Chapter 16
"Maar, als hij daar aankomt, zullen wij onze plannen niet meer ten uitvoer kunnen leggen."
"Hij zal er niet aankomen, Phil Evans!"
De beide lotgenooten hadden klaarblijkelijk de voornemens van den ingenieur gedeeltelijk geraden. Gedurende dien dag werd iedere twijfel opgeheven; want de _Albatros_, na eerst de grenzen der Zuidelijke IJszee genaderd te zijn, keerde bepaald om. Toen de vorst zich dermate in die streken van Kaap Hoorn deed gevoelen, overdekte zich het geheele benedengedeelte van de Groote Stille Zuidzee met ijsvelden en met ijsbergen.
Het pakijs had dus een ondoordringbaren slagboom voor de stevigste schepen en voor de stoutmoedigste zeelieden daargesteld.
Het is waar, de _Albatros_ zou met sneller wiekslag die ijsbergen, welke den oceaan bezaaiden, en de steenbergen welke op het land werden aangetroffen, namelijk wanneer daar bij de pool een kalotje van land op die zuiderpool aanwezig is, hebben kunnen overstevenen. Maar, zich te midden van den poolnacht, in een dampkring wagen, die tot zestig graden onder nul kan afkoelen, zou hij dit durven ondernemen? Ongetwijfeld neen!
Na dan ook een honderd kilometers in zuidelijke richting gestevend te zijn, hield de _Albatros_ westwaarts af, klaarblijkelijk met het doel, om koers te zetten naar een of ander onbekend eiland van een der groepen in den Grooten Stillen Oceaan.
Onder het schip strekte de vloeibare vlakte zich uit, die zoowel het Amerikaansche als het Aziatische vasteland bespoelt. In dit oogenblik had het water die zonderlinge kleur aangenomen, welke daaraan den naam van melkzee verleende. In de nevelachtige schaduw, welke de zwakke zonnestralen niet vermochten te verdrijven, scheen de geheele oppervlakte van den Grooten Stillen Oceaan melkachtig wit te zijn. Men zou gewaand hebben een onmetelijk groot sneeuwveld voor zich te zien, waarvan de golvingen, van die hoogte gezien, niet merkbaar waren. Wanneer dat gedeelte der zee door de koude bevroren was en zoo in een onmetelijk ijsveld veranderd ware, dan zou zij geen ander uitzicht gehad hebben.
Men weet thans dat het myriaden van lichtende diertjes zijn, kleine phosphoresceerende lichaampjes, die dat natuurverschijnsel te voorschijn roepen. Wat verwondering kon opwekken, was dat die lichtende massa, welke nergens anders dan in den Indischen Oceaan ontmoet wordt, thans hier waargenomen werd.
Plotseling viel de barometer, na gedurende de eerste uren van den dag vrij hoog gestaan te hebben, opmerkelijk snel. Er deden zich klaarblijkelijk aanduidingen voor, waarmede een zeeschip voorzeker rekening had moeten houden, maar die door het luchtschip over het hoofd gezien of verwaarloosd konden worden. Men kon evenwel veronderstellen, dat een zwaar onweder kort geleden de wateren van den Grooten Stillen Oceaan beroerd had.
Het was één uur des namiddags, toen de eerste officier Tom Turner den ingenieur naderde en hem zeide:
"Master Robur..."
"Wat is er?"
"Zie eens naar dat zwarte punt bij den gezichteinder!"
"Waar, Tom?"
"Daar in het noorden... daar... nu ziet gij het duidelijk... Dat kan toch geen rots zijn?"
"Neen, Tom, aan dien kant is geen wal of geen ondiepte."
"Dan moet het een schip, of minstens eene sloep zijn."
"Wij zullen zien."
Uncle Prudent en Phil Evans waren ook naar het voorschip gekomen en keken opmerkzaam naar het door Tom Turner aangeduide punt.
Robur riep om zijn marinekijker en nam het aangeduide voorwerp nauwkeurig op.
"Het is eene sloep!" riep hij eensklaps uit.
"Is het mogelijk, hier?" vroeg Tom Turner.
"En ik zou kunnen bevestigen, dat er menschen in zitten," vervolgde Robur.
"Schipbreukelingen?" vroeg Tom.
"Ja, schipbreukelingen, die genoodzaakt zullen geweest zijn, om hun vaartuig te verlaten," hernam de ingenieur. "Rampzaligen, die niet meer weten, waar den wal ligt, die waarschijnlijk door honger, dorst en koude omkomen? Welnu, er zal niet kunnen gezegd worden, dat de _Albatros_ niet alle pogingen zal aangewend hebben om hen te hulp te komen!"
