Robbert Roodhaar

Part 32

Chapter 323,824 wordsPublic domain

Nu gaf zij haren volgelingen met korte woorden in de Gaelische taal hare bevelen. Twee kerels grepen den smeekende, die nog steeds op de knieën lag, en sleurden hem naar den rand der klip, die over het meer uitstak. Hij schreeuwde en gilde op ijzingwekkende wijze. Toen de moordenaars, of beulen, als men hen zoo noemen wil, hem voorbij mij sleepten, herkende hij mij, en de laatste woorden, welke ik van hem hoorde, waren: »O, mijnheer Osbaldistone, red mij! red mij!"

Ik was door dien vreeselijken aanblik zoo getroffen, dat ik, ofschoon zelf eigenlijk nog een dergelijk lot verwachtende, voor hem poogde te spreken. Zoo als men denken kan, werd mijne voorspraak met somberen ernst versmaad. Het slachtoffer werd door eenige kerels vastgehouden, terwijl anderen een steen in een plaid bonden, dien zij hem om den hals knoopten, en nog anderen hem snel van een gedeelte zijner kleederen beroofden. Daarop wierpen zij het half naakte, half vastgebonden lichaam in het meer, dat op die plaats omtrent twaalf voet diep was. Door een luid vreugdegejuich over hunne gekoelde wraak, trachtten zij zijn laatste angstgeschreeuw te verdooven, dat nochtans duidelijk genoeg gehoord kon worden. Zoodra hij in het water geploft was, hielden de Hooglanders zich met hunne strijdbijlen en zwaarden gereed, om, indien het hem soms gelukken mocht, zich van den plaid en den steen te bevrijden en den oever te bereiken, hem terstond af te maken. Maar de knoop was zoo goed gelegd, dat de ongelukkige dadelijk in de diepte zonk. De golven, door zijn val gekliefd, waren eenige oogenblikken in beweging, doch kwamen spoedig tot rust. Morris had daar beneden zijn graf gevonden.

HOOFDSTUK XXXII.

Als ik niet voor de avond valt, Den stap hier weêr hoor van zijn voeten, Dan zweer ik bij de wraak van 't diep gefolterd harte En bij de kracht tot wraak van ijzig wreede smarte "Zwaar zal uw land die misdaad boeten!"

Uit een oud Tooneelspel.

Opmerkelijk, dat eene enkele wreede daad ons sterker treft, dan wanneer woeste barbaarschheid talrijke offers eischt? Ik had dien dag velen van mijne dappere landslieden zien sneuvelen, maar zij schenen mij slechts in het gewone lot der menschheid te deelen. Wel kwam er eene weemoedige aandoening in mij op, maar ik gevoelde geenszins die onbeschrijfelijk smartelijke ontroering, die mij aangreep toen ik den ongelukkigen Morris, onmachtig om zijn ontmenschten beulen zelfs den minsten tegenstand te kunnen bieden, den ijselijken marteldood zag ondergaan. Ik wierp een oog op mijn reisgenoot, en las op zijn gelaat de gewaarwordingen, die zich op het mijne uitdrukten. Diep verontwaardigd over de zoo even gepleegde gruweldaad mompelde hij, hoewel verstaanbaar genoeg, in zich zelven: »Het is een moord, een gruwzame moord! God zal die eenmaal wreken!"

»Gij vreest dus niet, dat hetzelfde lot u overkomen kan?" vroeg Helena met dien akelig dreigenden blik, waarmede een havik op zijn prooi neerziet, voordat hij zijne klauwen uitstrekt.

»Nicht," antwoordde Jarvie, »niemand zal gaarne zijn levensdraad afknippen, eer het einde van het kluwen behoorlijk om den haspel zit. En ik heb op deze drukke wereld nog veel te verrichten, niet alleen in mijne particuliere zaken, maar ook in mijn ambt tot welzijn van stad en land. Daarenboven heb ik nog voor deze en gene tot mij in betrekking staande, hulpbehoevende personen te zorgen; bijvoorbeeld voor het arme Matje, een verlaten wees. Zij is nog eene verre nicht van den heer van Limmerfield. En zie, als men over dat alles bedaard nadenkt, dan zou ieder voor het behoud van zijn leven gaarne alles geven wat hij bezit."

