Robbert Roodhaar

Part 3

Chapter 33,907 wordsPublic domain

In alles nam mijn vader de strengste orde in acht. Juist op denzelfden dag, in dezelfde kamer, op denzelfden toon als vier weken te voren, herhaalde hij zijn voorstel, mij tot den koophandel op te leiden, en mij eene plaats op zijn kantoor aan te wijzen. Hij begeerde nu eindelijk mijn eindbesluit te hooren. Ik beschouwde deze stroeve manier als onheusch, en meen nog steeds, dat mijn vaders houding te mijnen opzichte niet de goede was. Zeer waarschijnlijk zou hij door een minzaam, verzoenend aanzoek zijn doel bereikt hebben. Maar onder deze omstandigheid bleef ik standvastig en wees zoo eerbiedig, als ik maar kon, zijn voorstel nogmaals van de hand. Niemand kan zijn eigen hart beoordeelen, maar misschien achtte ik het een man onwaardig, zich op de eerste opeisching over te geven. Ik geloof, dat ik een herhaald, meer dringend woord, en daarin een voorwendsel tot een veranderd besluit verwachtte.

Maar hoezeer had ik mij dan bedrogen! Mijn vader keerde zich kalm tot Owen en zeide vrij droog: »Welnu, heb ik het u niet gezegd, dat het zoo zou afloopen?"--En nu wendde hij zich even bedaard tot mij: »Het is wel, zeer wel, Frans! Gij zijt bijna meerderjarig, en thans even goed als gij het waarschijnlijk ooit zijn zult, in staat om te beoordeelen wat tot uw geluk bevorderlijk kan zijn. Dus geen woord meer hierover! Maar daar ik evenmin verplicht ben, om toe te treden tot uwe plannen, als gij genoodzaakt zijt u aan de mijne te onderwerpen, moet ik u nu eens vragen, of gij ook soms eenig plan gevormd hebt, waarbij gij op mijne hulp rekent?"

Eenigszins beschaamd antwoordde ik, dat ik geen beroep kende en geen eigen vermogen bezat, dus zonder mijns vaders ondersteuning onmogelijk door de wereld kon komen, dat echter mijn verlangen in dit opzicht zeer matig was, dat ik dus de hoop koesterde dat mijn tegenzin in het vak, waaraan hij mij wijden wilde, hem geene aanleiding zou geven, om mij zijn vaderlijken bijstand en bescherming geheel en al te onttrekken.

»Dat wil zeggen, gij zoudt gaarne op mijn arm willen leunen, en toch uw eigen weg volgen. Neen, dat doen we maar zoo niet, Frans! Ik hoop, op mijne beurt, dat gij mijne bevelen zult willen gehoorzamen, voor zoo verre zij niet met uwe grillen in strijd zijn."

Ik wilde spreken.--

»Wees zoo goed en zwijg!" hernam mijn vader.--»Ik verzoek u naar Northumberland te vertrekken en uw oom te bezoeken. Onder zijne zonen--ik meen, dat hij er zes heeft--heb ik dengenen uitgekozen, die, naar ik hoor, het boven al de anderen verdient, om de plaats op mijn kantoor in te nemen, welke ik u had toebedacht. Er zijn echter nog eenige beschikkingen te maken, waartoe uwe tegenwoordigheid misschien vereischt mocht worden. Mijne verdere bevelen zult gij op het kasteel Osbaldistone ontvangen, waar gij blijft, tot gij verder van mij hoort. Morgen vindt gij alles tot uw vertrek gereed."

En hiermede verliet mijn vader de kamer.

»Wat moet dit beteekenen, mijn waarde Owen?" vroeg ik den deelnemenden vriend, op wiens gelaat ik de innigste droefheid las.

»Gij hebt u zelf in het ongeluk gestort, mijnheer Frans--dat is de historie. Als uw vader zoo bedaard en stellig iets zegt, dan is er van hem geene verandering hoegenaamd in het eenmaal genomen besluit te verwachten, evenmin als in eene afgesloten rekening."

