig te zijn.

Wat Frycollin betrof, die lag daar met gesloten oogen en met gesloten mond. Het was hem onmogelijk zijne bovendien reeds zoo schrale gedachten op iets te vestigen. Hij was eer dood dan levend.

De toestand der gevangenen onderging gedurende het eerste uur van hunne inhechtenisneming geene wijziging. Niemand kwam hen opzoeken en niemand kwam hun het gebruik van hunne armen, oogen en mond weergeven. Toch snakten zij daar zeer naar.

Alles, waartoe zij zich bepalen konden, was het slaken van zuchten, het kreunen van een erbarmelijk "helaas!" voor zooveel de prop in hun mond zulks toeliet, of het volvoeren van sprongen, niet ongelijk aan jammerlijke karpers, die op het droge liggen te gapen. De lezer zal begrijpen, hoeveel innerlijke, of beter: gebonden toorn en woede daar opgevreten werd. Eindelijk, na eene reeks van vruchtelooze pogingen, om zich te bevrijden, bleven zij als machteloos liggen. Maar toen poogden zij, daar het zintuig van het gezicht hun ontnomen was, door het gehoor te vernemen of te raden, in welken onrustbarenden toestand zij zich bevonden. Ook dat was geheel en al vergeefs, want zij vernamen geen ander geluid dan het eindeloos en onverklaarbaar "frrr", dat hen als met een trillenden dampkring omgaf.

Evenwel gebeurde het, dat de secretaris Phil Evans, die niet zoo heet gebakerd was als Uncle Prudent, en derhalve met meer kalmte te werk ging, er in slaagde het koord, dat zijn polsgewrichten samenbond, los te maken. Eindelijk knelde de knoop niet meer zoo sterk, zijne vingers gleden over elkander en weldra had hij het gebruik zijner handen herkregen.

Hij wreef zich de gewrichten met kracht, ten einde den bloedsomloop te herstellen, die door dat binden gestremd geweest was. Een oogenblik later had de secretaris Phil Evans den band afgerukt, die hem blinddoekte, den prop uitgehaald, die hem den mond snoerde, en met behulp van het scherpe lemmet van zijn bowie-knife de touwen doorgesneden, die hem handen en voeten gekneveld hadden. Een echte Amerikaan verlaat zijne woning niet, zonder zijn bowie-knife op zak; zonder dit zou hij geen Amerikaan genoemd kunnen worden.

Maar al kon de secretaris Phil Evans zich nu ook bewegen en spreken, dan was dat toch alles, wat hij met zijne pogingen verworven had. Van zijne oogen kon hij in dit oogenblik ten minste geen nuttig gebruik maken; want het was pikdonker in de cel of het hok, waarin zij zich bevonden. Toch sijpelde als het ware een zwakke lichtstraal door een soort schietgat, hetwelk in den wand op eene hoogte van ongeveer zes of zeven voet boven hen aangebracht was.

In weerwil van den plaats gehad hebbenden twist, aarzelde de secretaris Phil Evans geen enkel oogenblik, om zijn mededinger te verlossen. Eenige bewegingen met zijn bowie-knife waren voldoende, om de touwen door te snijden, die de handen en voeten van Uncle Prudent knevelden. Onze voorzitter richtte zich, half razend van woede, op de knieën overeind en rukte den doek van zijne oogen en den prop uit zijn mond.

Daarop zei hij met eene stem, alsof hij op het punt was van te stikken:

"Dankje!"

"Neen, dat niet."

"Wat niet?"

"Je behoeft mij niet te bedanken."

"Phil Evans?...."

"Uncle Prudent?...."

"Hier bestaat geen voorzitter meer van Weldon-Institute!"

"En geen secretaris meer van de club!"

"Dus geen mededingers meer!"

"Juist gezien!"

"Gij hebt gelijk." ging Phil Evans voort.

"Ik heb altijd gelijk!" bevestigde Uncle Prudent.

"Er zijn hier slechts twee mannen aanwezig, die zich wreken willen en wreken zullen...."

"Op wien?"

"Op een derde, wiens aanslag weergaloos te noemen is!"

"Ja, weergaloos en die de strengste weerwraak eischt."

"En die derde is?...."

"Dat is Robur!...."

"Ja, dat is Robur!...."