»En als ik u in vrijheid stelde," hernam de Amazone, »met welken naam zoudt gij dan het verdrinken van dien ellendigen Sakser bestempelen?"

Op deze onverwachte en vrij netelige vraag had de brave Jarvie niet zoo terstond zijn antwoord gereed. Hij kuchte eenige malen, liet eenige afgebroken woorden voorafgaan, en zeide toen: »Ik zou er zoo min mogelijk over spreken; want wie niet veel praat, heeft ook niet veel te verantwoorden."

»Maar als gij door het een of ander gerechtshof, zoo als gij het noemt, daarover ondervraagd werdt, wat zoudt gij dan antwoorden?" vroeg Helena nogmaals.

Jarvie keek rechts en links om zich heen, als zocht hij eene uitvlucht, die hij niet scheen te kunnen vinden. Eindelijk, als iemand, die geene kans tot een eerlijken terugtocht ziende, besluit den strijd te wagen, antwoordde hij moedig: »Ik merk wel, waar gij met mij heen wilt. Maar ik zeg het u ronduit, nicht, ik moet spreken naar plicht en geweten. Uw eigen man--om zijn en mijn wil wenschte ik wel, dat hij hier ware--en ook Dugald weten het beide, dat Nicolaas Jarvie de gebreken en fouten van een vriend even goed door de vingers kan zien, als iemand anders. Maar dat moet ik u ook zeggen, nicht, over mijne tong komt nooit een leugen. Eer ik zeggen zou, dat die arme schelm daar wettig om het leven is gebracht, zou ik veel liever naast hem in de diepte van het meer liggen. Maar gij zoudt toch, in elk geval, de eerste Hooglandsche vrouw zijn, die aan den bloedverwant haars mans in den vierden graad zulk eene daad zou plegen!"

Waarschijnlijk was de vrijmoedige en stellige toon, waarop Jarvie deze woorden sprak, beter geschikt om op het harde hart zijner nicht indruk te maken, dan de smeekende toon, dien hij te voren had aangenomen. Men snijdt edelgesteenten met staal, maar niet met weeker metalen. Beiden moesten wij voor haar komen.--»Uw naam is Osbaldistone?" zeide zij tegen mij. »De ellendeling, dien gij hebt zien sterven, noemde u zoo."

»Ja, ik heet Osbaldistone!" antwoordde ik.

»Dan is uw voornaam misschien Rashleigh!" vervolgde zij.

»Neen! Ik heet Frans," luidde mijn antwoord.

»Maar gij kent Rashleigh Osbaldistone toch?" hernam zij. »Vermoedelijk is die uw broeder, of ten minste uw bloedverwant en vriend?"

»Mijn bloedverwant, ja, maar geenszins mijn vriend," antwoordde ik. »Nog onlangs stonden wij tegenover elkander met den degen, toen iemand ons scheidde. Die iemand was uw man. Mijn bloed is aan zijn degen nog nauwelijks droog, de wond in mijne zijde nog niet volkomen geheeld. Ik heb geen reden, hem mijn vriend te noemen."

»Als gij dus niets met zijne listen en streken hebt te maken," hernam zij, »kunt gij u veilig en zonder voor uw vrijheid te vreezen naar Galbraith Garschattachin en diens bende begeven en hun eene boodschap van Mac-Gregors vrouw overbrengen?"

