Part 34
»Dat weet ik niet," hernam ik. »Als ik in mijn nachtkwartier kom, zal ik dat wel vernemen. Maar,"--voegde ik er bij, toen ik mij het deerniswaardige lot van den ongelukkigen Morris herinnerde,--»zoo gij Engelschen zijt, raad ik u terug te keeren en den dag af te wachten. Want er zijn in dezen omtrek dingen voorgevallen, en ik zou er niet voor durven instaan, dat de weg voor vreemdelingen volkomen veilig is."
»De militairen zijn geslagen, niet waar?"
»Ja, en een officier, wiens volk grootendeels gesneuveld was, is met eenige weinigen van zijn overgebleven manschappen gevangen genomen."
»Weet gij dat zeker?" vroeg de onbekende.
»Zoo zeker als ik u hoor spreken. Ik was tegen wil en dank getuige van het gevecht."
»Tegen wil en dank? Gij waart er dus niet in betrokken en hadt er geen deel aan?"
»Wel wis en waarachtig niet!" antwoordde ik. »Ik werd door dien officier in arrest gehouden."
»Op welk vermoeden? Wie zijt gij? Hoe heet gij?"
»Ik weet inderdaad niet," hernam ik, »waarom ik een onbekenden vreemdeling zoo vele vragen op eens zou beantwoorden. Ik heb u genoeg gezegd, om u te overtuigen, dat gij u in een onrustig, gevaarlijk oord bevindt. Wilt gij verder gaan, dat is uwe zaak; maar daar ik u noch naar uw naam, noch naar uw beroep vraag, verzoek ik u, mij met dergelijke vragen evenmin lastig te vallen."
»Als mijnheer Frans Osbaldistone"--zei de andere persoon met eene stem, die al mijne zenuwen deed trillen--»onbekend wenscht te blijven, dan moet hij zijn geliefkoosd liedje niet fluiten."
En Diana Vernon--want zij was het, die in een grooten ruitersmantel gehuld was--floot, mij nabootsende, het andere gedeelte van het lied, dat mij juist, toen zij mij inhaalden, op de lippen zweefde.
»Rechtvaardige hemel!" riep ik, als door den donder getroffen. »Zijt gij het, Freule Vernon?--hier in dit oord--op zulk een uur--in zulk een wetteloos land, gekleed--in...."
»In manskleeding? wilt gij vragen. Ja, wat kan ik er aan doen? Ten laatste blijkt de filosofie van korporaal Nym toch de beste: de wereldsche zaken haren wereldschen gang te laten gaan."
Terwijl zij zoo sprak, maakte ik ongeduldig van een buitengewoon helderen straal der maan gebruik, om haren reisgenoot op te nemen. Ik behoef niet te zeggen, dat ik tot jaloezie geprikkeld werd, verrast als ik was, Diana in zulk een eenzaam oord, op zulk een gevaarvollen tocht onder de bescherming van een enkel man te ontmoeten. De stem van haar geleider was welluidend als die van Rashleigh. Zijn toon was dieper en gebiedender. Ook was hij hooger van gestalte dan mijn vijand. Ik kon bij de spraak des onbekenden ook niet aan een mijner overige neven denken. Integendeel, zijn taal en uitspraak droegen geheel dit niet te omschrijven cachet, waaraan men reeds bij de eerste woorden den man van verstand en opvoeding herkent.
Mijn onderzoekende blik scheen hem lastig te zijn.--»Diana," zeide hij op een toon, die half goedig, half gebiedend klonk: »geef uw neef zijn eigendom terug: wij moeten hier niet veel tijd verspillen."