Bevelen werden aan den machinist en aan zijne beide helpers gegeven. Het luchtschip begon langzamerhand te dalen. Op honderd meters boven de oppervlakte der zee gekomen, hield het halt; terwijl zijne voortstuwingsschroeven het met snelheid in noordelijke richting dreven.
Ja, het was inderdaad eene sloep. Haar zeil klepperde tegen den mast. Er was geen wind en derhalve kon niet gestuurd worden. En waarschijnlijk had niemand aan boord nog kracht genoeg om een roeiriem te kunnen hanteeren.
Op den bodem van het vaartuigje lagen vijf mannen uitgestrekt, hetzij zij ingeslapen, hetzij zij bewegingloos door vermoeidheid, hetzij zij dood waren.
Toen de _Albatros_ vlak boven hen gekomen was, daalde zij langzaam.
Men kon toen op den achtersteven van die sloep den naam lezen van het schip, waartoe zij behoorde. Dat was de _Jeannette_ van Nantes, een Fransch vaartuig, hetwelk door zijne equipage was verlaten geworden.
"Aoh!" riep Tom Turner.
"Aoh!" herhaalde de bemanning der _Albatros_ met een eenstemmig gebrul.
Dat moest gehoord worden; want de sloep dobberde slechts op ongeveer tachtig voet onder het luchtschip.
Toch kwam er geen antwoord.
"Los een geweerschot!" gelastte Robur.
Dat bevel werd uitgevoerd en de knal rolde lang over de oppervlakte van het water.
Men zag toen een der schipbreukelingen zich pijnlijk oprichten, met wildstaande oogen en de gelaatstrekken van een doode.
Toen hij de _Albatros_ daar boven zich ontdekte, kon hij een gebaar van schrik en angst niet onderdrukken.
"Vrees niets!" riep Robur in het Fransch. "Wij komen u helpen!... Wie zijt gij?"
"Matrozen van de _Jeannette_, een driemastschip, waarop ik eerste stuurman was," antwoordde de man. "Veertien dagen geleden... hebben wij dien bodem verlaten... toen hij op het punt was... in de diepte weg te zinken!... Wij hebben geen water en geen levensmiddelen meer!..."
De vier overige schipbreukelingen hadden zich ook langzamerhand opgericht. Zij zagen er bleek, haveloos en uitgeput uit. Zij waren verschrikkelijk mager en hieven de handen smeekend naar het luchtschip op.
"Opgepast!" riep Robur.
Een touw werd van het dek ontrold, waarmede een emmer met drinkwater in de sloep neergelaten werd. De ongelukkigen wierpen er zich op en dronken met eene gretigheid, die zeer deed om te zien.
"Brood!... Brood!..." schreeuwden zij. "Geef ons brood!"
Dadelijk werd een mand naar beneden gevierd, waarin levensmiddelen, eene flesch brandy, eenige pinten koffie. De eerste stuurman had veel moeite om hen bij het stillen van den honger tot bedaardheid aan te manen.
Daarna vroegen de schipbreukelingen:
"Waar bevinden wij ons?"
"Op vijftig mijlen afstand van de kust van Chili en van den archipel der Chorus-eilanden," antwoordde Robur.
"Maar, als wij windstilte houden, en?..."
"Wij zullen u op sleeptouw nemen!"
"Maar, in Godsnaam, wie zijt gij toch?"
"Wij zijn lieden, die zich gelukkig gevoelen u te kunnen helpen," antwoordde Robur op eenvoudigen toon.
De eerste stuurman begreep, dat de gezagvoerder zijn naam niet wenschte mede te deelen. Hij eerbiedigde dat verlangen. Maar zou die vliegmachine kracht genoeg hebben om te kunnen sleepen?
Ja, waarlijk, en de sloep, die aan het einde van eene kabel van ruim honderd voeten lang was vastgemaakt, werd door het machtige toestel in oostelijke richting voortgetrokken.
Tegen tien uur was het land in het gezicht, of beter gezegd: men zag de vuren schitteren, die de ligging daarvan aanduidden. Die hulp des hemels was inderdaad ter goeder tijd voor de schipbreukelingen der _Jeannette_ verschenen, en waarlijk, zij waren wel in hun recht, toen zij beweerden, dat hunne redding een wonder was!
