Robbert Roodhaar

Part 33

Chapter 333,915 wordsPublic domain

»En even dwaas zou het wezen," hernam de hertog, »als wij ons hier aan het gevaar blootstellen van gedurende den nacht overvallen te worden. Ik stel u dus voor, naar Duchray en Gartartan terug te trekken en onze wachtposten tot den morgen uit te zetten. Maar voor dat wij scheiden, wil ik Robbert in uwer aller tegenwoordigheid verhooren, ten einde gij u met uwe eigen oogen en ooren kunt overtuigen, hoe ongeraden het zijn zou, hem weder gelegenheid tot nieuwe daden van geweld te geven."

Op bevel van den hertog werd de gevangene voorgebracht. Zijne handen waren samengebonden en met een buikriem op den rug gekneveld. Twee onderofficieren hielden hem van weerskanten vast, en twee mannen met geladen karabijnen en opgezette bajonetten stonden achter hem.

Ik had dezen man nog nooit in zijne landskleeding gezien, die het eigendommelijke van zijne gestalte nog meer deed uitkomen. Zijn gekroesd rood haar, dat de hoed en pruik der Laaglandsche dracht grootendeels verborgen had, stak onder de Hooglandsche muts uit, en billijkte den bijnaam Roodhaar, onder welken hij in het Laagland 't best bekend was. Trouwens, zoo deze naam, niet bijzonder op zijn hoofdhaar toepasselijk ware, had men hem dien ook met het oog op zijn beenen kunnen geven. Van den zoom zijns roks tot aan den rand der slobkousen, volgens de Hooglandsche gewoonte naakt, waren die met rood haar, inzonderhand rondom de knie, bedekt. Daardoor en ook wegens hunne krachtige spieren, zagen ze er uit als de schenkels van een rooden Hooglandschen stier.

Zijne veranderde kleeding, gevoegd bij hetgeen men mij ten opzichte van zijn woest en wreed karakter verhaald had, gaf hem thans in mijne oogen een veel vreeselijker voorkomen, dan ooit te voren. Nauwelijks herkende ik hem.

Zijne houding was vrijmoedig, ongedwongen, en in zoover zijne banden hem niet hinderden, fier en waardig. Hij boog voor den hertog, knikte Garschattachin en de overigen toe, en scheen verwonderd te zijn, dat hij ook mij in dit gezelschap vond.

»Wij hebben elkander sinds lang niet gezien, mijnheer Campbell!" zei de hertog.

»Dat is waar, Milord!" antwoordde Robbert; »en ik wenschte wel, dat deze ontmoeting op een tijd ware voorgevallen, dat ik u beter en voegzamer mijn verschuldigden eerbied had kunnen bewijzen!" voegde hij er, met een blik op zijne geboeide armen, met veel nadruk bij.--»Doch die tijd zal wel eens wederkomen!"

»Geen tijd is zoo goed als de tegenwoordige, mijnheer Campbell!" hernam de hertog. »Nog slechts zeer weinige zijn de uren, die u resten, om uwe rekening met deze wereld te vereffenen. Dit zeg ik niet, om met uw ongelukkigen toestand te spotten. Maar gij zelf moet zeer goed inzien, dat gij het einde van uwe aardsche loopbaan genaderd zijt. Ik erken gaarne, dat gij u vaak menschelijker, grootmoediger gedragen hebt, dan anderen van uw heilloos beroep, ja, dat gij nu en dan bewijzen van een edelen aanleg en van gezindheden hebt gegeven, die iets beters van u deden hopen. Maar gij weet zelf hoe lang gij de schrik en plaag uwer vreedzame buren geweest zijt. Gij weet ook, door welke gewelddadigheden gij uwe onwettige heerschappij gehandhaafd en uitgebreid hebt. Kortom, gij weet, dat gij den dood verdient en u daarop voorbereiden moet."

