Chapter 15
Moest uit al die verschillende natuurverschijnselen de gevolgtrekking gemaakt worden, dat er weersverandering op til was? Wie weet? Het was wel mogelijk.
Wat er ook van aan mocht zijn, zooveel is zeker dat de wind, die, sedert het luchtschip Afrika's kust verlaten had, uit het zuidwesten geblazen had, bij het naderen van de evenachtslijn zeer afgenomen was. Het was dan ook zeer warm in die keerkringsstreken, reden waarom Robur besloot in hoogere luchtlagen frischheid en levenslust te gaan opzoeken. Toch moest men een beschutting tegen de zon zoeken, welker stralen, rechtstreeks neervallende, onverdragelijk konden genoemd worden.
Die wijziging in de luchtstroomingen konden niet anders dan op veranderde klimatorische invloeden duiden, die zich aan de andere zijde der equinoxiaal-streken zouden doen gevoelen. Wij dienen daarbij de opmerking te maken, dat de maand Juli van het zuidelijk halfrond de maand Januari van het noordelijk halfrond vertegenwoordigt, dat wil dus zeggen: het hartje van den winter. Wanneer de _Albatros_ nog meer om de zuid zoude koersen, zou zij dat spoedig genoeg ondervinden.
Op den 18den Juli, toen de steenbokskeerkring overschreden werd, deed zich een ander natuurverschijnsel voor, dat aan boord hevigen schrik en ontsteltenis veroorzaakte.
Eene vreemdsoortige opeenvolging van lichtgevende golvingen werd op de oppervlakte van den oceaan waargenomen. Die golvingen plantten zich met eene zoodanige snelheid voort, dat men haar op minstens veertig mijlen in het uur kon schatten. Zij volgden elkander ongeveer op tachtig meter afstand op en veroorzaakten lange lichtgevende strepen. Daar de nacht begon in te vallen, werd een sterke weerschijn van dat licht tot op de _Albatros_ waargenomen.
Ditmaal had het luchtschip voor de een of andere gloeiende bolide of luchtsteen kunnen gehouden worden. Nimmer nog had Robur de gelegenheid gehad om boven eene zee van vuur te zweven,--vuur zonder hitte, ja zonder warmte, hetwelk hem niet noodzaakte in hoogere luchtlagen een toevlucht te zoeken.
De electriciteit moest de oorzaak van dat natuurverschijnsel zijn, want hier, te midden van den oceaan, was dat lichten niet aan de aanwezigheid van eene bank van vischkuit toe te schrijven of aan eene overgroote menigte van die mikroscopische diertjes, welker samenpakking het phosphoresceeren veroorzaakt.
Het was dus te veronderstellen, dat de electrische spanning van de atmosfeer uiterst aanzienlijk moest zijn. En dat was dan ook inderdaad zoo.
Want in den morgen van den 19den Juli zou een gewoon vaartuig, hetzij stoom-, hetzij zeilschip in zeer groot gevaar verkeerd hebben op die zee. Zeer waarschijnlijk zou het met man en muis vergaan zijn. Maar de _Albatros_, aan den machtigen vogel gelijk, welks naam zij droeg, spotte met wind en golven. Had zij geen lust om evenals de petrellen en de Kaapsche duiven langs de watervlakte te scheren, dan kon zij als de adelaar hooger stijgen en daarboven in de hoogere luchtlagen kalmte en zonlicht gaan zoeken.
In dit etmaal werd de zeven-en-veertigste zuiderbreedte-graad gepasseerd.
De dag duurde slechts zeven of acht uren. Hij zou al meer en meer korten, naarmate men de zuider poolstreken naderde.
Tegen één uur in den namiddag was de _Albatros_ merkbaar gedaald, om een gunstiger luchtstroom op te zoeken. Zij stevende op minder dan honderd voeten boven de oppervlakte van den oceaan.