Owen had gelijk. Den volgenden morgen precies te vijf ure besteeg ik, met vijftig pond op zak, een tamelijk goed paard. Ik sloeg den weg naar York in. Ik begon--zooals het scheen--den eersten stap te doen, en zoowel mijns vaders genegenheid als het vaderlijk erfdeel mij zelf te ontnemen en aan een ander weg te schenken.

HOOFDSTUK III.

Hoe klapperen de zeilen, Hoe zinkt en rijst de boot! Het roer en riem verdwenen! In eenen stormwind stoot Een speelbal van de golven Een lek! de kiel in nood!

Gay's Fabelen.

Waarde vriend! als ge boven de hoofdstukken van dit belangrijk geschrift versjes of spreuken leest, dan dienen deze, om u opmerkzaam te maken op den inhoud van mijn verhaal. Wat nu hierboven staat, spreekt van een ongelukkigen zeeman, die onvoorzichtig met zijne boot, zonder tegen stroom in te kunnen sturen, in zee was gestoken. Een schooljongen, die zulk een waagstuk, in scherts of uit overmoed, ondernomen had, kon, door den stroom voortgesleept, in geen grootere verlegenheid zijn, dan ik mij bevond, toen ik zonder kompas op den levensstroom ronddreef. De kalme bijna onbegrijpelijke gemakkelijkheid waarmee mijn vader een band, dien men doorgaans als den allersterksten beschouwt, verbroken had, de minachtende wijze waarop hij mij als het ware uit zijn huis had gebannen--dit alles maakte, dat de gunstige dunk, dien ik omtrent mijne persoonlijke hoedanigheden koesterde, werkelijk begon te verminderen. Prins Mooi, in het bekende sprookje, nu eens prins, dan weder een visscherszoon, kon door zijne vernedering niet zoo deerlijk uit het veld zijn geslagen, als ik het was. Ach! Onze eigenliefde doet ons zoo gaarne al die bijzaken, welke ons in onze welvaart omgeven, als ons wettig eigendom beschouwen, en als dan de ontdekking komt van onze nietigheid, wanneer wij geheel aan onze eigen hulpmiddelen overgelaten zijn, dan voelen we ons zoo vernederd.

Het gedruisch der bedrijvige hoofdstad werd al flauwer en flauwer. Het verwijderde gelui der klokken scheen mij meer dan eens een waarschuwend: »keer terug!" toe te roepen. Van de hoogte van Highgate zag ik op de in nevels gehulde pracht der hoofdstad neder. En het was mij te moede, alsof ik aan rijkdom, levensvreugde, ja aan al de genoegens en genietingen van het gezellige leven daar ginds in mijn beminde vaderstad, voor eeuwig vaarwel had gezegd.

Maar het lot was beslist. Ik kon onmogelijk omkeeren! Hoe zou ik ook mogen verwachten, dat eene zoo late en half gedwongen onderwerping mij nu zou weergeven wat ik reeds had opgegeven. Integendeel, dacht ik, de onbuigzame wil van mijn vader zou door eene onwillige toetreding tot zijne wenschen meer vertoornd dan verzoend worden. En mijne trotschheid fluisterde: wat armzalige figuur zoudt ge maken, als reeds nu, vier mijlen van Londen, een windje van frissche landlucht een ernstig overleg van vier weken had weggewaaid. Bovendien, de hoop, die den jongeling en den moedigen man nooit verlaat, deden mij mijne uitzichten schitterend opsieren. Het was immers onmogelijk, dat mijn vader voornemens zou zijn, mij voor altijd van zich te verwijderen? Neen, het was slechts eene beproeving van mijne gezindheid. Als ik mij in deze beproeving maar geduldig en standvastig gedroeg, dan zou ik in mijns vaders achting rijzen, en dan zou er juist zeer licht de hartelijkste verzoening op volgen. Reeds overlegde ik, in hoe verre ik hem toegeven, en welke voorwaarden van ons verdrag ik als stellig en volstrekt onveranderlijk bepalen zou. Naar mijne berekeningen zou het gevolg dan eindelijk zijn, dat ik in al de rechten eens zoons hersteld werd. De eenige lichte straf, voor mijne weerspannigheid, zou zijn dat ik op enkele punten schijnbaar de minste zou moeten zijn.

