Robur de Veroveraar

Chapter 4

Chapter 43,688 wordsPublic domain

"Mijnheer," zei toen de voorzitter van Weldon-Institute, die te vergeefs alle pogingen aanwendde om kalm te blijven, "gij vergeet wat onze onsterfelijke Franklin gezegd heeft, toen de eerste montgolfière verscheen, die de geboorte van den hedendaagschen ballon voorafging: 'het is slechts een kind, maar het zal groeien.' En ziet het kind is gegroeid."

"Mis president, mis! Het kind is niet gegroeid!... Het is slechts in dikte toegenomen.... En, gij zult moeten bekennen, dat dit niet hetzelfde is!"

Dat was een rechtstreeksche aanval op de zoo dierbare plannen van geheel Weldon-Institute, welker leden besloten hadden, na langdurige en heftige beraadslagingen, een monster-ballon te doen vervaardigen en daartoe de noodige gelden beschikbaar hadden gesteld. De opgewondenheid steeg dan ook ten top en het was waarlijk niet te verwonderen, dat kreten, verwenschingen en voorstellen als de ondervolgende zich kruisten en allerwege gehoord werden:

"Weg met dien indringeling!"

"Weg met dien zotskop!"

"Werp hem van het spreekgestoelte!"

"Om hem te doen ondervinden, dat hij zwaarder dan de lucht is!"

"En dat hij, in weerwil van zijne praatjes daarin niet zal kunnen opstijgen!"

"Werp dien snoeshaan eenvoudig de deur uit!"

"Wat hebben wij naar dien dwazen kerel te luisteren!"

"Aan de deur met hem! Aan de deur!"

En zoo ging het voort. Het was om hooren en zien te doen vergaan. Het tumult klom als de branding van den oceaan bij hevigen storm en bij hooggaanden vloed.

Maar men schreeuwde nog maar en hield voorloopig de handen te huis. Robur bleef onwrikbaar als een rots op het spreekgestoelte staan, en vond eindelijk gelegenheid om nog uit te roepen:

"Die luchtgevaarten hebben geene vorderingen gemaakt, burgers ballonisten! Maar de toekomst behoort aan de vlieg-werktuigen! De vogel vliegt, toch is het geen ballon maar wel degelijk een machine!"

"Ja! hij vliegt!" riep de van woede kokende Bat. T. Fijn uit; "maar hij vliegt tegen alle wetten der werktuigkunde in! Dat zult gij moeten erkennen, als gij maar een greintje gezond verstand in uw dwaas hoofd hebt!"

"Zoo, zou ik dat moeten erkennen!" antwoordde Robur, terwijl hij minachtend de schouders optrok.

Daarop vervolgde hij:

"Sedert men de vlucht der groote en kleine vliegende dieren bestudeerd heeft, heeft deze eenvoudige meening zich geheel en al op den voorgrond gedrongen, namelijk: dat om te slagen, men slechts de natuur na te volgen heeft, want die vergist zich nooit. Tusschen den albatros, die ter nauwernood tien vleugelslagen in de minuut volvoert...."

"Negen en een halve!" riep eene spottende stem uit.

"En den pelikaan, die er zeventig volvoert...."

"Een en zeventig!"

"En de bij, die haar vleugeltjes honderd twee en negentig malen in de seconde op en neer beweegt...."

"Honderd drie en negentig malen!...." werd er hatelijk spottend geroepen.

"En de gewone huisvlieg, die dat drie honderd en dertig malen verricht...."

"Drie honderd dertig en een halven keer!...."

"En de muskiet, die dat millioenen malen doet...."

"Milliarden malen, wilt gij zeggen, niet waar?"

Maar Robur liet zich niet van zijn stuk brengen, hoe dikwijls hij ook in de rede gevallen werd. Hij vervolgde dan ook onverstoorbaar zijn betoog:

"Tusschen die verschillende afwijkingen...."

