Robbert Roodhaar

Part 35

Chapter 353,943 wordsPublic domain

Wij waren thans het dorp zeer nabij. Drie gewapende Hooglanders kwamen op ons af, en riepen ons dreigend toe stil te staan en op hunne vragen te antwoorden. Maar het enkel woord Gregarach, dat mijn reisgenoot op luiden en gebiedenden toon uitsprak, werd eensklaps met een gillenden uitroep van blijde herkenning door deze drie mannen beantwoord. De één wierp zijn geweer weg en omklemde de knieën van zijn opperhoofd zoo vast, dat Robbert zich nauwelijks van hem kon ontslaan, en liet nu een stroom van Gaelische gelukwenschen volgen, welke zich ieder oogenblik tot een vreugdegejuich verhief. De beide anderen snelden, zoodra de eerste ontboezeming der vreugde voorbij was, als hazewindhonden heen, met elkander wedijverende, wie in het dorp, dat door een sterke bende van Mac-Gregors partij bezet was, 't eerst de tijding van Robberts ontvluchting en terugkomst zou brengen. Hun bericht werd met zulk een algemeen gejuich ontvangen, dat de heuvels er van weêrgalmden. Jong en oud, mannen, vrouwen en kinderen liepen ons om strijd te gemoet. Toen ik dit onstuimige gedruisch en het geschreeuw der uitbundig vroolijke menigte hoorde, oordeelde ik het raadzaam, mijn reisgenoot te herinneren, dat ik een vreemdeling was en onder zijne bescherming stond. Hij hield mij dus bij de hand, terwijl het volk, onder waarlijk roerende betuigingen van innige genegenheid en hartelijke vreugde over zijne terugkomst, ons omringde. En niet eerder gaf hij zijnen aanhangers de hand, naar welke allen begeerig grepen, dan toen hij hun te kennen had gegeven, dat ik vriendschappelijk en goed moest behandeld worden.

Aan het bevel van een Sultan zou niet sneller hebben kunnen worden gehoorzaamd. Maar nu werden hunne welmeenende oplettendheden mij bijna even lastig als vroeger hunne ruwe en onbeschofte behandeling. Nauwelijks wilden zij den vriend van hun hoofd vergunnen op zijne eigen voeten te gaan. Toen ik over een steen struikelde, dien ik in het gedrang niet zag, maakten zij zich met goedhartig geweld meester van mijn persoon en droegen mij op hunne armen naar de herberg.

Toen wij daar aankwamen, ondervond ik, dat rang, aanzien en volksgeest ook in het Hoogland even als overal hunne schaduwzijde hebben. Eer Mac-Gregor in de hut kon komen, waar hij rust en verkwikking hoopte te vinden, moest hij de geschiedenis van zijne ontvluchting ten minste tienmaal verhalen, zoo als ik aan een dienstvaardigen grijsaard merkte, die Robberts verhaal even vaak tot mijne stichting vertolkte, waarnaar ik, uit wellevendheid, verplicht was met schijnbare aandacht te luisteren. Toen allen bevredigd waren, verstrooiden zij zich in enkele groepen, om op de heide of in de naburige hutten hun nachtverblijf te zoeken. Sommigen verwenschten den hertog en Garschattachin. Anderen betreurden het ongeluk, dat Ewan zich door zijne edelmoedigheid jegens Mac-Gregor berokkend zou hebben. Maar allen waren het eens, dat Robberts vlucht wedijveren kon met de daden van ieder opperhoofd van hun stam, sedert de tijden des stamvaders van zijn geslacht, Dugald Ciar; ja dat ze eigenlijk alles overtrof, wat ooit te voren van dien aard bekend was.

Nu vatte Robbert mij onder den arm en bracht mij in de hut. Ik zag in dat rookerig nest rond, om Diana en haren geleider te zoeken. Maar zij waren nergens te vinden, en ik besefte zeer goed, dat als ik berichten wilde inwinnen, ik geheime beweegredenen zou verraden, welke het veel beter was verborgen te houden. Nergens zag ik een bekend persoon dan alleen mijn goeden vriend Jarvie. Hij zat voor het vuur en nam eene zekere fiere houding aan, toen Robbert hem verwelkomde, hem wegens den min aangenamen toestand, waarin hij zich bevond, beklaagde, en eindelijk zeer beleefd naar zijn welstand vernam.

