Part 6
»Gij herinnert mij," vervolgde Diana op denzelfden schertsenden toon, »aan het tooversprookje, waarin verhaald wordt, dat iemand al het geld, dat hij op de markt had medegebracht, plotseling in keisteenen zag veranderen. Door ééne enkele opmerking heb ik uw ganschen voorraad van vleierij in keisteen doen verkeeren. Maar laat u dit geene zorg baren. Gij bezit inderdaad iets veel beters voor het gezellige onderhoud, dan al die laffe praatjes, waarmede iedere kwast in deze dagen een meisje meent te moeten onderhouden en te kunnen behagen, alleen omdat hare kleederen van zijde, en de zijne van fijn laken zijn. Uw natuurlijke gang, zou een mijner neven zeggen, is veel beter, dan de geaffecteerde pas van uwe vleierijen. Vergeet, dat ik een vrouw ben. Noem mij Tom Vernon, als gij wilt. Spreek met mij als met een vriend en vertrouwden makker. Dan zult gij zien, hoe veel ik van u houden zal!"
»O, zulk eene belooning zou reeds meer dan genoeg zijn, om mij aan uw wil te doen gehoorzamen," antwoordde ik.
»Daar hebt ge het al weder!" hernam Diana, met opgeheven vinger. »Ik heb immers duidelijk genoeg gezegd, dat ik zelfs geen zweem van vleierij dulden kan. Maar zie eens, mijn oom dreigt u met een vollen beker--dat is zoo zijne manier. Als gij hem bescheid hebt gedaan, zal ik u zeggen wat gij van mij denkt."
Nadat ik, als gehoorzame neef, den beker geledigd had, en het algemeene tafelgesprek weder in bizondere gesprekken verliep, verhief zich het geluid van vorken en messen opnieuw. Neef Thorncliff aan mijne rechterhand, en Richard aan Diana's linkerhand, wijdden zich zoo geheel aan de ontzaglijke massa's, welke zij op hunne borden opgehoopt hadden, dat mijn lief buurmeisje en ik best onder vier oogen vertrouwelijk konden praten.
»Mag ik nu,"--zoo begon ik--»u vrijmoedig vragen, wat gij vermoedt, dat ik van u denk? Ik zou het u kunnen zeggen, maar gij hebt mij alle loftuitingen verboden."
»Ik heb uwe hulp niet noodig, want ik ben een toovenares, die zelfs uwe geheimste gedachten raden kan. Gij behoeft het venstertje van uw hart niet te openen; want ik zie er duidelijk genoeg doorheen. Gij houdt mij voor een zonderling vrijpostig meisje, dat aan een weinigje behaagzucht ook wat loszinnigheid paart. Gij meent, dat ik door mijne vrije houding en luid gebabbel opmerkzaamheid wil trekken; terwijl ik misschien alles mis, wat de Spectator »het schoonste sieraad onzer sekse" noemt. Misschien gelooft gij zelfs, dat ik het plan gesmeed heb, om uwe bewondering, als ware het met storm, te veroveren. Het spijt mij, dat ik het u zeggen moet, maar als gij zoo denkt of meent of gelooft, dan hebt ge het allerjammerlijkst mis. De vertrouwelijkheid, die ik u bewijs, zou ik even gaarne uw vader bewijzen, als ik maar weten mocht dat hij mij begrijpt. Ik ben in deze gelukkige familie even afgescheiden van verstandige toehoorders, als Sancho in de Sierra Morena. Doet er zich nu en dan voor mij eene gunstige gelegenheid tot spreken op, dan moet ik spreken of sterven. Zoo er mij iets aan gelegen ware, een bepaald persoon te kiezen, zou ik u misschien niets verteld hebben."
»Maar dat is nu wreed van u, dat gij aan uwe mededeelingen alle kenmerken van eene bijzondere gunst beneemt; enfin, ik moet ze ontvangen, zoo als gij ze mij verkiest te geven. Maar zeg mij eens, waarom heeft Rashleigh Osbaldistone geen plaats in uw familietafereel?"