»Milord," hernam Robbert; »ofschoon ik u op goede gronden mijn ongeluk zou kunnen wijten, zal ik echter nooit zeggen, dat gij willens en wetens daarvan de oorzaak en bewerker zijt geweest. Had ik dit geloofd, hertog, dan zoudt gij heden niet tegenover mij staan. Want driemaal heb ik u onder het bereik van mijn geweer gehad, en men weet zeer goed, dat mijn kogel nooit mist. Maar men heeft mij bij u belasterd. Men heeft u tegen een man vooringenomen, die eens zoo vreedzaam was, als iemand in het gansche land wezen kan. Ja, men heeft uw naam misbruikt, om mij tot het uiterste te brengen. Maar dit alles heb ik hun vergolden. En ik zeg u, ik hoop het te beleven, hun ook te vergelden wat gij thans tot mij gezegd hebt!"

»Dat is mij bekend," zei de hertog met klimmend misnoegen, »dat gij een koene, onbeschaamde knaap zijt, die woord houdt, als hij zijn medemenschen onheil zweert. Maar ik zal zorg dragen, dat de macht daartoe u voor altijd benomen wordt. Gij hebt geene andere vijanden, dan uwe booze daden."

»Had ik Grahame geheeten in plaats van Campbell, dan zou men mij zulke taal zeker niet hebben doen hooren!" hernam Robbert op wreveligen, vasten toon.

»Gij zult wel doen, met uwe vrouw, uwe verwanten en aanhangers te waarschuwen, dat zij zich wachten, de personen, die thans in hunne macht zijn, eenig leed toe te voegen. Want duizendvoudig zal ik zelfs de geringste beleediging wreken, die de uwen zich verstouten getrouwen onderdanen van den koning aan te doen."

»Milord," antwoordde Robbert, »geen van mijne vijanden kan zeggen, dat ik een bloeddorstig man ben geweest. Bevond ik mij thans onder de mijnen, ik zou vier- of vijfhonderd Hooglanders even licht kunnen regeeren, als gij deze acht of tien lakeien. Maar wilt gij het hoofd van een stam doen vallen, dan moet gij er staat op maken, dat dit geenszins ongewroken zal blijven. Intusschen, hoe het ook gaan mocht, er is onder onze gevangenen een braaf man, mijn neef; dien mag volstrekt geen leed wedervaren. Is hier niemand, die voor Mac-Gregor iets goeds wil doen? Hij kan het nog wel vergelden, ofschoon zijne handen thans geboeid zijn."

De Hooglander, die den hertog den brief had gebracht, zeide: »Ik zal doen wat gij begeert, Mac-Gregor, en terstond naar het dal terugkeeren."

Hij trad voor, en de gevangene gaf hem eene boodschap aan zijne vrouw, maar daar hij Gaelisch sprak, kon ik van hetgeen hij zeide geen enkel woord verstaan, hoewel ik niet twijfelde, dat het eenige bevelen aangaande Jarvie's veiligheid betrof.

»Ziet die schaamteloosheid eens aan!" zei de hertog. »Hij waant zich veilig als afgezant. Hij gedraagt zich even als zijne meesters, die ons eerst uitnoodigden om gemeenschappelijk met hen tegen de roovers op te trekken, en ons verlaten, zoodra zij met die roovers omtrent de landerijen overeengekomen zijn, waarover zij met hen in twist waren. Neen, neen! er bestaat geen trouw onder het volk, dat de plaid en tartan draagt. Als een kameleon verwisselt het duizendmaal van kleur."

»Zoo sprak uw beroemde stamvader niet, Milord!" antwoordde Galbraith; »en met uw welnemen, ook gij zoudt geen recht hebben zoo te spreken, als men maar jegens iedereen de billijkheid in het oog wilde houden. Laat ieder zijn eigen weg gaan en zijne eigen muts dragen zoo als hij verkiest. Dan zal er spoedig geen twist meer in het land zijn."