En zie! in afwachting van die aangename toekomstige verzoening, was ik nu mijn eigen heer en meester. Ik smaakte het genot van eene volkomen onafhankelijkheid; iets dat het hart van een jongeling steeds met vreugde ofschoon tegelijk met vrees vervult. Mijne beurs was weliswaar niet al te goed voorzien; maar ik kon toch de wenschen en behoeften eens reizigers ongeveer bevredigen. Ik had mij in Bordeaux reeds eraan gewend zonder bediende te zijn. Mijn paard was gezond, jong en levendig. Mijne opgewekte gemoedsstemming verdreef dan ook spoedig de sombere beschouwingen, waarmede ik mijne reis aanvaard had.

Opwekkender ware het zeker geweest, indien ik op mijn weg meer afleiding had gevonden. Maar het noorden van Engeland leverde toenmaals, en misschien ook thans nog, niets bekoorlijks voor een reiziger op. Ja, ik geloof, waar men ook door het Britsche rijk reist, men overal meer afwisseling vindt dan hier. Evenwel, hoeveel luchtkasteelen ik in mijne ijdelheid voor de toekomst bouwde, mijne gelukkige stemming werd steeds minder. Zelfs de Muze, de beminnelijke, die mij naar deze woestenij gelokt had, verliet mij, even als hare zusters plegen te doen, in het oogenblik van nood. Ik zou volslagen mismoedig zijn geworden, als niet van tijd tot tijd een gesprek met reizigers, die denzelfden weg gingen, mij had afgeleid. Overigens waren de menschen die mij ontmoetten, over het geheel vrij onbeteekenend: dorpsgeestelijken, die van een bezoek in de stad huiswaarts keerden; pachters of veehandelaars, die van deze of geene jaarmarkt terugkwamen; kantoorbedienden, die in de kleine steden uitstaande schulden hadden ingevorderd, of soms een officier, die op werving uitging. Ons gesprek liep dus meestal over tienden, geloofszaken, rundvee, graan, natte en droge waren, slechte betaling van kleine winkeliers, soms zelfs kwam een beschrijving van een beleg of van een veldslag in de Nederlanden, die de verhaler misschien ook slechts uit de tweede hand had. Rooversgeschiedenissen, eene zoo vruchtbare en belangrijke stof, vulden elke gaping. Met de namen van den »Gouden Pachter," den »vliegenden straatroover Jack Needham" en van andere helden uit de Bedelaars-Opera werd ik even familiaar als met allerlei van de meest gewone onderwerpen uit het dagelijksche leven. Kinderen schuiven gewoonlijk dichter bij den haard, als een spookgeschiedenis haar toppunt bereikt. Zoo reden ook mijne reizigers bij zulke rooververhalen dichter naast elkander, onderzochten het slot hunner pistolen, en beloofden elkander bijstand in elk gevaar, eene belofte die gelijk zoo menige offensive en defensive alliantie, glad vergeten wordt, als het gevaar werkelijk komt.