Het scheen alsof zij ontstelde bij het hooren van die vraag. Zij antwoordde schielijk, doch veel zachter: »Geen woord van Rashleigh! Zijne ooren zijn zoo scherp wanneer het zijne eigenliefde geldt, dat de klanken hem zouden bereiken, zelfs door Thorncliffs breed lichaam heen, al is dat met rundvleesch en pudding nog zoo volgestopt."
»O vrees niet, eer ik de vraag deed, keek ik om het levende beschot heen, dat ons scheidt," antwoordde ik; »en ik zag dat Rashleigh's stoel ledig was; hij is reeds vertrokken."
»Wees daarvan nog niet zoo zeker," zeide Diana. »Luister naar mijn raad. Wilt gij over Rashleigh spreken, beklim dan den Otterscope-heuvel waar gij twintig mijlen ver in het rond kunt zien; beklim den hoogsten top en fluister daar zoo zacht als gij kunt. Maar toch kunt gij dan nog niet zeker zijn, dat de een of andere vogel in de lucht uw gefluister niet over zal brengen. Rashleigh was vier jaren lang mijn leermeester: thans zijn wij elkander moede en zullen hartelijk blijde zijn, als wij binnen kort van elkander scheiden."
»Zal Rashleigh dan het kasteel verlaten?"
»Natuurlijk; over eenige dagen vertrekt hij. Maar weet gij dit niet? Uw vader schijnt zijne plannen veel beter geheim te houden, dan zijn broeder. Mijn oom ontving bericht, dat gij voor eenigen tijd zijn gast zoudt zijn, en dat uw vader een van uwe veelbelovende neven verlangde, om de zeer voordeelige plaats op zijn kantoor te vervullen, die door uwe eigenzinnigheid vakant was geworden. Toen riep de edele ridder al de aanhoorigen van zijn huis tot eene plechtige vergadering bijeen, waarbij zelfs de keldermeester, huishoudster en pluimgraaf moesten tegenwoordig zijn. Het spreekt van zelf dat deze achtbare vergadering niet de taak had uw opvolger te kiezen. Want keuze behoefde niet gedaan te worden. Immers er was volstrekt niemand anders verkiesbaar dan Rashleigh. Hij is de eenige, die iets meer van het rekenen verstaat, dan noodig is, om de weddingschappen bij de hanengevechten uit te rekenen. Maar het gewichtige besluit, dat Rashleigh niet als Katholieke priester verhongeren, maar als rijk bankier in overvloed leven zou, dit moest plechtig bekrachtigd worden. Het was niet zonder eenige tegenkanting, dat de vergadering hare toestemming tot deze soort van vernedering verleende."
»Ik kan de bedenkingen die tegen deze keus ingebracht werden, zeer wel gissen; maar hoe werden ze overwonnen?"
»Door den algemeenen wensch om van Rashleigh ontslagen te worden; ten minste ik houd het daarvoor," antwoordde Diana. »Hij is de jongste van de familie, maar heeft over al de overige leden eene onbeperkte heerschappij verkregen. Allen staat deze onderdanigheid tegen en toch bezitten zij geen kracht of moed genoeg, om zich daaraan te onttrekken. Wie zich tegen hem verzet, die heeft zeker, eer een jaar verloopen is, er innig berouw over. Maar als gij hem een gewichtigen dienst bewezen hadt, zoudt gij daarover nog meer berouw hebben."
»Derhalve mag ik mij wel voor hem in acht nemen," antwoordde ik glimlachend; »want ik ben immers, hoewel onwillekeurig, de oorzaak van zijne veranderde positie!"