»Stil, stil, Galbraith!" zeide de hertog op bestraffenden toon; »dat zijn gevaarlijke woorden, welke gij u vermeet tegen mij te spreken. Verbeeldt gij u een bevoorrecht persoon te zijn? Gij moet met uwe manschappen naar Gartartan opbreken. Ik zelf zal den gevangene naar het kasteel Duchray laten brengen en u morgen mijne nadere bevelen zenden. Ik beveel u geen man van uw volk verlof te verleenen."

»Bevel en tegenbevel!" mompelde Galbraith tusschen de tanden. »Maar geduld! de bakens zullen spoedig verzet worden: de koning komt."

De beide ruiterbenden maakten zich tot den marsch gereed, om nog vóór het vallen van den avond het dal te verlaten en hun nachtkwartier te bereiken. Ik voor mij ontving een soort bevel om het krijgsvolk te vergezellen. Ik zag, dat ik zoo al niet als gevangene, ten minste als een verdacht persoon beschouwd werd. De omstandigheden waren in alle opzichten gevaarlijk. De partijgeest van de aanhangers der Jakobieten en Hannoveranen verdeelde het land. De aanhoudende twisten en ijverzucht tusschen de Hooglanders en Laaglanders gaven tallooze andere aanleidingen tot twisten. De voornaamste geslachten in Schotland waren tegen elkander in het harnas gekomen. Dit alles verwekte zulk een algemeenen argwaan, dat de eenzame vreemdeling op zijne reizen steeds allerlei onaangename ontmoetingen te duchten had. Ik onderwierp mij geduldig aan mijn lot, en troostte mij met de hoop, om van den gevangene nog eenige berichten aangaande Rashleigh en diens listen te erlangen. Mijne bedoeling was echter geenszins alleen eigenbelang. Ik had te veel sympathie voor mijn zonderlingen vriend, dan dat ik niet zou gewenscht hebben, hem van dienst te zijn, nu hij dit in zijn ongelukkigen toestand zoo dringend noodig had en op welke wijze ik maar zou kunnen.

HOOFDSTUK XXXIII.

Bestijgt de brug en spant zijn boog En springt in 't kille nat, En zwemt met kracht en komt aan wal Verdwijnt langs kronk'lend pad.

Gil Morrice.

Aan beide zijden van het dal weergalmde het geschal der trompetten tegen de rotsen en in de enge passen, toen de ruiters in twee benden langzaam aftrokken. Galbraith's troep wendde zich rechts en ging over de Forth om een in de nabijheid liggend kasteel te bereiken, waar hij de nacht zou doorbrengen. De overgang van het krijgsvolk over de rivier leverde een levendig tooneel op. Maar wij verloren hen weldra uit het gezicht, daar zij aan den anderen oever tusschen de boomen verdwenen.

Onze bende marcheerde in redelijk goede orde voort. De hertog liet den gevangene, ten einde zich voldoende van hem te verzekeren, achter een man van zijn gevolg, met name Ewan en Brigglands, die zich door zijne buitengewone sterkte en grootte onderscheidde, op het paard plaatsen. Een buikriem, die beiden om het lijf geslagen en vóór op 's ruiters borst vastgemaakt was, maakte het Robbert volstrekt onmogelijk te ontkomen. Ik kreeg een van de handpaarden, en moest naast hen rijden. Overigens waren wij dicht door de andere ruiters omringd, als de breedte van den weg dit maar vergunde. En steeds hadden wij één of twee man met geladen pistool ter hand, naast ons. Andries, die men op een buitgemaakt Hooglandsch paardje had gezet, reed tusschen 's hertogs bedienden, die in grooten getale den trein volgden, zonder zich onder de geregelde troepen te mengen.

