Part 7
Ik begreep niets van zijn woorden. Ze schenen echter niet als dadelijke waarschuwing, maar slechts in het voorbijgaan, zonder eenig bepaald doel, gesproken te zijn. Mijn oom zei eenvoudig luide, wat hij op dat oogenblik, zich zelven onbewust, dacht. Ik vermoedde, dat hij of op mijne vlucht uit zijn drinkgezelschap zinspeelde, of wel, dat de gevolgen van den nachtelijken roes hem min of meer ontstemd hadden.--Wil hij onvriendelijk als gastheer zijn, dan zal ik ook des te korteren tijd zijn gast blijven, dacht ik. Ik haastte mij om Diana mijn morgengroet te brengen, daar zij mij met veel hartelijkheid naderde. Ook tusschen mijne neven en mij had eene soort van begroeting plaats. Maar toen ik bespeurde, dat zij mijn gansche jachtkostuum, van den hoed af tot de stijgbeugels toe, boosaardig monsterden, en alles bespotten, wat voor hen een vreemd aanzien had, meende ik mij van de moeite te mogen ontslaan, om hun eenige bijzondere oplettendheid te bewijzen. Ik beantwoordde hun grijnzen en fluisteren met een blik van de grootste onverschilligheid en verachting, en wendde mij geheel tot Diana, als de eenige in het gansche gezelschap, in wier onderhoud ik belang stelde. Aan hare zijde reed ik naar het aangewezen jachtterrein, een dichtbegroeid bosch, dat langs uitgestrekte weiden liep. Onderweg betuigde ik haar mijne verwondering, dat ik neef Rashleigh niet in het gezelschap zag.
»Och, hij is anders een geweldig jager," antwoordde zij; »een jager à la Nimrod, maar zijn wild is--de mensch."
Door het geschreeuw der jagers aangemoedigd, renden de honden het bosch in.--Alles rondom mij was leven en beweging. Mijne neven, waren thans in hun waar element en hadden het veel te volhandig, dan dat zij zich met mij konden bemoeien. Slechts hoorde ik Richard, den roskammer, zacht tegen Wilfred, den gek, zeggen: »Let eens op, hoe spoedig onze Fransche neef zandruiter zal worden, zoodra het er op losgaat!"
»Dat zou me ook niet verwonderen," antwoordde Wilfred; »kijk maar eens hoe mal zit hem de hoed op het hoofd, en wat is die raar opgetoomd!"
Thorncliff, die, ofschoon op zijne eigene ruwe wijze, voor de bevalligheden zijner nicht misschien niet ongevoelig was, scheen daarentegen besloten te hebben, ons meer dan zijne broeders gezelschap te houden. Hij wilde zeker het oog houden op hetgeen er tusschen Diana en mij voorviel. Wellicht dacht hij ook zich met mijne verwachte jachtrampen te kunnen vermaken. Intusschen werden die hoop en verwachting geheel te leur gesteld. De vos werd opgejaagd. Maar ondanks Richard's ongunstige voorspelling, en Wilfred's schrandere aanmerking, dat mijn hoed mij mal op het hoofd en ik jongensachtig in den zadel zat, bewees ik mijne bedrevenheid in de rijkunst, tot groote verwondering van mijn oom en van de schoone Diana, en tot bittere ergernis van mijne neven. Men had den vos een vrij groot eind weegs hevig nagezet, doch hij wist zijne vervolgers te misleiden, en de honden verloren het spoor. Diana's gelaat verried, dat zij over Thorncliff's aanhoudende begeleiding ongeduldig werd; maar het levendige en driftige meisje was spoedig gereed, een wensch van het oogenblik door het eerste het beste middel te bevredigen. Zij zeide verwijtend: »Ik begrijp niet, Torncliff, dat gij den ganschen morgen achter mijn paard sukkelt. Gij weet toch wel, dat het vossenhol bij den molen niet gestopt is."
»Daar weet ik geen woord van, ik zweer het u bij mijn ziel, nichtje! Integendeel, de molenaar heeft mij bij kris en bij kras verzekerd, dat hij het hol dezen nacht om twaalf ure gestopt heeft."