»Zoo is het ook. En wees er zeker van, hij moge het als een voordeel, of als een nadeel beschouwen, hij zal het u met vijandschap en haat vergelden.--Doch daar komt de kaas, de radijs en een bokaal voor kerk en koning. Dat is een wenk voor de geestelijken en vrouwen om zich te verwijderen. Ik ben de eenige vertegenwoordigster van het vrouwelijke geslacht op het kasteel Osbaldistone. Zooals het behoort, moet ik mij dus verwijderen."
Met die woorden stond zij op en vertrok. Ik keek haar na, verbaasd over de zeldzame mengeling van scherpzinnigheid, stoutheid en vrijmoedigheid, die zich in hare gesprekken openbaarde. Haar uit die gesprekken volkomen te kennen, is voor u onmogelijk; hoezeer ik, voor zoo ver mijn geheugen mij getrouw is gebleven, u hare eigen woorden overgebracht heb. Haar kunstelooze eenvoud, hare natuurlijke vlugheid en hare fiere stoutheid, kortom haar gansche verschijning boeide. En door het levendig spel der bekoorlijkste gelaatstrekken, die ik ooit gezien heb, werd dat alles ieder oogenblik in schoonheid verhoogd en aantrekkelijker door afwisseling. Men kan licht denken, dat een jongeling van twee en twintig jaren, hoe zonderling en ongewoon hem ook hare openhartige en vrijmoedige mededeelingen mochten voorkomen, geenszins in eene stemming was, om een beeldschoon achttienjarig meisje daarover te berispen, omdat zij hem niet met afgemetene stijfheid behandelde. Integendeel, Diana's vertrouwelijkheid was even aangenaam als vleiend voor mij. Ondanks hare verzekering, dat zij mij alleen daarom haar vertrouwen had geschonken, omdat zij juist geen ander, die haar begreep, had aangetroffen, gevoelde ik mij toch gestreeld. Ik bezat de verwaandheid van mijn leeftijd. Mijn verblijf in Frankrijk had die zeker niet verminderd. Ik was er zeker van, dat de regelmatige gelaatstrekken en de niet onbevallige gestalte, die ik geloofde te bezitten, zeer geschikte eigenschappen waren om de vertrouweling van eene jeugdige schoone dame te zijn. Zoo sprak mijne ijdelheid. En ik was er verre van, haar wegens eene openhartigheid, door mijne persoonlijke verdiensten volkomen gerechtvaardigd, gestreng te beoordeelen. Was ik reeds voor haar ingenomen om hare bekoorlijkheden en haar zonderlingen toestand, die ingenomenheid werd door haar scherpzinnigheid en haar voortreffelijk oordeel bij de keus van een vriend nog sterk verhoogd.
Zoodra Diana Vernon de kamer verlaten had, ging de flesch druk rond. Mijne opvoeding in vreemde landen had mij een afkeer van onmatigheid ingeboezemd, die toen, evenals nog heden, een gewone ondeugd van mijne landgenooten was. De gesprekken, welke onder het drinken gevoerd werden, waren evenmin naar mijn smaak. Het gezicht van een vader en van zijne zonen, die zich zonder eenige schaamte aan de schandelijkste dronkenschap overgaven en allerlei walgelijke taal uitsloegen, was mij volstrekt onverdragelijk. Ik maakte derhalve van de eerste gelegenheid gebruik, om door eene zijdeur te ontsnappen, zonder evenwel te weten, waarheen die weg mij bracht.
Zooals ik verwacht had, vervolgde men mij, om den vluchteling uit het heiligdom van Bacchus met geweld terug te voeren. Het getier van mijne vervolgers en het gestamp van hunne zware voetstappen klonk achter mij op de wenteltrap, waarlangs ik mij naar beneden spoedde. Daar ik bemerkte, dat men mij spoedig zou achterhaald hebben, als ik niet naar buiten kon komen, opende ik op die trap schielijk een venster, dat in een ouderwetschen tuin uitzag, en daar het niet veel meer dan zes voet boven den vlakken grond was, sprong ik er, zonder mij een oogenblik te bedenken, moedig uit.