Het weder was kalm. In sommige gedeelten van het uitspansel vertoonden zich zwartachtige wolken, die zich aan hun bovengedeelte heuvelachtig vertoonden; maar aan hun benedengedeelte door eene scherpe lijn, die zuiver horizontaal liep, als het ware afgesneden werden. Uit die wolken ontsnapten langwerpige vooruitstekende gedeelten, welker punt het water der zee aantrok, dat daaronder hevig scheen op te koken, en niet ongelijk aan een struikgewas van vocht opwerkte.
Plotseling schoot dat water omhoog en nam den vorm van een onmetelijken, omgekeerden trechter aan.
In een ondeelbaar oogenblik werd de _Albatros_ in de dwarlkolk opgenomen van eene onmetelijke luchthoos die, door een twintigtal anderen, zwart als inkt, werd vergezeld.
Gelukkig had de wentelende beweging dier hoos plaats naar den tegenovergestelden kant van die der opstuwende schroeven van het luchtschip; anders zouden dezen geen werking meer hebben kunnen uitoefenen en het gevaarte zou in zee gestort zijn.
Nu evenwel draaide het met eene verschrikkelijke snelheid op zich zelven rond.
Het gevaar was intusschen ontzaglijk groot, en wat het ergste was, er was niets tegen te doen, daar de ingenieur Robur er niet in slaagde zich van die hoos te bevrijden, welker opzuigingskracht het vaartuig, in weerwil van zijne voortstuwingsschroeven, in hare omarmingen terughield.
De manschappen werden door de middelpuntvliedende kracht naar de beide uiteinden van het dek geslingerd en moesten zich aan de reeling, aan de roeven, aan de potdeksels en aan andere uitstekende deelen vastklemmen, om niet over boord geslingerd te worden.
Robur vermaande zijne omgeving slechts tot koelbloedigheid.
Ja, die was inderdaad noodig; maar die niet alleen. Er moest ook geduld geoefend worden.
De voorzitter Uncle Prudent en zijn secretaris Phil Evans, die hunne hut verlaten hadden, werden als balen katoen over het dek geslingerd en liepen groot gevaar buiten boord te geraken. Gelukkig, dat zij zich grijpen konden. Want onder zulke omstandigheden wilden zij de _Albatros_ niet verlaten.
Maar, terwijl de _Albatros_ zoo om zich zelve wentelde, volgde zij tevens de verplaatsings-beweging van die hoozen, welke met eene snelheid ronddraaiden, waarop de schroeven jaloersch hadden kunnen zijn.
Wanneer het vaartuig aan de eene draaikolk ontsnapte, dan verviel zij weer in de aantrekkingskracht van een andere, en liep het zoodoende groot gevaar uit het verband gerukt of in stukken gesleurd te worden.
"Een kanonschot!..." riep de ingenieur uit.
Dat bevel gold Tom Turner.
De eerste officier had zich reeds vastgeklemd aan het kleine stuk geschut, hetwelk op het midden van het dek in batterij stond, alwaar de uitwerkselen van de middelpuntvliedende kracht zich het minst lieten gevoelen. De wakkere kerel begreep de gedachte van den gezagvoerder. In een ondeelbaar oogenblik had hij het sluitstuk van het kanon geopend, in welks kamer hij eene kardoes liet glijden, die hij uit een munitiekist, aan de affuit bevestigd, te voorschijn gehaald had. Het schot ging af en eensklaps stortten de hoozen in elkander en met haar viel het wolkendak, dat zij schenen te torsen.
Het dreunen van de lucht was voldoende geweest, om dat natuurverschijnsel te vernietigen. De wolkenmassa loste zich in een plas regen op, die het uitspansel met loodrechte streepen teekende, welke zich als een onmetelijk netwerk van water van den hemel tot de zee uitbreidde.
De _Albatros_, eindelijk vrij geworden, steeg zoo spoedig mogelijk eenige honderden meters.
"Goddank!" was de verzuchting, die uit veler borst opwelde. "Goddank!"