Onder hen, die door zulke schrikbeelden 't allermeest vervolgd werden, verschafte een, die anderhalven dag lang mijn reisgenoot was, mij het grootste vermaak. Achter op zijn zadel had hij een zeer klein, maar naar het scheen zeer zwaar valies, waarvoor hij zoo bezorgd was, dat hij het nooit uit de handen gaf. Voor den dienstvaardigen ijver der knechts uit de herbergen, die zich aanboden om het in huis te dragen, had hij steeds het antwoord: »Ik zal het zelf wel dragen." Even voorzichtig trachtte hij niet alleen het doel zijner reis, maar zelfs den weg, welken hij inslaan wilde, te verbergen. Niets maakte hem meer verlegen, dan wanneer men hem vroeg, of hij links of rechts moest, en waar hij zijn paard dacht te voeren. Zijn nachtverblijf onderzocht hij met de meest angstige zorgvuldigheid. Hij vermeed alle eenzame en andere huizen, die hij voor gevaarlijk hield. In Grantham waakte hij, geloof ik, een ganschen nacht, omdat in de kamer naast de zijne een zwaarlijvig, scheel ziende reiziger sliep met eene zwarte pruik en een verbleekt rood kamizool met gouden galon bezet. Ondanks dien angst, was mijn reisgenoot, naar zijne forsche gestalte en gespierde leden te oordeelen, een man, die elk gevaar wel onder de oogen zou kunnen zien. Uit zijn hoed met goud en de kokarde maakte ik op dat hij een voormalig officier was, of ten minste iemand, die tot de krijgsmacht in betrekking stond. Zijne taal en vorm waren overigens vrij plat, maar toch niet onverstandig; vooral als de schrikbeelden, die zijne verbeelding verontrustten, voor een oogenblik geweken waren. Maar iedere toevallige aanleiding riep ze hem terstond voor den geest. Eene kale heide, of wat dicht struikgewas, gaf hem dadelijk bezorgdheid. Als een herder vroolijk floot, meende hij het sein van eene rooversbende te hooren. Zelfs het gezicht van eene galg bewees hem, wel is waar, dat de gerechtigheid ten minste één roover onschadelijk had gemaakt, maar herinnerde hem tevens, hoe vele er nog onopgehangen rondzwierven.

Het gezelschap van dien man zou mij ten slotte lastig zijn geworden, zoo niet mijne eigene gedachten mij nog veel lastiger waren geweest. Sommige van zijne zonderlinge verhalen hielden mij bezig, en eene andere gril, die hij had, gaf mij soms gelegenheid, om mij op zijne kosten te vermaken. Onder de ongelukkige reizigers, die volgens zijne vertellingen, in de handen van roovers waren gevallen, hadden vele hun droevig lot aan de onvoorzichtigheid te wijten, waarmede zij zich op den grooten weg bij welgekleede reizigers voegden, van wie zij bescherming en een gezellig onderhoud hoopten te zullen genieten. Die sluwe schelmen hadden dan de argeloozen met allerlei verhalen en liedjes gerustgesteld, hen in de herbergen voor bedrog en valsche rekeningen bewaard, tot zij eindelijk, onder het voorwendsel van een naderen weg over eene eenzame heide te willen aanwijzen, hunne slachtoffers van den grooten weg af op een zijpad lokten, waar, op het geluid van een fluitje, de overige roovers uit hunne schuilhoeken te voorschijn snelden, en de zoogenaamde reisgezel zich als de kapitein eener bende bekend maakte, aan welke de onvoorzichtige reiziger zijne goederen, misschien zelfs zijn leven, moest offeren. Als nu mijn reismakker bij het einde van zulk een vertelseltje het angstzweet op het voorhoofd parelde, dan keek hij mij gewoonlijk met een oog vol twijfel en argwaan aan, als vreesde hij dat hij zelf in het gezelschap van zulk een gevaarlijk wezen was geraakt. Werden dergelijke vermoedens dan wakker in hem, dan reed hij terstond aan den anderen kant van den weg, keek voor zich, achter zich, rondom zich, onderzocht zijne pistolen, en scheen zich tot de vlucht of tot verdediging voor te bereiden, naarmate de omstandigheden het een of het ander mochten vereischen. Ik voor mij amuseerde mij.