»Och! wat ben je toch een goedgeloovige jongen! U op het woord van een molenaar te verlaten! En dan juist dit hol! Is de vos ons dit jaar niet reeds driemaal daar ontsnapt? Op uw schimmel kunt gij in tien minuten heen en weer zijn."
»Goed, ik rijd naar den molen. Als de molenaar het hol niet gestopt heeft, dan zal ik den logenachtigen schurk doodranselen."
»Niets meer? Welnu, dan komt hij er nog al genadig af. Maar haast u dan; er is geen tijd te verliezen!"
Torncliff rende weg.--»Als de molenaar u eens duchtig afranselde, zou er waarlijk niet veel aan verbeurd zijn!" zeide Diana. »Intusschen moet ik den een zoowel als den ander onder behoorlijke subordinatie houden. Gij moet weten, dat ik hier een soort van regiment opricht. Torncliff wordt mijn opperwachtmeester, Richard mijn pikeur, en Wilfred met zijne holle afgebrokene tonen, die slechts drie lettergrepen achter elkaar kan laten hooren, mijn paukenslager."
»En Rashleigh?" vroeg ik.
»Rashleigh wordt mijn spion."
»En is er voor mij geen ambt, schoone overste?"
»Gij moogt kiezen, of gij betaalmeester of prijsrechter van het korps wilt worden. Maar zie eens, hoe de honden ronddwalen: kom, zij zijn het spoor geheel en al bijster, en zullen den vos zoo spoedig niet wedervinden. Volg mij, ik moet u een mooi uitzicht laten zien."
Nu reden wij spoorslags een heuvel op, van welks top een zeldzaam fraai vergezicht zich voor ons uitbreidde. Zij zag rondom zich, of er ook iemand in onze nabijheid was, en toen zij hieromtrent gerust was, reed zij onder eenige berken, die ons voor de overige jagers verborgen.--»Ziet gij daar dien spitsen, bruinen, met heide bewassen heuvel, met eene witachtige vlek op de zijde?" vroeg zij.
»Recht over die lange streek laagland? Zeer duidelijk."
»Die witachtige vlek is eene rots, de Hawkesmore-rots genoemd, en die ligt reeds in Schotland."
»Inderdaad? Ik had waarlijk niet gedacht, dat wij ons zoo dicht bij Schotland bevonden."
»Zeer dicht bij: binnen twee uren brengt uw paard er u heen."
»Wel mogelijk. Maar ik zal van het goede dier die moeite niet vergen," antwoordde ik. »Naar het mij toeschijnt, zijn we er wel een uur of zes vandaan."
»Ik geef u mijn paard, als gij het uwe soms niet sterk genoeg acht," begon Diana weder. »Ik verzeker u nogmaals, dat gij binnen twee uren in Schotland zijt."
»Maar ik heb volstrekt geen lust er te zijn. Ik zou den staart van mijn paard niet dwingen mij te volgen, als zelfs zijn kop reeds over de grenzen was. Wat zou ik in Schotland doen?"
»Om het u ronduit te zeggen: voor uwe veiligheid zorgen. Verstaat gij mij nu?"
»Volstrekt niet: uwe woorden luiden altijd raadselachtiger."
»Waarlijk? Dan voedt gij of een zeer onbillijk wantrouwen tegen mij, en kunt beter huichelen dan Rashleigh Osbaldistone zelf; of gij weet in het geheel niet, waarvan men u beschuldigt. Gij kijkt mij zoo gemaakt ernstig aan, dat ik nauwelijks mijn lachen kan bedwingen."
»Maar op mijn woord van eer, Freule Vernon," antwoordde ik, min of meer geraakt door haar kinderachtigen lachlust, »ik begrijp volstrekt niet wat gij meent of bedoelt. Het is mij aangenaam, dat ik u zulk een vroolijk tijdverdrijf verschaf, ofschoon ik niet weet hoe en waarom."