"Is er niets gebroken of beschadigd aan boord?" vroeg de ingenieur Robur.
"Neen," antwoordde Tom Turner, "maar wij hebben daar rondgedraaid als een drijftol. Het zal geraden zijn, aan dat spelletje niet meer mee te doen."
Inderdaad, gedurende tien minuten ongeveer had de _Albatros_ in het grootste gevaar verkeerd van te vergaan. Ware zij niet zoo buitengewoon sterk gebouwd, dan ware zij voorzeker in de kolken dier hoozen verbrijzeld geworden.
Hoe lang viel toch de tijd gedurende dien overtocht over den Atlantischen Oceaan, vooral wanneer geene natuurverschijnselen de eentonigheid daarvan kwamen verbreken! Daarenboven de dagen kortten al meer en meer en de koude deed zich vinnig gevoelen.
Uncle Prudent en Phil Evans zagen thans den ingenieur Robur zeer weinig. Deze bleef in zijn hut opgesloten en hield zich onledig met zijn bestek op te maken, met den afgelegden weg en de gevolgde richting op zijne kaarten met puntlijnen aan te geven, met de hoogte op te nemen, zoo dikwijls zulks mogelijk was, om zoodoende steeds te weten waar hij zich bevond, met de aanwijzingen zijner barometers, thermometers, hygrometers, en chronometers op te teekenen en eindelijk met het invullen van zijn dagboek, waarin hij alle voorvallen, de reis betreffende, neerschreef.
Wat zijn beide gevangenen betrof, die brachten het grootste gedeelte van hunnen tijd op het dek door, alwaar zij, behoorlijk door dikke kapmantels tegen de koude beschut, ijverig uitkeken om in zuidelijke richting eenig land te bespeuren.
Frycollin van zijn kant trachtte, op nadrukkelijk aandringen van zijn baas Uncle Prudent, den kok François Tapage met betrekking tot den ingenieur Robur te polsen. Maar, hoe kon aan het gekakel en gezwets van dien Gasconjer eenig gewicht gehecht worden? Hoe kon het iemand in het hoofd komen, daarop staat te maken? Nu eens vertelde hij, dat Robur een gewezen Minister was van de Argentijnsche Republiek, dan weer dat hij een der hoofden van de Engelsche Admiraliteit was, later dat hij een gepensionneerde President der Vereenigde Staten van Noord-Amerika was, een Spaansch Generaal op non-activiteit, een Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Insulinde, een Onderkoning van Britsch-Indië, die eene nog hoogere positie in de luchtlagen was gaan zoeken.
Nu eens bezat hij millioenen, die hij door middel van strooptochten met zijn luchtschip verkregen had, en stond daarom aan gerechtelijke vervolging bloot.
Een anderen keer luidde het verhaal, dat Robur zijn geheele vermogen verslonden had met den bouw van zijn luchtschip en dat hij genoodzaakt zou zijn om in de groote steden openbare opstijgingen te gaan doen, om zoo te trachten zijn geld terug te krijgen.
Op de vraag van Frycollin of Robur ergens halt hield, ergens ten anker kwam, had François Tapage een beslist "neen" geantwoord; maar daarbij medegedeeld, dat de ingenieur van plan was naar de maan te gaan, niet in figuurlijken, maar in daadwerkelijken zin, en dat wanneer hij daar eene plek vond, die hem beviel, hij zich daar wilde vestigen.
"Wel, Fry.... ouwe jongen!.... dat zou je genoegen doen, niet waar?" had de kok gevraagd.
"Wat?"
"Eens te gaan kijken, wat daar al zoo boven omgaat!"
"Neen, waarachtig niet!"
"Wat, niet?"
"Ik zal niet gaan.... Ik weiger bepaald!..." antwoordde de domkop, die al die dwaasheden voor goede munt opnam en niet begreep, dat de oolijke Gasconjer hem voor den gek hield.
"Waarom, Fry, wil je niet gaan?"