Diana had toen daarop een klein kistje te voorschijn gehaald, en toen zij zich van haar paard naar mij vooroverboog, zeide zij op een toon, waarin opgeruimde ernst met dieper gevoel en aandoening scheen te kampen: »Zoo als ge ziet, waarde neef, ik ben tot uw beschermengel geboren. Rashleigh is genoodzaakt geworden zijn buit af te staan. Hadden wij den vorigen nacht, zoo als ons voornemen was, het dorp Aberfoil bereikt, dan zou ik wel een gedienstigen geest uit het Hoogland hebben gevonden, die u deze belangrijke papieren in handen gespeeld zou hebben. Maar reuzen en draken zwierven overal langs den weg, en dolende ridders en jonkvrouwen van onzen tijd mogen zich niet, als in oude tijden, noodeloos in gevaar begeven. Doe dat ook niet, neefje!"
»Diana," hervatte haar geleider; »ik moet u nog eenmaal herinneren, dat de nacht op handen is, en dat wij nog ver van huis zijn."
»Ik kom, ik kom!" antwoordde zij, maar voegde er tegelijk zuchtende bij: »bedenk toch, dat ik eerst zoo laat aan beperking van mijn vrijen wil gewoon ben geworden. Ook heb ik mijn neef het pakje nog niet gegeven, noch hem vaarwel gezegd--voor altijd! Ja, Frans!" vervolgde zij--»voor altijd! Er ligt een afgrond tusschen ons beiden--een onoverkomelijke afgrond van onfeilbaar verderf. Gij moogt ons, waarheen wij ons ook begeven, volstrekt niet volgen; en aan hetgeen wij willen, moogt gij geen deel nemen. Vaarwel! Wees gelukkig!"
Toen zij zich van hare Hooglandsche merrie vooroverboog, raakte haar gelaat, misschien niet geheel onwillekeurig, het mijne aan. Zij drukte mijne hand, terwijl de traan, die in haar oog glinsterde, op mijne wang viel. Het was een onvergetelijk oogenblik--onuitsprekelijk bitter en toch zoo innig roerend. In een zoet, zalig gevoel, welden nog eenmaal de gewaarwordingen uit het diepst van mijn hart op. Maar het was slechts voor een oogenblik. Zich dadelijk herstellende van de aandoening, waaraan zij zich een seconde had overgegeven, zeide Diana tot haar reisgenoot, dat zij gereed was met hem te vertrekken. Zij gaven hun paarden de sporen en waren weldra ver van de plek verwijderd, waar ik vol verbazing bleef staan.
Neen! het was geene gevoelloosheid, die mijne tong belemmerde, dat ik Diana's halve omhelzing evenmin als haar vaarwel vermocht te beantwoorden. Het woord bestierf mij op de lippen, zoo bedwelmd was ik door verrassing en droefheid. Ik stond onbewegelijk, met het pakje papieren in de hand, en staarde hen na, alsof ik de vonken wilde tellen, die onder de hoefslagen hunner paarden uit de steenen spatten. Ik volgde hen met mijn blik, tot zij geheel uit het gezicht waren, en ik luisterde nog, toen het geluid van den hoefslag voor mij reeds niet meer hoorbaar was. Eindelijk kwamen mij de tranen in de oogen, die nog altijd staarden naar iets, dat niet meer zichtbaar was. Ik droogde ze werktuigelijk af, maar de tranen vielen hoe langer hoe meer. Ik gevoelde eene krampachtige opwelling in keel en borst. Ik zette mij op een steen aan den weg neder. De smartelijkste tranen, die ik sinds mijne jeugd vergoten had, heb ik daar vergoten, daar op dien eenzamen weg in het woeste Schotsche Hoogland.....
HOOFDSTUK XXXIV.
Waarlijk! Het komt mij voor, dat de verklaarder nog moeielijker te vatten is, dan de schrijver, dien hij verklaart!
De Criticus.
Niet lang liet ik de aandoeningen, die mij overweldigden, den vrijen loop. Weldra schaamde ik mij over mijne zwakheid. Ik herinnerde mij, dat ik sedert eenigen tijd, wanneer Diana's beeld mij voor den geest kwam, gepoogd had, haar als eene vriendin te beschouwen, aan wier welzijn ik weliswaar steeds innig deel moest nemen, maar tot wie ik in het vervolg in geen betrekking kon staan. Maar toen ik dacht aan hare met moeite onderdrukte teederheid in hare houding, aan de treffende verrassing van ons wederzien, bleef ik een poos geheel aan den indruk van het onbewaakte oogenblik. Spoedig kwam ik echter weder tot bedaren. Zonder mij tijd te gunnen, om mijne beweeggronden nauwkeurig te toetsen, vervolgde ik den weg, dien ik ingeslagen was, toen die zonderlinge verschijning mij verraste.