"Behoort op de allergrootste afwijking, die van uwe hersenen gelet te worden!"

".... bestaat de mogelijkheid, om eene practische oplossing te vinden."

"Gekheid! Onverstand! Het scheelt den kerel in zijn bol!"

"Toen de heer de Lucy afdoend bewees...."

"Wat bewees?"

"Dat de schalebijter, een insect, hetwelk, zooals de leden van Weldon-Institute wel weten zullen, slechts twee grammen weegt..."

"Twee en een kwart!"

"Nu dan, een insect dat twee en een kwart grammen weegt, een gewicht van vier honderd grammen kan optillen...."

"Vier honderd en vijftig grammen."

"Dus twee honderd malen zwaarder dan het zelf weegt, was het vraagstuk van de vliegkunst opgelost...."

"De kerel is krankzinnig!"

"Men heeft daarenboven aangetoond en bewezen, dat de afmeting van de oppervlakte van den vleugel betrekkelijk vermindert, naarmate de omvang en het gewicht van het dier verminderen. Daarop afgaande, heeft men de vervaardiging uitgedacht van meer dan zestig toestellen, die...."

"Die nimmer hebben kunnen vliegen!" riep Phil Evans, de secretaris van Weldon-Institute uit.

"Die gevlogen hebben of die vliegen zullen," ging Robur voort, zonder zich uit het veld te laten slaan. "En of men ze nu ook al streophoren, helicopteren of orthoptheren noemde, of dat men ze ook al vaartuig heette, het toestel bestaat dat den mensch tot heer en meester van de luchtruimte zal maken."

"O, gij bedoelt de schroef," hernam Phil Evans sarcastisch. Maar geen vogel is in het bezit van eene schroef.... ten minste voor zoover wij weten."

"Welnu, dan weet gij het niet goed. Zooals de heer Penaud degelijk bewezen heeft, is de geheele vogel eene schroef en is zijne vlucht aan die der helicopteren gelijk. De schroef is dan ook de motor van de toekomst...."

D'un pareil maléfice Preservez nous, _Sainte Hélice_!

neuriede een der aanwezigen, die bij toeval dat wijsje uit de _Zampa_ van Herold onthouden had.

Het geheele gezelschap viel daarop in koor in en herhaalde dat refrein met zulke oorverscheurende tonen, dat de Fransche componist voorzeker zich van afschuw in zijn graf heeft moeten omkeeren.

Toen eindelijk de laatste tonen van die kattenmuziek zich in een vervaarlijk geschreeuw opgelost hadden, meende Uncle Prudent, die van eene zeer kortstondige verademing bij dat leven maken behendig gebruik maakte, te moeten zeggen:

"Burger vreemdeling, men heeft u tot nog toe het woord laten voeren, zonder u in de rede te vallen...."

Het scheen dat voor den voorzitter van Weldon-Institute, die toornige uitroepen, dat geschreeuw, de bedreigingen, die geuit waren, niet golden, maar dat die slechts beschouwd werden als eene eenvoudige wisseling van gedachten of van argumenten.

"Intusschen meen ik u te moeten herinneren," ging de president voort, "dat de theorie der vliegkunst door het meerendeel der Amerikaansche werktuigkundigen en ook door anderen bij voorbaat veroordeeld en verworpen is. Dat systeem, hetwelk den dood van Sarrazin Volant te Constantinopel, dien van den monnik Voador te Lissabon, dien van Letur in 1852, van Groof in 1864 op zijne rekening heeft, zonder nog te tellen de slachtoffers, die ik vergeet, en waarbij de mythologische Icarus niet mag vergeten worden...."

"Dat systeem," viel Robur den voorzitter in de rede, "is niet in meerdere mate te veroordeelen, dan dat welker martelaarslijst de namen van Pilatre des Roziers te Calais, van mevrouw Blanchard te Parijs, van Donaldsen en Greinwood, in het meer van Michigan verdronken, van Swel en van Crocé-Spinelli en van zooveel anderen bevat, die wel nimmer vergeten zullen worden."