»Hij is ons ontsnapt!" riepen mijne vervolgers achter mij. Nu liep ik de eene laan in, de andere uit, tot ik mij in veiligheid zag. Daarna ging ik langzaam verder. De zachte avondkoelte was mij bij de verhitting, veroorzaakt door den opgedrongen wijn en mijne overhaaste vlucht, dubbel aangenaam en verkwikkend.
Zoo had ik een poos voortgewandeld, toen ik een tuinman aantrof, ijverig met zijn avondwerk bezig. Een tijd lang zag ik naar zijn arbeid. Eindelijk zeide ik vriendelijk: »Goeden avond, vriend!"
»Goeden avond, mijnheer!" antwoordde hij, zonder op te zien, met een accent, dat mij terstond in hem den Schot deed herkennen.
»Gij hebt mooi weder voor uw werk."
»Dat gaat wel, op het weder valt niet veel aan te merken!" hernam de man, want tuiniers en landlieden kunnen zelfs het schoonste weder doorgaans maar matig prijzen. Na deze woorden keek hij echter op, om te zien wie met hem sprak. Toen nam hij zijn Schotsche muts zeer eerbiedig voor mij af. »Ei, ei, zoo iets ontmoet men hier niet alle dagen! een geborduurd kamizool zoo laat hier in den tuin! Daar ginder hebben zij vrij wat anders te doen; daar moeten zij de kamizolen los knoopen, om van binnen des te meer ruimte voor het rundvleesch, de pudding en den rooden wijn te maken. Ja, dat is hier te lande het gewone avondgebed!"
»In uw land, vriend, hebt gij zeker niet zoo veel te eten, om lust te hebben, lang er voor op te blijven."
»Mijnheer schijnt Schotland niet best te kennen. Daar ontbreekt het waarlijk niet aan smakelijken en gezonden kost; visch, vleesch en gevogelte is er in overvloed, en alles van de beste soort. Maar wij leven matig en schuwen allen overdaad. Maar hier! Hier zijn keuken en kelder hoofdzaak van alles. Hier wordt gegeten en gedronken, van den vroegen morgen tot den laten avond, zonder dat men eigenlijk honger of dorst heeft. En zelfs van hunne vastendagen--zij noemen het vastendagen, wanneer zij de beste visschen, forellen, zalm en tarbot oppeuzelen--zelfs van hunne vastendagen maken zij, den lieven Hemel tot ergernis, groote smullerij! En dan die verschrikkelijke missen en andere zaken. Maar ik moest hierover eigenlijk niet spreken, want mijnheer is misschien ook Roomsch-Katholiek, niet waar?"
»Ik niet, vriend," luidde mijn antwoord; »ik ben een Engelsche Presbyteriaan."
»Dan reik ik u de hand van broederschap, mijn waarde heer!" riep de tuinman met zoo veel opgeruimdheid, als zijn ruwe gelaatstrekken slechts vermochten uit te drukken. En om zijn goeden wil niet slechts in woorden te toonen, bood hij mij, met een echt broederlijken glimlach een snuifje uit zijn ontzaggelijke groote hoornen doos aan.
Toen ik zijn aanbod aangenomen had, vroeg ik hem, of hij reeds lang op het kasteel Osbaldistone diende?
»Zoo waar als ik Andries Fairservice heet, is het nu reeds over de vier en twintig jaar, dat ik strijd tegen de wilde dieren in Ephesus," antwoordde hij, terwijl hij naar het kasteel wees.
»Maar, goede vriend, als de Roomsche gebruiken en het vroolijk leven hier u zoo tegenstaan en ergeren, waarom hebt gij u dan zelf in dien langen tijd zulk eene noodelooze straf opgelegd. Mij dunkt, gij zoudt licht elders een dienst hebben kunnen vinden, waar men minder smult en zich meer aan het ware geloof houdt. Gebrek aan bekwaamheid heeft u zeker niet verhinderd, om beter geplaatst te worden."