»Ik overtreed toch het gebod niet, dat zij mij zoo welmeenend, zoo ernstig roerend gegeven heeft,"--zeide ik tot mij zelven.--»Ik wil immers mijne reis slechts langs den eenigen open weg vervolgen. Mijns vaders eigendom heb ik, weliswaar, door haar teruggekregen. Maar mij rest nog de vervulling van een duren plicht jegens mijn vriend Jarvie. Ik moet hem uit den gevaarlijken toestand redden, waarin hij om mijnentwil geraakt is. En waar anders dan te Aberfoil zou ik een nachtverblijf vinden? Ook zij moeten dáár blijven; te paard kunnen zij onmogelijk verder komen. Wij zullen dus elkander wederzien, en dan misschien nooit meer! Maar ik zal haar zien; ik zal te weten komen wie de gelukkige is, die zich bijna als haar echtgenoot gedraagt. Ik zal te weten komen, of er in den neteligen toestand, waarin zij zich schijnt te bevinden, eenig gevaar is, dat ik vermag uit den weg te ruimen; of ik iets doen kan, om mijne dankbaarheid voor hare grootmoedigheid, voor hare onbaatzuchtige vriendschap, te betoonen."
Aldus redeneerde ik in mijzelf. Ik verontschuldigde mijn hevig verlangen om Diana nog eenmaal weder te zien, nog eenmaal te spreken, met elk schijnbaar voorwendsel, dat ik maar wist te bedenken.--Terwijl ik nog op deze wijze redeneerde, hoorde ik plotseling, terwijl ik een slag op den schouder ontving, een »holla!" achter mij, en de diepe stem van een Hooglander, die nog vlugger ging dan ik, riep mij toe: »Een heerlijke nacht, mijnheer Osbaldistone! wij hebben elkander wel eens vroeger om dezen tijd ontmoet."
Het was Robberts stem, daaraan viel niet te twijfelen; aan zijn vervolgers ontkomen, bevond hij zich thans op den terugweg naar zijne woestenij en zijne bende. Ook had hij zich weder gewapend, waarschijnlijk bij een geheimen vriend; want over zijn schouder hing een geweer, en aan zijne zijde het gewone wapen der Hooglanders. In eene andere gemoedsgesteldheid zou het mij juist niet aangenaam zijn geweest, met een man van zijn aard onder zulke omstandigheden en zoo laat in den avond alleen te zijn. Want hoezeer ik ook gewoon was, Robbert als vriend te beschouwen, moet ik toch gul bekennen, dat na al wat ik van hem had hooren vertellen, ik onwillekeurig bang voor hem was.
En zijne wijze van spreken droeg daartoe bij. In den mond der Schotsche bergbewoners hebben de woorden namelijk een diepen, doffen toon, zoowel wegens de vele keelklanken, welke zij bezigen, als omdat zij de woorden met een bijzonderen nadruk uitspreken. Daarbij had Robbert eene soort van barsche onverschilligheid, als van een gemoed, dat door niets versaagd, verrast of bewogen werd, hoe vreeselijk, plotseling of treffend het voorval ook zijn mocht. Aan gevaren gewoon, en op eigen krachten, op eigen scherpzinnigheid vertrouwende, was hij onvatbaar voor vrees geworden, en zijne gevoelens omtrent anderen waren door zijn wetteloos en steeds rusteloos leven, verstompt, zoo al de gevaren en wanbedrijven van die levenswijze ze niet geheel vernietigd hadden. Daarbij kwam nog, dat ik eerst kort te voren getuige was geweest van de wreedheid, waarmede een smeekende, weerlooze ongelukkige door de aanhangers van dezen man opgeofferd was geworden.