Bij zulke gelegenheden scheen echter zijn verdenking jegens mij niet lang te duren. Ze kwam mij trouwens veel te koddig voor, dan dat ik mij daardoor beleedigd achtte. Er was wel, noch in mijne kleeding, noch in mijne houding iets, dat in mij een roover had kunnen doen vermoeden. Maar in die tijden kon iemand best het voorkomen van een fatsoenlijk man hebben en toch een struikroover zijn. De verdeeling der werkzaamheid in de verschillende middelen van bestaan was toen nog zoo regelmatig niet als thans. De sluwe, welopgevoede avonturier, die bij het dobbelspel of in de kegelbaan den goeden lieden het geld afwon, was niet zelden tevens struikroover, die den reiziger op de heide of op een eenzamen weg aanrandde, en hem zijn beurs afvorderde. Ook heerschte in die tijden nog veel ruwheid van zeden, later meer verzacht en beschaafd. Ja, het komt mij voor, dat drieste lieden destijds veel minder afkeer ervan hadden dan thans, om door een stouten roof hunne vervallen zaken te herstellen. De tijden waren voorbij, toen Anthony-A-Wood treurde over de doodstraf van twee welopgevoede mannen, mannen van moed en gevoel van eer, maar die toch te Oxford zonder genade opgehangen werden, omdat de nood hen had gedwongen struikroovers te worden. Op de wijd uitgestrekte heivlakten in den omtrek der hoofdstad en zeker in de minder volkrijke, afgelegen oorden, vond men vele roovers te paard. Zij dreven hun handwerk met zekere wellevendheid. Zij lieten er zich, zoo als Gibbet in het bekende blijspel zegt, nog heel wat op voorstaan, de beschaafdste lieden op 's heeren wegen te zijn, en in de uitoefening van hun beroep zich met alle mogelijke kieschheid te gedragen. Een jongman in mijne toenmalige omstandigheden kon wezenlijk over het misverstand, voor een dezer hoogaanzienlijke roovers te worden aangezien, in de verste verte niet beleedigd zijn.

Ik was dan ook niet boos, ik vond er pleizier in, den argwaan van mijn vreesachtigen reismakker nu eens op te wekken, dan weder in slaap te wiegen. Opzettelijk deed ik soms dingen die dienen konden, zijn verstand in de war te brengen, dat van natuur niet tot het sterkst behoorde en door den angst nog verzwakt werd. Had ik hem door een vertrouwelijk en openhartig gesprek volkomen gerustgesteld, dan behoefde ik slechts, als ter loops, te vragen, hoe ver hij dien dag voornemens was te reizen, of wat het doel zijner reis was, om zijn argwaan terstond weder gaande te maken. Zelfs een geheel onverschillig gesprek nam soms eene voor hem hoogst verontrustende wending. Zoo praatten wij eens over de kracht en snelheid van onze paarden.

»Wel zeker," zeide mijn reisgenoot, »wat den galop betreft, dat erken ik gaarne, daartoe is uw paard bij uitstek goed. Het is inderdaad een fraaie ruin. Maar een harddraver is hij niet; daartoe staat hij niet hoog genoeg op zijne pooten. De draf, mijn waarde heer, de draf is de ware gang voor een rijpaard. Als wij hier dicht bij eene stad waren, zou ik het bruintje op een effen weg wel eens willen toetsen--ja, om eene flesch wijn, in de naaste herberg te drinken, zou ik mijn paard durven wedden."

»Top, mijnheer!" antwoordde ik; »de weg is hier effen genoeg."

»Ja, ja,"--hernam mijn reisgezel aarzelende, »maar eens voor altijd heb ik het mij op reis tot eene vaste wet gemaakt, mijn paard tusschen twee pleisterplaatsen nooit in het zweet te jagen: men kan niet weten wat er gebeuren kan. Men kan onverwachts zich genoodzaakt zien, van het goede beest wat meer te moeten vergen. En als het afgereden is, dan helpen zweep en sporen niet. Daarenboven dienen de beide paarden even veel te dragen, en het uwe draagt ten minste tachtig pond minder, dan het mijne."

