Part 4
»Maar verstandige lieden en gekken willen 's middags ook wel wat eten," merkte de jolige waard op. »Zie eens, daar staat een stuk rundvleesch, waarvan ge de weêrga niet vinden zult!"
En hij sleep ijverig zijn voorsnijmes, plaatste zich, naar zijn gewoonte, aan het hoofdeinde van de tafel, en begon de borden zijner gasten flink te vullen.
Voor de eerste maal hoorde ik den Schotschen tongval, of liever, het was voor de eerste maal, dat ik met een Schot kennis maakte. Reeds van mijne kindsheid af had ik een zekere antipathie tegen Schotland en de Schotten. Mijn vader stamde uit een oud geslacht uit Northumberland. Op dit oogenblik bevond ik mij niet ver van het familiegoed. De oneenigheden tusschen hem en zijne bloedverwanten waren van dien aard geweest, dat hij het geslacht, waartoe hij behoorde, bijna nooit noemde: ook was in zijne oogen geene ijdelheid verachtelijker, dan familietrots. Al zijne eerzucht bepaalde zich daartoe, dat hij als William Osbaldistone voor een der eerste, zoo al niet als de eerste bankier bekend stond. Hij zou zich door het bewijs, dat hij in rechte lijn van Willem den Veroveraar afstamde, minder vereerd gevoeld hebben, dan door de drukte en beweging, welke zijne komst op de beurs doorgaans onder de makelaars en wisselaars veroorzaakte. Natuurlijk wenschte hij dat ik in dezelfde koelheid ten aanzien van mijne afkomst en mijne verwanten mocht blijven, opdat onze wederzijdsche gevoelens in dit opzicht zouden overeenstemmen. Maar,--zooals het den verstandigsten mensch wel eens gaat,--zijne oogmerken werden, gedeeltelijk althans, verijdeld door een persoon die in zijne oogen zoo onbeduidend was, dat hij aan haar invloed nooit zou hebben gedacht. Zijne voedster, de trouwe verpleegster zijner kindsheid, een oud moedertje uit Northumberland, was de eenige persoon uit zijne geboorteplaats, waarin hij belang stelde. Toen de fortuin hem begon te begunstigen, ruimde hij voor de oude Margaretha Rickets een kamertje in zijn huis in. Na den dood mijner moeder werd aan de bejaarde vrouw de taak opgedragen, mij gedurende mijne ziekelijke kindsheid te verplegen. En zij deed dit met teedere zorg en liefde. Mijn vader had haar verboden, met mij over de heiden, bosschen en dalen van haar geliefkoosd Northumberland te spreken. Maar zij werd nooit moede, voor haren lieveling de tooneelen harer jeugd te verhalen en al die gebeurtenissen breed te vertellen, die volgens de volksmeening aldaar voorgevallen zijn. Ik luisterde veel liever naar haar, dan naar al mijne leermeesters. Nog zie ik die goede Margaretha voor mij: Haar hoofd, van ouderdom zacht schuddende, en gedekt met een nauw-sluitend sneeuwwit mutsje; haar gezicht vol rimpels, maar met de frissche kleur der gezondheid, die zij aan hare vorige landelijke werkzaamheden te danken had. Ik zie haar nog, hoe zij op de steenen muren der nauwe straat staarde, op welke onze vensters het uitzicht hadden. En ik hoor nog den diepen zucht waarmede zij haar oud lievelingslied eindigde; dat lied,--ik wil het wel gul bekennen--dat ik nu nog gaarne zou hooren, liever dan de mooiste gezangen uit een Opera. Ik herinner mij nog die woorden:
»Ja, de eik en de esch, en het groene klimop In Northumberland groeien zij zoo weelderig op!"
In hare verhalen sprak de oude Margaretha dikwijls en dan met al de verbittering eener vinnige Noord-Engelsche vrouw, van de Schotten. De bewoners van dat tegenoverliggende land vervulden in hare verhalen de rollen van de woeste reuzen met hun laarzen van zeven mijlen. Trouwens die beschouwing was bij haar vrij natuurlijk. Immers de zwarte Douglas uit Schotland, had den erfgenaam van het geslacht der Osbaldistone's, een dag nadat deze van zijne erfenis bezit had genomen, bij een feestmaal overvallen en met eigen hand gedood. Wouter, bijgenaamd de Schotsche Duivel, had nog bij het leven van mijn grootvader alle jarige lammeren weggedreven. Ja, ons geslacht had, volgens de verhalen van Margaretha, ook menig roemrijk zegeteeken behaald, om ons op die woeste roovers te wreken. Hendrik Osbaldistone, de vijfde baron van dien naam, had, even als Achilles de maagden Chryseïs en Briseïs, de schoone jonkvrouw van Fairnington geschaakt. In zijn burcht had hij haar bezit tegen hare talrijke bloedverwanten verdedigd, die door de machtigste helden van Schotland bijgestaan werden. In de eerste rijen der strijders stond ons geslacht op al de slagvelden, waar Engeland zijne mededingers overwon. Al de roem van ons geslacht, maar ook al de rampen, die het leed, waren uit de oorlogen tegen die Noordsche roovers voortgekomen.