Dat was een degenstoot "á fond", zooals men in de schermzaal zou zeggen.

"Daarenboven," hernam Robur, "met uw luchtballon, hoe volmaakt zij ook zijn moge, zult gij nimmer eene snelheid bereiken, die daadwerkelijk practisch bevonden zal worden. Gij zoudt drie jaren noodig hebben om de reis rondom de wereld te volvoeren, wat eene vliegmachine in acht dagen zal kunnen doen."

Andermaal had er eene uitbarsting van verwenschingen plaats, die als protest moesten dienen, maar die in de eerste vijf minuten niet tot bedaren te brengen waren.

Eindelijk toch gelukte het aan den secretaris Phil Evans, om aan het woord te komen.

"Mijnheer de vliegkundige," vroeg hij, "gij die zoozeer de voordeelen der vliegkunst bij ons komt ophemelen, zeg mij: hebt gij ooit gevlogen?"

"Bepaald!"

"Dus gij hebt de lucht veroverd?"

"Misschien, mijnheer de secretaris."

"Hurrah! voor Robur den Veroveraar!" riep eene spottende stem snijdend uit.

"Hurrah! voor Robur den Veroveraar!" herhaalden al de aanwezigen met vijandigen geestdrift.

"Welnu, ja! Robur de Veroveraar!" hernam de spreker. "Dien naam neem ik aan, dien naam zal ik dragen; want ik heb er alle recht op!"

"Gij zult ons veroorloven dat te betwijfelen!" riep Jem Cip met schrille stem uit.

"Betwijfelen?"

"Ja, zeker, betwijfelen! Hebt gij daar iets op tegen? Komaan, zeg het dan maar!"

"Mijne heeren," hernam Robur, terwijl hij de wenkbrauwen fronste, "wanneer ik eene ernstige zaak op de meest ernstige wijze bij u kom bepleiten, dan wil ik niet, dat men mij voor leugenaar houdt. Mag ik den naam weten van hem, die mij het laatst in de rede gevallen is?"

"Zijn naam?" vroeg Uncle Prudent.

"Ja, zijn naam, mijnheer de voorzitter!"

"Ik heet Jem Cip.... en ben vegetariër...."

"Burger Jem Cip," hernam Robur, "ik wist reeds lang, dat de darmen van de vegetariërs langer zijn, dan die van andere menschen."

"Wat heeft dat met de zaak te maken?" vroeg Jem Cip stoutmoedig bij die onverwachte wending van het gesprek.

"Laat mij voortgaan. Die darmen zijn, wel is waar, slechts een voet langer dan die van anderen. Dat is reeds veel,--dat beken ik,--maar noodzaak mij nu niet, ze nog langer te doen worden, door u bij de ooren te trekken....!"

"De deur uit met den kerel!"

"Smijt hem de straat op!"

"Verscheurt hem:"

"Met vier paarden!"

"De lynchwet!"

"Hij moet aan de ooren getrokken worden!"

"Neen, wij zullen hem als eene schroef draaien en wringen!...."

"Dat heeft hij verdiend!"

"En meer dan dat!"

De woede der vereenigde ballonisten in Weldon-Institute was ten top gestegen.

Zij waren van hunne stoelen opgevlogen en omringden thans gillend en schreeuwend het spreekgestoelte.

Robur verdween als het ware in een woud van armen, die zich krampachtig bewogen, alsof zij door een hevigen stormwind heen en weer geschud werden.

Te vergeefs gilde de stoomfluit van den voorzitter te midden van die menigte!

Geheel Philadelphia moest dien avond wel gelooven, dat een hevige brand een der voornaamste stadskwartieren verwoestte, en dat al het water van de Schuylkill-rivier niet voldoende zoude zijn om dien te blusschen.