Ik antwoordde, dat ik niet wist, waarom dat krijgsvolk mij gevangen zou houden, en dat ik van hen zeker niets te vreezen had. Gaarne, voegde ik er bij, zou ik die boodschap verrichten, zoo ik hare gevangenen, mijn vriend en mijn bediende, daardoor bescherming kon verschaffen. Ik was toch in dit oord gekomen, alleen op uitnoodiging van haar man en op zijne verzekering, dat hij mij in zekere gewichtige zaak hulp zou verleenen. Mijn reisgenoot Jarvie had mij, ook al om mij in die zaak van dienst te zijn, herwaarts vergezeld.

»En ik wenschte wel," viel mijn vriend mij in de rede, »dat er in Jarvie's laarzen, toen hij ze aantrok, kokend water ware geweest!"

»Hebt gij gehoord, wat de jonge Sakser ons daar heeft gezegd?" vroeg Helena haren zonen. »Daarin kunt gij uw vader herkennen! Dan alleen bezit hij verstand, wanneer hij de muts op het hoofd en het zwaard in de hand heeft. Maar nauwelijks heeft hij den tartan met het lakensche kleed verwisseld, of hij wordt een slachtoffer van de ellendige streken der Laaglanders. Zie! na alles wat hij reeds geleden heeft, wordt hij op nieuw hun zaakwaarnemer, hun werktuig, hun slaaf!"

»Voeg er dan bij," zeide ik, »hun weldoener."

»Mij goed!" antwoordde zij; »dat is de ijdelste titel van alle. Talloos heeft hij weldaden bewezen. Waartoe? Om lage, schandelijke ondankbaarheid te oogsten. Maar genoeg! Ik zal u naar de vijandelijke voorposten laten geleiden. Vraag daar om het opperhoofd, den bevelhebber, of hoe hij zich noeme, te spreken. Breng hem de boodschap van mij, van Helena Mac-Gregor, zeg hem: Indien zij van Mac-Gregor's hoofd slechts een enkel haar krenken en hem binnen den tijd van twaalf uren niet in vrijheid stellen, dan zal er in Lennox, vóór Kerstmis, geene vrouw zijn, die geen jammerklacht aanheft over hem, die haar dierbaar is--geen pachter, die niet wee roept over eene afgebrande schuur, of een ledigen stal--geen laird, die des avonds zijn hoofd ter ruste zal leggen, met de zekerheid den volgenden morgen veilig te zullen opstaan! En namens mij eindigt ge met te zeggen: Zoodra de bepaalde tijd verstreken is, dan zend ik hun dit lid van den Glasgowschen raad, en dezen Saksischen kapitein, en al de overige gevangenen, elk in een plaid gebonden, maar in zoo vele stukken gehouwen, als er ruiten in een Tartan zijn."

Na deze vreeselijke bedreiging zweeg zij. Thornton had alles verstaan. Hij richtte zich op en sprak met koelbloedigheid: »Breng den bevelvoerenden officier de groeten van den kapitein Thornton en zeg hem, dat hij zijn plicht zal doen zonder zich om mij te bekommeren, of, om mijnent wil, zelfs een haarbreed van zijn plicht af te wijken. Ik ben dwaas genoeg, geweest, mij door deze listige wilden in eene hinderlaag te laten lokken, maar ik ben toch nog verstandig genoeg, om te weten hoe ik sterven moet, zonder den dienst oneer aan te doen. Ik beklaag alleen mijne dappere kameraden, dat zij in zulke wreede handen gevallen zijn."

»Stil! stil!" fluisterde Jarvie hem toe. »Zijt gij uw leven moede? Groet den bevelhebber ook van mij, Jarvie, lid van den stedelijken raad van Glasgow, zoon van mijn overleden vader, den wijkmeester, die insgelijks eens denzelfden post, als ik thans, bekleedde. Zeg hem, dat hier een paar brave mannen deerlijk in het nauw zitten, en dat het nog veel erger met hen kan afloopen. Hij kan voor het algemeene welzijn niets beters doen, dan Robbert ten spoedigste in vrijheid te stellen. Want dat hier reeds iets verschrikkelijks gebeurd is; maar daar dit eigenlijk slechts den kommies getroffen heeft, is het haast niet de moeite waard, er veel leven over te maken."