"Wel, omdat ik niet wil!"
"We zouden je daar met een lief mooi meisje uithuwelijken, met een jeugdige bewoonster van de maan... en je zoudt daar stamvader worden van een troep elegante negertjes en negerinnetjes!"
"Loop naar den drommel!" riep Frycollin getergd uit.
"Zeg liever naar de maan, Fry lief, dan ga je meê."
"Juist naar de maan! Loop naar de maan, maar alleen, hoor je!"
En als dan Frycollin al die praatjes aan zijn baas Uncle Prudent overbracht, dan bemerkte deze laatste wel, dat hij omtrent Robur niets vernemen zou. Hij kwam er dan ook toe, om op niets anders bedacht te zijn dan zich te wreken.
"Phil," sprak hij op zekeren ochtend geheimzinnig tot zijn secretaris.
"Wat is er, Uncle Prudent?"
"Ik geloof dat het thans vaststaat, dat de vlucht onmogelijk is."
"Ja, onmogelijk."
"Het zij zoo," hernam de voorzitter van Weldon-Institute met een zucht, "maar een man moet zich zelven steeds toebehooren. En als het moet, dan moet hij zijn leven weten te offeren..."
"Nu, als dat offer gevergd wordt, dat het dan snel geschiede, ja zoo spoedig mogelijk!" antwoordde Phil Evans, die wel is waar een koelbloediger geaardheid bezat; maar toch in de gegeven omstandigheden ook tot de uiterste grenzen der gelatenheid genaderd was. "Ja, het is tijd, dat er een einde aan komt!"...
"Dat is het, Phil."
"Want, waar stevent de _Albatros_ heen? Thans steekt zij den Atlantischen Oceaan in schuine richting over, en blijft zij dien koers volgen, dan zal zij de kusten van Patagonië bereiken, daarna het grondgebied van Vuurland... En daarna? Zeg, Uncle Prudent, daarna?"
"Ja, wie kan daarop antwoorden, Phil Evans?" hernam de voorzitter.
"Zal het luchtschip zich boven de Stille Zuidzee begeven? Of zal het naar de onbekende continenten van de Zuidpool stevenen?"
"Dat ware verschrikkelijk, Phil!"
"Alles is met dien Robur mogelijk!"
"Ja, alles!"
"Wij zouden ons dan als verloren moeten rekenen... Hier bestaat dus een geval van wettigen tegenweer... en als wij dan toch moeten omkomen..."
"Laat het dan niet zijn, zonder ons gewroken te hebben!" riep Uncle Prudent uit, "niet zonder ons gewroken te hebben, niet zonder dit gevaarte vernietigd te hebben en allen, die zich aan boord bevinden!"
De beide gevangenen waren ten gevolge van onmachtige woede, van opgekropten toorn en razernij zoover gekomen, dat zulke plannen in hun brein opkwamen. Ja, daar het moest, zouden zij zich opofferen om den uitvinder tegelijkertijd met zijn geheim te verdelgen.
Dat bewonderenswaardige luchtschip, welks voortreffelijkheid als luchtvaartmiddel zij genoodzaakt waren te erkennen, zou dus nog slechts weinige maanden mogen bestaan.
Nu was dat fatale plan zoodanig in hun brein gedrongen, dat zij waarlijk aan niets anders meer dachten, dan het ten uitvoer te leggen, maar hoe? Wel, door te trachten in het bezit te geraken van een dier ontplofbare dynamietpatronen, die in de kruitkamer van het luchtschip opgeborgen waren en waarmede zij den geheelen boel uit elkander wilden doen springen. Maar, om die te bemachtigen, zouden zij eerst toegang tot de kruitkamer moeten kunnen verkrijgen.
Gelukkig giste Frycollin hoegenaamd niets van die plannen. Alleen de gedachte dat de _Albatros_ te midden van de lucht in de lucht zou kunnen vliegen, zou hem er toe gebracht hebben, zijn meester te verklikken!