Plotseling stoof de menigte achteruit. Robur had zijne handen uit zijne zakken gehaald en stak die plotseling naar de eerste rij van die verbitterden uit.

In beide handen hield hij een van die Amerikaansche ploertendooders, die behoorlijk de vuist wapenen en haar als eene knots doen neerkomen, maar tegelijkertijd ook revolvers zijn, waarop de vingers slechts te drukken hebben, om de schoten te doen afgaan; in één woord: ware zak-mitrailleuses.

En toen gebruik makende van het achteruitstuiven der aanvallers en ook van de stilte, die dien terugtocht vergezelde, zeide hij:

"Inderdaad, het is niet Americus-Vespucius, die de Nieuwe Wereld heeft uitgevonden, maar Jocrisse. Gij zijt, bij mijne ziel, geen Amerikanen, maar ware Jocr...."

In dit oogenblik knalden vier of vijf schoten, welker projectielen slechts gaten in den wand maakten en derhalve niemand kwetsten. De werktuigkundige verdween te midden van den kruitdamp, en toen die opgetrokken was, vond men geen spoor van dien zonderling.

Robur de Veroveraar was weggevlogen, alsof een of andere vliegmachine hem door de lucht naar de bovenste dampkringslagen vervoerd had.

IV.

WAARIN DE SCHRIJVER, HANDELENDE OVER DEN KNECHT FRYCOLLIN, POOGT DE MAAN IN HARE EER TE HERSTELLEN.

Ontegenzeggelijk hadden het geschreeuw en het spektakel, die in den regel het gevolg waren der stormachtige zittingen van Weldon-Institute, en door de leden bij het verlaten van het gebouw aangeheven en veroorzaakt werden, meer dan eens de rust van de bewoners van Walnut-street en van de aangrenzende wijken gestoord. Herhaaldelijk hadden die eerzame burgers terecht klachten ingebracht over die eindberaadslagingen in de open lucht, welke hen gewoonlijk in hunne vreedzame verblijven deden opschrikken. Meer dan eens hadden de politie-agenten hulp moeten verleenen om het openbaar verkeer open te houden voor de voorbijgangers, die voor het meerendeel zeer onverschillig waren voor de behandelde vraagstukken der luchtvaart. Maar tot heden had het straatrumoer nimmer zulke afmetingen aangenomen, als nu geschiedde. Nooit waren de klachten meer gebillijkt en nimmer was de tusschenkomst der politie-agenten meer noodzakelijk geweest.

Toch waren, volgens onze zienswijze, de leden van Weldon-Institute wel eenigermate te verontschuldigen. Men was er toch niet voor teruggedeinsd, hen op hun eigen grondgebied te komen aanvallen. Tot die heethoofdige aanhangers van het stelsel: "lichter dan de lucht", had een niet minder heethoofdige aanhanger van het stelsel: "zwaarder dan de lucht" zeer onaangename dingen gezegd. Daarbij kwam nog, dat hij plotseling verdwenen was, toen men hem eene tuchtiging had willen toedienen, die hij, volgens aller meening, zoozeer verdiend had.

Dat schreeuwde natuurlijk om wraak.

Kon men zulke beleedigingen in gemoede ongestraft laten! Neen, dat kon niet! Men zou geen Amerikaansch bloed in de aderen moeten hebben! Nakomelingen van den roemrijken Americus Vespucius voor Jocrisse uit te schelden! Dat was eene beleediging, die onvergeeflijk was, daar zij toch eenigermate doel had getroffen.

"Niets kwetst meer dan waarheid," zegt een oud spreekwoord.