»Ik zelf kan moeilijk over mijne bekwaamheden spreken," antwoordde Andries, doch hij keek daarbij met veel zelfbehagen in het rond. »Van het tuinieren moet ik wel wat verstaan. Ik stam uit het kerspel Dreepdaily, daarvandaan komen, zoo als gij weten zult, de beroemdste groentekweekers. Waar is het, dat ik telkens, als gedurende deze vier en twintig jaren mijn diensttijd om was, weg wilde gaan. Maar was de tijd daar, dan was er ook steeds weder iets te zaaien, dat ik wilde zien opkomen. Of er viel wat te plukken, dat ik zelf wilde plukken. Zoo ben ik van het eene jaar tot het andere gebleven. Maar met Lichtmis vertrek ik zeer zeker! Ik zeide het heden nog, zoo als ik nu reeds sinds twintig jaren gezegd heb. Maar kijk, nu sta ik toch hier, en spit de zoden om. Trouwens, een beteren dienst vind ik nergens, dat moet ik naar waarheid getuigen. Maar zoo gij een dienst voor mij wist, mijn goede heer, waar ik Gods woord onvervalscht kon hooren prediken, waar ik wat gras voor mijn koe, een hutje met een lief tuintje en ongeveer tien pond 's jaars had, en waar geene vrouw was, die mij de appelen natelde--ja, mijn goede heer, dan zou ik u innig dankbaar zijn."
»Met pleizier, Andries! Eene voorspraak dient er te weezen. Als ge die hebt, dan vertrouw ik dat ge wel een goeden dienst krijgen zult."
»Ik zou waarlijk niet weten, waarom ik geene voorspraak zou zoeken. De tijden zijn er niet naar, dat wij er op wachten kunnen tot de menschen iemand uit waardeering komen opzoeken."
»Maar een vriend van vrouwen schijnt ge niet te zijn?"
»Neen, waarachtig niet! Geen tuinman kan vrouwen lijden; want hij heeft te veel gehaspel met haar. Nu eens komen zij om abrikozen, dan om peren, dan om appels, dan om pruimen, den geheelen winter en zomer door. Maar hier hebben wij, den Hemel zij dank! geen enkel rib van Adam, alleen de oude Margaretha. Nu, die is tevreden, als ik eens op feestdagen, als hare zusters kinderen een kopje thee bij haar komen drinken, wat kruisbessen, of nu en dan een paar sappige appels breng."
»Gij vergeet uwe jonge meesteres."
»Welke meesteres?"
»Freule Vernon."
»Wat! Freule Vernon? Die is mijne meesteres niet, mijn goede heer! Bleef ze maar hare eigen meesteres. Werd ze maar nooit die van een ander. Het is een wild, woest schepsel!"
»Meent ge dat inderdaad!" vroeg ik met meer vuur dan ik den tuinman verraden wilde. »Maar Andries, gij zijt waarschijnlijk met al de geheimen van deze familie zeer goed bekend?"
»Ben ik daarmede bekend, dan weet ik ze ook te bewaren. Zij zullen bij mij niet aan het gisten geraken, als droesem in het vat. Freule Diana is--maar wat gaat mij dat aan!"
En nu begon hij weder ijverig te spitten.--»Wat is Freule Vernon?" vroeg ik eindelijk; »ik ben een vriend van den huize, en zou het dus gaarne weten."
»Goed is anders, vrees ik," hernam Andries, terwijl hij zijn ééne oog dicht kneep en het hoofd ernstig en geheimvol schudde: »zoo'n beetje schuin--gij verstaat mij wel, denk ik."
»Dat kan ik juist niet zeggen, mijn waarde Andries, en het zou mij inderdaad aangenaam zijn, als gij u hieromtrent een weinig duidelijker wildet verklaren."--Met deze woorden liet ik een stuk geld in zijne ruwe hand glijden. De glans van het zilver deed hem onwillekeurig grijnzen: hij knikte mij langzaam toe, en stak het geld op, terwijl hij zeer wel scheen te gevoelen, dat dit vergelding vorderde, waarop hij zijne armen op de spade liet rusten, zijn gelaat in ernstige plooien trok en zeide: »daar gij het dan volstrekt weten wilt, mijn goede heer, zal ik u zeggen: Freule Vernon is...."