Dat was dus een punt, waaromtrent de gewezen mededingers het eens waren. Hierover was geen twist te vreezen.

"En uw knecht," merkte de secretaris op, terwijl hij op den neger Frycollin wees, die als een bruinvisch blies, "moeten wij hem ook losmaken?"

"Nog niet," antwoordde Uncle Prudent.

"Waarom nog niet?" vroeg Phil Evans.

"Omdat de kerel ons meer dan half dol zou maken met zijne klaagliederen."

"Dat's juist."

"En wij hebben wel wat anders te doen, dan naar klaagliederen te luisteren."

"Wat dan, Uncle Prudent?"

"Vraagt gij dat nog, Phil Evans?"

"Het schijnt zoo."

"Wel, wij moeten er aan denken, om te ontvluchten, als het mogelijk is."

"Dat's waar ook! En wij moeten ontvluchten, zelfs wanneer het onmogelijk is!"

"Gij hebt gelijk, Phil Evans. Zelfs wanneer het onmogelijk is!"

Overigens twijfelden zij er geen oogenblik aan, dat die oplichting van hunne personen door dien vreemdsoortigen kerel, die zich Robur noemde, gepleegd was. Iets anders kwam hun niet in het brein op, kon er ook niet in opkomen. Eenvoudige en eerlijke dieven zouden hen van hunne uurwerken, hunne juweelen, hunne portefeuilles en hunne porte-monnaies ontlast en hunne lijken, na een flinken dolksteek in de keel, in de diepte van de Schuylkill-rivier geworpen hebben, in stede van hen zonder poging tot stelen levend op te sluiten in.... Ja, waarin?....

Dat was inderdaad een belangrijk vraagstuk, dat noodzakelijk opgelost moest worden.

Ja, waarin zaten zij opgesloten? Dat moesten zij weten, alvorens zij eene poging tot ontsnapping, met eenige hoop op welslagen, konden ondernemen.

"Phil Evans," hernam Uncle Prudent, "in stede van bij het verlaten der vergadering zulke zoete bitterheden of bittere zoetigheden te wisselen, zooals wij gedaan hebben en waarop dus niet meer teruggekomen kan worden, hadden wij beter gedaan van minder vertoornd te zijn en beter rondom ons te kijken...."

"Dat's waar, Uncle Prudent, zeer waar!" antwoordde de secretaris Phil Evans.

"Wanneer wij in de straten van Philadelphia gebleven waren," ging de voorzitter voort, "dan zou van dat alles niets gebeurd zijn. Dunkt u dat ook niet!"

"Zeer waar," herhaalde de secretaris Phil Evans, "zeer waar, Uncle Prudent!"

"Klaarblijkelijk heeft die Robur met veel snuggerheid gegist, wat er in de club gebeuren zou. Hij heeft voorzien, tot welken toorn en welke woede zijne tartende houding en gesprekken aanleiding zouden geven...."

"Zeer waar, Uncle Prudent, zeer waar!"

"Waarschijnlijk stonden eenige zijner bandieten bij de deur op post, om hem, als de nood aan den man kwam, te hulp te schieten. Zoo dunkt mij ten minste...."

"Mij ook," betuigde Phil Evans goedkeurend knikkend.

"Toen wij de Walnutstreet verlieten, hebben die bandieten ons gevolgd en bespied...."

"Zeer waar, Uncle Prudent, zeer waar!"

"En toen zij zagen, dat wij zoo onvoorzichtig de donkere lanen insloegen van het eenzame Fairmont-Park, toen was de zaak klaar en de volvoering van den aanslag gemakkelijk gemaakt."

"Waar, zeer waar, Uncle Prudent," herhaalde de secretaris Phil Evans. "Ja, wij hebben zeker groot ongelijk gehad, dat wij na de zitting niet dadelijk naar huis zijn gegaan. Groot ongelijk!"

"Men heeft altijd ongelijk, wanneer men geen gelijk heeft," betuigde Uncle Prudent heel snedig.

"Inderdaad!" beaamde de secretaris.

In dit oogenblik weerklonk een lange zucht in het donkerste gedeelte van de cel, waarin zij opgesloten waren.

"Wat is dat?" vroeg Phil Evans.

"Wat?"

"Hoordet gij dien zucht niet?"

"Och loop.... dat's Frycollin, die droomt."

"Meent ge?"