Toen de _Albatros_ hen tot vlak bij den ingang van het toegangswater der Chonas-eilanden gesleept had, riep Robur hen toe den sleeptros los te gooien. Dat deden de schipbreukelingen, terwijl zij hunne redders zegenden en dankzeiden. Het luchtschip stevende daarop dadelijk zeewaarts.
Waarachtig, in dat luchtvaartuig, hetwelk zoo schipbreukelingen in volle zee in nood te hulp kon komen, zat toch iets goeds! Welke luchtballon, hoe volmaakt overigens ook, zou geschikt geweest zijn, om zoodanige diensten te bewijzen? Ziet, dat moesten Uncle Prudent en Phil Evans toch erkennen, wanneer zij bij elkander zaten. Toch verkeerden zij nog altijd in een geestestoestand, die hen er toe brengen kon, om zelfs het klaarblijkelijkste te loochenen.
De zee werd intusschen al woester en woester. De kenteekenen van weersverandering waren onrustbarend. De barometer, die al laag stond, viel nog eenige millimeters. Schrikkelijke windstooten deden zich voor, terwijl de wind overigens hevig woei en in de helicopterische werktuigen van de _Albatros_ als het ware huilde, maar ook oogenblikken had, dat er plotseling voor weinige seconden windstilte intrad. Onder zulke omstandigheden zou een zeilvaartuig onder gereefde marszeilen en gereefd fokzeil gestevend hebben. Alles duidde er op, dat de wind naar het noordwesten krimpen zou. Het vocht in de buis van het "stormglas" begon zeer troebel te worden. Dat alles was verre van geruststellend. Tegen een uur in den morgen begon de wind met buitengewone hevigheid te waaien. Evenwel, hoewel het luchtschip er vlak tegen in stevende, kon het, voortbewogen door zijne voortstuwingsschroeven, nog op hem winnen en legde nog vier of vijf kilometers per uur af. Maar meer mocht en kon er niet van gevergd worden.
Klaarblijkelijk vormde zich een cycloon, hetgeen op deze breedte zeer zeldzaam voorkomt. Of men hem al Hurricane op den Atlantischen Oceaan noemt, of Typhon in de Chineesche zee, of Tornado op Afrika's westkust of Simoun in de Sahara, het is en blijft een wervelwind, een ronddwarrelende storm, die zeer te vreezen is. Ja, te vreezen voor ieder vaartuig, dat in de wentelende beweging geraakt, welke van den buitenomtrek naar het centrum in kracht toeneemt, en slechts een enkele plek kalm laat, namelijk het midden van dien lucht-maalstroom.
Robur wist dat. Hij wist ook, dat het voorzichtig was een cycloon te ontvluchten, door zich, al stijgende tot in de hoogere luchtlagen, buiten de aantrekkingszone te begeven. Tot heden was hem dat altijd gelukt, maar er was geen uur, wellicht geen minuut meer te verliezen.
Inderdaad de wind nam merkbaar in hevigheid toe. De golven, met schuim gekuifd, veroorzaakten onder de onweerstaanbare windvlagen als een wit poeder op de oppervlakte der zee. Het was klaarblijkelijk, dat de cycloon bij zijne verplaatsing, zich met eene vervaarlijke snelheid naar de poolstreken zoude spoeden.
"Naar boven!" kommandeerde Robur.
"Naar boven!" herhaalde Tom Turner.
Toen werd eene buitengewone opstijgende kracht aan het luchtschip verleend en verhief zich het gevaarte in schuine richting, alsof het een scherp hellend vlak gevolgd had, hetwelk naar het zuidwesten gekeerd was.
De barometer daalde in dit oogenblik nog,--geen daling, maar inderdaad een val van acht, daarna van twaalf millimeter, door de kwikkolom uitgevoerd.
Eensklaps staakte de _Albatros_ hare stijgende beweging.
Waaraan was die staking toe te schrijven? Klaarblijkelijk aan een windstoot, aan een geduchten luchtstroom, die zich van boven naar beneden bewoog en zoo den weerstand van het steunpunt van het luchtschip verminderde.
Wanneer een stoomschip eene rivier opstevent, dan verricht de schroef een des te minder nuttigen arbeid, naarmate de stroom door zijne snelheid onder de schroefbladen door tracht te vlieten. Het deinzen of de teruggang is dan soms aanmerkelijk en kan zelfs gelijk aan de stroomsnelheid worden. In datzelfde geval verkeerde thans de _Albatros_.