Op den 23sten Juli kreeg men eindelijk in het zuidwesten weer land in het gezicht. Dat was zoo om en nabij de Maagdenkaap, aan den ingang van de Straat van Magelhaen. Daar op den vier-en-vijftigsten breedtegraad, duurde de nacht gedurende dit gedeelte van het jaar reeds bij de achttien uren en daalde het kwik van den Celsius-thermometer tot op zes graden onder nul, dus beneden het vriespunt.
De _Albatros_ begon eerst, alvorens meer zuidwaarts te stevenen, de kronkelingen van die zeeëngte te volgen, alsof zij naar den Grooten Stillen Oceaan wilde stevenen. Na over de baai van Lomas gezweefd te zijn en den Gregory-top en het Breeknocks-gebergte in het westen ter zijde gelaten te hebben, werd Punta Arena, een klein Chilisch dorpje verkend, op het oogenblik dat de klok op den kerktoren uit alle macht geluid werd.
Daarna werd eenige uren later de oude nederzetting, de Uithongerings-haven genaamd, ontwaard.
De opvarenden van het luchtschip konden geen oordeel vellen over de bewering, dat de Patagoniërs, welker hutten in het gezicht waren, eene lengte van gestalte boven het gemiddelde zouden hebben, daar deze zich als dwergen voordeden voor den blik van hen, die daar boven in de wolken zweefden.
Maar, al waren de dagen zeer kort, gedurende de uren dat het oog waarnemen kon, spreidde zich een indrukwekkend tafereel voor de luchtreizigers uit. Steile bergwanden, toppen met eeuwigdurende sneeuw bedekt, hellingen met dichte wouden getooid, binnenzeeën en baaien, gevormd tusschen de schiereilanden en de eilanden van dien archipel, die uit een mengelmoes van streken bestaat als: Clarence-Land, Dawson-Land, Desolation-eiland met eene schier ontelbare menigte van zeeëngten, kanalen en doorgangen, met hare vele kapen en voorgebergten, met dat geheele onuitwarbaar kluwen van land en zee, waarvan het ijs reeds eene vaste aaneengeschakelde massa gevormd had van Kaap Forward af, alwaar het Amerikaansche vasteland eindigt, tot aan Kaap Hoorn, de uiterste landspits van de Nieuwe Wereld.
Toen men de Hongersnood-haven voorbij gestevend was, werd het duidelijk dat de _Albatros_ haren koers naar het zuiden ging voortzetten. Zij gleed tusschen den berg Tarn, op het schiereiland Brunswijk gelegen, en den Gravenberg door, en koerste recht op den Sarmientoberg aan, welks overgroote top, geheel met ijs bedekt, de Straat van Magelhaen beheerscht en eene hoogte van tweeduizend meters boven de oppervlakte der zee bereikt.
Dat was het vaderland der Pecheraizen of der Vuurlanders, de inboorlingen, welke daar dien uitersten uithoek bevolken. Hoe bekoorlijk fraai zou dat land niet geweest zijn zes maanden vroeger of later, wanneer het volle zomer zou zijn, wanneer het daglicht vijftien of zestien uren lang zoude duren. Hoe vruchtbaar zou die streek zich dan niet aan den blik onzer reizigers voorgedaan hebben, vooral in haar zuidelijk gedeelte! Dan zou men overal valleien en weilanden ontwaard hebben, welke duizenden runderen en schapen zouden kunnen voeden; maagdelijke bosschen met reusachtige boomen, berken, beuken, esschen, cypressen, stamvarens; vlakten, weelderig met gras overdekt, waarin quarakken of Braziliaansche kalkoenen, Peruaansche schapen en struisvogels in geheele zwermen en kudden dan zouden dartelen. En in weerwil van de koude, was er toch nog heel veel wild aanwezig, zooals: pengouinen of vetganzen en ander gevogelte. Toen dan ook de _Albatros_ hare electrische verlichtingstoestellen in werking bracht, vlogen eenden, ganzen en duikerhoenders, verblind door dat scherpe licht, in zulk eene menigte aan boord, dat er gelegenheid was om de provisie-hutten van François Tapage meer dan overvloedig aan te vullen.