»Goed; gaarne wil ik het ontbrekende gewicht opnemen. Hoe zwaar zou uw valies wel wegen?"

»Mijn va--va--valies?" hernam de arme man sidderende,--»och, dat heeft eigenlijk volstrekt geen gewicht--het is zoo licht als een veer--een paar hemden, twee paar kousen--"

»Het ziet er echter vrij zwaar uit. Ik wed om eene flesch besten portwijn, dat het juist even zwaar weegt, als ons beider gewicht verschilt."

»Gij vergist u, mijn waarde vriend, waarachtig, gij vergist u!" hervatte mijn reisgezel en stak dadelijk met zijn paard naar den anderen kant van den weg, zooals hij steeds deed als hij angstig werd.

»Welnu, gaat onze weddingschap door?" vroeg ik, om hem te plagen. »Tien tegen vijf pond: Ik neem uw valies op mijn paard, en gij zult mij toch niet bijhouden."

Dit voorstel deed zijn angst ten toppunt stijgen. De natuurlijke koperkleur van zijn neus, gevolg waarschijnlijk van rooden wijn of sterken drank, veranderde in een vaal bleek. Hij klappertandde van schrik over mijn voorstel, waarin hij den vermetelen roover in al diens onbeschaamdheid meende te ontdekken. Toen hij met zijn antwoord aarzelde, deed ik hem spoedig weder wat ruimer ademhalen, door hem naar een kerktoren te vragen, dien wij in het gezicht kregen, en door tevens de aanmerking te maken, dat wij nu, in de nabijheid van een dorp, geen gevaar meer liepen, om in onze reis op den grooten weg gestoord te worden. Zijn gelaat helderde toen wat op. Ik bemerkte echter duidelijk, dat het lang duurde eer hij een zoo verdacht voorstel kon vergeten. Gij vraagt, denk ik, waarom ik zoo uitvoerig van al zijn eigenaardigheden spreek? Welnu de kennismaking met dezen reiziger en de daarmede gepaard gaande omstandigheden hadden, ofschoon onbelangrijk op zich zelf, een gewichtigen invloed op mijne latere lotgevallen uitgeoefend. Zijne houding wekte nu slechts mijn spot. Zij bevestigde mij in mijne meening, dat onder alle zaken waarmede de menschen zich zelven kwellen, geene is, zoo lastig, zoo pijnlijk voor zichzelf en anderen als ongegronde angst.

HOOFDSTUK IV.

"De Schot is een arme zot", zegt trotsch de Engelschman. 't Mag zijn.--De Schot zwijgt stil, bij deze aanklacht. Maar waarom zijt gij dan nog boos, Als hij hier henen komt, om dit gebrek te beteren?

Churchill.

Op de Engelsche groote wegen heerschte nog in die dagen voor het reizend publiek een oud gebruik, dat tegenwoordig wel geheel verouderd is, misschien is het in sommige streken nog bij het gemeene volk in zwang. Op lange tochten, te paard afgelegd, was het gebruikelijk, des Zondags niet verder te reizen, maar op eene plaats te blijven waar de reiziger dan de godsdienstoefening bijwoonde en ook aan zijn paard de weldaad van den rustdag schonk; die instelling zal voor onze redelooze medeschepselen wel even aangenaam zijn, als voor ons. De weerklank van deze gewoonte en tevens een overblijfsel van oud-Engelsche gastvrijheid was dan, dat de eigenaar van elke eenigszins aanzienlijke herberg, op dien dag zijn krijt op zij legde, en alle gasten, die zich onder zijn dak bevonden uitnoodigde, om met hem en de zijnen een stuk rundvleesch en een pudding te gebruiken. Deze uitnoodiging werd ook gewoonlijk door allen aangenomen, behalve soms door dezen of genen al te voornamen gast, die meende dat het te kort deed aan zijn stand een maaltijd op kosten van zijn waard te genieten.--Gewoonlijk was dan het bestellen van eene flesch wijn na het eten, om op de gezondheid van den gastheer te drinken, de eenige vergoeding, die aangeboden en aangenomen werd.