Maar Robur gaf den strijd niet op. Zijne vier en zeventig schroeven, die allen met eene volkomen gelijkmatigheid arbeidden, werden tot de grootst mogelijke snelheid van omwenteling aangezet. Maar het luchtschip, door den cycloon onweerstaanbaar aangetrokken, kon niet ontsnappen. Gedurende de korte oogenblikken, dat er eenige kalmte intrad, hernam het zijne opstijgende beweging; maar de zware winddruk hernam weldra weder zijne heerschappij en voerde het gevaarte heen, dat wel iets van een bodem had, die op het punt is van te zinken. En wel mocht het zinken genoemd worden, want de _Albatros_ zonk inderdaad in de luchtzee, en hare seinlichten, hoe krachtig ook de electrische stroom aangezet werd, konden slechts een zeer bescheiden sector verlichten.
Het was helder als de dag, dat, wanneer de cycloon nog meer in hevigheid toenam, de _Albatros_ niet veel meer zou zijn dan een niet te besturen stroohalm, heengevoerd door een van die wervelwinden, die boomen ontwortelen, die daken der huizen afrukken en muurvakken omversmijten.
Robur en Tom Turner spraken slechts door middel van gebaren met elkander.
Uncle Prudent en Phil Evans klemden zich krampachtig aan de verschansing vast en vroegen zich af: of de cycloon niet in hunne kaart speelde, door het schip en met het schip den uitvinder en met den uitvinder het geheim zijner uitvinding te vernietigen?
Maar, dewijl het scheen, dat de _Albatros_ er niet in slaagde, om door opstijging uit den wervelstroom te geraken, waarom volbracht zij niet de eenige beweging, die te doen overbleef, namelijk naar het centrum te stevenen, waar het betrekkelijk kalm zoude zijn en waar het schip weer meester van zijn manoeuvreeren zoude wezen? Ja, dat is goed en wel geredeneerd; maar om dat centrum te bereiken, moesten die rondijlende stroomingen, die het vaartuig in zijn buitenwervel geketend hielden, doorbroken worden. Zouden de werktuigen daartoe genoegzame kracht kunnen ontwikkelen?
Eensklaps barstte het bovenste gedeelte der cycloonwolk. De dampen verdichtten zich en stortten als plasregen neder.
Het was toen twee uur in den morgen, de barometer was toen na vele slingeringen, die afwijkingen van twaalf milimeter aanduidden, tot op 709 gevallen, een stand waarvan afgetrokken moest worden of beter bijgevoegd, de daling veroorzaakt door de bereikte hoogte van het luchtschip boven de oppervlakte der zee.
Wat een zeer zeldzaam natuurverschijnsel genoemd kon worden, was, dat de cycloon ontstaan was buiten de gewesten, waar hij gewoonlijk voorkomt, dat wil zeggen tusschen den dertigsten graad noorder- en den zes en twintigsten zuiderbreedte. Misschien ligt daarin de verklaring, dat die wervel-orkaan plotseling in een rechtlijnigen storm veranderde. Maar welke winddruk ontstond toen! De stormvlaag, die op den 22sten Maart 1882 den Staat Connecticut teisterde, kon eenigermate als punt van vergelijking dienen. Toen was de snelheid honderd zestien meter in de seconde, hetgeen meer dan honderd uren gaans in het uur maakt.
Het kwam er dus op aan, om voor den wind te lenzen, zoo als een schip bij storm zoude doen. Of beter de _Albatros_ was genoodzaakt zich door die strooming, waartegen niet op te werken en waar niet uit te geraken was, mede te laten voeren. Maar intusschen, ten gevolge van dat medegevoerd worden, vlood het luchtschip in zuidelijke richting, dat wil zeggen, naar die poolstreken, die Robur had willen mijden. Helaas, hij was niet meer meester over zijnen koers, en moest gaan werwaarts de storm hem voeren wilde!
Torn Turner had het stuurrad ter hand genomen en hij had al zijne behendigheid noodig om het luchtschip voor kapzijzen te behoeden.
Bij het eerste lichten van den dageraad,--als men zoo die flauwe tint mag noemen, die aan den gezichteinder ontwaard werd,--had de _Albatros_ vijftien breedtegraden, dat wil zeggen meer dan vier honderd uren gaans afgelegd van Kaap Hoorn af en overschreed toen den poolcirkel.
Daar duurt de nacht in de maand Juli nog negentien en een half uur. De zonneschijf verschijnt slechts boven den horizon om even spoedig weer te verdwijnen.