De leden van de Club verschenen dus in verscheidene groepen in Walnut-street en verspreidden zich van daar, steeds heftig opgewonden, in de naburige straten en van daar door het geheele stadskwartier. Door hun vreeselijk tumult wekten zij de bewoners uit hunnen zoeten slaap. Zij noodzaakten hen, om hunne huizen te laten doorzoeken en waren volstrekt niet ongenegen, om later schadevergoeding te betalen voor den overlast, dien zij veroorzaakt, en voor de inbreuk, die zij zich veroorloofd hadden op de onschendbaarheid van het private leven, die bij de volkeren van het Anglo-Saksische ras zoo zeer geëerbiedigd is.

Al die nasporingen en die plagerijen waren evenwel te vergeefs. Robur werd nergens bespeurd.

Geen enkel spoor was van hem achtergebleven. Als hij met de _Go ahead_, de luchtballon van Weldon-Institute vertrokken ware, zou hij niet meer onvindbaar geweest zijn.

Na een vol uur met nasporingen zoek gebracht te hebben, moest men het opgeven. De Club-leden scheidden evenwel niet dan nadat zij bij plechtigen eed gezworen hadden, dat zij hunne nasporingen over het geheele grondgebied zouden uitstrekken, hetwelk zoowel tot Noord- als tot Zuid-Amerika behoort, en dat het Nieuwe Vasteland genoemd wordt.

Het was intusschen reeds elf uur geworden, alvorens de rust in het stadskwartier hersteld was. Eindelijk dan toch konden de bewoners zich aan een diepen slaap overgeven, die slechts genoten wordt in steden, die niet met de nijverheid te doen hebben en waarin derhalve geene fabrieken met hunne geraasmakende machines en stank verspreidende schoorsteenen aangetroffen worden. De verschillende Club-leden begaven zich naar hunne respectieve woonhuizen. Zoo deed William T. Forbes, toen hij zijne schreden naar zijne lompen-suikerfabriek richtte, waar miss Doll en miss Matt hem met een kopje thee wachtten, die zij met zijn eigen lompen-glucose gesuikerd hadden. Zoo begaf zich Frank Milner ook naar de afgelegen voorstad, waar zijne fabriek gebouwd was, welker werktuigen nacht en dag door stoomden en stampten. Zoo ging ook Jem Cip, die in het openbaar beschuldigd was een voet meer darmen te bezitten dan een gewoon menschenkind, naar huis, waar hem als vegetariër een avondmaal van groenten en peulvruchten wachtte.

Twee der voornaamste ballonisten--twee slechts--dachten er niet aan om hunne woonhuizen op te gaan zoeken. Zij maakten van de gelegenheid gebruik, om met nog meer verbittering dan gewoonlijk te kibbelen. Dat waren onze onverzoenbare bekenden, Uncle Prudent en Phil Evans, de president en de secretaris van Weldon-Institute.

De knecht Frycollin wachtte Uncle Prudent, zijn meester, aan de deur van de Club.

Hij volgde hem zonder zich om de redenen van den twist tusschen die twee te bekommeren.

Hierboven werd van kibbelen gesproken. Dat geschiedde uit een gevoel van welwillendheid jegens die twee, om hun gedrag eenigermate te vergoelijken. Maar zij twistten inderdaad en nog wel met die geestkracht, die door hunne oude mededinging gevoed werd.

"Neen, mijnheer, neen!" herhaalde Phil Evans. "Wanneer ik de eer had gehad voorzitter te zijn van Weldon-Institute, dan zou nooit, neen, nooit zoo'n schandaal plaats gegrepen hebben!"

"En verondersteld, dat gij die eer gehad hadt, wat zoudt gij dan gedaan hebben?" vroeg Uncle Prudent.

"Wat ik zou gedaan hebben?"

"Ja, ik vraag u: wat gij in dat geval zoudt gedaan hebben?"

"Ik zou dien openbaren beleediger het woord ontnomen hebben...."

"Zoo?...."

"Nog voordat hij tijd gehad zou hebben, om den mond te openen!"

"Ei, ei! Maar om iemand het woord te ontnemen, moest men hem toch eerst laten spreken, dunkt me?"