Met deze zoo lijnrecht tegen elkander inloopende boodschappen van Thornton en Jarvie, voor welke beiden evenwel de uitslag mijner zending van zoo veel belang was, en met Helena's herhaalde vermaning, om hare bevelen stipt en letterlijk over te brengen, werd ik eindelijk weggezonden. Andries kreeg verlof mij te vergezellen, denkelijk om van zijn lastig gejammer en gehuil bevrijd te worden. Men scheen echter te vreezen, dat ik met behulp van mijn paard aan mijne geleiders ontsnappen zou. Misschien wilde men ook een onderpand van eenige waarde behouden, opdat ik terug zou komen, en men gaf mij dus te verstaan, dat ik te voet moest reizen. Jakob, de oudste zoon van Mac-Gregor, benevens twee van zijne makkers, begeleidden mij, zoo wel om mij den weg te wijzen, als voornamelijk om de sterkte en stelling van den vijand te verkennen. Eerst werd Dugald dit mede opgedragen, maar zeer sluw wist hij zich daarvan te verschoonen, hij deed dit, zoo als wij naderhand vernamen, om in persoon voor Jarvie's veiligheid te kunnen zorgen, wien hij, volgens zijne onbeschaafde begrippen van trouw en dankbaarheid, hulp meende verschuldigd te zijn, omdat het lid van den achtbaren stedelijken raad eens zijn beschermer, of ten minste zijn gebieder geweest was.

Bijna een uur waren wij vrij snel voortgestapt, toen wij op een met hout bedekten heuvel kwamen, van waar we een vrij uitzicht over het dal hadden en de stelling van het krijgsvolk nauwkeurig in oogenschouw konden nemen. Het korps, dat grootendeels uit ruiterij bestond, had zich, zeer verstandig, niet in den engen pas gewaagd, die den kapitein Thornton zoo noodlottig was geweest. Het had zijne stelling vrij doelmatig ingericht op eene hoogte, in het midden van het kleine dal van Aberfoil, dat, door de Forth, die hier nog zeer nabij hare bronnen heeft, doorstroomd, door twee rijen heuvels van kalksteenrotsen, die van den oever opstijgen, ingesloten en in het verschiet door hooge bergen begrensd wordt. Het dal is zoo breed, dat de ruiters tegen een plotselingen aanval der Hooglanders volkomen beveiligd waren; ook waren op een behoorlijken afstand van het hoofdkorps naar alle kanten schildwachten uitgezet, ten einde bij het minste alarm tijds genoeg te hebben, om op te zitten en zich tot den strijd gereed te maken. Toenmaals vreesde men namelijk niet, dat de Hooglanders eene ruiterbende op het open veld zouden aantasten; ofschoon latere gebeurtenissen bewezen hebben, dat zij dit met goed gevolg wagen konden. De Hooglanders voedden, toen ik hen leerde kennen, eene bijna onbegrijpelijke vrees voor paardenvolk, omdat de Laaglandsche paarden een veel woester voorkomen hadden, dan de kleine paarden van hunne gebergten. Het gemeene volk geloofde, dat men die dieren afgericht had, om ook met hunne pooten en tanden te vechten.

De grazende paarden der ruiterij in het dal; de militairen, die in allerlei groepen aan den oever der heerlijke rivier zaten, stonden, of op en neer wandelden; de kale en toch schilderachtig schoone rotsen aan beide oevers--dit alles vormde een bekoorlijken voorgrond, terwijl aan de oostzijde het meer Menteith zich uitstrekte, en het kasteel Stirling in de schemerende verte met het blauwachtige Ochill-gebergte den achtergrond afsloot.