»Hoor eens, het is hier waarlijk geen scherts, maar wel degelijk ernst!" zeide zij op een, haar zeker niet gewonen, ernstigen toon. »Het kan zijn, dat mijn gelaat dit tegenspreekt, doch in dat geval bedriegt het. Want ik ben wezenlijk zeer om u bekommerd. Antwoord mij openhartig: kent gij een en zekeren Morris, of hoe heet hij?"
»Morris, Morris? Dien naam ken ik niet."
»Bezin u wel. Hebt gij onlangs niet met iemand gereisd, die zoo heette?"
»De eenige man, met wien ik eenigen tijd gereisd heb, was een kerel, wiens gansche ziel in zijn valies scheen te liggen."
»Nu ja, even als de ziel van den licentiaat Pedro Carcias, die onder de dukaten van zijne lederen goudbeurs lag. Kortom, uw voormalige reisgenoot is van zijn valies beroofd, en heeft u als medeplichtige van den roof bij het gerecht aangegeven."
»Gij schertst, maar op een heel zonderlinge manier."
»Nogmaals herhaal ik, dat ik in vollen ernst spreek."
»Hoe! gij, Freule Vernon," riep ik met eene opwelling van drift, welke ik niet onderdrukken kon--»gij kunt gelooven, dat ik zulk eene beschuldiging verdien?"
»Kijk! als ik nu een man was, dan zoudt gij mij, op dit vermoeden, zeer zeker op den degen of het pistool uitdagen. Maar wilt ge zoo iets, ga uw gang. Ik neem uwe uitdaging aan; want ik kan even goed eene zwaluw in de vlucht schieten, als te paard over een hek springen."
»Mooi zoo, ge zijt immers daarenboven overste van een regiment kavalerie?" antwoordde ik, daar het mij toch volstrekt niet baatte, dat ik op het ondeugende meisje boos werd.--»Maar, ik bid u, wat moet nu uwe scherts beteekenen?"
»Moet ik het u dan honderd maal herhalen? Ik scherts niet. Men beschuldigt u van dezen man beroofd te hebben; mijn oom gelooft het stellig; en ik--mag ik er aan twijfelen?"
»Waarachtig, ik ben mijne vrienden zeer verplicht voor den goeden dunk, dien zij omtrent mij koesteren!"
»Nu, nu! kijk maar niet zoo boos--ik heb nog geen order om u te arresteeren. Intusschen is de gepleegde roof geen gewone--laat mij zeggen: geen gemeene diefstal. De man had geld van de regeering bij zich, in contanten en in wissels, tot betaling der troepen in Schotland. Ja, men zegt, dat men hem ook zeer gewichtige depèches ontnomen heeft."
»Ik word derhalve niet van enkel diefstal of roof, maar van hoogverraad beschuldigd?"
»Geraden! Maar gij weet ook dat deze misdaad ten allen tijde door zeer fatsoenlijke lieden gepleegd werd. Hier te lande zult gij zeer vele menschen vinden, bij voorbeeld iemand, die niet ver van uw elleboog verwijderd is, die het als een verdienstelijk werk zou beschouwen, de regeering van het huis van Hannover op alle mogelijke wijzen te benadeelen."
»Laat mij u zeggen, dat noch mijne staatkunde, noch mijne eerlijkheid, zulke daden zouden vergoêlijken."
»Ik begin waarlijk te gelooven, dat gij in vollen ernst een Presbyteriaan en Hannoveraan zijt.--Maar wat zult gij nu doen?"
»Wel, ik zal dadelijk den afschuwelijken laster wederleggen. Bij wien is de zonderlinge aanklacht ingediend?"
»Bij den ouden rechter Inglewood, die ze ongaarne aannam. Waarschijnlijk heeft hij mijn oom onder de hand laten weten, dat men u naar Schotland moest zien weg te helpen, opdat gij het bevel tot uwe gevangenneming ontloopen zoudt. Doch mijn oom weet zeer goed, dat hij, wegens zijn geloof en zijne gehechtheid aan het oude, bij de nieuwe regeering in geen goed blaadje staat. Zoo het ontdekt werd dat hij u in uwe vlucht behulpzaam was geweest, zou hij bepaald gevaar loopen, om als Jakobiet, papist en verdacht persoon ontwapend, en--wat het allerergste voor hem zoude zijn!--van zijne paarden beroofd te worden [5].
