Robbert Roodhaar

Part 5

Chapter 53,834 wordsPublic domain

De toon, waarop zij dit zeide, was vrijmoedig, spotachtig, maar tevens hartelijk. Ik bezat wereldkennis genoeg, om denzelfden toon te treffen, toen ik haar mijn kompliment maakte, en haar mijne blijdschap wegens deze ontmoeting te kennen gaf. Mijne vriendelijke woorden waren zoo, dat de schoone jageres zich het grootste gedeelte daarvan kon toeëigenen. Want mijn waarde neef scheen een onnoozele hals, daarbij kinderachtig bloode, ook min of meer norsch van aard. Hij reikte mij wel de hand, verklaarde echter dadelijk daarop dat hij mij moest verlaten, om zijn broeders en de andere jagers bij het koppelen der honden de behulpzame hand te bieden. Het scheen evenwel meer een kennisgeving aan freule Vernon, dan wel eene verontschuldiging tot mij gericht.

»Ga maar heen!" zeide Diana en zag hem met spottende minachting na: »Daar gaat hij, de prins der stalknechts; der hanengevechten en roskammers! Maar dat moet gezegd worden: knap is hij in die vakken.--Hebt gij Markham gelezen?"

»Markham, schoone dame? Ik ken niet eens den naam van dezen schrijver."

»O hemel, waar zijt gij aangeland? Gij, arme onkundige vreemdeling, kent gij den waren Bijbel niet van dezen wilden stam, waaronder gij uwe woning moet opslaan? Hebt gij nooit van Markham gehoord, van den beroemdsten schrijver over de geneeskundige behandeling van paarden? En dus ook misschien nooit iets van de latere schrijvers Gibson en Bartlett?"

»Nooit!" antwoordde ik.

»En dit kunt gij, zonder van schaamte te blozen, bekennen?" vervolgde Diana. »Nu, dan moeten wij de verwantschap met u wel afzweren. Vermoedelijk kunt gij evenmin een paard eene pil ingeven of een meelpap voor het dier gereed maken?"

»Al zulke dingen laat ik aan mijn rijknecht over."

»Onbegrijpelijke zorgeloosheid! Gij verstaat dan waarschijnlijk ook de kunst niet, een paard te beslaan, het de manen en den staart te knippen, een hond van den worm te snijden, hem de ooren of nagels te korten, of een valk terug te lokken, of hem, wanneer hij de kap op heeft, te voederen, of..."

»Neen! Neen. Om u met één woord te zeggen, welk nietsbeduidend wezen ik ben, ik bezit geene enkele van al deze edele gaven."

»Maar om 's hemels wil, mijnheer Frans Osbaldistone, wat komt gij dan toch hier doen?"

»Bitter weinig! Evenwel ben ik niet geheel en al onkundig; als mijn rijknecht mijn paard goed gezadeld heeft, kan ik er op rijden, en als mijn valk zich in het open veld bevindt, kan ik hem opzenden."

»Kunt gij dat?" vroeg Diana, en zette haar paard in korten galop.

Nu kwamen wij aan een van ruwe boomstammen vervaardigd vrij hoog hek, dat dwars over den weg liep. Op eenigen afstand daarvan wilde ik afstijgen, ten einde het te openen; maar in hetzelfde oogenblik was de koene Amazone er met haar paard reeds overgesprongen. Voor mijn eigen eer moest ik haar wel volgen en was dan ook dadelijk weder naast haar.

»Gij geeft ons ten minste nog eenige hoop!" hernam zij. »Ik begon waarlijk al te vreezen, dat gij een ontaarde tak van den stamboom der Osbaldistones waart. Maar, ik bid u, zeg mij toch eens wat is de reden van uwe komst op Vossenburg? Weet ge, zoo noemen de lieden in dezen omtrek ons kasteel. Mij dunkt, dat gij liever stilletjes weggebleven waart."