De jonge Mac-Gregor wierp een snellen, onderzoekenden blik op het dal. Daarop gaf hij mij te kennen, dat ik naar het krijgsvolk afdalen en mij van mijne opdracht bij den aanvoerder kwijten moest, terwijl hij mij tevens met dreigende gebaren verbood te verraden, wie mijn wegwijzer was geweest, en waar ik mijn geleide achtergelaten had.

Zoo begaf ik mij dan op weg, vergezeld door Andries, die van zijne Engelsche dracht alleen nog broek en kousen had, maar van zijn hoed beroofd was en sandalen droeg, welke Dugald hem uit medelijden gegeven had. Voor het overige had, hij zijne naaktheid vrij armzalig met een ouden gescheurden plaid bedekt. Wij waren intusschen nog niet ver gegaan, toen een ruiter, die op schildwacht stond, ons in het oog kreeg, terstond op ons toereed en met aangelegde karabijn ons: »staat!" toeriep. Ik gehoorzaamde en gaf hem mijn verlangen te kennen, om bij zijn bevelhebber gebracht te worden. Terstond toonde hij zich daartoe bereid en bracht mij in een kring van officieren, die in het gras zittende, een man van hoogen rang omringden, die een zeer fraai gepolijst stalen kuras droeg, waarop de teekens van de aloude distelorde hingen. Mijn bekende, Garschattachin, en verscheidene anderen, deels in uniform, deels in gewone kleeding, maar allen gewapend, schenen hunne bevelen van dien edelman te ontvangen. Zeer vele bedienden in prachtige livrei, hoogst waarschijnlijk tot zijn gevolg behoorende, verbeidden insgelijks zijne wenken.

Na eene eerbiedige begroeting verhaalde ik den bevelhebber, dat ik onwillekeurig getuige was geweest van de neêrlaag, welke de soldaten in den engen pas van Loch-Ard door de Hooglanders geleden hadden, en dat de overwinnaars hunne gevangenen, als ook het gansche Lageland, met het ergste bedreigden, tenzij hun dien morgen gevangen aanvoerder ongekrenkt in vrijheid werd gesteld. De hertog,--want de opperbevelhebber was iemand die dezen titel voerde--hoorde mij zeer bedaard aan, en antwoordde toen, dat het hem leed zou doen, de ongelukkige gevangenen den wreeden wilden, in wiens handen zij gevallen waren, te moeten prijs geven; maar dat het eene dwaze veronderstelling was, dat hij den hoofdbewerker van al deze rampen en misdaden uit zijne gevangenis zou ontslaan, om daardoor diens aanhangers nog vermeteler te maken.--»Keer terug," voegde hij er met mannelijke vastberadenheid bij, »en zeg hun, die u gezonden hebben, dat ik Robbert Campbell, dien zij Mac-Gregor noemen, onfeilbaar met het krieken van den volgenden dag zal doen ter dood brengen als een vogelvrij verklaarde, die met de wapens in de hand gevangen genomen werd en voor zijne tallooze gruweldaden duizendvoudig den dood heeft verdiend, dat ik mij voor het oog der wereld diep zou vernederen, wanneer ik ten zijnen opzichte anders handelde; dat ik het land tegen hunne onbeschaamde bedreigingen zal weten te beschermen, en dat, als zij de beide ongelukkige heeren, die zich thans in hunne macht bevinden, een enkel haar krenken, ik zulk eene geduchte wraak zal nemen, dat de steen en in hunne dalen jaren lang daarover wee zullen roepen!"

Ik veroorloofde mij bescheiden eene ernstige aanmerking betrekkelijk mijne zending, en sprak van de gevaren, waaraan ik mij bloot stelde; maar de hertog antwoordde, dat ik in dat geval mijn bediende kon terugzenden.