»Ik ben redelijk wel, neef," antwoordde Jarvie, »redelijk wel, God zij dank! en ik dank u wel zeer voor uwe attentie. En wat het gemak betreft hier,--nu ja, men kan zijn eigen huis niet als een slak op zijn rug medenemen. Maar het verheugt mij, dat gij uit de handen uwer vijanden verlost zijt."

»Dank u!" hernam Robbert. »Eind goed, al goed! Maar wat scheelt u toch? Kom, laat ons eens drinken. Uw vader, de wijkmeester, weigerde nooit een dronk, wanneer die door mij of een ander goed vriend hartelijk aangeboden werd."

»Vooral als hij vermoeid was, Robbert, en dat ben ik thans op meer dan ééne wijze geworden. Maar," vervolgde hij, terwijl hij langzaam een houten beker vulde, die geenszins tot de kleinste behoorde;--»hij was niettemin een zeer matig man, even als ik; dat weet iedereen die mij kent. Op uw welzijn! Robbert! Uw welzijn hier en hier namaals!" en hij nam een slok, »en eer ik het vergete, vooral ook op de gezondheid van mijne lieve nicht Helena en van uwe beide veelbelovende jongens. Toch moet ik u aanstonds nog iets van hen zeggen."

Met deze woorden ledigde hij den beker heel ernstig en met de meeste deftigheid. Robbert knipoogde mij ter sluiks toe en glimlachte over de houding van den ouden man, die hier, waar Robbert zich aan het hoofd van zijn gewapenden clan bevond, even zelfbewust en hooghartig praatte, als toen Mac-Gregor nog te Glasgow in de gevangenis in zijne macht was. Het kwam mij voor, alsof Mac-Gregor mij wilde te kennen geven, dat hij den toon, dien zijn neef aannam, deels uit eerbied voor de rechten der gastvrijheid, maar nog meer om de grap, duldde.

Toen Jarvie den beker neerzette, herkende hij mij insgelijks. Hij groette mij hartelijk, maar protesteerde voor het oogenblik tegen al hetgeen, wat ik hem verhalen wilde.

»Daarover later!" viel hij mij dadelijk in de rede; »thans moet ik, zoo als billijk is, eerst over de aangelegenheden van mijn neef spreken. Robbert," vervolgde hij, »ik hoop toch niet, dat hier iemand is, die slecht genoeg zou zijn, om hetgeen ik u hier onder de roos zeggen wil, tot mijn nadeel over te brieven, hetzij naar Glasgow, hetzij naar elders."

»Wees onbezorgd!" hernam Robbert. »De eene helft van deze lieden verstaat niet eens, wat gij zegt, en de andere helft luistert er niet naar. Ik zou ook iedereen de tong uitrukken, die zich verstoutte, wat mij in zijne tegenwoordigheid gezegd wordt elders over te praten."

»Als dat zoo is, neef, dan is het wel!" antwoordde Jarvie. »Den heer Osbaldistone ken ik als een verstandig man en een trouw vriend. Laat mij dus zonder omwegen of achterhoudendheid spreken en u ronduit zeggen, dat gij uwe kinderen, neem het mij niet kwalijk, heel slecht opvoedt."--Na een oogenblik zwijgen ging zijn vertrouwelijk glimlachje in deftigen ernst over, en hij vervolgde: »Gij weet zelf, op welken voet gij met de heilige gerechtigheid staat,--en mijne nicht Helena--nu, hoe ze mij ontvangen heeft, wil ik u liefst niet verhalen. Intusschen, het was geenszins vriendelijk, geenszins zoo als eene nicht een neef behoort te ontvangen. Evenwel, ik wijt dit alleen aan hare ongerustheid over u--maar wat ik u van uwe vrouw moet zeggen...."