Daardoor bekwam onze kok, die dat wild zoodanig wist toe te bereiden, dat de zoo walgelijke traansmaak niet meer te bespeuren was, een zoodanige vermeerdering van werk, dat Frycollin hem helpen moest om al dat gevogelte, dat bij vele dozijnen gevangen was, te plukken. En de neger deed dat gaarne, want als François Tapage in een goede luim was, dan was er steeds een oorlam in 't uitzicht, en Frycollin hield veel van een oorlam.
Dien dag bespeurde men, op het oogenblik dat de zon onder zou gaan, dat wil zeggen tegen drie uren in den namiddag, een uitgestrekt meer, hetwelk door een zoom van prachtige bosschen op de meest schilderachtige wijze omlijst was. Dat meer was geheel en al bevroren, en eenige inboorlingen vermaakten zich er op met glijden, waartoe zij eene soort van lange raketten onder de voeten gebonden hadden.
Toen die Vuurlanders het luchtschip in het oog kregen, sloeg hen de schrik om het hart en vloden zij in alle richtingen heen. En zij, die niet vluchten konden, verborgen zich, kropen in aardholen of drukten zich tegen den grond aan evenals de dieren.
Intusschen stevende de _Albatros_ steeds zuidwaarts, zweefde over het Beagle-kanaal, dat niet ver gelegen is van het eiland Navarino, welks Grieksche naam wel ietwat vreemd klinkt te midden van de meer ruwe namen van die verafgelegen streken. Eindelijk werd Wollaston overschreden, het uiterste eiland van den Grooten Stillen Oceaan. Eindelijk, na zevenduizend vijfhonderd kilometers sedert het vertrek van de kusten van Dahomey afgelegd te hebben, passeerde het luchtschip de laatste eilandjes van den Magelhaen-Archipel en ten slotte het meest vooruitspringende van die groep naar het zuiden, welks punt door eene eeuwigdurende branding geteisterd wordt, namelijk de schrikkelijke kaap Hoorn.
XIV.
WAARIN DE ALBATROS VERRICHT, WAT WELLICHT WEL NIMMER UITVOERBAAR ZAL ZIJN.
Den volgenden dag was het de 24ste Juli. Nu komt de 24ste Juli van het zuidelijk halfrond met den 24sten Januari van het noordelijk halfrond overeen. De zes en vijftigste graad zuiderbreedte was door het luchtschip achter zich gelaten. De daarmede overeenkomstige breedtegraad in het noorden van Europa snijdt Schotland ongeveer ter hoogte van Edinburg.
De thermometer stond dan ook voortdurend gemiddeld beneden nul. Men was derhalve verplicht geweest eene kunstmatige warmte aan de daarvoor bestemde toestellen te ontleenen, om het verblijf binnen de roeven mogelijk te maken. Wel zal niet behoeven vermeld te worden, dat al lengden de dagen ook, sedert de zon op den 21sten Juni den winterzonnestilstand voor het zuidelijk halfrond verlaten had, de invloed dier verlenging al minder en minder ondervonden werd, naarmate de _Albatros_ meer en meer naar de zuidelijke poolstreken stevende.
Bijgevolg kon men betrekkelijk zeer weinig genieten van het daglicht op dit gedeelte van de Groote Stille Zuidzee, die aan den zuidelijken poolcirkel grenst. Dus weinig uitzicht en daarbij, vooral des nachts, eene zeer vinnige koude. Om daaraan weerstand te kunnen bieden, was men verplicht zich te kleeden, zooals de Eskimo's of de Vuurlanders dat doen. En daar die kleedingstukken aan boord van de _Albatros_ niet ontbraken, konden de beide lotgenooten, behoorlijk ingewikkeld, op het dek vertoeven, aan hunne plannen tot ontvluchting denken en naar de gelegenheid uitzien om ze ten uitvoer te leggen. Overigens zagen zij Robur zelden, en sedert de bedreigingen, die ter hoogte van Tombouctoe tusschen hen voorgevallen waren, spraken de ingenieur en de beide Amerikanen elkander niet meer.