Ik bemerkte, dat ik met het schoone meisje reeds vrij vertrouwelijk praatte. Ik antwoordde dan ook op gullen toon: »ge hebt gelijk. Het zou eene opoffering voor mij zijn, mij op het kasteel Osbaldistone op te; houden, indien de bewoners er van allen wezenlijk zoodanig zouden zijn, als gij ze mij hebt afgeschilderd. Maar ik durf mij vleien, ja, bijna zeker zeggen, dat er zich ééne uitzondering bevindt, die al de overige gebreken dubbel vergoeden zal."

»O, zoo, gij bedoelt misschien Rashleigh?"

»Waarlijk niet; ik bedoelde iemand, die wat dichter bij mij is."

»Het beste is, geloof ik, uw kompliment niet te willen verstaan. Doch dat kan ik niet. Excuseer, dat ik geene beleefde neiging maak, ge ziet, ik ben te paard. Maar, in ernst gesproken, ik verdien uwe uitzondering; want ik ben het eenige gezellige wezen in het gansche kasteel, behalve de oude geestelijke en Rashleigh."

»Maar zeg, wie is dan die Rashleigh?"

»Rashleigh is iemand, die om zijn eigen wil gaarne zou hebben, dat iedereen was, zoo als hij. Hij is de jongste zoon van uw oom, ongeveer van uwe jaren, maar niet zoo.... met een woord, hij ziet er niet heel goed uit. De natuur heeft hem nog al gezond menschenverstand gegeven en de pastoor heeft er een handvol geleerdheid bijgevoegd. Wij allen noemen hem een bizonder knap mensch, wel te verstaan, hier in dit land, waar knappe lui tot de zeldzaamheid behooren. Hij is voor de kerk bestemd, maar schijnt juist geen haast te maken met het priesterkleed aan te trekken."

»Voor de Katholieke kerk?" vroeg ik.

»Natuurlijk de Katholieke kerk! Voor welke kerk anders? Maar, het is waar, ik vergeet waarlijk, dat men mij gezegd heeft, dat gij een ketter zijt. Is dat waar, mijnheer Osbaldistone?"

»Ik kan het niet ontkennen."

»En gij waart toch in vreemde landen, en wel in echt-Katholieke landen?"

»Bijna vier jaren."

»Hebt gij kloosters gezien?"

»Dikwijls; maar ik heb er, helaas, niet veel in gezien, wat mij het Katholieke geloof zou aanbevelen."

»Zijn de kloosterlingen niet gelukkig?"

»Waarschijnlijk eenigen wel, althans diegenen, die door innerlijke vroomheid, of om vervolgingen en rampen, welke zij in de wereld geleden hebben, of ook uit natuurlijke luiheid het kloosterleven omhelsden. Maar diegenen, die in eene plotselinge, overspannen geestdrift, of in eene vlaag van wrevel wegens ondervonden teleurstellingen en vernederingen tot zulk een afgezonderd leven zijn overgegaan, zijn inderdaad zeer ongelukkig. Het verlangen naar de samenleving is spoedig weer ontwaakt. Zij zijn als wilde dieren in gevangenschap. Zij dulden onwillig den dwang. Anderen geven zich in hunne cellen aan allerlei dweperijen over, sommigen gaan zich vet mesten."

»Maar wat wordt er dan wel van de vrouwen, die door den wil van anderen tot het kloosterleven veroordeeld zijn? Naar wat gelijken zij? Vooral, wanneer zij naar het leven en de levensvreugde daarbuiten smachten uit aanleg en natuur."

»Zij zijn als opgesloten zangvogels, veroordeeld om haar leven in een kerker door te brengen. Zij trachten soms in hare talenten verstrooiing te vinden. Maar had men haar niet van hare vrijheid beroofd, dan zouden zij door haar aanleg sieraden der maatschappij kunnen geweest zijn."