»Stil! geen woord verder!" viel Robbert hem op ernstigen toon in de rede. »Zeg mij volstrekt niets van haar, dan wat een vriend past en een echtgenoot vernemen mag. Van mij zelven kunt gij alles zeggen, wat u lust."

»Goed, goed!" antwoordde Jarvie min of meer verlegen; »wij zullen dat dan daar laten. Ik ben de man niet, die in eene huishouding oneenigheid zou willen stichten. Maar uwe beide jongens, Robbert en Hamisch--dat beteekent Jakob, zoo als men mij ten minste gezegd heeft--het zou eigenlijk beter zijn, dat gij hem voortaan zoo noemdet, want Hamisch, Eachin en Angus zijn namen, die men in het Westland telkens voor het gerecht hoort noemen, als er veedieverij gepleegd is. Nu dan, uwe jongens bezitten geen greintje opvoeding. Zij kennen niet eens de tafel van vermenigvuldiging, die toch de wortel van alle nuttige kennis is. Toen ik hun over hunne verregaande domheid mijne meening zeide, lachten zij mij uit. Ja, zij spotten met mij. Ik geloof waarachtig, dat zij lezen, noch schrijven, noch rekenen kunnen.--Iets dergelijks van zijne bloedverwanten in een Christenland te gelooven--het is wezenlijk te erg...."

»Als zij het konden, neef," antwoordde Robbert, »dan zouden zij het zich zelven hebben moeten leeren. Want hoe toch zou ik hier voor hen een leermeester hebben kunnen krijgen. Moest ik misschien te Glasgow aan de deur van uwe stadsschool een briefje hebben moeten laten aanplakken met het bericht: Robbert Roodhaar zoekt een leermeester voor zijne zonen?"

»Nu ja! dat ging niet. Maar gij hadt de jongens ten minste daarheen moeten zenden, waar zij godsvrucht en de gebruiken van beschaafde lieden hadden kunnen leeren. Zij zijn waarachtig zoo dom als het vee, dat gij anders naar de markt dreeft, of als de Engelsche boerenlummels, die het van u kochten. Zij weten niets goeds te doen!"

»Niets goeds is niet geheel juist," antwoordde Robbert; »Jakob kan een korhoen in de vlucht doodschieten, en Robbert stoot een dolk door eene plank van twee duim dikte."

»Des te erger voor beiden!" zeide Jarvie op beslissenden toon; »des te erger! Kunnen zij niets beters verrichten, dan wenschte ik wel om hunnentwil, dat zij volstrekt niets konden. Zeg mij eens, neef, wat hebt gij toch met al dat schieten, houwen en steken gewonnen? Waart gij niet veel gelukkiger, toen gij als veehandelaar een eerlijk bedrijf uitoefendet, dan gij ooit geweest zijt, sedert gij u aan het hoofd van uwe Hooglandsche gezellen en landloopers bevindt?"

Ik begon te bemerken, dat Robbert, terwijl zijn neef hem aldus aansprak, onaangenaam te moede werd. Hij draaide zich heen en weêr als iemand, die pijn uitstaat, maar besloten heeft, geen klacht te laten hooren. Ik wachtte op de gelegenheid, om den, weliswaar goed gemeenden, maar zichtbaar mislukten toon, waarop Jarvie met den zonderlingen man sprak, te doen veranderen. Maar het gesprek nam, zonder dat ik er mij in behoefde te mengen, alras van zelf een einde.

»Gij, Robbert," vervolgde Jarvie, »staat dunkt me, veel te diep in het zwarte boek, dan dat gij op vergiffenis zoudt kunnen hopen. Gij zijt nu te oud om van aard te veranderen. Maar jammer, eeuwig jammer zou het zijn, als zulk een paar knappe jongens voor de hel opgroeiden. Gaarne wilde ik hen als leerlingen aan mijn weefgetouw plaatsen, even als ik zelf het ambacht begonnen heb, en even als mijn vader zaliger, de wijkmeester, ook begonnen is, hoezeer ik thans, dank zij den Gever van alles goeds! slechts in het groot handel drijf--en...."