Wat Frycollin betreft, die kwam niet buiten de keuken, waarin François Tapage hem op de edelmoedigste wijze gastvrijheid verleende, evenwel op voorwaarde: dat hij het baantje van bijkok zou waarnemen. Dewijl daaraan verscheidene voordeelen verbonden waren, had de neger geen oogenblik geaarzeld om toe te slaan, natuurlijk na verlof van zijn baas bekomen te hebben. Daarenboven nu hij zich zoo opgesloten bevond, zag hij niets meer van hetgeen daarbuiten gebeurde en kon hij dus in de meening verkeeren, buiten gevaar te zijn. Hij had veel van den struisvogel, zoowel door zijn uiterlijk als door zijn maag, maar vooral door zijne ongeëvenaarde flauwhartigheid.
Naar welk punt van den aardbol zou de _Albatros_ thans stevenen? Was het aanneembaar, dat zij zich in het midden van den winter boven de Zuidelijke IJszee zou durven wagen of boven het vasteland van de pool? Zou in dien ijzigen dampkring, aangenomen ook al, dat de scheikundige vochten, voor de electrische batterijen benoodigd, bij zoo eene strenge temperatuur niet zouden bevriezen, het geheele personeel aan boord den dood niet vinden, den schrikkelijken dood door de koude? Dat Robur pogen zoude de pool in het warme seizoen te bereiken, dat was aan te nemen; maar te midden van dien voortdurenden nacht, dat zou het werk van een krankzinnige zijn.
Zoo redekavelden de voorzitter en de secretaris van Weldon-Institute, toen zij zich thans aan het uiteinde van het vasteland der Nieuwe Wereld vervoerd zagen. Dat was nog altijd Amerika, evenwel de Vereenigde Staten niet meer!
Ja, wat zou die onhandelbare Robur thans uitrichten?
En was het oogenblik niet daar om, door het vernietigen van het vaartuig, paal en perk aan de reis te stellen?
Wat opgemerkt werd, dat was, dat de ingenieur Robur dikwerf gesprekken met zijn eersten officier had. Herhaaldelijk raadpleegden die beiden den barometer,--thans niet meer om de bereikte hoogte waar te nemen, maar om zijne aanduidingen met betrekking tot het weder te kunnen waarnemen. Voorzeker deden zich aanwijzingen voor, waarmede rekening gehouden moest worden.
Uncle Prudent meende ook op te merken, dat Robur naging al wat nog aan boord voorradig was, zoowel de benoodigdheden tot onderhoud der opstuwende en voortdrijvende machines van het luchtschip, als die tot onderhoud der menschelijke werktuigen, welker arbeid aan boord ook verzekerd moest wezen.
Dat alles scheen te duiden op plannen om terug te keeren, meende de voorzitter.
"Om terug te keeren?...." vroeg Phil Evans. "Maar waarheen?"
"Daar, waar Robur zijn voorraad kan aanvullen," antwoordde Uncle Prudent.
"Dat moet dan zijn.... een eiland...."
"Nu, ga voort!.... Een eiland?"
"Een verloren eiland in de Groote Stille Zuidzee, bewoond door eene kolonie van schurken, die hun opperhoofd waardig zijn!"
"Dat is mijne meening ook, Phil Evans."
"Nog al gelukkig, Uncle Prudent."
"Ik geloof," ging de voorzitter van Weldon-Institute voort, "dat hij westwaarts zal afhouden en met de snelheid, waarover hij beschikken kan, zal hij zijn doel spoedig bereiken."