"Ik ben er zeker van," antwoordde Uncle Prudent.

Daarna hernam hij:

"Tusschen het oogenblik, waarin wij op weinige passen van de open plek in het park gegrepen zijn geworden, en dat, waarin wij in dit hok gesmeten zijn, zijn hoogstens twee minuten verloopen...."

"Ja, hoogstens!" beaamde Phil Evans.

"Het is dan buiten kijf, dat die lieden ons niet buiten het Fairmont-Park gebracht hebben. Zijt gij dat niet met mij eens, Phil Evans?"

"Voorzeker, Uncle Prudent; want volgens mij, wanneer zij ons buiten het Park gebracht hadden; dan zouden wij de beweging van het vervoer moeten ontwaard hebben."

"Zeer juist!" antwoordde Uncle Prudent. "Het is dus aan geen twijfel onderhevig, dat wij in een compartiment van een voertuig opgesloten zitten; misschien wel in een van die lange karren, in de Prairiën in gebruik, of in een wagen van heidenen of kermispotsenmakers."

"Dat gevoelen deel ik geheel en al," zei Phil Evans. "Wanneer wij toch aan boord van een vaartuig gebracht waren, dat aan een der oevers van de Schuylkill-rivier vastgemeerd gelegen had, zouden wij dat door de schommelingen van de schuit bemerkt hebben bij het aan boord brengen, ook door die, veroorzaakt door den snellen stroom der rivier."

"Juist, steeds zeer juist!" herhaalde Uncle Prudent. "Daaruit maak ik twee stellingen op. De eerste is, dat wij de open plek van Fairmont-Park nog niet verlaten hebben. En de tweede daaruit afgeleide is, dat het nu of nooit het oogenblik is om te vluchten."

"En Robur dan?"

"O, die zullen wij later wel terugvinden! Wees gerust. Dat neem ik op mij!"

"Ja, hem weervinden, om hem betaald te zetten...."

"Dubbel betaald te zetten, Phil Evans. Gij weet het heilig woord: Die zaait zal dubbel maaien!"

"Om hem duur betaald te zetten dien aanslag, dien hij zich op de vrijheid van twee burgers van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika veroorloofd heeft!"

"Juist.... duur.... zeer duur betaald zetten!"

"Maar,.... wie is die man?"

"Dat weet ik niet, Uncle Prudent."

"Vanwaar komt hij?"

"Dat weet ik ook niet."

"Is het een Engelschman, een Duitscher, een Franschman, een...."

"Dat weet ik evenmin," viel Phil Evans den voorzitter in de rede. "Maar wat ik weet...."

"Welnu, wat weet gij?"

"Dat het een ellendeling is! En dat is genoeg, dunkt mij."

"Mij ook."

"En nu aan het werk!"

"Aan het werk!"

Beiden staken nu de handen met uit elkander gespreide vingers voor zich uit en betastten de omwanding van het hok, waarin zij opgesloten waren, om een naad of een voeg te ontdekken. Maar niets, niets. Ook niet bij de deur. Die sloot volkomen hermetisch en het zou onmogelijk geacht moeten worden het slot te doen springen. Zij moesten dus een gat maken om daardoor te ontsnappen.

Het was nu evenwel zaak om te onderzoeken, of hunne bowie-knifes die omwanding zouden kunnen aantasten, of de lemmeten bij dat werk niet geschaard zouden worden of wel zouden breken.

"Maar waar vandaan zou die trilling toch komen, die geen oogenblik ophoudt?" vroeg Phil Evans, die verbaasd was over dat onafgebroken "frrr, frrr".

"Dat is ongetwijfeld de wind," antwoordde Uncle Prudent.

"De wind?.... Maar ik dacht, dat tot middernacht volkomen stilte in de atmosfeer geheerscht had?"

"Volkomen juist, Phil Evans; maar als het de wind niet is, wat zou het volgens u dan kunnen zijn?"

Phil Evans antwoordde niet, maar opende het beste lemmet van zijn bowie-knife en poogde de omwanding in de nabijheid van de deur aan te tasten. Misschien was het voldoende een klein gat te maken, om de deur te kunnen openen, wanneer die door een eenvoudigen grendel gesloten was, of dat men aan de buitenzijde den sleutel in het slot had laten steken.