Robbert fronste de wenkbrauwen vrij sterk. Jarvie zweeg een oogenblik. Maar toen ging hij voort om zijn naar het scheen minder welgevallig voorstel eenigszins te verzachten: »Kijk maar zoo zuur niet, vriend Robbert! Voor leergeld behoeft gij niet te zorgen; en ik maan u ook nooit weêr om de duizend mark."

»Alle duivels!" riep Robbert opspringende en liep hevig de kamer op en neer; »mijne zonen wevers! Eer wilde ik al de weefgetouwen van geheel Glasgow in lichtelaaie zien staan!"

Het kostte mij eenige moeite om mijn vriend, die hierop reeds een uitvoerig antwoord op de tong had, te doen inzien, dat het niet goed en daarenboven gevaarlijk was, bij onzen gastheer op dit punt nog verder aan te dringen.

Maar weinige oogenblikken daarna klaarde Robberts gelaat weder geheel op. »Kom, het was goed gemeend van u, zeker goed gemeend! Geef mij dus de hand maar, neef Nikolaas! Wanneer ik mijne zonen ooit wevers wil laten worden, zult gij de voorkeur hebben. Maar nog iets: gij spreekt van de duizend mark, die tusschen ons nog niet vereffend zijn. Heidaar, Rachin Mac-Anna-Leister, breng mij mijn tasch!"

De geroepene, een rijzige, gespierde Hooglander, die Robberts luitenant scheen te zijn, haalde uit eene kast eene groote lederen tasch van zee-ottervel te voorschijn. Ze was rijk met zilveren borduursel bezet en volkomen zoo als voorname Hooglanders in volle statie plegen te dragen.

»Niemand zou ik raden, mijne tasch te openen, zoo hij niet met het geheim bekend is," zeide Robbert, terwijl hij eenige knoopjes en koorden losmaakte en op een stift drukte, waardoor het slot der tasch, die met eene zware zilveren plaat bedekt was, opensprong. En nu toonde hij mij, als of hij het onderwerp van het gesprek met Jarvie wilde afbreken, eene kleine, in den tasch verborgen pistool, waarvan de trekker door eene vernuftige inrichting met het slot zoodanig in verband was gebracht, dat elken onkundige, die het slot wilde openen, de lading treffen moest.--»Dit," zeide hij, op de pistool wijzende, »is mijn thesaurier-generaal."

Inwendig glimlachte ik over den eenvoud, waarmede dit middel bedacht was om een eenvoudige tasch te sluiten, welke iedereen opensnijden kon, zonder aan het slot te komen; het herinnerde mij aan de verzen van de Odysseüs, waarin beschreven wordt hoe Ulysses, in nog ruwer tijden, zijn eigendom zoekt te behoeden door in het touwwerk, om de kist geslagen waarin hij het bewaart, een ingewikkelden knoop te leggen.

Jarvie zette zijn bril op, om het toestel te bekijken, en gaf, toen hij zijne nieuwsgierigheid bevredigd had, de tasch glimlachend terug, terwijl hij met een zucht zeide: »Ja, Robbert, hadden alle menschen hunne beurs zoo goed bewaard, dan zou uwe tasch zoo vol niet zijn, als zij is, naar het gewicht ten minste te oordeelen."

»Geloof mij, neef," antwoordde Robbert insgelijks glimlachend, »zij is steeds open voor iederen vriend, of ook om eenige wettige schuld te betalen. Ziedaar uwe duizend mark," vervolgde hij, een rolletje goud uit de tasch halende: »tel ze na, en gij zult bevinden, dat gij tot den laatsten duit betaald zijt."

Zwijgend nam Jarvie het geld aan, hield het, een oogenblik, wegende in de hand en zeide eindelijk: »neen, ik kan het niet aannemen, Robbert; ik wil er volstrekt niets mede te doen hebben, want ik weet maar al te wel, langs welke wegen gij aan uw geld gekomen zijt. Onrechtvaardig verkregen goed gedijt niet. Neen, ronduit gezegd, ik durf het niet aanraken: het ziet er uit, alsof er bloed aan kleefde."