Bij de pool duurt de nacht gedurende honderd negen en zeventig etmalen. Alles duidde aan, dat de _Albatros_ zich in dien nacht als ware het in eene afgrond zoude storten.
Wanneer eene waarneming mogelijk geweest ware, dan zoude zij aangetoond hebben, dat men zich op 66° 40' zuiderbreedte bevond. Het luchtschip was dus nog slechts op veertien honderd mijlen van de zuidpool verwijderd.
Het luchtschip, onweerstaanbaar naar dat ongenaakbaar punt van den aardbol gevoerd, "verslond", om het zoo uit te drukken, door zijne snelheid zijne zwaarte; hoewel deze ten gevolge van de afplatting der aarde bij de pool een weinig meer was dan elders. Het was, alsof het zijne opstuwingsschroeven niet meer noodig had. En weldra nam de storm zoodanig in hevigheid toe, dat Robur het raadzaam oordeelde om de snelheid der voortstuwingsschroeven tot een minimum van omwenteling te brengen, ten einde ernstige averij te voorkomen, en bij die geringe eigene snelheid toch stuur in het gevaarte te houden.
De ingenieur Robur deelde te midden van die gevaren zijne bevelen met koelbloedigheid uit, en zijne bemanning gehoorzaamde hem, alsof zij door hem bezield werd.
Uncle Prudent en Phil Evans hadden geen enkel oogenblik het dek van het luchtvaartuig verlaten. Men kon er bovendien zonder bezwaar blijven.
De lucht veroorzaakte geen of slechts weinig tegenstand. Het luchtschip verkeerde in die oogenblikken in den toestand van een luchtballon, die met de middenstof, waarin hij zich gedompeld gevoelt, medegevoerd wordt.
Het domein der zuidpool strekt zich uit, zooals beweerd wordt, over eene oppervlakte van vijfmaal honderdduizend vierkante meters. Bevindt zich daar een vastland? Of is het een archipel? Is het eene onmetelijke ijszee, die nimmer, zelfs niet gedurende den langsten zomer, ontdooit? Niemand weet dat.
Maar, wat men wel weet, dat is, dat de zuidpool veel kouder is dan de noordpool, hetgeen daaraan moet toegeschreven worden, dat er in het zuidelijk-halfrond veel minder land aangetroffen wordt dan in het noordelijk, ook aan den stand der aarde op hare omwentelingsbaan gedurende de zuidpool-winters.
Niets duidde intusschen aan, dat de storm gedurende dien dag zou afnemen. Het was bij den vijf-en-veertigsten westermeridiaan, dat de _Albatros_ den poolcirkel binnen trad. Waar zou zij dien weer verlaten,--bij de veronderstelling altijd, dat zij dien zou kunnen verlaten?
In ieder geval, naarmate het vaartuig allengs naar het zuiden afzakte, kortte de dag al meer en meer. Het zou niet lang meer duren, of het zou in dien langdurigen nacht gedompeld zijn, die slechts door de maan verlicht wordt of door het bleeke schijnsel van het zuiderlicht.
Maar het was toen nieuwe maan, en waarachtig de reisgenooten van Robur liepen gevaar niets of niet bijster veel te zien van die streken, welker geheim nog aan de menschelijke nieuwsgierigheid of weetgierigheid ontsnapt is.
Zeer waarschijnlijk stevende de _Albatros_ over eenige reeds herkende punten, b.v. in het westen het land van Graham, hetwelk in de nabijheid van den poolcirkel gelegen is, en in 1832 door Biscoë ontdekt werd, en Lodewijk Philipsland, hetwelk in 1838 door Dumont d'Urville ontdekt werd, de bekende bereikte grenzen op dit onbekende vastland.
Men leed aan boord van de _Albatros_ niet veel van de koude. De temperatuur was minder laag dan men wel kon vermoeden. Het scheen, dat die storm een lucht-golfstroom was, die eene zekere hoeveelheid warmte met zich voerde.
Het was inderdaad zeer betreurenswaardig, dat die geheele streek in eene diepe duisternis gedompeld was. Hier dient evenwel opgemerkt te worden, dat, al had ook de maan hare lichtstralen verleend, de waarnemingen toch zeer weinig loonend zouden zijn uitgevallen. In dit gedeelte van het jaar toch bedekt een lijklaken van sneeuw, een harnas van ijs de geheele poolstreken. Men bespeurde er zelfs dien "blink" van het pakijs niet, welke eene witachtige tint bezit en aan die donkere gezichteinders ontbreekt.