Wereldburger van aard, was ik gaarne tegenwoordig bij al zulke tooneelen, waar ik menschenkennis kon opdoen. Bovendien had ik nergens de pretentie van aan mijn stand eenige opoffering verschuldigd te zijn. Ik verzuimde dus zelden, het Zondagsmaal van den waard in den Kouseband, in den Leeuw of in den Beer dankbaar aan te nemen. Het was reeds op zich zelf een prettig gezicht den welmeenenden gastheer aan het hoofd zijner gasten te zien, die hij anders gewoon was te bedienen,--hij geleek eene vriendelijk schijnende zon, rondom welke de andere planeten zich bewogen. Hij was vandaag een man van gewicht. Hij was de gastheer. De ontwikkelde lieden, de aanzienlijksten uit de stad of het dorp, de apotheker, de zaakwaarnemer, ja zelfs de predikant, achtten het niet beneden zich, op dit wekelijksche feest te verschijnen. De gasten, uit verschillende oorden en van verschillende beroepen, leverden in taal, zeden en gevoelens zulke merkwaardige tegenstellingen op, dat er voor een opmerker zeer belangrijke stof te vinden was.

Op zulk een zondag bevond ook ik mij met mijn angstigen reismakker onder het dak van den dikken waard in den »Zwarten Beer" te Darlington, in het bisdom Burham. Eensklaps kwam onze waard, op een toon die als eene verontschuldiging klonk, ons berichten, dat een heer uit Schotland het middagmaal met ons zou gebruiken.

»Een heer? Wat is dat dan voor een heer?" vroeg mijn reisgenoot snel; hij dacht natuurlijk dadelijk aan de »heeren van den grooten weg," alias straatroovers.

»Nu, een Schotsche heer, zoo als ik u gezegd heb," hernam de waard. »Bij mij zijn allen heeren, al blijven de ratten bij hen te huis voor de broodkast dood. Maar overigens is deze een fatsoenlijk man, een der fatsoenlijkste lui, die ooit over de grenzen van Schotland kwamen. Ik geloof dat het een veehandelaar is."

»Zijn gezelschap zal ons zeker aangenaam zijn," zeide mijn reismakker, zich tot mij wendend en uiting gevende aan de geruststelling die in hem ontwaakt was: »Ik acht de Schotten hoog, waarde heer! ik bemin en eer dat volk. Men zegt weliswaar, dat zij arm zijn. Maar bij mij heeft een eerlijk man, al is hij in lompen gehuld, de voorkeur boven een gegaloneerden en geparfumeerden schurk. Van geloofwaardige zijde is mij stellig verzekerd dat de straatrooverij in Schotland, van de oudste tijden af, ten eenen male onbekend is."

»Dat zal waar zijn: Wie zou de Schotten bestelen! daar is niets te stelen," viel de waard hem in de rede en lachte luid over zijne eigen geestigheid.

»O neen, kastelein!" riep eene diepe basstem vlak achter hem; »je Engelsche tolbedienden en kommiezen, die gij over de grenzen zendt, verstaan het dievenhandwerk zoo meesterlijk, hebben er zulk een monopolie van, dat er voor geen Schot met stelen of rooven iets meer te verdienen valt."

»Best geantwoord, vriend Campbell!" hernam de kastelein. »Ik dacht waarlijk niet, dat gij zoo dicht bij ons waart. Maar gij kent mij, en weet dus, dat ik als een echte Yorkshirsche boer altijd ronduit zeg wat me op het hart ligt. Hoe gaat het daar in het zuiden met den handel?"

»Zoo als gewoonlijk," antwoordde Campbell. »Verstandige lieden koopen en verkoopen, en gekken worden gekocht en verkocht."