»Dan begrijp ik zijn vrees. Liever dan zijne jachtpaarden verliezen, zou hij zijn neef opofferen."
»Een neef! Tien neven, nichten, zonen, dochters indien hij ze had, ja, zijne gansche familie. Vertrouw niet op hem, geen enkel oogenblik, maar maak, dat ge weg komt, vóór dat de machtige arm der gerechtigheid u achterhaalt."
»Wegsnellen? Welzeker, maar--regelrecht naar de woning van den ouden Inglewood. Waar ligt ze?"
»Omtrent twee uren van hier, beneden in 't gindsche dal, achter het bosch. Daar ziet gij het torentje."
»Binnen weinige minuten ben ik er," antwoordde ik en maakte mij gereed, om spoorslags weg te rennen.
»Goed, maar ik zal u vergezellen, ik zal u den weg wijzen!" zei Diana met drift, en zette haar paard dadelijk aan.
»Neen!" riep ik, »dat niet! Vergeef een oud vriend zijne vrijmoedige aanmerking. Maar het zou met alle welvoegelijkheid, ja zelfs met alle vrouwelijke kieschheid strijden, indien gij mij bij deze gelegenheid vergezeldet."
»Ik versta zeer goed, wat gij zeggen wilt," antwoordde Diana en een zacht rood vloog over haar trotsch voorhoofd. »Het is openhartig gesproken en"--voegde zij er na een poos zwijgens bij--»naar ik geloof, ook goed gemeend."
»O, freule, denk niet dat ik gevoelloos of ondankbaar ben voor de deelneming, welke gij mij bewijst!"--hernam ik, met meer warmte dan ik eigenlijk wenschte te verraden: »uwe aanbieding spruit uit ware welwillendheid voort, welke men 't best in nood leert kennen. Maar om u zelve, en daar men het ten kwade, ja zeer boosaardig, zou kunnen uitleggen, mag ik niet toestaan, dat gij, in dit geval, in eene zoo leelijke aangelegenheid den drang van uw edelmoedig hart gehoor geeft. Het zou immers bijna precies zijn, alsof gij voor het gerecht aan mijn zij gingt staan."
»En als het nu eens niet bijna, maar volkomen zoo ware, meent gij dan, dat ik niet zou medegaan, zoodra ik dat voor plicht hield, als ik een vriend wilde beschermen? Gij hebt niemand, die u verdedigt. Gij zijt een vreemdeling, en hier aan de grenzen van Engeland, veroorloven de landrechters zich vaak ongehoorde dingen. Mijn oom heeft geen lust om zich met uwe zaak te bemoeien; Rashleigh is afwezig, en al ware hij ook hier, wie weet welke partij hij zou kiezen? Wat de overige leden van onze familie betreft, de een is al dommer dan de ander. Ik ga met u. Ik ben niet bang. Ik ben blij, dat ik in staat ben, u van dienst te zijn. Waarlijk, mijnheer Osbaldistone, ik ben zulk een overdreven teergevoelig meisje niet, dat ik voor wetboeken, norsche woorden en rechterspruiken terugdeinzen zou."
»Maar, waarde freule Vernon."
»Maar, waarde mijnheer Frans! Wees nu geduldig en bedaard. En laat mij mijn eigen gang gaan. Als ik mij dat eenmaal voorgenomen heb, dan blijft het zoo."