Hoe onder zulke omstandigheden den vorm van het land, de uitgestrektheid der zeeën, de ligging der eilanden waar te nemen en op te nemen? Hoe het hydrografisch netwerk van het land te onderscheiden? Hoe het bergstelsel te herkennen, nu de heuvelen en de bergen niet van het pakijs en de ijsbergen te onderscheiden waren?
Iets vóór middernacht verlichtte een zuiderlicht de dikke duisternis. Met zijne zilveren franjes, met zijne stralen, die door het luchtruim schoten, vertoonde zich dat natuurverschijnsel in den vorm van een onmetelijken waaier, die over de eene helft van het uitspansel geopend zoude zijn. Zijne uiterste electrische uitstroomingen raakten het Zuiderkruis, welker vier sterren in het zenith schitterden. Het natuurverschijnsel was onvergelijkelijk schoon, en de helderheid, daardoor verspreid, was voldoende om een blik te kunnen werpen op die streek, welke in een wit lijkkleed gehuld scheen.
Het zal wel niet behoeven verhaald te worden, dat boven die streken, zoo nabij de Zuidpool, de magneetnaald van het kompas, voortdurend van streek, geene te betrouwen aanwijzingen weergaf met betrekking tot den te volgen koers. Maar hare inclinatie was op een gegeven oogenblik van zoodanigen aard, dat Robur voor zeker kon houden, dat hij boven de magnetische pool passeerde, die ongeveer bij den acht-en-zeventigsten zuiderbreedte-graad gelegen zoude zijn.
En later, toen hij tegen een uur in den morgen den hoek berekende, welke die naald met de loodlijn maakte, riep hij uit:
"De Zuidpool is onder onze voeten!"
Een wit kalotje werd ontwaard, maar liet niets gissen van hetgeen onder die dikke ijskorst verborgen was.
Het zuiderlicht verdween een weinig later en dat denkbeeldige punt, waar alle meridianen van den aardbol te zamen komen, moet nog gevonden worden.
Waarachtig, wanneer Uncle Prudent en Phil Evans het luchtschip en hen, die zich aan boord bevonden, in de meest geheimzinnige eenzaamheid wilden begraven, dan was de gelegenheid uiterst gunstig. En, als zij het niet deden, dan werd dit veroorzaakt, doordat hen nog het daartoe benoodigde middel ontbrak.
De storm schreed steeds met onverminderde kracht voort en met zulke snelheid, dat, wanneer de _Albatros_ den een of anderen berg op hare baan ontmoet had, zij daarop verbrijzeld ware geworden evenals een schip, dat op eene rotsachtige kust zoude stranden.
En inderdaad, het luchtschip kon zich niet alleen niet meer in horizontale richting dirigeeren, maar het was ook onmachtig om in de hoogte te stijgen.
Daarbij kwam nog, dat eenige toppen op die zuidpoollanden aangetroffen werden. Het gevaar was dus groot. Ieder oogenblik was eene botsing te duchten, en die botsing zou de vernietiging van het luchtgevaarte ten gevolge hebben.
Zoo'n ramp was te meer te vreezen, daar de wind, nadat de _Albatros_ den meridiaan zero gepasseerd had, naar het oosten neigde. Twee lichtende punten werden toen op een afstand van ongeveer honderd kilometers van het luchtvaartuig ontwaard.
Dat waren de twee vulkanen, de Erebus en de Terror, die tot het uitgestrekte bergstelsel van Ross behooren.
Zou de _Albatros_, evenals een reusachtige vlinder, zich de vleugels gaan verbranden aan die vulkanische vlammen?
Er werd een uur van pijnlijke spanning doorgebracht. Het was alsof een dier vuurspuwende bergen, de Erebus, zich op het luchtschip kwam storten, dat maar niet uit de zuiging van den storm kon geraken. De vlammen-bundels werden voor het oog ieder oogenblik grooter. Een slagboom van vuur sloot als het ware den weg af. Schitterende stralen verlichtten thans de ruimte. Alle voorwerpen aan boord hadden toen een rooden weerschijn aangenomen en gaven aan het vaartuig een waarlijk helsch uitzicht.
Alle opvarenden zonder onderscheid stonden onbewegelijk, zonder eenig geluid te maken, zonder eenig gebaar te wagen, en wachtten in spanning de schrikkelijke minuut, gedurende welke die vreeselijke haard hen met zijne vlammen zou omgeven.
Maar de storm, die de _Albatros_ medevoerde, redde haar van de schrikkelijke ramp.