Op dit oogenblik echter, door smartelijke gedachten gepijnigd, vond ik in het gezelschap van den balling eene groote verlichting. Ik gaf mij aan de hoop over, dat ik door zijne hulp een leiddraad in den doolhof zou kunnen erlangen, waarin mijn noodlot mij gebracht had. Hartelijk beantwoordde ik dus zijne begroeting, en wenschte hem geluk met zijne redding uit een toestand, waaruit verlossing bijna onmogelijk scheen te zijn.
»Nu ja," zeide hij, »tusschen den hals en de galg is de afstand even groot, als tusschen den beker en den mond. Maar mijn gevaar was geringer, dan gij u misschien verbeeld hebt, omdat gij hier te lande een vreemdeling zijt. Onder degenen, die mij moesten gevangennemen, vasthouden en weder gevangennemen, wilde de eene helft eigenlijk in het geheel niet dat men mij zou vangen. En van de andere helft was een deel te bang om zich aan mij te wagen. Zoo had ik slechts met een handvol volks, in 't geheel geen vijftien man, te doen."
Nu vroeg hij naar hetgeen mij bejegend was sedert mijne komst in de Hooglanden, en lachte hartelijk om mijn verhaal van het gevecht in de herberg en van Jarvie's heldendaad met het gloeiende rakelijzer.
»Leve Glasgow!" riep hij. »Op mijn woord, die grap had ik wel eens willen bijwonen! Sakkerloot, wat zal die knaap gekeken hebben, toen neef Nikolaas hem zijn plaid verzengde! Ja! neef Jarvie," voegde hij er ernstiger bij, »heeft toch wel nog edel bloed in zijne aderen, ofschoon hij tot een beroep is opgevoed, dat slechts geschikt is, om den moed van een flink mensch uit te dooven.--Overigens zult gij licht kunnen gissen, waarom ik u in de herberg niet kon ontmoeten. Toen ik voor een paar dagen wegens eene zaak van groot belang voor den koning te Glasgow was, hadden zij mij een fijnen strik gespannen; maar ik verbeeld mij, dat ik hun leelijk bij den neus heb gehad. Voortaan zullen zij den eenen clan niet weder tegen den anderen kunnen opruien, zoo als zij gedaan hebben. Spoedig hoop ik den dag te beleven, dat alle Hooglanders voor ééne gemeenschappelijke zaak strijden zullen.--Nu, wat gebeurde er verder?"
Ik verhaalde hem, dat een de herberg binnenkomende officier mij en mijne reisgenooten als verdachte personen in hechtenis had genomen, en toen ik, op Robberts nader vragen, hem mededeelde wat Thornton van zijn orders om een bejaard en een jong man te arresteeren gezegd had, begon hij weder luidkeels te lachen.--»Zoo waar ik leef," zeide hij, »zij hebben mijn vriend Jarvie voor zijne Excellentie en u voor Diana Vernon gehouden. O, die sluwe nachtuilen!"
»Freule Vernon?" vroeg ik stamelend en verwachtte angstig het antwoord. »Heet zij nog zoo? Ik heb haar zoo even ontmoet met een man, die eenige macht over haar scheen te hebben."
»Ja, ja!" hernam Robbert: »zij staat thans onder wettig gezag. Nu, het was met dat wilde schepsel ook hoog tijd! Maar zij is toch een moedig meisje: dat moet tot hare eer gezegd worden. Jammer, dat zijne Excellentie een weinigje te oud is. Een jongeling als gij, of mijn Robbert, of mijn Jakob, zou haar beter voegen."