Dat dit beminnelijke meisje zoo in mijn lot deelnam, was voor mij zeer vleiend. Maar ik besefte tevens, welk eene bespottelijke figuur ik maken zou, als ik een achttienjarig meisje als advokaat medebracht. Ik was zeer bezorgd, dat men hare beweegredenen verkeerd uitleggen zou. Ik trachtte haar met alle mogelijke welsprekendheid het besluit, om mij te vergezellen, te ontraden. Maar het eigenzinnige meisje verklaarde ronduit, dat al wat ik aanvoerde niets baatte. Geen bezwaar ter wereld zou haar bewegen, een in nood verkeerenden vriend te verlaten; zelfs niet, wanneer hij meende, dat zij hem weinig hulp kon brengen. Al, wat ik haar zeggen kon, voegde zij op zeer stelligen, maar hartelijken toon er bij, mocht zeer goed zijn voor teergevoelige dametjes, fijn gevormd, in eene kostschool in de stad naar al de regels der meeste kieschheid opgevoed. Voor haar beteekende dat alles niets en zij had zich reeds sinds lang gewend, haar eigen zin te volgen. En dat zou zij nu ook doen....
Terwijl wij spraken, kwamen wij de woning van den rechter Inglewood al naderbij. Om mij van alle verdere tegenbedenkingen af te leiden, begon zij een grappig portret van den rechter en zijn klerk te maken. Inglewood was, volgens hare beschrijving, een schoon gewasschen aanhanger van den onttroonden koning. Hij had, evenals de meeste landedellieden, langen tijd den eed van getrouwheid geweigerd. Maar nu onlangs had hij aan de tegenwoordige regeering dan toch trouw gezworen, en was kort daarop vrederechter geworden. Tot dezen stap had hem het dringende aanzoek der overige landjonkers bewogen, die met leedwezen zagen, dat hun jachtrecht in verval zou geraken, wanneer een rijksambtenaar het niet behoorlijk handhaafde. Want de naaste vrederechter, die in Newcastle woonde, at het gedoode en lekker toebereide wild veel liever op, dan dat hij voor het behoud van het levende zorgde, zoodat hij de wilddieven meer hielp dan de jagers. Zij besloten dus, dat iemand uit hun midden zijn Jakobitisme aan het algemeene welzijn ten offer moest brengen, en daartoe werd met eenparige stemmen Inglewood gekozen. Daar hij van vrij lauwe politieke gevoelens was, vond men hem zonder veel stribbeling gereed van politiek geloof te veranderen. Tot zijn handlanger had hij, als griffier, een sluwen rechtsgeleerde, Jobson, die in zijn naam met de gerechtigheid een aardigen kleinhandel dreef. Want zijn inkomen had hij geheel uit de rechtszaken, welke van tijd tot tijd voor zijns meesters rechtbank dienden. Geen wonder dus, dat hij dag en nacht zich beijverde om de boeren tegen elkander in het harnas te jagen, en met Argus-oogen te loeren, of er niet hier of daar iets voorviel, waarbij de wet tusschenbeide kon komen. Ja, in den omtrek van tien mijlen kon geen rekening gesloten worden, zonder dat debiteur of crediteur voor den vrederechter verscheen. Maar de allerbespottelijkste tooneelen hadden plaats, wanneer deze of gene zaak te beslissen was, waarin men iets staatkundigs vermoedde.--»Jobson," vervolgde Diana, »ijvert allergeweldigst voor het Protestantsche geloof;--ook is hij een groot vriend van de tegenwoordige orde van zaken met betrekking tot de kerk en den staat. Nooit zit de arme jonker in grootere verlegenheid, dan wanneer de ijver van zijn handlanger hem in gerechtelijke handelingen wikkelt, die met zijne vroegere politieke gevoelens in verband staan. Wel heeft hij die openlijk afgezworen, om de kracht der wet tegen onrechtmatige dooders van veldhoenen, korhoenen, patrijzen en hazen te handhaven, maar hij is er nog onwillekeurig steeds aan gehecht. In zulke gevallen behelpt de goede Inglewood zich doorgaans daarmede, dat hij aan zijn aangeboren eigenschap: luiheid en afkeer van elken arbeid, toegeeft. Evenwel moet gij niet gelooven, dat deze werkeloosheid uit sufheid van geest ontstaat. Volstrekt niet, want voor een man, die zijn hoogste geluk in eten en drinken vindt, is de oude heer al zeer opgeruimd en levendig. Dat vormt met den tragen gang zijner verrichtingen, een inderdaad zonderling contrast. Bij zulke gelegenheden gedraagt Jobson zich als een paard, dat veroordeeld is om eene zwaar beladen kar te trekken. Het geeft zich wel alle moeite om met zijn last voort te komen, doch de kar, die zelve niet medewerkt, is niet te bewegen. Ja, men heeft het oude paard, naar men vertelt, wel hooren klagen, dat dezelfde wagen der gerechtigheid, die bij zekere gelegenheden zoo moeilijk in beweging is te brengen, bij andere gelegenheden van zelf snel genoeg voortrolt en hem zijns ondanks mede voorttrekt: wanneer namelijk een ouden vriend een dienst bewezen moest worden. O ja! Dan heeft men den eerlijken Jobson wel eens onder een bedenkelijk hoofdschudden hooren zeggen: »Als ik zooveel achting niet had voor den jonker, ik zou hem, door een enkel woordje aan de regeering, een leelijke kool kunnen stoven.""