»Op mijn woord!" zei Robbert met eene geveinsde onverschilligheid, »het is goed Fransch geld, en vóór dat ik het kreeg, is het nooit in den zak van een Schot geweest. Zie maar eens vriend, enkel fraaie Louis d'or, alsof ze eerst heden uit de munt kwamen."

»Des te erger! juist daarom des te erger, Robbert!" zeide Jarvie, de oogen van het goud afwendende, waarnaar echter al zijne vingers schenen te jeuken. »Oproer is erger dan tooverij of rooverij--het strijdt tegen Gods woord."

»Wees onbezorgd, neef!" hernam Robbert; »gij komt immers eerlijk aan dat geld. Moge het van een koning zijn, welnu, dan kunt gij het weder aan een anderen koning geven, zoo u dat namelijk behaagt. Het zal dan immers dienen kunnen, om een vijand te verzwakken, en juist op een punt, waar de arme koning Jakobus het zwakst is. God weet het, handen en harten heeft hij in overvloed, maar aan geld zal het hem wel ontbreken."

»Dan zal hij ook niet vele Hooglanders krijgen!" hernam Jarvie, die zijnen bril weder opzette en den inhoud van het nu geopende rolletje goud begon te tellen.

»En zeker niemand uit de Laaglanden," zeide Robbert en trok de zware borstelige wenkbrauwen op. Hij zag mij ook aan en wees op zijn neef, die, zonder Robberts spotachtig glimlachen te bemerken, elken Louis d'or met de meeste voorzichtigheid op den vinger woog.

Toen Jarvie de som tweemaal geteld en in orde bevonden had, interesten en kapitaal, gaf hij drie Louis d'or terug voor een kleed voor zijne nicht, zoo als hij zeide, en nog een paar, waarvoor Robberts jongens konden koopen, wat zij maar zouden willen, buskruit alleen uitgezonderd. De Hooglander stond verbaasd over Jarvie's onverwachte grootmoedigheid, maar nam het geschenk beleefd aan en bergde het in zijne tasch, waar het voor het oogenblik goed bewaard was. Nu haalde Jarvie de schuldbekentenis te voorschijn, op welker rugzijde hij een kwitantie schreef, die ik als getuige mede moest onderteekenen. Bezorgd keek hij naar een tweeden getuige rond, daar, volgens de Schotsche wetten, zulk een stuk slechts geldig is, als het door twee getuigen onderteekend is.--

»In den omtrek van geen drie mijlen," zeide Robbert, »vindt gij, als gij ons drieën uitzondert, iemand die schrijven kan. Maar laat ons de zaak met minder moeite afdoen," vervolgde hij en wierp het papier op het vuur. »Zie, dat is de Hooglandsche manier om rekeningen te kwiteeren!" zeide hij hierop tegen den van verbazing sprakeloozen Jarvie. »Er mocht ook soms een tijd komen, neef, waarin deze schuldbekentenissen en kwitantiën mijne vrienden in ongelegenheid zouden kunnen brengen, omdat zij met mij in betrekking hadden gestaan."

Jarvie eerbiedigde deze argumenten, en daarenboven verscheen op dit oogenblik onze avondmaaltijd, en wel rijkelijker en smakelijker en zelfs met meer weelde dan zich op deze plaats liet verwachten. De meeste spijzen waren koud, en dit deed mij met recht vermoeden, dat zij op eenigen afstand toebereid waren. Ook werden er eenige flesschen goeden Franschen wijn opgedischt. Robbert gedroeg zich als gastheer bijzonder minzaam en voorkomend. Hij verzocht ons om verschooning, als eene pastei, of een andere schotel, dien men ons voorzette, reeds aangesneden was.--»Gij moet weten," zeide hij tot Jarvie, en zonder mij aan te zien, »dat gij heden avond niet de eenige gasten in Mac-Gregors land zijt. Want ware dat zoo, dan zou mijne vrouw met mijne beide jongens, zooals het betaamde, ook hier wezen."