Geen wonder dus, dat ik door deze verhalen opgewonden, in mijne kindsheid, de Schotten als geboren vijanden van hunne Zuidelijke landgenooten beschouwde. In deze meening werd ik nog al versterkt door hetgeen mijn vader mij nu en dan van hen vertelde. Hij stond namelijk in vrij uitgebreide handelsbetrekking met Hooglandsche eigenaars van eikenbosschen. En nu beweerde hij, dat hij hen wel geneigd had gevonden om dezen en genen aanzienlijken koop met hen te sluiten, en ook zeer gretig om den prijs voor het gekochte hout te ontvangen, maar geenszins zeer stipt in het vervullen van de door hen aangenomen voorwaarden. Evenmin roemde hij de Schotsche agenten, die bij dergelijke aankoopen de tusschenpersonen waren. Naar zijne verzekering had hij allen grond te gelooven, dat zij zich veel meer dan het hun toekomende aandeel van de winst toegeëigend hadden. Kortom, de oude Margriet schold op de Schotsche wapenen uit vroegere tijden, en mijn vader op de kunstgrepen der Schotten van thans. Zoo verwekten beiden, zonder het eigenlijk te willen, in mijn jeugdig gemoed een bepaalden afkeer van de Noord-Britten, als van een volk, dat wreed was in den oorlog, trouweloos gedurende een wapenstilstand, baatzuchtig, gierig en bedriegelijk in den handel. Ja, van zeer weinige goede hoedanigheden, tenzij men eene zekere woestheid in den oorlog en eene oneerlijke sluwheid in het dagelijksch verkeer als edele hoedanigheden zou willen beschouwen. Maar ook de Schotten van dien tijd koesterden even onbillijke vooroordeelen tegen de Engelschen. Zij noemden deze hoogmoedige pochers, trotsch op hun beetje geld. Zulke kiemen van wederzijdschen volkshaat waren in de beide landen achtergebleven. Het waren natuurlijke gevolgen van hunne vroegere verhouding tot elkander, twee landen, vroeger van elkander gescheiden, met naijver jegens elkaar bezield, thans staatkundig verbonden.
Hoogst natuurlijk was het dus, dat ik den eersten Schot, dien ik ontmoette, met een vijandig oog beschouwde. Inderdaad bemerkte ik allerlei aan hem, wat mijne vroegere gevoelens omtrent dat volk scheen te bevestigen. Hij had de ruwe gelaatstrekken, de rijzige, gespierde gestalte, welke zijn landgenooten eigen zijn, en daarenboven den eigendommelijken tongval, die langzame, slepende manier van zich uit te drukken, welke meestal uit de poging ontstaat, om de eigenaardigheden van een bijzonder dialekt te vermijden. Ook meende ik de bedachtzaamheid en sluwheid zijner landslieden in vele aanmerkingen, welke hij maakte, en in al zijne antwoorden duidelijk te zien doorstralen. Maar wat mij niet weinig in hem verraste, was zijn ongedwongen zelfbeheersching, eene zekere meerderheid, die hij tegenover een gezelschap, waarin het toeval hem gebracht had, wist te handhaven. Zijne kleeding was van zeer grove stof, hoewel fatsoenlijk. In dien tijd, toen zelfs geringen, om zich het voorkomen van aanzienlijken te geven, alles aan de kleeding ten koste legden, was zulk een eenvoud wel een teeken van vrij bekrompen omstandigheden, zoo al niet van bepaalde armoede. Zijn gesprek verried, dat hij in vee handelde, een beroep, dat juist niet zeer in aanzien stond. En toch, in weerwil van dit alles scheen het hoog natuurlijk dat hij het overige gezelschap met die koele hoffelijke gemeenzaamheid behandelde, die bij hem, van wien ze uitgaat, een wezenlijk of vermeend overwicht veronderstelt. Wanneer hij zijn gevoelen over het een of ander onderwerp uitte, dan geschiedde het steeds in den ongedwongen, stellig verzekerenden toon, welken diegene bezigen, die zich door rang of beschaving van de overigen, met wie zij zich in gezelschap bevinden, onderscheiden willen; alsof alles, wat zij zeggen, noch betwijfeld noch bestreden mag worden. Onze kastelein en zijne Zondagsgasten beproefden, wel is waar, een paar malen zich te doen gelden, door vrij luidruchtig allerlei gewaagde stellingen te opperen; doch van lieverlede onderwierpen zij zich aan Campbell's