"Niet in Amerika, mijnheer! Niet in Amerika!"

En terwijl zij elkander zoo schimpscheuten naar het hoofd wierpen, stapten zij de straten door, die hen al meer en meer van hunne woningen verwijderden. Zij doorsneden stadskwartieren, welker ligging hen tot aanmerkelijke omwegen noopte.

Frycollin volgde hen steeds; maar hij gevoelde zich toch niet op zijn gemak, toen hij bespeurde, dat zijn meester zich naar zeer eenzame plaatsen begaf. En de bediende Frycollin hield niet van die plaatsen, vooral wanneer het middernachtuur nabij was. Inderdaad het was pikdonker en de maan, die wassende en nog maar als een zilveren sikkeltje aan den hemel verschenen was, had die duisternis maar zeer weinig verminderd. Daarenboven was zij op het punt van onder te gaan.

Frycollin keek dan ook rechts en links, om te zien of geen verdachte schaduwen hen bespiedden. En, waarachtig, hij meende dat vijf of zes groote duivelengedaanten hen niet uit het oog verloren.

De bange kerel naderde instinctmatig zijn meester; maar voor niets ter wereld zou hij dezen hebben durven in de rede vallen, vooral niet te midden van een zoo heftig gesprek, waarvan hij waarschijnlijk de onaangenaamheden in den vorm van klappen zou ondervinden.

Om kort te gaan, het toeval alleen was schuld, dat de voorzitter en de secretaris van Weldon-Institute, geheel onbewust en al twisttende, hunne schreden naar Fairmont-Park richtten.

Daar overschreden zij, terwijl zij onafgebroken voorttwistten, de Schuylkill-rivier langs de beroemde metaalbrug. Zij ontmoetten slechts eenige voorbijgangers, die zich verlaat hadden, en bevonden zich eindelijk op een onmetelijk terrein, waarvan het eene gedeelte uitgestrekte weilanden vormde, terwijl het andere gedeelte een overheerlijk park daarstelde, hetwelk door zijn hoog geboomte en zijn doelmatigen aanleg, als het fraaiste van de geheele wereld kan geroemd worden.

Daar werden de schrik en de angst van den knecht Frycollin ten top gevoerd. En ditmaal niet zonder reden; want thans had hij heel duidelijk gezien en waargenomen, dat die vijf of zes spookachtige gedaanten hen tersluiks over de brug van de Schuylkill-rivier gevolgd waren. Zijn oogappels waren dan ook door den angst zoodanig uitgezet, dat zij zich zoo groot vertoonden als het geheele regenboogvlies zijner oogen. Maar ter zelfder tijd dat die oogappels zich uitzetten, kromp zijn lichaam als het ware in, alsof het bedeeld ware met die kracht van samentrekking, eigen aan de meeste weekdieren en aan sommige geleede dieren.

Ja, inderdaad, de knecht Frycollin was een bange kerel. Een lafaard in een woord.

Frycollin was een neger, in Zuid-Carolina geboren. Hij had een groot dom hoofd, hetwelk met een langen nek op een ellendig mageren romp geplant stond. Hij telde een en twintig jaren en was derhalve nimmer slaaf geweest, zelfs krachtens zijne geboorte niet. Maar of hij daardoor meer waarde als mensch had, kan gerust ontkend worden. Hij was een grappenmaker, die gewoonlijk leelijke gezichten trok, daarbij gulzig, lui en boven alle beschrijving laf was. Hij was sedert drie jaren in dienst bij Uncle Prudent. Deze was honderd malen op het punt geweest, om hem de deur uit te zetten; de vrees voor nog erger had hem weerhouden. Dat die lafhartigheid den armen drommel, wiens bestaan om zoo te zeggen innig met het leven van zijn meester, die steeds gereed stond aan de dolste en stoutmoedigste ondernemingen deel te nemen, saâmgeweven was, menig angstig oogenblik berokkende, zal wel niet behoeven gezegd te worden. Maar die oogenblikken van dollen angst hadden hunne tegenstellingen, werden door andere hoedanigheden voldoende opgewogen. Zoo liet men zijne gulzigheid nagenoeg den vrijen teugel en zoo ook zijne luiheid.