»Wel ja, waarom niet!" barstte Andries plotseling uit, zijn eerbied vergetende voor den hertog en zonder mijn antwoord af te wachten: »den bediende terugzenden! Denkt men dan dat ik, als de Hooglanders mij deze keel afsnijden, nog een andere tot plaatsvervangster op zak heb? Of dat ik, als een wilde eend, aan het eene einde van het meer onderduiken en aan het andere weder boven komen kan? Neen, neen! daarvan komt niets! Ieder voor zich, en onze lieve Heer voor ons allen, dat is mijne spreuk. Ieder doe zijne eigen boodschap, dan weet hij zeker, dat ze goed gedaan wordt. En buitendien, Robbert Roodhaar heeft nooit het kerspel van Dreepdaily bezocht, veel minder een enkelen appel of peer uit mijn tuin gestolen."

Toen ik den heilloozen babbelaar niet zonder moeite tot zwijgen had gebracht, schilderde ik den hertog het groote gevaar, waaraan kapitein Thornton en mijn vriend Jarvie blootgesteld waren, en smeekte hem, mij in antwoord eenige gematigde en aannemelijke voorwaarden mede te geven, waardoor het leven der gevangenen zou kunnen gered worden. Ik betuigde hem, dat ik voor mij volstrekt geen gevaar zou schuwen, zoo ik slechts de hoop kon koesteren van dienst te kunnen zijn. Ik voegde er nog bij, dat ik, na al hetgeen ik gehoord en gezien had, geen oogenblik twijfelde, dat men de gevangenen terstond zou vermoorden, als men wist dat Robbert Campbell de doodstraf moest ondergaan.

De hertog was zichtbaar getroffen.--»Het is een netelig, een allerneteligst geval!" zeide hij; »ik besef het zeer goed. Doch ik heb hoogere plichten jegens mijn vaderland te vervullen. Robbert moet sterven!"

Gaarne beken ik, dat ik niet gevoelloos bleef, toen ik hoorde welk lot den man te wachten stond, die zich zoo dikwerf dienstvaardig en welwillend jegens mij getoond had. Verscheidene lieden onder 's hertogs gevolg waren insgelijks getroffen en waagden het voor Robbert te spreken. Het zou, zeiden zij, raadzamer zijn hem naar het kasteel van Stirling te zenden en hem aldaar in strenge bewaring te houden, als onderpand voor de volkomen onderwerping van zijne bende. Het zou eene onberekenbare ramp zijn, het land aan eene plundering bloot te stellen, welke men in de lange nachten van den op handen zijnden winter niet zou kunnen beletten, omdat het niet mogelijk was elk punt te bewaken, en de Hooglanders zeer zeker de onbewaakte toegangen zouden weten te vinden. Het zou, voegde hij er bij, zeer hard zijn, de ongelukkige gevangenen aan de gruwzaamste martelingen ten prooi te geven, welke zij onfeilbaar zouden ondergaan, wanneer men door al te strenge maatregelen de wraakzucht der barbaren tergde. Garschattachin ging nog verder en pleitte voor in vrijheid-stelling, ofschoon hij zeer wel wist, dat de hertog om bijzondere redenen den gevangen Robbert geenszins genegen was. »Robbert Roodhaar"--zeide hij--»is, weliswaar, een gevaarlijk buurman voor de Laaglanden, en in het oog van den hertog alleszins strafschuldig, doch voor het overige een knappe, schrandere kerel. Misschien zouden er nog wel middelen te vinden zijn, om hem tot eene betere zienswijze te brengen. Maar zijne vrouw en zijne zonen, dat zijn vermetele vijanden, zonder vrees, zonder medelijden. Die zouden aan het hoofd van zijne bende eene erger landplaag worden, dan hij ooit zelf geweest was."

»Volstrekt niet!" antwoordde de hertog. »Hij alleen heeft door zijne schranderheid en listen zijne heerschappij zoo lang gehandhaafd. Een gewone Hooglandsche roover zou in even vele weken ten onder gebracht zijn, als hij jaren geheerscht heeft. Zijne bende, met hem niet meer tot aanvoerder, zal ons niet lang meer verontrusten. Als eene wesp zonder kop, die wel eens steken kan maar dan ook weldra ophoudt te leven, zal zij spoedig vernietigd zijn."