gezag, die eindelijk het gesprek geheel alleen leidde. Half uit kamplust, half uit belangstellende nieuwsgierigheid waagde ik het, hem deze heerschappij een weinig te betwisten. Ik maakte gebruik van de wereldkennis, die ik gedurende mijn verblijf in vreemde landen zoo tamelijk uitgebreid had, en ook van de kundigheden door mijne vrij goede opvoeding verkregen. Ten opzichte der laatstgenoemde scheen hij geen lust te gevoelen, zich met mij te meten. Men kon bemerken, dat aan zijne natuurlijke gaven nooit veel zorg was besteed. Maar veel beter dan ik, kende hij, bij voorbeeld, den toenmaligen toestand van Frankrijk, het karakter van den hertog van Orleans, aan wien juist het bestuur van dat land was opgedragen [3], en van al de overige Fransche Staatslieden. Zijne schrandere doch bijtende aanmerkingen verrieden duidelijk den scherpzinnigen beoordeelaar.
Over binnenlandsche politiek bewaarde Campbell een diep stilzwijgen. Toen hij er een enkel woord over zeggen moest, geschiedde het steeds met de meestmogelijke omzichtigheid en gematigdheid. Engeland was toenmaals door de twee partijen, de Whig's en Tory's zeer verdeeld. Eene machtige partij, die voor het verbannen koninklijke huis der Stuarts streed, de zoogenaamde Jacobieten, bedreigde het huis van Hannover, dat kort te voren in den persoon van koning George den troon had bestegen [4]. Elke kroeg weergalmde van de hevige twisten dier partijen. Nu was onze waard uit den »Zwarten Beer" veel te wellevend, om zijne goede klanten door tegenspraak eenigen aanstoot te geven, of hun in het berijden van hun stokpaardje eenigszins hinderlijk te zijn. Maar zijne Zondagsgasten kwamen niet zelden in den bittersten strijd over hunne verschillende staatkundige meeningen. De predikant, de apotheker en een klein mannetje, die van zijn beroep volstrekt geen melding maakte, doch aan wiens buitengewoon beweegbare vingers men al spoedig zien kon dat hij een baardscheerder was, verdedigden de zaak der bisschoppelijke kerk en van het huis van Stuart. De ontvanger der belastingen in zijn kwaliteit van Staatsambtenaar, alsook de rechtsgeleerde, die op een winstgevend ambtje hoopte, en mijn reisgenoot dien de twist scheen op te winden, verklaarden zich voor koning George en de Protestantsche troonsopvolging.
Naarmate de strijdende partijen elkander minder begrepen, werd ook de twist heviger en het geschreeuw sterker. Eindelijk beriepen zij zich allen op Campbell, naar het scheen met geen ander oogmerk, dan om elk voor zich diens goedkeuring te erlangen.--»Gij zijt een Schot, mijnheer Campbell! en een man uit uw land moet hier voor het erfelijke recht optreden!" riep de eene partij.--»Gij zijt immers een Presbyteriaan," schreeuwde de ander; »onmogelijk kunt gij een verdediger van willekeur zijn!"
»Mijne heeren," zeide Campbell, nadat hij met zeer veel moeite deze schreeuwers tot zwijgen had gebracht; »ik weet niet, of koning George de liefde zijner vrienden verdient. Kan hij zich op de plank, welke hij gegrepen heeft, staande houden, welnu, dan mag hij wel den ontvanger der belastingen hier tot hoofdinspecteur, en onzen vriend Quitam tot fiskaal-generaal bevorderen, en dan zal er nog wel iets tot belooning overschieten voor dien heer dáár, die liever op zijn valies, dan op een stoel zit. Maar koning Jakobus is ook een dankbaar vorst, en heeft hij eens de macht in handen, dan kan hij, als hij het goed vindt, dezen eerwaarden heer tot bisschop van Canterbury, onzen apotheker tot zijn eersten lijfarts maken, en zijn koninklijken baard aan onzen vriend dáár toevertrouwen. Maar ik twijfel zeer of Robbert Campbell van een der twistende monarchen een enkel glas brandewijn zou krijgen, zoo hij er trek in had. Daarom geef ik mijne stem aan onzen hospes Jonathan Brown, den koning en vorst der schenkers, onder de uitdrukkelijke voorwaarde, dat hij ons terstond eene andere flesch hale, even lekker als die flesch was, die we geledigd hebben."