»Eer zal ik,--" zeide zij, doch schielijk zich verbeterend, hernam zij: »eer zoude ik een wilden havik gelijken.--Als men dezen de vrije vlucht door het luchtruim belet, stoot hij zich tegen de traliën van zijne gevangenis den kop te pletter. Maar, om weder op Rashleigh te komen," vervolgde zij eenigszins levendiger: »gij zult in hem den aangenaamsten man vinden, dien gij ooit ontmoet hebt, tenminste gedurende eene week. Kon hij slechts eene blinde minnares vinden, niemand zou zoo zeker van zijne verovering zijn als hij. Maar het oog doet de betoovering ophouden, welke het oor bewerkt heeft. Genoeg daarover. Hier zijn wij op het voorplein van het oude kasteel, dat er even ouderwetsch uitziet, als zijne bewoners. Aan opschik wordt hier niet veel ten koste gelegd: dit zult gij weldra zien en ondervinden. Maar mijn hoed is mij lastig: hij klemt mij. Excuseer, dat ik het mij wat gemakkelijk maak."

En het opgeruimde meisje nam den hoed af, en streek met de blanke vingers half lachend, half blozend, de verwarde lokken van hare doordringende grijze oogen weg. Liep hier misschien een weinigje behaagzucht onder? Het is mogelijk, maar dan wist zij die uitmuntend achter zekere achtelooze onverschilligheid te verbergen. Ik kon niet nalaten op te merken, dat ik den opschik als iets geheel overtolligs moest beschouwen, wanneer men over de familie oordeelen mocht naar haar, die ik thans voor mij zag.

»Waarlijk aardig gezegd!" antwoordde zij; »maar misschien behoorde ik het eigenlijk in het geheel niet te verstaan. Overigens zult gij ondervinden, dat een weinig achteloosheid hier juist op de rechte plaats is, wanneer gij maar eerst uw aanstaande omgeving hebt gezien, aan wie elke opschik, elke nieuwe mode totaal verspild zou zijn. Maar de oude etensklok zal dadelijk luiden, of liever piepen. Haar geluid is thans slechts een wanklinkend gepiep. In vroeger tijd moet ze mooi gegonsd hebben. Maar ze sprong juist op denzelfden dag, toen koning Willem hier voet aan land zette. Wegens deze bijzondere gave van profetie heeft mijn oom haar niet willen laten herstellen. Maar wees zoo goed, gelijk het een getrouwen ridder betaamt, mijn paard even bij den teugel te houden, tot ik een nederigen schildknaap zend, om u af te lossen."

Met deze woorden wierp zij mij den teugel toe, alsof wij reeds van onze eerste kindsheid af met elkander bekend waren geweest, sprong uit den zadel, huppelde het plein over en ging eene zijdeur binnen. Ik staarde haar na, hare schoonheid bewonderende en verbaasd over hare vrijmoedige manieren. Het was dubbel te verwonderen in een tijd, toen de voorschriften der wellevendheid, die wij van het hof van Lodewijk XIV ontvingen, het schoone geslacht eene zeer deftige houding geboden.

Ik zat daar midden op het plein van het oude kasteel op een paard, en hield een ander bij den teugel; zeker maakte ik een zonderling figuur. De gebouwen in het rond hadden voor een vreemdeling weinig merkwaardigs. Trouwens ik was geenszins in eene stemming, om ze met eenige opmerkzaamheid te beschouwen. De zijden van het vierkant waren alle van verschillende bouworde, en geleken, met hare steenen en getraliede vensters, hare vooruitspringende torentjes en hare zware balken op het binnenplein van een klooster. Vruchteloos riep ik om een bediende, wat mij des te pijnlijker was, daar ik zag, dat ik een voorwerp van de nieuwsgierigheid van verscheidene mannelijke en vrouwelijke dienstboden werd, die het hoofd uit verschillende gedeelten van het gebouw staken, maar het, even als konijnen tusschen struiken, dadelijk weder terugtrokken, zoodra ik naar hen opzag. De terugkomst der jagers en honden hielp mij eindelijk uit de verlegenheid. Niet zonder moeite verkreeg ik van een boerenknaap dat hij mij de paarden afnam, en van een anderen mij naar het kasteel te brengen, waar ik mij aan mijn oom wilde voorstellen. Deze knaap nam daarbij het voorkomen aan, alsof hij door mij gedwongen werd, mij naar een vijandelijken voorpost te vergezellen. Ik had werk, om hem het ontsnappen te beletten.