Ik kon het Jarvie aanzien, dat de afwezigheid der geduchte Amazone hem recht aangenaam was. Ja, ik zou zeer zeker hieromtrent van hetzelfde gevoelen geweest zijn. Maar Robbert's verontschuldiging wekte bij mij het vermoeden, dat zij op dat zelfde oogenblik Diana met haren reisgenoot onthaalde--haren reisgenoot, dacht ik; want mij hem als haar echtgenoot voor te stellen, was mij volstrekt onmogelijk.

Te midden van de verdrietige overpeinzing die deze gedachten in mij deden ontstaan, en die mij onverschillig voor het goede onthaal maakten, bemerkte ik, dat Robbert's vriendelijke oplettendheid ons ook eene betere standplaats wilde bezorgen, dan wij den vorigen nacht gehad hadden. Twee van de minst gebrekkige kribben, die langs den wand der hut stonden, waren met heidekruid, dat juist in vollen bloei was, zoo kunstmatig opgevuld, dat het, daar de bloesem naar boven gekeerd lag, eene weeke, geurige rustplaats vormde, die met mantels en al het beddegoed, dat men bijeen had kunnen brengen, overdekt was en een verkwikkenden slaap scheen te beloven. Jarvie was van de geleden ongemakken en moeilijkheden zichtbaar afgemat en uitgeput. Ik besloot dus, hetgeen ik hem te verhalen had, tot den volgenden morgen te besparen en liet hem naar bed gaan, nadat hij zich aan tafel rijkelijk te goed had gedaan. Ik was onrustig, koortsachtig, opgewonden. Dat benam mij de neiging tot slapen, hoe vermoeid ik mij ook gevoelde. Dientengevolge bleef ik nog bij Robbert zitten praten, en wij hadden nog een vrij belangwekkend gesprek.

HOOFDSTUK XXXV.

Ik lijde smart, vertwijfling overmant mij.-- Ik zie de laatste blikken van haar oogen, Ik hoor de laatste klanken van haar lippen. Haar engelengelaat--het was de laatste keer. Vaarwel mijn zielsgeluk, ik zie het nimmer weer.

Basilius.

..... »Zeg mij toch, wat ik van u denken moet, mijnheer Osbaldistone," zeide Mac-Gregor, terwijl hij mij de flesch toeschoof. »Gij eet niet, gij schijnt geen lust tot slapen te hebben, en gij drinkt ook niet. Toch is deze Bordeaux-wijn zoo goed, alsof hij uit den kelder van ridder Hildebrand zelven kwam. Waart gij altijd zoo matig geweest, dan zoudt gij u den doodelijken haat van uw neef Rashleigh niet berokkend hebben.

»Ware ik altijd voorzichtig geweest," zeide ik, blozend over het voorval waaraan dit mij herinnerde, »dan zou ik een nog veel grooter kwaad vermeden hebben: de wroeging van mijn eigen geweten."

Mac-Gregor wierp een snellen en bijna vertoornden blik op mij, als wilde hij uitvorschen of het verwijt, voor hem in die woorden gelegen, opzettelijk gedaan was. Maar hij merkte zeer duidelijk, dat ik aan mij zelven dacht. Diep zuchtende keek hij vóór zich in het vuur. Ik deed dit insgelijks. Zoo bleven wij gedurende eenige minuten in pijnlijke gedachten verdiept.

Alles sliep thans in de hut, of was ten minste doodstil. Wij beiden alleen uitgezonderd. Mac-Gregor brak 't eerst het stilzwijgen af, en wel op een toon, die duidelijk verried, dat het hem moeite kostte, over een onaangenaam en pijnlijk onderwerp te spreken.