Na eenige minuten hard gearbeid te hebben, had de secretaris van Weldon-Institute geen ander resultaat verkregen, dan dat al de lemmeten van zijn bowie-knife zoodanig geschaard waren, dat zij veel geleken op eene duizendtandige zaag, en dat de punten er van gebroken waren.

"Slaagt gij?" vroeg Uncle Prudent.

"Neen!"

"Zou de omwanding van deze cel ook van plaatijzer vervaardigd kunnen zijn?"

"Neen, Uncle Prudent. Wanneer men op die omwanding klopt, dan geeft zij geen metaalklank."

"Dan is zij van ijzerhout vervaardigd misschien?"

"Ook niet. Zij is noch van ijzer noch van hout."

"Maar waaruit bestaat zij dan?"

"Dat kan ik niet zeggen. Maar in elk geval uit eene stof of substantie, waarop het scherpste staal geen vat heeft."

Uncle Prudent kreeg een aanval van hevige woede. Hij vloekte en stampte met den voet op den holklinkenden vloer, terwijl hij met beide handen het gebaar maakte, alsof hij een denkbeeldigen Robur worgde.

"Kalmte, Uncle Prudent!" vermaande de secretaris Phil Evans. "Kalmte en probeer gij op uwe beurt ook eens."

Uncle Prudent ging aan den gang; maar zijn bowie-knife kon de omwanding evenmin ergens aanraken. Het lukte hem zelfs niet met zijn beste lemmet een kras er op te maken. Het was waarlijk, alsof die omwanding van bergkristal was.

Dus iedere vlucht werd daardoor onmogelijk, hierbij van de veronderstelling uitgaande, dat zij uitvoerbaar ware, wanneer zij er in geslaagd waren de deur te openen, of een gat in de omwanding te maken.

Zij moesten zich, althans voor het oogenblik, aan hun noodlot onderwerpen, hetgeen met hunne Yankee-geaardheid volstrekt niet overeenkwam. Zij moesten alles aan het toeval overlaten, iets wat iederen practischen man tegen de borst stuit. Maar die onderwerping, die gelatenheid geschiedde niet zonder pruttelen, zonder groote woorden, zonder heftige uitingen, aan het adres van dien Robur gericht, die de man er niet naar was, om zich daarvan veel aan te trekken, wanneer hij althans in het gewone dagelijksche leven dezelfde geaardheid aan den dag legde, waarvan hij te midden van de vergaderde leden van Weldon-Institute had doen blijken.

Frycollin begon intusschen zulke teekenen van onpasselijkheid te geven, dat omtrent hare beteekenis geen twijfel bestond. Hij boog en krimpte zoo pijnlijk mogelijk, alsof hij aan maagkrampen of wel aan zenuwtrekkingen in alle lichaamsdeelen leed.

Uncle Prudent meende, dat het tijd was, om aan die acrobatische bewegingen een einde te maken; althans hij sneed de touwen door, die de handen en voeten van den neger knevelden.

Wie weet, of hij er geen berouw over gevoelen zou? Want al dadelijk barstte eene eindelooze reeks van klaagliederen los, waarbij kreten van pijn zich afwisselden met gekerm van honger.

Frycollin was niet alleen in het brein, maar ook in de maag aangetast. Het zou zeer moeielijk geweest zijn, uit te maken, aan welke dier beide lichaamsdeelen het akelige gevoel moest toegeschreven worden, hetwelk de arme neger beving.

"Frycollin!" riep Uncle Prudent.

"Master Uncle!... Master Uncle!..." antwoordde de bediende tusschen twee akelige jammerkreten.

"Het is mogelijk, dat wij veroordeeld zijn, om in deze gevangenis van honger te sterven..."

De neger rilde van angst over zijn geheele lichaam, van het hoofd tot de voeten.

"Maar," ging Uncle Prudent met indrukwekkende stem voort, "wij zijn vast besloten, om tot het uiterste vol te houden en om niet het onderspit te delven, dan wanneer wij alle aanwezige voedingsmiddelen zullen verorberd hebben, die geschikt zullen bevonden worden, om ons bestaan te rekken..."

"Gij wilt mij opeten?" riep Frycollin ten uiterste ontsteld en handenwringend uit.

"Zooals men steeds met een neger in dergelijke omstandigheden doet!...."

"Master Uncle!... Master Uncle!"