Garschattachin liet zich niet zoo licht tot zwijgen brengen. »Uwe hoogheid," zeide hij, »ik verklaar volstrekt geene vriendschap voor Robbert te koesteren en hij zeker evenmin voor mij. Immers, hij heeft tweemaal mijne stallen geplunderd, en mijnen pachters onberekenbaar veel schade berokkend, maar...."

»Maar," viel de hertog hem met een veelbeteekenend glimlachje in de rede; »gij meent, geloof ik, dat men zulk eene vrijheid aan den vriend van een vriend wel vergeven kan, en Robbert is immers, zoo als men vermoedt, geen vijand van uwe vrienden aan gene zijde van de zee?"

»Welnu, al ware dat eens zoo," antwoordde Galbraith op denzelfden schertsenden toon, »dan is dat toch het ergste niet wat ik van hem gehoord heb. Maar ik wenschte wel, dat wij al tijding van de stammen hadden, op wier komst wij reeds zoo lang wachten. Zij zullen denkelijk hun woord houden als--Hooglanders. Maar ik ken hunne wijze van handelen. Zij vechten niet gaarne tegen elkaar!"

»Dat geloof ik niet!" hernam de hertog. »Zij zijn als mannen van eer bekend, en ik mag op goeden grond vertrouwen dat zij hunne belofte gestand zullen doen. Er kunnen zich toch eens paar ruiters op weg begeven, om hen te gemoet te rijden. Vóór hunne aankomst kunnen wij het niet wagen, den engen pas aan te tasten, waar kapitein Thornton zich liet verschalken. Tien man voetvolk kunnen zich daar tegen het beste regiment ruiterij handhaven, dat weet ik best! Laat intusschen aan de manschappen eenige ververschingen geven."

»Ook ik genoot het voordeel van dit laatste bevel, en dit was mij zeer welkom, daar ik sinds onzen overhaasten maaltijd te Aberfoil volstrekt niets genuttigd had. De uitgezonden ruiters kwamen terug, maar zonder naricht aangaande de verwachte hulptroepen, en de zon was reeds vrij diep aan de kimmen gezonken, toen een Hooglander, die tot de verbonden stammen behoorde, een brief bracht, dien hij den hertog met eene diepe buiging aanbood.

»Ik wed om een okshoofd wijn," zeide Galbraith, »dat deze brief de tijding behelst, dat die satansche Hooglanders, die wij hier onder zoo vele plagen en ongemakken verbeid hebben, terugtrekken en ons aan ons lot overlaten zullen."

»Zoo is het ook!" riep de hertog, gloeiende van verontwaardiging, toen hij den brief gelezen had, die op een morsig stuk papier geschreven, maar met het aan 's hertogs hoogen rang verschuldigde opschrift voorzien was. »Onze bondgenooten hebben ons verlaten en een afzonderlijken vrede met den vijand gesloten."

»Dat is de gewone loop van alle verbonden!" hernam Galbraith. »De Hollanders wilden onlangs even zoo met ons handelen, toen wij hun te Utrecht de kans afkeken."

»Ik vind u erg vroolijk gestemd," zei de hertog eenigszins geërgerd, te kennen gevend, dat hij nu niet tot schertsen geneigd was. »Onze tegenwoordige toestand vereischt allen mogelijken ernst. Ik geloof niet, mijne heeren," vervolgde hij, zich tot de overige officieren wendende, »dat iemand uwer in de tegenwoordige omstandigheden van gevoelen zal zijn, dat wij verder in het land moeten doordringen, zoolang wij noch door vriendschappelijke Hooglanders, noch door voetvolk ondersteund worden."

Allen waren van gevoelen, dat zulk eene onderneming de grootste en onvergefelijkste dwaasheid zou zijn.