Deze inval werd met algemeene toejuiching beantwoord. De kastelein mengde er zijn »bravo!" ook onder. Hij gaf bevel, om de voorwaarde tot zijne verheffing te vervullen; doch voegde er de mededeeling bij, dat zijn gasten wel mochten weten, dat de heer Campbell, in weerwil van zijne vredelievende gezindheid, zoo moedig als een leeuw was, ja, dat hij met eigen hand zeven straatroovers overwonnen had, die hem eens op weg overvallen hadden.
»Hola, vriend Jonathan!" viel Campbell hem in de rede: »gij vergist u geweldig; het waren er niet meer dan twee, en wel groote lafaards, tegen wie iedere kerel, die een paar flinke vuisten heeft, het zou hebben durven wagen."
»En hebt gij dan," vroeg nu mijn angstige reisgezel, terwijl hij steeds op zijn valies dichter bij den Schot schoof,--»en hebt gij dan waarlijk geheel alleen twee roovers overwonnen?"
»Nu ja!" antwoordde Campbell; »is dat dan zulk eene groote heldendaad, om er zooveel ophef van te maken!"
»Waarlijk," hernam mijn reisgenoot, »gaarne zou ik het genoegen van uw gezelschap op mijne verdere reis genieten: Mijn weg gaat naar het noorden?"
Dit ongevraagde bericht aangaande zijn weg, het eerste, hetwelk hij iemand mededeelde, bewoog evenwel den Schot geenszins tot eene even vertrouwelijke ontdekking van den weg, dien hij zelf zou inslaan.--»Wij kunnen wel niet met elkander reizen," antwoordde hij kortaf; »gij hebt, zonder twijfel, een goed paard. Ik reis of te voet, of op een Hooglandschen knol, die het loopen al lang verleerd heeft."
Kort daarop eischte hij de rekening van den wijn, en stond op, toen hij het geld voor de door hem bestelde flesch betaald had, alsof hij afscheid wilde nemen. Terstond snelde mijn reisgenoot naar hem toe, vatte hem bij een roksknoop en trok hem naar het venster. Ik hoorde, dat hij hem dringend smeekte; en dat Campbell zich op allerlei wijze van hem poogde te ontslaan.
»Ik wil al uwe reiskosten betalen," zeide hij op een toon, als hield hij zich verzekerd, dat hij door deze aanbieding alle bedenkingen van den dapperen veehandelaar in eens uit den weg had geruimd.
»Ik bedank u hartelijk!" hernam Campbell, met zekere minachting. »Ik kan niet. Onderweg heb ik bezigheden, en nu en dan zal ik mij hier en daar misschien lang moeten ophouden."
»Och, ik heb ook volstrekt geen haast," antwoordde mijn makker: »gij kunt u ophouden, waar en zoo lang gij verkiest. In zulk aangenaam gezelschap is het een genoegen den tijd te slijten."
»Waarachtig, mijnheer, ik kan u dien dienst, waaraan u veel gelegen schijnt te zijn, volstrekt niet bewijzen," zeide Campbell. »Ik reis," voegde hij er fier bij, »voor mijne eigene zaken. En zoo gij goeden raad van mij wilt aannemen, voeg u op reis dan nooit bij vreemden, en zeg ook niet waarheen gij reist, als niemand daarnaar vraagt."
En daarop rukte hij, zonder complimenten, mijns reisgezels hand van zijn roksknoop los, dien deze nog steeds vasthield, en kwam naar mij toe. »Uw vriend," zeide hij, »is voor de zaak, welke hij waarschijnlijk te verrichten heeft, veel te openhartig."
»Gij vergist u," antwoordde ik; »die heer is juist geen mijner vrienden. Hij is enkel iemand dien ik onder weg aangetroffen heb. Ik ken zijn naam niet en weet ook niets van zijne zaken. Ja, gij schijnt zijn vertrouwen in een veel hoogeren graad te bezitten, dan ik."
»Och," hernam hij, »ik wil alleen zeggen, dat hij mij wat onvoorzichtig toeschijnt in het opdringen van zijn gezelschap aan menschen, die er niet van gediend willen zijn."