Weldra bereikten wij de plaats, waar ook wij de rivier moesten overtrekken. De Forth is, zelfs daar, waar die niet breed is, van aanmerkelijke diepte. De weg liep langs een steil, smal pad, waar de ruiters slechts één voor één langs konden komen. Terwijl de voorsten, de een na den ander, naar beneden reden, moesten de daaropvolgenden aan den oever stilhouden, waardoor oponthoud, en zelfs eenige verwarring ontstond, daar verscheidene ruiters, die niet tot de eigenlijke soldaten behoorden, naar de doorwaadbare plaats drongen, en de ruiterij, die anders vrij goed geoefend was, insgelijks min of meer in wanorde brachten.

Toen wij aldus op den oever zoo samengedrongen stonden, hoorde ik, dat Robbert den man, achter wien hij zat, de woorden toefluisterde: »uw vader, Ewan, zou een oud vriend waarlijk niet als een kalf ter slachtbank gevoerd hebben, al hadden ook al de hertogen in het gansche Christendom dat van hem gevergd."

Ewan antwoordde niet. Maar zijn schouderophalen scheen te zeggen, dat hij hier niet vrijwillig handelde. Hij wilde misschien wel anders, maar hij kon er niets aan veranderen.

»En als Mac-Gregor's stam in uw land komt, ging Campbell voort, en gij ziet de ledige schaapskooien, en bloed op den haard, en de vlam uit het dak van uwe woning slaan, dan zult gij zeker bij u zelven zeggen: ware mijn vriend Robbert hier aan het hoofd geweest, dan zou ik zeker dat alles niet verloren hebben."

Ewan haalde nogmaals de schouders op en zuchtte, maar sprak geen enkel woord.

»Het is toch wel jammer," vervolgde Robbert en fluisterde zijne vleiende woorden Ewan zoo zacht in het oor, dat ik alleen ze hooren kon, ik, die zeker geene roeping gevoelde, om hem zijn laatste hoop op ontvluchting te benemen.--»Het is wel jammer, dat Ewan, wien Robbert Mac-Gregor met zijn arm, zijn zwaard en zijn beurs bijstand heeft verleend, liever den wil van een groot heer gehoorzaamt, dan dat hij dankbaar het leven van zijn vriend redt!"

Ewan scheen getroffen, maar zweeg.

Op dat oogenblik riep de hertog van den anderen oever: »brengt den gevangene over!"

Ewan gaf zijn paard de sporen, en juist toen ik Robbert hoorde zeggen: »Weeg toch het bloed van een Mac-Gregor niet tegen een behendig losgemaakten buikriem! want hier en hier namaals zal van dat bloed rekenschap gegeven worden;"--reden zij mij snel voorbij en spoedden zich te water.

»Nog niet! nog niet, mijnheer!" riepen eenige ruiters mij toe, toen ik Ewan en Robbert volgen en mij door het gedrang plaats wilde maken. Bij het flauwe licht van den vallenden avond zag ik den hertog aan den anderen oever bezig met de ruiters, die deels hooger, deels lager, aan land kwamen, in orde te scharen. Velen waren de rivier reeds overgetrokken, anderen bevonden zich nog midden in het water, en de overigen maakten zich gereed om hunne kameraden te volgen, toen een plotseling gedruisch in het water mij te kennen gaf, dat Mac-Gregors welsprekendheid over Ewans bedenkingen gezegepraald had. De hertog hoorde insgelijks dat gedruisch en giste terstond de oorzaak.

»Schurk!" riep hij Ewan toe, toen deze aan land kwam: »waar is uw gevangene?"--En zonder de verontschuldiging af te wachten, die de bedremmelde ruiter begon uit te stamelen, brandde hij een pistool op hem los.--Of hij hem doodelijk trof of niet, weet ik niet; maar hij voegde er dadelijk bij, terwijl hij zich naar de overige ruiters keerde: »verspreidt u, vervolgt den hond! Honderd guinjes voor hem, die mij Robbert terug brengt!"