Verscheidene gewelfde gangen, die naar de »steenen zaal," zoo als hij het noemde, leidden, moesten wij doorloopen, tot wij ons eindelijk in een ruim, gewelfd vertrek met een steenen vloer bevonden. Eene rij van eikenhouten tafels, allen zoo zwaar en zoo groot, dat zij nauwelijks verplaatst konden worden, was reeds gedekt. Deze eerbiedwekkende zaal, sedert eeuwen het tooneel der tafelgenoegens van mijne voorvaderen, bevatte ook nog vele bewijzen van hunne voormalige jachtbedrijven. Talrijke geweien van herten en reeën versierden de wanden, en daartusschen prijkten opgezette dassen, otters, bunsings en dergelijke roofdieren. Te midden van oud wapentuig, dat misschien eens tegen de Schotten gediend had, zag men ook allerlei wapenen van de edele jacht. Handbogen, geweren met enkele en dubbele loopen, weitasschen, netten, otterspiesen en vele andere werktuigen om het wild te vangen en te dooden. Eenige oude, dik berookte en met bier bevlekte schilderijen hingen hier en daar in het rond. Men zag er ridders en dames, zonder twijfel in hun tijd zeer geëerd en beroemd; de eerste met vreeselijke knevelbaarden en grimmige gezichten, de laatste met een zoet lachje op het beminnelijke gelaat, en wangen bloeiend als de rozen, die zij in hare hand hielden.

Ik had juist even tijd gehad, om deze merkwaardigheden vluchtig te bezien, toen een twaalftal bedienden in blauwe kleeding, onder veel geraas en gekakel binnenstormden, ieder nog meer bezig met zijn makkers te beduiden wat zij doen moesten, dan zelf iets te verrichten. Sommigen brachten blokken hout en spaanders voor het vuur, dat sterk rookte op den haard. De schoorsteenmantel was zoo groot, dat er een steenen bank onder kon staan. Boven den haard was in roode steen, tot sieraad, op vrij plompe manier het geslachtswapen mijner familie uitgehouwen. Het kunstwerk had echter deels door den invloed van den rook, deels door den tand des tijds, zeer geleden. Andere bedienden, zeer ouderwetsch gekleed, brachten dampende, met voedzame spijzen beladen schotels op. Weer anderen droegen bekers, kannen en flesschen aan met allerlei soorten van drank. Toen nu eindelijk, na veel gehaspel en gedruisch, het ruime maal opgedischt was, hoorde ik plotseling een luid geschreeuw en gepraat van menschen, en een geweldig geblaf van honden, vermengd met het klappen van zweepen en het dreunen van zware laarzen, die mij aan den Steenen Gast herinnerden. Dit alles kondigde de komst der jagers aan, voor wie het feest bereid was. Nu begon de drukte, het geroep en geraas der dienstboden op nieuw, en wel nog erger dan te voren. Sommigen spoorden hunne makkers tot spoed aan. Anderen waarschuwden hen, vooral bedaard en voorzichtig te zijn. Weer anderen stieten elkander telkens terug of op zijde, om den binnenkomenden gasten plaats te maken. Sommigen omringden de tafel; anderen plaatsten zich bij de vleugeldeuren, die de zaal van een zwart geverfd zijvertrek scheidden. Eindelijk werden die vleugeldeuren opengerukt, en nu stormden honden en menschen binnen.--Ik zag acht honden, den huiskapelaan, den dorpsgeneesheer, mijne zes neven en mijn oom, achtereenvolgens binnenkomen.

HOOFDSTUK VI.