»Waarschijnlijk weet die mijnheer," antwoordde ik, »zelf het best wat hem past. Ik heb geen lust hoegenaamd om er eenig oordeel over te vellen."
De heer Campbell zeide verder niets, wenschte mij goeden avond en het gezelschap ging voor dien avond uit elkaar.
Den volgenden dag nam ik afscheid van mijn angstigen reisgenoot. Ik verliet den weg naar het noorden, en sloeg een zijweg westwaarts in, naar het kasteel Osbaldistone, waar mijn oom woonde. Of hij zich verlicht of bedroefd gevoelde door onze scheiding, weet ik niet. Mijne bedoelingen waren hem nog niet helder. Wat mij betreft, begon mij zijne bangheid te vervelen. Ik was blijde, dat ik hem kwijt was.
HOOFDSTUK V.
Mij klopt het hart, als ik de schoone fee, Des eilands trots en roem aanschouwe, Voort, in galop, op 't fiere ros.
De Jacht.
Al dichter het noorden van Engeland naderend, gevoelde ik iets als liefde tot dezen mijn geboortegrond in mij opkomen. En daarbij voegde zich de geestdrift, waarmede eene schoone natuur den opgewekten mensch bezielt. De bergstroomen, die nu dien naam zeker verdienden, kropen niet meer voort tusschen riet en wilgeboomen, maar stortten zich van de hoogten naar beneden, nu eens sneller, dan weer langzamer vloeiend, door eenzame valleien, die den reiziger schenen uit te lokken af te dalen in haar verborgen plekjes.
Donker en trotsch, verhieven zich voor mij de Cheviot-bergen, wel boden zij niet die afwisseling der primaire rotsen en klippen-vorming, maar zij waren grootsch, met afgeronde koppen, gehuld in roodachtig bruine kleuren. Door hunne uitgestrektheid en woestheid grepen zij met eigenaardigen indruk in het gemoed.
Mijn voorvaderlijk landgoed, dat ik naderde, was in een eng dal gelegen tusschen deze heuvels. Uitgestrekte landerijen, die vroeger tot het geslacht der Osbaldistones behoord hadden, waren door de verkwisting mijner voorvaderen verloren gegaan, maar er bleef nog genoeg over om mijn oom den naam te geven van groot landbezitter. Zijn vermogen werd besteed, zoo als ik onderweg vernam, grootendeels om de onbekrompen gastvrijheid van die dagen te handhaven. Hij achtte dit voor het aanzien van zijne familie een noodzakelijke plicht.
Uit de verte van den top van een heuvel had ik reeds een blik kunnen werpen op het kasteel Osbaldistone. Het was een groot, ouderwetsch gebouw, midden in een woud van overoude eiken gelegen. Langs een slechten, kronkelenden weg reed ik er op af, toen mijn paard op eens de ooren opzette. Ik hoorde het vroolijk geblaf van een paar jachthonden, nu en dan aangemoedigd door het geluid van een horen. Die was toen onmisbaar op de jacht. Ik twijfelde er geen oogenblik aan, of het waren honden van mijn oom. Ik hield stil om de jagers voorbij te laten gaan, want op het jachtterrein moet men geen jachtliefhebbers ophouden. Ik nam dus het besluit, zoodra de stoet voorbij was, naar het huis te rijden en den terugkeer van den eigenaar af te wachten.
Op eene kleine hoogte hield ik mijn paard in, daar niet zonder belangstelling uitziende naar de jacht, hoewel ik in dien tijd nog weinig zin voor dat genot bezat. Dat ik evenwel met eenig ongeduld de aankomst der jagers afwachtte, spreekt van zelf.
Het eerste wat ik zag, was de vos, vermoeid en haast uitgeput. Hij kwam uit het kreupelhout aan de rechterhelling van het dal. De hangende staart, de bezoedelde huid en de wankelende gang kondigden zijn naderend lot aan, en de kraai die reeds boven hem zweefde, scheen het arme dier reeds als zijn zekeren buit te beschouwen. De vos trok over de beek, die onder in het dal vloeide. Juist sleepte hij zich door een rotskloof aan den anderen kant van het water, toen de voorste honden verschenen, gevolgd door al de overigen, daarna door den jagermeester en drie of vier ruiters. De honden vervolgden dadelijk het spoor van den vos. De jagers zetten hen snel en moedig achterna, zonder te letten op het oneffen en steile terrein. Het waren groote flinke jonge mannen, goed bereden, en in groen en rood gekleed; dit waren de kleuren eener jachtvereeniging door den ouden sir Hildebrand Osbaldistone gesticht.