De schoone Diana had juist met deze woorden hare beschrijving voltooid, toen wij voor de woning van den vrederechter Inglewood stonden. Het was een ouderwetsch, maar toch fraai en ruim gebouw.
HOOFDSTUK VIII.
»Gij kent de kunst van 't vechten," Zoo sprak de man, die het pleit hier moest beslechten. »Hoor," sprak de pleiter, »op mijn eer, Gij zijt een vechtersbaas, mijnheer! Ja, bij mijn ziel, gij kunt het wagen Den stoutsten kamphaan hier te dagen."
Butler.
Toen wij het voorplein betraden, kwam ons een bediende in mijns ooms liverei te gemoet, en nam ons de paarden af. Wij traden het huis binnen. Doch toen wij in de voorkamer kwamen, stonden mijne schoone reisgenoote en ik verrast, neef Rashleigh daar aan te treffen; terwijl hij, ons ziende, even verwonderd was.
»Rashleigh,"--dus begon Diana, zonder hem tijd te laten om ons eene vraag te doen--»gij hebt van uws neefs zaak gehoord; gij hebt reeds met den rechter daarover gesproken?"
»Ja!" hernam Rashleigh met zeer veel bedaardheid. »Die zaak was de reden van mijne komst. Ik heb mij beijverd,"--met eene buiging tegen mij--»mijn neef van dienst te zijn, zoo veel ik kon. Het spijt mij inderdaad, hem hier te ontmoeten voor zulk een zaak."
»Als vriend en bloedverwant," antwoordde ik, »moest het u integendeel spijten, wanneer gij mij ergens anders ontmoettet, daar ik dan niet spoedig genoeg hier kon zijn, om mijne aangetaste eer te zuiveren."
»Volkomen waar," hernam Rashleigh; »maar naar mijns vaders uitdrukkingen te oordeelen, meende ik niettemin, dat een kort verblijf in Schotland--slechts zoolang, tot de zaak in stilte afgedaan ware..."
Ik antwoordde hem met drift, dat ik hier in geenen deele vreesachtige voorzichtigheidsmaatregelen behoefde te nemen, dat er niets in stilte afgemaakt behoefde te worden, maar dat mijn doel wel degelijk was, een laaghartigen laster op het spoor te komen, en den lasteraar beschamend te wederleggen.
»Mijnheer Frans Osbaldistone is onschuldig, Rashleigh," zeide Diana hierop. »Hij verlangt, dat men de tegen hem ingebrachte beschuldiging onderzoeke, en ik zal hem daarin behulpzaam zijn."
»Gij, lieve nicht?" vroeg Rashleigh. »Mijns inziens zou mijn neef even goed, en misschien wat voegzamer, door mij dan door u ondersteund worden."
»Dat kan wel zijn, maar gij weet toch ook wel, dat vier oogen meer zien dan twee."
»Welzeker, en vooral oogen als de uwe, schoone Diana!" hernam Rashleigh. Daarbij vatte hij hare hand, met zulk eene vertrouwelijke teederheid, dat hij er in mijne oogen nog vijftigmaal leelijker uitzag, dan de natuur hem geschapen had.