De beide oevers der rivier werden thans een tooneel der levendigste verwarring. Robbert, dien Ewan buiten twijfel door den buikriem, waarmede zij samengebonden waren, los te maken bevrijd had, was ijlings in het water gesprongen en onder den buik van het paard weggezwommen. Daar hij echter genoodzaakt was, voor een oogenblik naar de oppervlakte te komen ten einde adem te halen, verried hem weldra het scheren van zijn bonten plaid. Eenige ruiters stortten zich dadelijk in de rivier, nu eens met hunne paarden zwemmende, dan weder ze verlatende en met moeite tegen den stroom worstelende. Anderen, minder ijverig, of liever voorzichtiger, galoppeerden in verschillende richtingen langs beide oevers op en neder, om de plaatsen in het oog te houden, waar de vluchteling zou kunnen landen. Het luid herhaalde geschreeuw, het roepen om bijstand hier en daar, waar men eenig teeken van den ontsnapte zag of althans meende te zien, dat de weerklank der pistool- en geweerschoten, die op elk voorwerp gelost werden, dat slechts eenigszins argwaan wekte; het gezicht van zoo vele ruiters, die her- en derwaarts in de rivier en langs den oever reden en hunne lange sabels tegen alles zwaaiden, wat hunne opmerkzaamheid trok; de vruchtelooze pogingen der officieren om de orde te herstellen, dit alles in een zoo woest oord, en bij het flauwe schemerlicht van een somberen herfstavond nauwelijks zichtbaar, vormde het zonderlingste tooneel, dat ik ooit aanschouwd had, en in deze aanschouwing bleef ik geheel aan mij zelven overgelaten, daar al de ruiters zich verstrooid hadden, om den vluchteling na te rennen, of den afloop hunner nasporingen te zien. Reeds toen vermoedde ik, en werd er naderhand volkomen van overtuigd, dat velen van degenen, die zich het ijverigste schenen te bemoeien om den vluchteling te ontdekken, eigenlijk het allerminst wenschten, dat men hem weder meester mocht worden, en slechts medeschreeuwden, ten einde de algemeene verwarring te vermeerderen en Robbert des te betere gelegenheid te geven om aan zijne vervolgers te ontkomen.

Voor een geoefenden zwemmer, als Robbert was, viel dit trouwens, in 't geheel niet moeielijk, zoodra slechts de eerste drift dergenen, die hem nazetten, een weinig bekoeld was. Eens waren zij hem echter zeer nabij, en rondom hem werden tallooze schoten en sabelhouwen in het water gedaan. Ik herinnerde mij, dit ziende, de otterjacht, die ik te Osbaldistone had bijgewoond, waarbij het dier, wanneer het den neus boven het water stak om adem te halen, door de honden ontdekt werd, maar door dadelijk weder onder te duiken hun ontsnapte. Robbert redde zich echter veel sluwer dan de otter; en wel op het oogenblik, waarop hij het hevigst vervolgd werd, door een gelukkig verzonnen list. Hij ontdeed zich, namelijk, ongemerkt van zijn bonten plaid en liet dien met den stroom mededrijven. Daardoor werd de algemeene opmerkzaamheid een poos op het kleed gevestigd. Dit deed verscheiden ruiters het spoor missen en hij ontkwam.