Maar.... Maar.... O, arme Frycollin, als ge eens in de toekomst hadt kunnen lezen!

Waarom was Frycollin niet te Boston gebleven, waar hij in dienst was van eene zekere familie Sneffel? Wel is waar, was die op het punt geweest, om eene reis naar Zwitserland te ondernemen. Dit had Frycollin minder aangestaan en daarom had hij toen op zijn ontslag aangedrongen. Toen de familie Sneffel van die reis afzag, bij het vernemen der aardstortingen, die in de Alpen plaats gehad hadden, was het te laat. En toch zou de dienst bij dat vreedzame gezin hem beter geleken hebben, dan bij Uncle Prudent, die de stoutmoedigheid en de waaghalzerij in eigen persoon was.

Er viel niet veel meer aan te doen. Frycollin was in dienst van den voorzitter van Weldon-Institute en deze was er zelfs mede geëindigd, zijne gebreken over het hoofd te zien. En die gebreken, wij weten het reeds, waren velen. Maar tegenover die gebreken stond eene goede hoedanigheid. Hoewel hij neger van oorsprong was, sprak hij geen neger-engelsch. En dat was te waardeeren; want er bestaat niets afschuwelijkers dan die platte taal, waarin de bezittelijke voornaamwoorden en de onbepaalde wijs voor de werkwoorden tot in het oneindige voorkomen.

Het is dus als onwraakbaar bewezen aan te nemen, dat Frycollin laf was, "laf als de maan", zoo als een volksgezegde zich uitdrukt.

Tegen die volksuitdrukking, die zoo beleedigend mogelijk is voor de blonde Phoebé, de zachte Selena, de kuische Diana, de zuster van den schitterenden Apollo, valt onzes inziens protest aan te teekenen. Welk recht heeft men om dien trouwen wachter, die, zoolang als de aarde bestaat, haar steeds het aangezicht, maar nimmer hare keerzijde vertoond heeft, van lafhartigheid te beschuldigen?

Maar die quaestie daargelaten, zooveel is zeker, dat thans, op dat middernachtuur, de sikkel van de "bleeke belasterde" op het punt was in het westen, achter de loofkruinen van het hooge geboomte te verdwijnen. Hare stralen gleden als het ware tusschen de takken door en teekenden op den grond grillige lichtbeelden, die de duisternis er naast nog zwarter maakten.

In weerwil daarvan keek Frycollin steeds scherp uit. Het was alsof hij de eigenschap der katten en der uilen bezat, namelijk in het donker te kunnen zien.

"Br!" zei hij bij zich zelven. "Die schoften volgen ons steeds! En inderdaad zijn zij reeds meer nabij gekomen."

Eindelijk kon hij het niet meer uithouden. Hij naderde zijn baas.

"Master Uncle," zei hij.

Zoo noemde hij zijn meester en zoo wilde de voorzitter van Weldon-Institute aangesproken worden.

In dit oogenblik was de twist tusschen de beide mededingers tot zijn hoogsten graad van opgewondenheid gestegen. En daar zij elkander hartelijk naar den duivel wenschten, werd Frycollin barweg verzocht de reis ook derwaarts te ondernemen. De arme neger was zeer beangst voor Beëlzebub en durfde derhalve den mond niet meer open doen.

Maar terwijl die twee Yankees zoo twistten en elkander afsnauwden, stapten zij al verder en verder de eenzame weilanden, die Fairmont Park begrenzen, door, waarbij zij zich steeds verder van de Schuylkill-rivier verwijderden, en dus ook van de brug, die haar overspande en het eenige toegangspunt was, om de stad weer binnen te komen.