Diana nam hem ter zijde. Zij spraken zeer zacht met elkander, en het meisje scheen iets te begeeren, wat hij niet toestaan kon of wilde. Nooit zag ik zulk een sterk contrast in de uitdrukking van twee gezichten. Hare oogen vonkelden; hare wangen werden vuurrood; zij balde de kleine handen tot vuisten; zij stampvoette heftig, en scheen met verachting en ergernis verontschuldigingen aan te hooren, welke hij--zoo als ik uit zijn hoffelijk schouder-ophalen, uit zijn bedaard, eerbiedig lachje en uit andere teekens besluiten moest--met alle onderdanigheid aanvoerde. Eindelijk keerde zij zich plotseling van hem af, terwijl zij op zeer stelligen toon zeide: »kort en goed, ik wil het zoo hebben!"
»Maar dat is geheel buiten mijne macht. Het is mij volstrekt onmogelijk," hernam Rashleigh, terwijl hij zich tot mij keerende er bij voegde: »denk eens neef..."
»Zijt gij razend?" viel Diana hem in de rede.
»Denk eens," vervolgde Rashleigh, zonder zich door haar te laten storen, »Freule Vernon wil volstrekt, dat ik niet alleen uwe onschuld erken--waarvan trouwens niemand inniger overtuigd kan zijn dan ik,--maar dat ik ook hen, die eigenlijk schuldig zijn aan de gepleegde misdaad, bekend zal maken, indien er werkelijk zulk eene misdaad gepleegd is. Spreek, is dat verstandig?"
»Ik wil hier geen beroep op den heer Osbaldistone laten gelden, Rashleigh," hernam Diana. »Hij toch weet niet, wat ik weet, dat namelijk uwe correspondentie over alles, wat er gebeurt, zeer uitgebreid is."
»Gij kent mij een macht toe, waarop ik geene aanspraak kan maken!" antwoordde Rashleigh.
»Slechts rechtvaardig ben ik jegens u, Rashleigh, slechts rechtvaardig, en ik verwacht van u ook niets meer dan gerechtigheid."
»Gij zijt eene dwingelandes, Diana," hernam hij met eene soort van zucht; »eene grillige dwingelandes, en gij heerscht over uwe vrienden met een ijzeren schepter. Maar aan uwe begeerte zal voldaan worden. Gij moest echter niet hier zijn; gij weet het immers--gij moest niet! Keer dus met mij terug."
En zich omkeerende, terwijl Diana besluiteloos bleef staan, trad hij naar mij toe en zeide: »Twijfel niet, neef, dat ik oprecht deelneem in hetgeen u overkomen is, en het is alleen om voor uwe belangen te waken, dat ik u op dit oogenblik verlaat. Maar gij moet uw invloed op onze nicht aanwenden, om haar te bewegen naar huis te gaan. Hare tegenwoordigheid hier kan u niet van nut zijn, en haar tot nadeel strekken."
»Gij moogt u verzekerd houden," was mijn antwoord, »dat ik daarvan evenzeer overtuigd ben, als gij. Ik heb Freule Vernon reeds herhaalde malen dringend verzocht, zich naar huis te begeven."
»Ik heb er over nagedacht," zeide Diana, na eene lange poos zwijgen. »Ik ga niet heen, voor dat ik zie, dat gij uit de handen der Filistijnen gered zijt. Neef Rashleigh moge het wel met u meenen, maar hij en ik, wij kennen elkander! Rashleigh, ik ga niet!--Ik weet," voegde zij er met nadruk, doch eenigszins zachter bij, »dat gij, als ik hier blijf, des te vlugger en werkzamer zult zijn."
»Blijf dan, onbezonnen meisje!" riep Rashleigh; »gij weet maar al te wel, wien gij vertrouwt."
En snel keerde hij zich om, verliet het vertrek, en eenige oogenblikken daarna hoorden wij den hoefslag van zijn paard.
»God dank, hij is weg!" zeide Diana; »nu dadelijk naar den vrederechter!"
»Willen wij niet liever een bediende roepen?" vroeg ik.
»Neen! o neen! Ik ken den weg naar zijn hol. Wij moeten hem plotseling overvallen. Kom!"