Zoo vielen dan de luchtkasteelen ineen, welke mijne verbeelding, in weerwil van mijn verstand, zich met zooveel zelfbehagen gebouwd had! Ik had trouwens inderdaad niets anders te verwachten, daar ik onderstellen moest, dat Diana slechts met een man, die rechtmatige aanspraak had om haar beschermer te zijn, in zulk een land en op zulk een tijd reizen kon. Toch was de slag, toen hij mij trof, niet minder smartelijk, en hoorde ik ter nauwernood Robberts woorden, toen hij mij uitnoodigde om mijn verhaal te vervolgen.--
»Gij zijt ziek," zeide hij, toen hij mij tweemaal aangesproken had, zonder antwoord te ontvangen. »Het dagwerk is te moeielijk geweest voor iemand, die buiten twijfel aan dergelijke dingen niet gewoon is."
De vriendelijke toon dezer woorden bracht mij weder tot mij zelven, en herinnerde mij, wat mijn toestand vorderde. Ik vervolgde mijn verhaal, zoo goed ik kon, en Robbert verheugde zich innig over den gelukkigen uitslag van het gevecht in den bergpas.
»Men zegt wel eens," zeide hij, »dat het kaf van den koning beter is dan het koren van andere lieden. Maar dit zal men toch waarachtig van 's konings soldaten niet kunnen zeggen. Toch hebben zij zich laten vangen door een hoopje oude kerels, die eigenlijk niet meer vechten kunnen, door een paar knapen, die nog eerst moeten leeren vechten, en door vrouwen met hare spinnewielen. En dan nog die Dugald! Wie zou gedacht hebben, dat er zoo veel schranderheid in dien leelijken kop zat. Maar verder! Ik ben al bang voor hetgeen volgen zal. Mijne Helena is, als haar bloed begint te gisten, eene duivelin! Dat arme schepsel heeft er trouwens reden genoeg voor!"
Met zooveel verschooning als mogelijk was, poogde ik hem te verhalen, hoe men ons ontvangen had, maar ik bemerkte duidelijk genoeg, dat mijn verhaal hem zeer pijnlijk was.
»Duizend guinjes gaf ik er voor, als ik te huis geweest ware!" zeide hij. »Vreemdelingen te mishandelen, en dan nog wel mijn eigen neef die zoo goedig, zoo welwillend jegens mij was! Liever wilde ik, dat zij in hunne woede het halve land uitgeplunderd hadden. Maar zoo gaat het, als men zich op vrouwen en kinderen verlaat: die weten van maat noch rede in al wat zij doen. Maar die schurk Morris heeft de schuld aan alles. Hij bedroog mij, toen hij voorgaf, dat hij eene boodschap van uw neef Rashleigh had, dien ik op eene bepaalde plaats ontmoeten zou, waar hij mij eene gewichtige zaak van wege den koning zou mededeelen. Ik dacht dat het reeds zoo ver gekomen was, dat Galbraith van Garschattachin en een gedeelte der landweer zich voor koning Jakobus wilden verklaren. Maar ik merkte al terstond, dat men mij bedrogen had, toen ik hoorde, dat de hertog er was. Toen zij mij met den buikriem de armen vastbonden, kon ik waarlijk wel gissen, wat mij te doen stond. Ik kende uw neef. Hij is een sluwe knaap, met uw verlof, en gebruikt gaarne lieden van zijne soort tot zijne oogmerken. Ik hoop maar, dat hij zelf er zich niet mede bemoeid heeft. Die Morris keek ook verduiveld vreemd op, toen ik besloot, dat hij tot mijne terugkomst als gijzelaar bij de mijnen zou blijven. Maar ik ben teruggekomen, ten spijt van hen, die zich van hem bediend hebben; en nu zal het de vraag zijn, hoe de kerel zelf weder vrij zal komen. Zonder losgeld niet, dat durf ik u wel verzekeren."
»Morris," hernam ik, »heeft reeds het laatste losgeld betaald, wat een mensch betalen kan."
»Wat zegt gij daar?" riep Robbert driftig uit. »Maar toch in het gevecht gesneuveld?"
»In koelen bloede vermoord, toen het gevecht reeds geëindigd was, mijnheer Campbell!" hernam ik.
»In koelen bloede? Vervloekt!" mompelde Robbert. »Maar hoe kwam dat? Zeg mij alles, en noem mij niet langer mijnheer, of Campbell. Ik sta hier weder op mijn geboortegrond, en mijn naam is Mac-Gregor."