Toen de vluchteling zijn vervolgers eenmaal uit het gezicht was, werd het nagenoeg onmogelijk, hem weder machtig te worden. Het water was op vele plaatsen te diep, de oever te steil en bijna overal met dichte bosschen bezet, die zoo ver over het water hingen, dat de ruiters dien niet dicht genoeg naderen konden. Daarenboven brachten verscheidene dwalingen en tegenspoeden, waarmede de vervolgers te worstelen hadden, er niet weinig toe bij, om hunne onderneming, toen het volkomen duister was geworden, meer en meer hopeloos te maken. Eenigen van hen werden door de snelheid van den stroom medegesleept en riepen hunne kameraden te hulp, om niet te verdrinken. Anderen waren zelfs, door het verwarde schieten en houwen, gekwetst, schreeuwden insgelijks om hulp, of dreigden met wraak. Ja, dergelijke ongevallen veroorzaakten zelfs nu en dan bloedige gevechten. Eindelijk gaven de trompetten het sein tot den terugtocht. De hertog had, hoe noode ook en vol ergernis, voor het oogenblik de hoop opgegeven, om zijn prooi, die hem zoo onverwachts ontrukt was, weder machtig te worden. Nu begonnen de ruiters zich langzaam, half onwillig en steeds met elkander twistende, te scharen. Ik zag hen, als donkere schimmen, langs den zuidelijken oever der rivier trekken. Het gedruisch daarvan, eerst door het veel luider geschreeuw van wraakzuchtige vervolgers verdoofd, hoorde ik nu te midden van het misnoegde en wrevelige grommen der teleurgestelde soldaten.

Ik was tot nu slechts een stille, ofschoon geenszins onverschillige aanschouwer van het zonderlinge voorval geweest; maar plotseling riep nu eene luide stem: »Waar is de Engelschman? Hij gaf Robbert het mes, om den riem door te snijden."

»Houwt hem in stukken, dien vervloekten puddingvreter! jaagt hem een paar kogels door den kop! Stoot hem de sabel door de darmen!" aldus brulden verscheidene stemmen door elkander. Ik hoorde eenige ruiters heen en weder galoppeeren en twijfelde niet, of zij waren voornemens deze bedreigingen ten uitvoer te brengen. Ik besefte het gevaarlijke van mijn toestand. Ik vreesde dat gewapenden, wier getergde driften door niets getemd werden, mij waarschijnlijk eerst zouden dooden, en dan onderzoeken zouden, of zij daaraan wel goed hadden gedaan. Dit denkbeeld deed mij ijlings van het paard springen, hetwelk ik los liet. Ik vluchtte een elzenboschje in, waar ik, wegens de meer en meer vallende duisternis van den avond, niet zoo licht zou kunnen ontdekt worden. Was ik dicht bij den hertog geweest, dan zou ik zijne bescherming hebben ingeroepen. Maar hij had zijn terugtocht reeds aangevangen. Op den ganschen linkeroever zag ik geen één officier, wiens aanzien groot genoeg zou geweest zijn, om mij te beveiligen, als ik mij aan hem had willen overgeven. Naar mijn oordeel kon, in zulke omstandigheden, geene wet van eer mij verplichten, om mijn leven noodeloos in gevaar te stellen. Toen het alarm begon te verflauwen en de hoefslag der paarden in den omtrek van mijne schuilplaats zich zeldzamer liet hooren, was mijne eerste gedachte, den hertog op te zoeken, zoodra alles bedaard zou zijn, en mij aan hem over te geven, als een getrouw onderdaan, die de gerechtigheid niet vreezen, en die, als vreemdeling, aanspraak op bescherming had.

Met dit voornemen kroop ik eindelijk uit het boschje en keek in het rond.

Duisternis overdekte thans de geheele streek. Slechts eenige weinige ruiters bevonden zich nog op den linkeroever der rivier. Van den anderen kant klonk de verwijderde hoefslag der paarden en het geschetter der trompetten, dat door het bosch weergalmde, om de achterblijvers terug te roepen. Mijn toestand was netelig genoeg. Ik had geen paard, en de diepe rivier, die zich, na het woelige tooneel, dat zoo even plaats gehad en haar in haren loop verontrust had, in het flauwe licht van de opkomende maan zeer dreigend vertoonde, noodigde waarlijk geen voetganger uit, om een overtocht te beproeven. Geenszins aan het doorwaden van rivieren gewend, had ik daarenboven nog kort te voren gezien, hoe sommige ruiters al hun krachten moesten inspannen om niet door den stroom medegesleept te worden, en hoe zij tot aan den zadel in de diepte zonken. Bleef ik daarentegen op den linkeroever der rivier, dan had ik geen ander vooruitzicht dan, na alle geleden ongemakken en verdrietelijkheden, nu nog den nacht onder den blooten hemel te moeten doorbrengen.