»Mijn neef Nikolaas," dus begon hij, »meent het goed, maar hij heeft een man van mijn karakter en in mijne omstandigheden te streng behandeld. Hij bedenkt niet wat ik geweest ben; wat ik, door dwang genoodzaakt, heb moeten worden, en vooral niet, wat mij gedwongen heeft zoo te worden."

Hij zweeg, en ofschoon ik zeer wel gevoelde, hoe netelig het onderwerp was, waarop het gesprek ons hoogst waarschijnlijk zou brengen, kon ik echter mijn antwoord niet terughouden. Ik zeide dat ik er niet aan twijfelen kon, of in Robbert's tegenwoordigen toestand moest veel zijn, wat voor zijn gevoel alleszins smartelijk was. »Ja, met genoegen," voegde ik er bij, »zou ik vernemen, dat er hier of daar een eerlijk middel te vinden was, om u er uit te redden."

»Gij praat als een kind!" antwoordde Robbert op doffen toon, die naar het rollen van een verren donder geleek, »als een kind, dat waant, dat een oude knoestige eik zich even gemakkelijk laat buigen, als een jonge wilgentak. Kan ik vergeten, dat men mij onteerd heeft door mij buiten de wet te verklaren;--dat men mij gebrandmerkt heeft als een verrader; dat men eene belooning op mijn hoofd heeft gesteld, als ware ik een verscheurende wolf; dat men de mijnen behandeld heeft als een vossenpaar met hunne jongen, die ieder kwellen, tergen en beschimpen mag; dat men zelfs mijn naam, dien ik van eene lange en waarlijk edele reeks van voorvaderen ontving, geschandvlekt en bespot heeft voor de gansche wereld!"

Onder het spreken zag ik duidelijk, hoe hij zich door het optellen van geleden beleedigingen opzettelijk meer en meer driftig maakte, misschien wel om in zijn eigen oogen de dwalingen en misstappen te rechtvaardigen, waartoe hij zich had laten verleiden. Dit gelukte hem volkomen. Zijne grijze oogen schenen vlammen te schieten, terwijl hij met den voet stampte, den greep van zijn dolk vatte, den arm uitstrekte, de vuist krampachtig balde en eindelijk opsprong.

»Maar," vervolgde hij op denzelfden doffen toon van gesmoorde drift; »zij zullen voor den naam, dien zij gehoond hebben, voor den naam van Mac-Gregor, beven, sidderen! Van mijne wraak zullen zij hooren, die niet naar mij hooren wilden, toen ik mij bij hen over het mij aangedane onrecht beklaagde. De armzalige Hooglandsche veehandelaar, de bankroetier, wien ze alles ontroofden, wien zij onteerd en diep ellendig gemaakt hebben, omdat de hebzucht van anderen meer eischte, dan de arme man betalen kon; die zelfde veehandelaar zal in eene vreeselijke gedaante gericht over hen houden. Zij, die den kruipenden worm bespotten, en onder hunne voeten traden, mogen jammeren en kermen, als zij zien, dat de vuurspuwende draak op hen nederschiet. Maar waarom zou ik hierover spreken!" vervolgde hij op meer bedaarden toon, terwijl hij weder ging zitten. »Gij zult echter wel begrijpen, mijnheer Osbaldistone, dat het mijn geduld tergt, als ik gejaagd word als een otter, als een zalm in ondiep water, en dat wel door mijne eigen vrienden en buren. Een heilige zou het geduld verloren hebben, wanneer men hem met zoo vele zwaarden en pistolen bedreigd had, als mij heden bij den overtocht van Arondow overkomen is. Hoe veel te meer dan een Hooglander, die wegens zijn taai geduld juist niet zeer beroemd is, dat weet gij immers wel! Maar wat Nikolaas mij zeide, speelt mij nog door het hoofd. Het spijt mij voor mijne jongens. Mij wordt 't wezenlijk niet best te moede, als ik denk, dat zij eens in de voetstappen van hun vader zullen moeten treden."

Hij leunde met het hoofd op de hand en verdiepte zich geheel in gepeins over het lot van zijne zonen, terwijl zijn eigen lot hem onverschillig scheen te zijn.