Ik merkte dat hij min of meer boos werd, maar zonder mij aan zijn ruwen toon te storen, verhaalde ik hem kort en duidelijk, hoe Morris vermoord was.
Hij stiet met veel hevigheid met de kolf van zijn geweer op den grond en riep uit: »Na zulk een daad zou men bloedverwanten, clan, vaderland, vrouw en kinderen afzweren! En toch, de schurk heeft het al lang verdiend. Eigenlijk is het toch zoo tamelijk hetzelfde, of men met een steen aan den hals onder het water worstelt, of met een strop om den hals in de lucht bengelt: het loopt immers alles op verstikken uit, en hij heeft juist zulk een dood ondergaan, als hij mij toegedacht had. Maar veel beter zou het mij bevallen hebben, als zij hem door een kogel of een dolkstoot naar de andere wereld geholpen had. De wijze waarop men hem uit den weg heeft geruimd, zal veel onnut gepraat verwekken. Maar niemand ontgaat zijn noodlot, en waar is het, dat Helena Mac-Gregor zware grieven te wreken heeft!"
Met deze woorden scheen hij zich dit voorval geheel uit het hoofd te zetten. Hij vroeg, hoe ik van de ruiters vrijgekomen was, in wier macht hij mij had gelaten. Mijn verhaal was kort, en ik voegde er nog bij, dat ik weder in het bezit van mijns vaders papieren was geraakt, maar waagde het niet Diana's naam te noemen.
»Dat gij die papieren terugkrijgen zoudt, wist ik," zei Mac-Gregor. »De brief, dien gij voor mij medebracht, verwittigde mij, dat zijne Excellentie daarin toestemde, en zeer zeker was ook ik voornemens, u daarin behulpzaam te zijn. Daarom had ik u uitgenoodigd, om in onze gebergten te komen. Maar zijne Excellentie heeft Rashleigh eerder gevonden, dan ik dacht."
Het eerste gedeelte van dit antwoord verraste mij zeer.
»Was dan," vroeg ik, »de brief, dien ik u bracht, van den man, dien gij Excellentie noemt? Wie is hij? Wat is zijn rang, zijn naam?"
»Mij dunkt," hernam Robbert, »dat, daar gij er niets van weet, het u al tamelijk onverschillig moet zijn, en daarom zal ik u ook van dat alles volstrekt niets mededeelen. Maar ja, ik wist dat de brief van zijne eigen hand was, anders zou ik mij niet zooveel om uwe zaak bekommerd hebben, daar ik, zooals ge begrijpt, genoeg te doen heb met mijne eigene zaken."
Nu herinnerde ik mij het licht, dat ik zoo dikwerf in de boekenkamer had gezien; vervolgens al die omstandigheden, waardoor mijne jaloezie was opgewekt geworden: den handschoen, de beweging van het behangsel, dat den geheimen gang naar Rashleigh's verblijf bedekte. Ik herinnerde mij ook, dat Diana zich eens verwijderd had, om, zoo als ik toenmaals geloofde, den brief te schrijven, die in den uitersten nood mijne toevlucht moest zijn. Zij had dus haren tijd niet in eenzaamheid doorgebracht, maar aan de vleierijen van een vermetelen aanhanger der Jakobieten gehoor gegeven, die zich heimelijk in haar ooms huis ophield. Andere meisjes, zeide ik tot mij zelven, laten zich door goud verschalken, of worden door ijdelheid aan hare eerste liefde ontrouw. Maar Diana heeft mijne en hare liefde opgeofferd, om in het lot van een ellendigen avonturier te deelen, om bij nacht in woestenijen de schuilhoeken van roovers op te sporen, zonder hoop om daardoor iets te winnen, dan het armzalige schaduwbeeld van rang en geluk, die het nog armzaliger hof van den naamkoning (den Pretendent) in Saint-Germain oplevert. Ik wil haar nog eenmaal zien, dacht ik. Ik zal als vriend, als bloedverwant, haar over het gevaar onderhouden, waaraan zij zich blootstelt. Ik zal haar de vlucht naar Frankrijk gemakkelijk maken. Daar kan zij aangenamer, passender en veiliger den afloop der onlusten afwachten waarmee de bedrieger, met wien ze haar lot vereenigd heeft, zich bezighoudt.