Toen zweeg hij eensklaps stil, trok de wangen in, tot zijne mager kaken en zijne lange kin er als een notenkraker uitzagen. Daarop knikte hij nog eenmaal, fronste het voorhoofd, en schudde het hoofd. Hij scheen te gelooven, dat zijn gezicht reeds verstaanbaar genoeg gezegd had, wat zijne tong niet geheel had uitgesproken.
»Goede hemel!" zeide ik, »zoo jong, zoo schoon, en reeds zoo vroeg verloren!"
»Ja, ja, gij hebt wel gelijk! zij is, om zoo te zeggen, naar lichaam en ziel verloren. Bovendien is zij eene Roomsche. En daarom zeg ik, is zij..."
Zijne Schotsche voorzichtigheid deed hem andermaal plotseling zwijgen.
»Wat is zij?" vroeg ik op ernstigen toon. »Ik wil weten, hoe ik dit alles eigenlijk moet verstaan."
»Nu dan--zij is de allerheftigste Jacobietische van het gansche Graafschap."
»Wat zou dat! eene Jacobietische? Is dat alles?"
Andries keek mij vol verbazing aan, toen hij hoorde dat ik op zijne gewichtige ontdekking zulk een geringen prijs stelde.--
»Maar is dat dan niet het ergste, wat ik van het meisje vertellen kan," mompelde hij tusschen de tanden. Hij greep zijn schop en ging voort met spitten.
HOOFDSTUK VII.
Voor de deur de Sheriff wacht, Met dreigende soldaten-macht.
Shakespeare.
Het kostte mij bepaald moeite de kamer te vinden, die voor mij bestemd was. Ik moest mij zelf daartoe van de gewilligheid der dienstboden van mijn oom door de gewone onfeilbare middelen verzekeren. Eindelijk had ik ze gevonden. En ik sloot mij op, om voor het overige van den avond alleen te zijn. De toestand waarin ik mijne bloedverwanten verlaten had, en waarvan het gedruisch en gejoel van uit de eetzaal getuigde, deed mij begrijpen, dat die goede lieden thans geen passend gezelschap voor een nuchter mensch konden wezen.
Waarom had mijn vader mij naar dit zonderlinge verblijf gezonden? Dit was natuurlijk de eerste vraag, die zich aan mij opdrong. De manier, waarop mijn oom mij in zijn huis ontvangen had, bewees duidelijk dat ik, naar zijne veronderstelling, een tijdlang zijn gast zou zijn. Maar het was even duidelijk, dat het hem totaal onverschillig was, of ik, of een van de blauw gerokte bedienden, bij hem was. In het gezelschap van mijne ongemanierde neven zou ik slechts kunnen afleeren, wat ik mij aan goeden toon en hoffelijke manieren had eigen gemaakt. In plaats daarvan zou ik mij kunnen oefenen in de kunst honden van den worm te snijden, paarden van den droes te genezen, vossen te jagen--anders niets.