»Zoo zoo," dacht ik, toen zij voorbijvlogen. »Dat zijn nu mijne heeren neven! Hoe zullen deze waardige opvolgers van Nimrod mij wel ontvangen? Waarschijnlijk zal ik, die niets van die soort van genoegens weet, mij niet op mijn gemak noch gelukkig gevoelen in het huis van mijn oom!" Eene nieuwe verschijning stoorde hier eensklaps dien gedachtengang.
Het was eene jonge dame, aan wier liefelijke gelaatstrekken het jachtvermaak en de gloed, waarmede de vermoeienis hare wangen kleurde, dubbele bekoorlijkheid schonk. Zij bereed een prachtig pikzwart paard, welks borst bedekt was met sneeuwwit schuim, afdruipend van het gebit. Hare eenigszins zonderlinge kleeding bestond in een rok, vest en hoed, geheel naar het fatsoen van een heeren-costuum. Die dracht, was gedurende mijn verblijf in Frankrijk ingevoerd en dus mij wel bekend. Haar lang donker haar, dat onder het rijden uit den band, die het samenhield, was los geraakt, fladderde in den wind. De oneffen grond, waarover zij met bewonderenswaardige bedrevenheid en tegenwoordigheid van geest haar paard wist te leiden, stremde min of meer haar snelle vaart, en zoo kwam zij dichter bij mij, dan een der overige jagers. Ik kon dus van nabij hare schoone gestalte beschouwen. Door de opgewektheid van de jacht, door het romantische van haar kostuum maakte hare plotselinge verschijning sterken indruk op mij. Zie! op het oogenblik, dat zij mij voorbijvloog, deed haar wild paard een zijsprong, doordien zij op vlakken bodem sneller vooruit wilde rennen. Dit toeval strekte mij tot aanleiding naar haar toe te rijden, om haar, desnoods, hulp te kunnen bieden. Intusschen was er volstrekt geen gevaar; het paard herstelde zich terstond en hernam zijn gewonen draf. Zij dankte mij echter met een bevallig glimlachje voor mijn goeden wil, en hierdoor voelde ik mij aangemoedigd, om mijn paard in denzelfden stap te brengen en naast haar te rijden. Het geschreeuw: »Hoezee! hij is dood!" en de tonen van den waldhoorn, kondigden ons weldra aan, dat er thans geene reden meer bestond tot spoed, daar de jacht geëindigd was. Een der jongelieden, die ik gezien had, kwam naar ons toe, en zwaaide zegepralend met den staart van den vos, als of hij mijn schoone geleidster haar achterblijven wilde verwijten.
»Ik zie het wel!" antwoordde zij; »ik zie het immers wel! Maak er maar zoo veel drukte niet van!--Was Phoebe," vervolgde zij, terwijl zij op den hals van haar fraai paard klopte, »niet onder de rotsen gekomen, dan zoudt gij thans niet zoo kunnen juichen."
Terwijl zij dit zeide, naderden beiden elkander. Ik bemerkte dat zij naar mij keken, en eenige oogenblikken zacht met elkander spraken. Duidelijk was het, dat de jonge dame bij den jager op iets aandrong, terwijl hij met eene zekere onnoozele blooheid weigerde. Daarop wendde zij op eens haar paard naar mij toe, terwijl zij min of meer boos en tamelijk luid zeide: »Het is goed, Torncliff, het is goed! Wilt gij niet, dan zal ik het zelve doen! Mijnheer," vervolgde zij nu tegen mij, »ik trachtte dezen onwilligen jongenheer over te halen, om u te vragen, of gij op uwe reis herwaarts, niet iets van een onzer vrienden, zekeren heer Frans Osbaldistone, hebt vernomen, die sedert eenige dagen hier verwacht wordt."
Met wezenlijke vreugde stelde ik mij zelven als den verwachten gast voor, terwijl ik voor de belangstelling der jonge dame in mijn persoon dankte.
»Welnu," hernam zij, »daar de wellevendheid van mijn neef nog steeds schijnt te sluimeren, zult gij mij wel vergunnen, al is het minder gepast, de rol van ceremoniemeesteres op mij te nemen. Ik heb de eer u uw neef Thorncliff Osbaldistone en mij zelf, Diana Vernon, voor te stellen, die tevens de eer heeft de nederige bloedverwante van uw voortreffelijken neef te zijn."