Het dreunt in 't oud en ruim gewelf. Een bonte rij van krachtige gestalten, In allerlei gewaad, met pantsers en met helmen, Waarvan de vederbos hoogmoedig nederwuift. Met krijgsmans zelfbewustheid--zoo schreden zij naar binnen.

(Penrose.)

Mijn oom sir Hildebrand Osbaldistone begon zich dadelijk wegens de gewichtige verhinderingen te verontschuldigen, die hem belet hadden, om zijn neef te verwelkomen, ofschoon hij van mijn komst reeds bericht had ontvangen.--»Ik zou u wel eerder gezien hebben, beste jongen," zeide hij, na een krachtigen handdruk en een hartelijk: »God zegene u"! »Maar ik moest toch eerst zorgen, dat mijne paarden behoorlijk op stal gebracht werden. Wees welkom bij ons! Hier is uw neef Percival, uw neef Thorncliff, uw neef Jan, uw neef Richard, uw neef Wilfred en--waar is nu Rashleigh? Ha, daar is ook Rashleigh! Ga uit den weg met uw lang lichaam, gij, Thorncliff, en laat ons ook een weinig van uw broeder zien--zie! hier is uw neef Rashleigh. Heeft uw vader dan toch ook eens aan ons oud huis gedacht, en eindelijk ook aan den ouden Hildebrand? Nu, beter laat dan nooit. Gij zijt welkom, jongen, en hiermede basta! Maar waar is toch mijn Diaantje? daar komt zij! Dat is mijne nicht Diana, de dochter van mijn vrouws broeder, het knapste meisje in den ganschen omtrek. Maar kom nu ons rundvleesch eens zien."

Wanneer ik u eenig denkbeeld wil geven van den spreker, waarde Tresham, moet ik beginnen met u te zeggen dat de man ongeveer een zestiger was. Hij droeg een jachtbuis, dat eens zeer fraai met galons belegd was geweest, maar door menigen winterstorm zijn voormaligen glans verloren had. Dat hij in vroegere tijden in vorstelijke paleizen in groote garnizoensplaatsen en in legers had verkeerd, zou men uit zijne vrij ruwe manieren waarlijk niet opgemaakt hebben. Kort vóór de omwenteling diende hij bij het leger van den ongelukkigen en onverstandigen Jacobus II. Hij werd, misschien wel om zijn geloof, door dien monarch tot den ridderstand verheven. Zoo hem hierdoor schoone en veelbelovende vooruitzichten schenen geopend te zijn--zij verdwenen geheel en al met de noodlottige gebeurtenis, die zijn hoogen begunstiger van den troon stiet. Sedert dien tijd leefde hij dan ook in stille afzondering op zijn landgoed. Wel was hij daar ook vrij ruw en plomp geworden, toch had zijn uiterlijk voorkomen nog iets indrukwekkends behouden. Tusschen zijne zonen stond hij als eene gebroken, met mos en klimop begroeide Korintische zuil, of als de ruïne van een Druïdentempel tusschen de ruwe steenklompen van Stonehenge. Want zijne zonen waren logge wezens, zoo onbehouwen als men zich maar verbeelden kan. De vijf oudsten waren reusachtig groote, sterke, stevige knapen, maar het ontbrak hun evenzeer aan de Prometheus-vonk van verstand, als aan alle uiterlijke bevalligheid, ook aan die welgemanierdheid, waarmede men in deze wereld zoo vaak het gebrek aan verstandelijke vermogens weet aan te vullen en te vergoeden. Hunne beste zedelijke hoedanigheid was eene zekere goedhartigheid en tevredenheid, die zich op hunne plompe gelaatstrekken duidelijk uitdrukte. Trouwens zij maakten op kundigheden of bekwaamheden volstrekt geen aanspraak, behalve op die van de edele jacht, aan welke zij hun leven hadden toegewijd.