»Het schijnt dus," zeide ik, na eenige minuten gezwegen te hebben, »dat zijne Excellentie, zoo als ik den man maar noemen zal daar ik zijn naam niet ken, ter zelfder tijd met mij in het kasteel Osbaldistone zijn verblijf hield?"
»Juist!" antwoordde Robbert, »en wel in de kamers van Freule Diana, wat ook wel het raadzaamste was."
Deze ongevraagde mededeeling vermeerderde niet weinig mijn ijverzuchtigen toorn.
»Maar slechts zeer weinigen," vervolgde Robbert, »behalve Rashleigh en de ridder Hildebrand, wisten, dat hij zich daar bevond. Gij mocht niets vermoeden. En de overige heeren, uwe neven, bezitten niet eens zoo veel verstand, dat zij eene kat van den roompot kunnen wegjagen. Intusschen is dat Osbaldistone een heel aardig kasteeltje, met zijn vele kelders, geheime gangen en sluiphoeken. Men zou er twintig of dertig man kunnen verbergen, en er zou eene geheele week kunnen verloopen, zonder dat de bewoners hen ontdekten. Bij sommige gelegenheden kan dit van onberekenbaar groot nut zijn. Ik wenschte wel, dat wij iets dergelijks in onze gebergten hadden, maar wij, arme Hooglanders, moeten ons met bosschen en holen behelpen."
»Vermoedelijk," vroeg ik, »wist zijne Excellentie van het eerste ongeval van...."
»Die historie van dien Morris, meent ge?" vroeg Robbert op koelen toon, toen ik plotseling zweeg; want hij was te zeer aan gewelddadigheden gewoon, dan dat de aandoening, welke hij in het eerst had laten, blijken, van langen duur zou hebben kunnen zijn. »Eigenlijk," hernam hij, »heb ik om die grap hartelijk gelachen; toch zou ik, sedert die noodlottige historie aan het meer, dat nu niet nog eens willen doen. Neen, neen, zijne Excellentie wist er volstrekt niets van; Rashleigh en ik hadden het alleen beredderd. Maar wat naderhand gebeurde--dat namelijk Rashleigh de verdenking van zich wist af te wenden en op u te werpen, terwijl hij u reeds van te voren niet zeer genegen was,--dat freule Diana hebben wilde, dat wij ons spinneweb weder vernietigen en u uit de klauwen der heilige gerechtigheid rukken zouden,--en dat de verschrikte Morris geheel en al van zijn stuk geraakte, toen hij den rechten man zag, op het oogenblik dat hij een onschuldig mensch aanklaagde--o daarover heb ik nog dikwijls moeten lachen. En wat kan ik nu voor den armen drommel anders doen, dan dat ik een paar zielmissen voor hem laat lezen?"
»Mag ik vragen," hernam ik, »waardoor freule Diana zoo veel invloed op Rashleigh en zijne helpers heeft gekregen, dat zij in staat was, om uwe plannen te verijdelen?"
»Het zijn geen plannen van mij?" zeide hij. »Ik heb er eigenlijk niets mede te maken. Niemand kan zeggen, dat ik mijn eigen last ooit op eens anders schouders heb gelegd. Maar, het is waar, zij heeft grooten invloed op ons beiden, wegens de genegenheid van zijne Excellentie, en omdat zij met te veel geheimen bekend is, dan dat het raadzaam zou zijn, haar boos te maken. Maar de satan hale dengene, die aan vrouwen een geheim toevertrouwt, of haar in de gelegenheid stelt, om er misbruik van te kunnen maken! Kinderen en gekken moet men geen mes in de hand geven."