Slechts één motief voor de handelwijze mijns vaders kon ik mij als mogelijk voorstellen. Maar dit was buiten twijfel ook het eenige ware. Eene levenswijze, waartoe naar mijns vaders begrip iedere landjonker onvermijdelijk verviel, wilde hij mij duidelijk laten zien. En ik moest daarvan, zoo als hij vooruitzag, al spoedig afkeerig worden. Dan zou ik, kon het zijn, wel lust opvatten voor zijn eigen beroep. Rashleigh Osbaldistone moest intusschen ten onzent werkzaam zijn. Mijn vader had middelen genoeg bij de hand, om dezen, als hij weder van hem ontslagen wilde zijn, elders voordeelig te plaatsen. Wel maakte ik mij eenig verwijt, dat ik aanleiding gegeven had, dat een man, door Diana zoo ongunstig afgeschilderd, met mijns vaders zaken bekend zou worden, ja, misschien zelfs in diens vertrouwen zou deelen. Maar ik stelde mij weer gerust door de gedachte, dat mijn vader zich niet licht door iemand in de kaart liet kijken. Hij was niet gemakkelijk te bedriegen en evenmin te leiden op een weg, dien hij niet verkoos te gaan. En van wien had ik dan eigenlijk al het nadeelige, wat mij van den jongeling bekend was geworden, gehoord? Van een zonderling, opgewonden meisje dat zich tegen mij met zooveel onbezonnen vrijmoedigheid had geuit dat ik reden had te vermoeden, dat hare berichten volstrekt niet overdacht waren; niets anders dan lichtzinnig gebabbel misschien.
Als van zelf begon ik nu over Diana na te denken, en over den zonderlingen toestand waarin zij slechts haar eigen overleg, haar eigen geest, tot leidsman en beschermer had. Ik stelde mij haar voor, met al hare moedwillige levendigheid, waardoor zij mijne nieuwsgierigheid opgewekt en mijne opmerkzaamheid geboeid had. Ik kon het mij niet ontveinzen, dat de nabijheid van dit vreemde meisje en de gemeenzame omgang met haar, mijn verblijf in het kasteel, wel is waar, aangenamer, maar ook des te gevaarlijker deed zijn. Wat intusschen het koele verstand mij ook voorhield, ik kon het maar volstrekt niet over mij verkrijgen, mij over het gevaar, waaraan ik bloot gesteld zou worden, ernstig te beklagen. Alle bedenkingen die zich aan mij opdrongen, wist ik op de gewone manier, zoo als meest alle jongelieden in zulke gevallen doen, uit den weg te ruimen: ik zou zeer voorzichtig, altijd op mijne hoede zijn; ik zou Diana meer als een goede bekende dan als eene vriendin beschouwen. Alles zou zich, naar het mij toescheen, zeer goed schikken. Onder deze overdenkingen sliep ik in, en Diana was natuurlijk mijne laatste gedachte.
Of zij mij ook in den droom bezig hield, weet ik niet. Daar ik zeer vermoeid was, sliep ik vrij vast. Maar zij was weder mijn eerste gedachte, toen met het krieken van den dag de vroolijke tonen der jachthoorns mij uit den slaap wekten. Ik sprong op, liet mijn paard zadelen, en was binnen weinige minuten op het voorplein van het kasteel, waar ik menschen, honden en paarden in drukke beweging zag. Mijn oom scheen in zijn buitenlands opgevoeden neef geen zeer wakkeren Nimrod te veronderstellen. Althans hij zag mij min of meer verrast aan. Het kwam mij voor alsof zijn morgengroet niet zoo hartelijk en gastvrij was, als zijne eerste verwelkoming.
»Reeds hier, jonge heer? Nu ja! op uwe jaren liet ik ook niet naar mij wachten. Maar neem u in acht en pas op, dat gij geen zandruiter wordt!"
Welk jongmensch zou zich niet liever alles laten verwijten, dan te dulden, dat men hem voor een stumper in de edele rijkunst houdt! Ik wist, dat ik vrij goed in den zadel zat, en een weinig gevoelig over mijns ooms uitdrukking, verzekerde ik hem, dat hij mij steeds met de jachthonden vooraan zou vinden.
»Wel, daaraan twijfel ik niet, mijn beste jongen!" antwoordde hij: »gij zijt zeker een knap ruiter, dat geloof ik gaarne; maar toch--wees op uwe hoede! Uw vader zendt u aan mij, opdat ik u aan den toom zou gewennen. Maar ik zal u wel op de stang moeten rijden; want anders zoudt gij misschien al heel licht doorslaan, eer ik er erg in had."