Het kwam mij voor, alsof moeder natuur zich voor eene, in hare voortbrengselen zoo ongewone eenvormigheid eenigszins schadeloos had willen stellen, toen zij aan Rashleigh Osbaldistone, zoo wel ten opzichte zijner gestalte en zijne manieren, als ook, wat ik later ondervond, ten opzichte van zijn karakter en zijn verstandelijken aanleg, zoo vele voortreffelijke eigenschappen schonk, dat hij bij zijne broeders, ja bij alle menschen, welke ik tot daartoe gekend had, allervoordeeligst afstak. Toen Percival, Thorncliff en Comp. eerbiedig geknikt, vriendelijk gegrijnsd en mij, bij hunne voorstelling in plaats van hunne handen, eigenlijk hunne schouders toegestoken hadden, trad Rashleigh vooruit, en verwelkomde mij op eene wijze, die den wereldman teekende. Zijn uiterlijk voorkomen was volstrekt niet innemend. In vergelijking met zijne broeders, die van een reuzengeslacht schenen af te stammen, was hij zeer klein van gestalte, en terwijl zij allen wel gevormd mochten heeten, was Rashleigh, ofschoon sterk gespierd, jammerlijk misvormd. Hij had een wanstaltig groot hoofd, een korten hals, zeer breede schouders, en daarenboven van een val uit zijn eerste kindsheid een gebrek in zijn gang behouden. Vele lieden beweerden, dat dit hem belet had, de priesterwijding te ontvangen, daar, zoo als men weet, de Roomsche kerk niemand tot den geestelijken stand toelaat, die met het een of ander lichaamsgebrek behept is. Anderen waren van een tegenovergestelde meening, en schreven dit gebrek aan eene kwade gewoonte toe, zoodat, volgens hen, daarin geen enkel motief lag, om hem het priesterambt te ontzeggen.

De trekken van Rashleigh's gelaat waren van dien aard, dat men ze, als men ze eens gezien had, niet weer uit het geheugen kon verbannen: telkens drongen zij zich weder op, prikkelden de nieuwsgierigheid, ofschoon men ze anderszijds met tegenzin, ja met afkeer beschouwde. Het was echter meer de uitdrukking van zijn gelaat, die mishaagde, dan wel de trekken zelf. Wel waren deze onregelmatig, doch geenszins gemeen. Zijn scherp, donker oog, zijn zware wenkbrauwen, hadden iets belangwekkends dat aantrok. Maar in zijn oog lag iets listigs en sluws. Wanneer hij toornig werd, ontwaarde men, hoe voorzichtig getemperd ook, eene woestheid, die de natuur zelfs den meest gewonen opmerker duidelijk deed zien; misschien met hetzelfde doel, waarmede zij aan de giftige slang een ratel gaf. Tot vergoeding voor deze uiterlijke gebreken, bezat Rashleigh de zachtste, zoetste en welluidendste stem welke ik ooit gehoord heb, en was tevens nooit om woorden verlegen, die bij zulke liefelijke tonen pasten. Reeds bij zijne eerste tot mij gerichte woorden, begreep ik Diana's opmerking, dat als een meisje te zijnen opzichte alleen met hare ooren te rade ging, zij spoedig verliefd op hem zou worden.

Aan tafel wilde hij zich naast mij plaatsen, maar Diana, die als het eenige vrouwelijke wezen in deze familie, dergelijke tafelaangelegenheden naar haar eigen zin regelde, wist het zoo in te richten, dat ik tusschen Thorncliff en haar te zitten kwam. Ik voor mij deed, zoo als men licht begrijpen kan, gaarne het mijne, om deze aangename schikking te bevorderen.

»Ik wilde wel een enkel vertrouwelijk woordje met u spreken," zeide zij, »en daarom heb ik met opzet den goeden Thorncliff tusschen Rashleigh en u geplaatst. Laat hem dienen tot stootkussen tusschen vestingmuur en vijandelijk geschut."

»Zie, als uwe oudste kennis in dezen hoogwijzen familiekring, wilde ik eens uw oordeel over ons allen van u vernemen."