Na eenig nader overleg begreep ik, dat Andries, die zeker, met de andere bedienden de rivier moest overgekomen zijn, en steeds gewoon was zich onbescheiden op te dringen, niet in gebreke zou blijven, om den hertog aangaande mijne betrekkingen in te lichten. Het scheen mij dus niet zoo noodzakelijk, terstond op te treden om mijn goeden naam te redden en daarbij gevaar te loopen van in de rivier te verdrinken. Ja, als ik ook behouden den tegenoverliggenden oever bereikte, kon ik het spoor der ruiters missen, of door een achterblijver neergesabeld worden. Ik besloot dus naar de herberg terug te keeren, waar ik den vorigen nacht doorgebracht had. Van Robbert had ik niets te vreezen. Hij was nu vrij, en ik twijfelde niet, of, als ik onder eenigen van zijn volk mocht vallen, ik zou mij door het bericht van zijne redding bij hen verdienstelijk maken en mij vrij geleide verschaffen. Op deze wijze kon ik tevens toonen, dat het geenszins mijn plan was, Jarvie in den gevaarlijken toestand te verlaten, waarin hij hoofdzakelijk om mijnentwil was geraakt. Eindelijk kon ik slechts langs dezen weg hopen, tijding aangaande Rashleigh en mijns vaders eigendom te erlangen, wat de eerste aanleiding tot een reis was, waarop mij zulke gevaarlijke avonturen bejegend waren. Ik keerde dus de rivier den rug toe en begaf mij op weg naar Aberfoil.

Een scherpe noordenwind, die zich van tijd tot tijd verhief, verdeelde de nevelwolken, die anders tot het aanbreken van den dag het gansche dal zouden overdekt hebben; maar zij werden niet geheel en al uiteengedreven, maar vormden telkens afwisselende massa's, zonderling van gedaante, die nu eens om de kruinen der bergen zweefden, dàn weder in dichte dampen de diepe kloven vulden, waar ontzaglijke rotsklompen, van de klippen losgerukt, in het dal waren neergestort. De maan, die thans hoog en helder aan den kouden nachthemel schitterde, verzilverde de golfjes der rivier, de rotspunten en de steile ruwe wanden, welke de nevel niet overdekte, terwijl hare stralen door de dichtere nevelmassa's naar het scheen ingezogen werden, en de lichtere losse wolkjes in een doorschijnenden sluier veranderden. Bij dit inderdaad bekoorlijke gezicht en den verlevendigenden invloed der koude, gevoelde ik, in weerwil van mijn hachelijken toestand, mijn moed klimmen en mijn zenuwen meer spannen. Ik bevond mij in eene gemoedsstemming, die mij in staat stelde om elke zorg van mij te werpen, alle gevaar onverschrokken te gemoet te gaan, en ik floot onwillekeurig, terwijl ik, door de koude aangespoord, mijne schreden verdubbelde. Het kwam mij voor dat ik wezenlijk in krachten toenam, naarmate mijn vertrouwen op de sterkte, den moed en de hulpmiddelen welke ik in mij zelven vond, toenam; ja, ik hield mij zoo geheel met mijne gedachten en de gewaarwordingen, die zij in mij verwekten, bezig, dat twee lieden te paard mij inhaalden, zonder dat ik hen eerder bemerkt had, dan toen zij mij reeds op zijde waren. Die aan mijne linkerzijde deed zijn paard oogenblikkelijk den stap van het mijne houden en sprak mij aldus in het Engelsch aan: »Wel vriend, waarheen zoo laat?"

»Naar mijne herberg te Aberfoil," gaf ik ten antwoord.

»Zijn de wegen veilig?" vervolgde hij op denzelfden hoogen toon.