»Dat is eene veel omvattende vraag, Freule Vernon! Bedenk toch, bid ik u, dat ik mij slechts sedert een zeer korten tijd hier bevind."

»O, onze wijsheid steken wij onder geen stoelen of banken, maar komen er terstond mede voor den dag. Eenige onbeduidende verscheidenheden, kleine schakeeringen, zouden eene eenigszins nauwkeuriger opmerking vereischen. Maar het genus zelf, zoo als de natuuronderzoekers het noemen, kan men, naar ik meen, al spoedig en gemakkelijk kennen en klassificeeren."

»Ja, mijne vijf oudste neven schijnen mij zoo tamelijk van ééne en dezelfde soort te zijn."

»Precies! Ieder van hen vormt een vrij aardig mengelmoes van domoor, jager, pocher, roskammer en gek. Maar evenals men geen twee volkomen gelijke bladeren aan één boom vindt, zoo zijn ook die kostelijke hoedanigheden in elk hunner eenigszins verschillend gemengd. Voor iemand, die gaarne menschelijke karakters bestudeert, is dat nog wel eene aangename variatie."

»Dan mag ik u ook misschien om een losse schets van die variatie vragen."

»Met genoegen. In één familiestuk kan ik u hen allen levensgroot vertoonen. Het kost mij weinig moeite. Waarom zou ik het u dan weigeren? Percival, de oudste zoon en erfgenaam, heeft meer van een domoor, dan van een jager, grootspreker, roskammer of gek; mijn waarde Thorncliff is eer een pocher dan een domoor, jager, roskammer of gek; John, die geheele weken in het gebergte doorbrengt, heeft wel de meeste eigenschappen van een jager. In Richard heerscht de roskammer: dag en nacht rijdt hij twee honderd mijlen ver, om bij een wedloop van dienst te zijn; en in Wilfred speelt de gek zulk een hoofdrol, dat men hem eene eervolle plaats in die talrijke klasse niet betwisten kan."

»De verzameling is belangwekkend, de soorten behooren waarlijk tot een merkwaardig geslacht! Maar is er op het doek geen plaatsje voor sir Hildebrand?"

»Neen! op dit doek niet. Ik houd veel van mijn oom," antwoordde Diana: »ik heb vele, zeer vele bewijzen van zijne goedheid ontvangen, die ten minste alle best gemeend waren. Wanneer gij hem nader hebt leeren kennen, laat ik het aan u over, zelf een schets van hem te maken."

Nu dacht ik bij mij zelven: het is mij toch aangenaam, dat zij ten minste den ouden heer verschoont. Wie zou zoo veel bitteren spot bij een zoo jong en schoon meisje verwacht hebben!

»Gij denkt zeker over mij," zeide Diana, terwijl zij haar donker oog op mij vestigde, als wilde zij met hare blikken in mijne ziel lezen.

»Dat deed ik ook," antwoordde ik, een weinig verlegen over de onverwachte vraag. Maar om aan de openhartige bekentenis eene vleiende wending te geven, liet ik er snel op volgen: »hoe toch zou ik aan iets anders kunnen denken, dan aan hetgeen in een gelukkig oogenblik zoo dicht naast mij is!"

Zij glimlachte met eene uitdrukking van fierheid, welke aan haar gelaat eigen was.--»Eens voor altijd moet ik u zeggen, mijnheer Osbaldistone, dat vleierijen niets op mij vermogen. Verspil dus aan mij zulke bloempjes niet; ik weet het wel, de reizende jonge heeren gebruiken die woordjes bij vele van mijn geslacht, even als de glaskoralen, linten en andere snuisterijen, waarmede de zeelieden de gunst der wilde bewoners van nieuw ontdekte landen winnen. Bespaar uw voorraad. In Northumberland zult gij menschen genoeg vinden, bij wie gij u met dergelijke fraaiigheden uitnemend kunt aanbevelen. Bij mij zijn ze volstrekt verspild. Ik ken hare wezenlijke waarde al te goed."

Ik zweeg beschaamd.